Circulaire nr. 3/2005 (AFZ 6/2005 - Dos. E.E./L. 144) d.d. 05.04.2005
Vlaams Gewest - Abattement en meeneembaarheid - Schenking (bouwgronden en roerende goederen)
In het Belgisch Staatsblad van 31 december 2004, editie 3, werd het decreet van het Vlaams Parlement van 24 december 2004 "houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2005" bekendgemaakt.
Bij dat decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten:
1. wat betreft de registratierechten op de aankoop van onroerende goederen:
- abattement en meeneembaarheid: verlenging van de termijn voor vestiging van de hoofdverblijfplaats in het nieuw aangekochte goed wanneer dat goed een bouwgrond is - wijziging artikel 46bis, derde lid, 2°, c, artikel 614, eerste lid, 3°, b), vierde streep en artikel 212bis, zesde lid, 3°, b), vierde streep - zie onder randnummer 1 van de commentaar ;
- meeneembaarheid:
- uitsluiting van de aanvullende rechten uit de verrekenbare of teruggeefbare rechten - wijziging artikel 613, tweede lid en artikel 212bis, tweede lid - zie onder randnummers 2 en 3 van de commentaar ;
- een verrichting (A1-V1-A2 of A1-A2-V1) die aanleiding kan geven tot meeneembaarheid hoeft niet meer per se een zuivere verkoop te bevatten; de vereiste vervreemding (V1) zal voortaan ook de vorm van een verdeling kunnen aannemen - wijziging artikel 613, eerste lid, artikel 614, eerste lid, 2° en 3°, a), artikel 212bis, eerste lid en zesde lid, 1°, 2°, a) en 3°, a) en artikel 212ter, tweede lid - zie onder randnummers 4 en 5 van de commentaar ;
- mildering van de vereiste dat de verkochte woning tot hoofdverblijfplaats van de betrokkene moet gediend hebben ten tijde van de verkoop ervan (verrichting verrekening) of ten tijde van de aankoop van de nieuwe woning (verrichting teruggave) - wijziging artikel 614, eerste lid, 3°, a) en artikel 212bis, zesde lid, 3°, a) - zie randnummers 6 tot 10 van de commentaar ;
- remediëring aan bepaalde oorzaken van afwezigheid van recht op meeneembaarheid, met name de gevallen waarin:
- de authentieke akte van verkoop wordt verleden vóór de authentieke akte van de nieuwe aankoop (situatie die normaal verrekening kan meebrengen), doch beide worden verleden na de registratie van de onderhandse aankoopovereenkomst - wijziging in fine van het eerste lid van artikel 212bis ;
- de authentieke akte van nieuwe aankoop wordt verleden vóór de authentieke akte van verkoop (situatie die normaal teruggave kan meebrengen), doch beiden worden verleden na de registratie van de onderhandse verkoopovereenkomst - wijziging in fine van het eerste lid van artikel 613.
zie randnummers 11 tot 14 van de commentaar ;
- een puur technische rechtzetting in artikel 212 ter, derde lid - zie randnummer 15 van de commentaar ;.
2. wat betreft de registratierechten op schenkingen:
- van bouwgronden:
- een puur technische rechtzetting - wijziging van artikel 140nonies - zie randnummer 16 van de commentaar ;
- van roerende goederen
- schenkingen van roerende goederen gedaan onder de opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker worden onttrokken aan de toepassing van het tarief van de schenkingsrechten - wijziging artikel 131, §2 - zie randnummer 17 van de commentaar ;
b) aan het Wetboek der successierechten:
1. nieuwe fictiebepaling waarbij schenkingen onder de levenden van roerende goederen onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, gelijkgesteld worden met legaten - wijziging artikel 4 - zie randnummers 18 tot 29 van de commentaar.
Bij deze circulaire wordt bij die wijzigingen een eerste commentaar gegeven.
Krachtens artikel 95 van het decreet treden bovenstaande maatregelen in werking op 1 januari 2005, met uitzondering van artikel 15 en artikel 29 van het decreet (zie randnummers 16 en 15 van deze circulaire), die uitwerking hebben met ingang van respectievelijk 1 januari 2004 en 1 januari 2003 - zie randnummers 30 tot 35 van de commentaar.
In bijlage bij deze circulaire wordt een uittreksel van de tekst van het decreet meegedeeld (bijlage 1). In een tweede bijlage gaat de gecoördineerde tekst van de gewijzigde bepalingen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en van het Wetboek der successierechten.
COMMENTAAR
Inhoudsopgave commentaar
HOOFDSTUK 1: REGISTRATIERECHTEN
Afdeling 1: Abattement en meeneembaarheid. - Verlenging van de termijn van drie jaar voor vestiging van de hoofdverblijfplaats op de aangekochte bouwgrond
Afdeling 2: Meeneembaarheid. - Het meeneembaar bedrag kan voortaan niet meer beïnvloed worden door de op een aankoopelement verschuldigde aanvullende rechten
Afdeling 3: Meeneembaarheid. - Vervreemding van het eerste aankoopelement kan voortaan ook bij overeenkomst van verdeling
Afdeling 4: Mildering van de vereiste dat de verkochte woning tot hoofdverblijfplaats van de betrokkene moet gediend hebben ten tijde van de verkoop ervan (verrichting verrekening) of ten tijde van de aankoop van de nieuwe woning (verrichting teruggave)
Afdeling 5: Remediëring aan probleem van de registratie van de compromis als oorzaak van afwezigheid van recht op meeneembaarheid
Onderafdeling 1: Situatie 1
Onderafdeling 2: Situatie 2
Afdeling 6: Artikel 212ter - Technische rechtzettting
Afdeling 7: Schenking van bouwgronden - Technische rechtzetting
Afdeling 8: Tarief van artikel 131 niet langer van toepassing op bepaalde schenkingen
HOOFDSTUK 2: SUCCESSIERECHTEN
Afdeling 1: Inleiding
Afdeling 2: Ratio legis
Afdeling 3: Voorwaarden waaronder een schenking met een legaat wordt gelijkgesteld
Onderafdeling 1: Uitdrukkelijke voorwaarden
Onderafdeling 2: Niet uitdrukkelijk vermelde voorwaarden die volgen uit de lokalisatieregels inzake schenkingsrechten in de bijzondere financieringswet
HOOFDSTUK 3: INWERKINGTREDING
Afdeling 1: Algemeen
Afdeling 2: Concretisering van de inwerkingtreding op 1 januari 2005
Onderafdeling 1: Inzake registratierechten
Onderafdeling 2: Inzake successierechten
HOOFDSTUK 1.- REGISTRATIERECHTEN
Afdeling 1.- Abattement en meeneembaarheid. - Verlenging van de termijn van drie jaar voor vestiging van de hoofdverblijfplaats op de aangekochte bouwgrond.
1. Zowel in het kader van de regeling van het abattement als in het kader van die van de meeneembaarheid moet de genieter van het voordeel binnen een bepaalde termijn zijn nieuwe hoofdverblijfplaats vestigen op de plaats van het nieuw aangekochte goed om het voordeel van de vermindering te behouden. Wanneer het nieuw aangekochte goed een bouwgrond was, bedroeg die termijn tot nog toe 3 jaar:
cf.
- artikel 46bis, derde lid, 2°, c (abattement);
- artikel 614, eerste lid, 3°, b), 4de streep (meeneembaarheid/ verrekening)
- artikel 212bis, zesde lid, 3°, b), 4de streep (meeneembaarheid/ teruggave).
De artikelen 16, 21 en 27 van het decreet brengen die termijn op vijf jaar.
Afdeling 2.- Meeneembaarheid. - Het meeneembare bedrag kan voortaan niet meer beïnvloed worden door de op een aankoopelement verschuldigde aanvullende rechten.
2. De artikelen 18 en 23 van het decreet brengen mee dat er voortaan bij de bepaling van het meeneembaar bedrag (verrekening en teruggave) alleen nog rekening moet worden gehouden met de initieel geheven rechten op de aankoopakten (A1 of A2). Bijrechten die, om welke reden dan ook, na de heffing van oorspronkelijke evenredige rechten op de aankoopakten worden geïnd of ingevorderd, kunnen de meeneembaarheid niet meer (1) beïnvloeden (2).
[(1.) Cf. Circulaire nr. 3-5 van 17 januari 2002, punt 3.4., tweede alinea op blz. 9. In deze alinea moeten dus de woorden ", alsook de bijrechten die na de registratie van de aankoopakte betreffende A1 werden gevestigd ingevolge een tekortschatting, een prijsbewimpeling, het verlies van het verlaagd recht genoten bij de aankoop van een bescheiden woning …" geschrapt worden.
(2.) Cf. Vlaams Parlement Stuk 124 (2004-2005)-Nr. 1. Memorie van toelichting, blz. 15.]
Voorbeeld 1. Op een aankoopakte werd een evenredig recht van 5% geheven omdat alle voorwaarden voor toekenning van het verminderd recht voor bescheiden woningen op het ogenblik van de aanbieding ter registratie ervan, vervuld waren. De vermindering is echter niet behouden gebleven omdat de verkrijger of zijn echtgenoot niet binnen de gestelde termijn in het bevolkingsregister op het adres van het goed werd ingeschreven. Bij latere aanspraak op de meeneembaarheid zal enkel rekening kunnen gehouden worden met de initieel geheven rechten (5%) niet met de uiteindelijk betaalde rechten (initieel betaalde rechten + bijrechten = 10%).
Voorbeeld 2. X heeft op 1 mei 2003 een bescheiden woning aangekocht (A1) (heffingsgrondslag: € 80.000) aan het tarief van 5% (heffing: € 4.000). Op 1 november 2004 heeft hij die woning wederverkocht (V1) zodat hij de aanvullende rechten ten belope van 5% (= € 4.000) verschuldigd werd (artikel 60, tweede lid W. Reg.). Anderzijds heeft X, bij toepassing artikel 212 W. Reg. (wederverkoop binnen twee jaar), teruggave bekomen van 3/5 van de totaal betaalde rechten. Wanneer X na 31 december 2004 opnieuw een woning aankoopt (A2) (compromis vanaf 1 januari 2005) zijn de door hem op de eerste aankoop initieel betaalde rechten ten bedrage van € 1.600 verrekenbaar bij die tweede aankoop. Er moet inderdaad rekening gehouden worden met het bedrag van de teruggave (vóór compensatie met de aanvullende rechten). Men kan immers geen tweemaal teruggave krijgen van dezelfde rechten. Dat bedrag moet worden omgeslagen over de initieel betaalde en de aanvullende rechten.
Schematisch geeft dit het volgende:
| A1 | V1 | A2 |
|---|---|---|
| 5 % = € 4.000 | + 5 % = € 4.000 |
Verrekenbaar: € 4.000 (initieel geheven rechten) - € 2.400 (deel van de teruggegeven rechten dat betrekking heeft op de initieel geheven rechten = 3/5 van € 4.000) = € 1.600
Voorbeeld 3. Quid indien op A2 aanvullende rechten verschuldigd zijn ? Op A1 heeft X initieel en definitief 12.000 € aan verkooprecht betaald. X verkoopt A1 en koopt A2 waarop initieel 10.000 € verkooprecht verschuldigd is. Op het ogenblik van de registratie van de akte, waarbij de verrekening wordt gevraagd en bekomen, hoeft X op A2 dus effectief niets te betalen. Nadien wordt een meerwaarde op A2 gevestigd die aanleiding geeft tot 1.000 € aanvullende rechten op die tweede aankoop. Hoewel het principieel meeneembaar bedrag niet was uitgeput door de verrekening, kunnen deze aanvullende rechten op A2 niet meer verrekend worden. X zal dus de aanvullende rechten ten bedrage van 1.000 € wel effectief moeten betalen.
3. Het spreekt voor zich dat rechten die van de belastingplichtige zouden worden nagevorderd omdat de heffing op de akte niet is gebeurd overeenkomstig het tarief en de grondslag welke de gegevens van de akte rechtvaardigen, wel voor de meeneembaarheid in aanmerking komen (3).
[(3) Ibidem voetnoot 2.]
Voorbeeld 4. De rechten werden geheven over de opgegeven prijs (overeengekomen waarde) van 100.000 euro, terwijl de partijen in de akte pro fisco ook een verkoopwaarde van 120.000 euro hebben vermeld. Initieel werd er € 5000 geheven. De navordering bedroeg € 1.000. Bij latere aanspraak op de meeneembaarheid zal zowel rekening gehouden worden met de initieel geheven rechten als met de nagevorderde rechten bij de bepaling van het principieel meeneembaar bedrag.
Afdeling 3-. Meeneembaarheid. - Vervreemding van het eerste aankoopelement kan voortaan ook bij overeenkomst van verdeling.
4. Zowel bij een verrichting-verrekening (A1-V1-A2) als bij een verrichting-terruggave (A1-A2-V1) moest het vervreemdingselement (V1) tot nu toe bestaan in een zuivere verkoop. Voortaan kan dat vervreemdingselement (V1) ook bestaan in een overeenkomst van verdeling. Voorwaarde is dan wel dat de belastingplichtige die aanspraak maakt op de meeneembaarheid, bij die verdeling al zijn rechten in A1 heeft afgestaan (zie nieuw eerste lid van artikel 613 en nieuw eerste lid van artikel 212bis) (4).
[(4) Aldus is het duidelijk dat het woord "verdeling" in deze context ook slaat op een afstand van onverdeelde delen tussen medeëigenaars (cf. art. 109, 2° W. Reg.). Dergelijke afstand kan dus net - zoals een eigenlijke verdeling - ook het recht op meeneembaarheid doen ontstaan.]
Vb. X en Y, echtgenoten, besluiten uit de echt te scheiden. In het kader van een echtscheiding door onderlinge toestemming wordt overeengekomen dat X de gezinswoning, die ze samen - elk voor de helft - hebben aangekocht, zal overnemen. X zal bij latere verkoop van die woning en aankoop van een nieuwe woning in principe beroep kunnen doen op het voordeel van de meeneembaarheid. Onder gelding van de oude tekst van de artikelen 613 en 212bis kan Y echter bij een latere aankoop van een nieuwe woning, geen beroep doen op de meeneembaarheid omdat in de verrichting die hij tot stand brengt geen zuivere verkoop maar een verdeling als element van vervreemding van de oorspronkelijke woning voorkomt. Voortaan zal Y, net zoals X, bij aankoop van een nieuwe woning in principe de meeneembaarheid kunnen inroepen, mits hij bij de verdeling geen rechten in de oorspronkelijke gezinswoning heeft behouden.
5. Naast de aanpassing van het eerste lid van artikel 613 en van het eerste lid van artikel 212bis, heeft deze versoepeling - omwille van de coherentie van de teksten - nog de aanpassing meegebracht van andere tekstonderdelen van de regeling inzake de meeneembaarheid, met name van artikel 614, eerste lid, 2° en 3° a), van artikel 212bis, zesde lid, 1°, 2°, a) en 3°, a) en van artikel 212ter, tweede lid. Aan laatstbedoelde aanpassingen (toevoeging "verdeelde" of "verdeling") hoeft dus geen bijzonder belang gehecht te worden; ze zijn gewoon een redactioneel uitvloeisel van eerstbedoelde aanpassingen.
Afdeling 4.- Mildering van de vereiste dat de verkochte woning tot hoofdverblijfplaats van de betrokkene moet gediend hebben ten tijde van de verkoop ervan (verrichting verrekening) of ten tijde van de aankoop van de nieuwe woning (verrichting teruggave).
6. Tot nog toe was, om op de meeneembaarheid beroep te kunnen doen, vereist dat de betrokkene hetzij:
- zijn hoofdverblijfplaats had in de verkochte woning "ten tijde" van de verkoop van die woning (verrichting verrekening - art. 614, eerste lid, 3° a);
- zijn hoofdverblijfplaats had in de verkochte woning "ten tijde" van de aankoop van de tot nieuwe hoofdverblijfplaats bestemde woning (verrichting teruggave - art. 212bis, zesde lid, 3°, a).
7. Die "ten tijde"-voorwaarde wordt nu versoepeld. Voortaan zal het:
- voor een meeneembaarheid onder de vorm van verrekening volstaan dat de betrokkene op enig ogenblik in de periode van achttien maanden vóór de verkoop of vóór de verdeling het verkochte of verdeelde goed als zijn hoofdverblijfplaats gebruikte;
voorbeeld: X en Y hebben na hun huwelijk een woning aangekocht, elk voor de helft, en er hun hoofdverblijfplaats gevestigd (A1). Na vijf jaar besluiten X en Y te scheiden via de procedure van echtscheiding door onderlinge toestemming. X blijft in de vroegere gezinswoning wonen tot er een koper voor gevonden is. Y verhuist van bij de inleiding van de E.O.T.-procedure naar een huurappartement. X en Y verkopen vervolgens de vroegere gezinswoning (V1) Met hun aandeel in de opbrengst van de verkoop van de vroegere gezinswoning kopen X en Y later elk een eigen appartement, dat tot hun respectieve nieuwe hoofdverblijfplaats wordt bestemd (A2X en A2Y). In de oude regeling kon enkel X van de meeneembaarheid door verrekening genieten. Y kon er niet van genieten omdat hij op het ogenblik van de verkoop van de vroegere gezinswoning er zijn hoofdverblijfplaats niet meer had. Onder gelding van de nieuwe regeling zal Y ook de meeneembaarheid door verrekening kunnen genieten, op voorwaarde dat hij zijn hoofdverblijfplaats minder dan 18 maanden vóór de verkoop van de vroegere gezinswoning naar het huurappartement zal hebben overgebracht.
- voor een meeneembaarheid onder de vorm van teruggave volstaan dat de betrokkene op enig ogenblik in de periode van achttien maanden vóór de aankoop van de woning die tot zijn nieuwe hoofdverblijfplaats zal dienen, zijn hoofdverblijfplaats gehad heeft in de wederverkochte of verdeelde woning.
Voorbeeld: Stel dat in het vorige voorbeeld Y bij de inleiding van de E.O.T. naar een huurappartement verhuist en vervolgens, na de E.O.T. maar vóór de wederverkoop van de vroegere gezinswoning, een appartement aankoopt dat hij tot zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt. In de oude regeling kon Y niet van de meeneembaarheid onder de vorm van teruggave genieten, omdat hij ten tijde van de aankoop van het appartement niet meer zijn hoofdverblijfplaats in de vroegere gezinswoning maar in het gehuurde appartement had. Voortaan zal het feit dat Y in een tussenperiode zijn hoofdverblijfplaats in het gehuurde appartement heeft gehad geen beletsel meer zijn om recht te hebben op meeneembaarheid onder de vorm van teruggave, op voorwaarde dat die tussenperiode geen volle achttien maanden heeft geduurd.
8. Bij de lezing van de gewijzigde artikelonderdelen rijst de vraag vóór welk tijdstip de bedoelde periode van achttien maanden zich situeert.
- In het gewijzigde a) van artikel 614, eerste lid, 3°, luidt het dat die periode zich situeert onmiddellijk vóór de "verkoop of verdeling" van de woning waarin de hoofdverblijfplaats voorheen gevestigd is geweest.
- In het gewijzigde a) van artikel 212bis, zesde lid, 3°, luidt het dat die periode zich situeert onmiddellijk vóór de "aankoop" van de nieuwe woning-hoofdverblijfplaats.
Hiermee wordt de datum van de overeenkomst van verkoop of verdeling, respectievelijk van aankoop bedoeld.
9. In het algemeen deel van de memorie van toelichting benadrukt de Vlaamse Regering dat ze blijft vasthouden aan een voldoende nauw causaal verband tussen de verrichtingen. De termijn van achttien maanden is dus niet voor verlenging vatbaar.
10. In de artikelsgewijze toelichting bij het ontwerp van decreet voegt de Vlaamse Regering daaraan toe dat er doelbewust voor geopteerd werd de tijd gedurende dewelke een verblijfplaats moet aangehouden worden om van een hoofdverblijfplaats te kunnen spreken, niet strikt af te bakenen. Ze wijst er op dat:
- die tijdsduur uiteraard voldoende lang moet zijn om van een effectief bewonen te kunnen spreken en
- die tijdsduur zich niet uitsluitend hoeft te situeren in de periode van achttien maanden, maar dat hij al kan - en meestal zal - een aanvang hebben genomen vóór die periode.
opmerking: het is dus mogelijk dat in de periode van achttien maanden de hoofdverblijfplaats in het eerst aangekochte goed (A1) nog slechts één dag (dag van de verhuis naar een tussentijdse hoofdverblijfplaats of naar de nieuwe hoofdverblijfplaats in A2) gevestigd is geweest.
schematische voorstelling bij een verrichting-verrekening
De bovenste tijdslijn is die van de opeenvolgende elementen van de verrichting; de onderste tijdslijn is die van de opeenvolgende vestigingen van hoofdverblijfplaatsen (H), waarbij het symbool a staat voor het begin van de vestiging en het symbool W voor het einde van de vestiging.
Afdeling 5.- Remediëring aan het probleem van de registratie van de compromis als oorzaak van afwezigheid van recht op meeneembaarheid.
Onderafdeling 1.- situatie 1:
waarbij aa staat voor authentieke akte en oa voor onderhandse akte
Situering van de problematiek in situatie 1.
11. Vóór de wijzigingen aan het systeem van de meeneembaarheid bij het in deze circulaire besproken decreet, kon men het recht op meeneembaarheid mislopen indien men in een verrichting die normaal aanleiding zou geven tot meeneembaarheid door verrekening, de aankoopcompromis betreffende A2 liet registreren vóór de authentieke akte betreffende V1.
Inderdaad:
- Opdat de meeneembaarheid-verrekening zou kunnen toegepast worden vereiste het oude artikel 613, eerste lid, dat A2 vaste datum kreeg nà de authentieke akte betreffende V1.
cf: "...wordt zijn wettelijk aandeel in de rechten ... (op A1) verrekend met zijn aandeel in de rechten ... (op A2) mits de nieuwe aankoop (A2) vaste datum heeft gekregen binnen twee jaar (of drie jaar i.g.v. bouwgrond) te rekenen van de datum van de authentieke akte van de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend (van aa/V1).
Vermits in deze situatie door de registratie van de compromis A2 vaste datum heeft gekregen vóór de datum van de authentieke akte betreffende V1, was meeneembaarheid door verrekening uitgesloten.
- Anderzijds gaf de aaneenschakeling van de elementen A1 - registratie oa/A2 - aa/V1 -aa/A2 al evenmin recht op meeneembaarheid onder de vorm van een teruggave. Voor deze vorm van meeneembaarheid vereiste het oude artikel 212bis dat V1 vaste datum kreeg nà de authentieke akte betreffende A2.
cf. "... wordt zijn wettelijk aandeel in de rechten ... (op A1) teruggegeven mits de verkoop vaste datum heeft gekregen binnen twee jaar (of drie jaar i.g.v. bouwgrond) te rekenen van de datum van de authentieke akte van de nieuwe aankoop (aa/A2)
Vermits in deze situatie V1 door de desbetreffende authentieke akte vaste datum gekregen heeft vóór de datum van de authentieke akte van de nieuwe aankoop, was meeneembaarheid door teruggave al evenzeer uitgesloten.
Oplossing voor de problematiek in situatie 1.
12. De nieuwe redactie van artikel 212bis, eerste lid, laat voortaan teruggave toe in geval van A1 - registratie oa/A2 - aa/V1 - aa/A2. "
Inderdaad, voor meeneembaarheid onder de vorm van teruggave is voortaan vereist dat "de verkoop of de verdeling vaste datum heeft gekregen uiterlijk twee jaar, of vijf jaar in geval van aankoop van een bouwgrond, na de datum van de authentieke akte van de nieuwe aankoop".
Door het gebruik van het woord "uiterlijk" ontstaat er - in tegenstelling tot wat het geval was bij het gebruik van de woordcombinatie "binnen ... te rekenen van" in het oude artikel 212bis - door de aaneenschakeling van A1 -registratie oa/A2 - aa/V1 - aa/A2 - wel recht op meeneembaarheid onder de vorm van teruggave. Het woord "uiterlijk" sluit immers de mogelijkheid van teruggave niet uit wanneer V1 door de desbetreffende authentieke akte vaste datum gekregen heeft vóór de datum van de authentieke akte van de nieuwe aankoop. "Uiterlijk" impliceert dat er alleen nog een einddatum wordt bepaald waarop de verkoop of de verdeling V1 vaste datum moet hebben gekregen.
Merk op dat, vermits in deze situatie V1 steeds vóór aa/A2 vaste datum heeft, er aan de voorwaarde betreffende het tijdstip waarop de verkoop of de verdeling vaste datum moet hebben gekregen, altijd a priori is voldaan.
Onderafdeling 2.- situatie 2 :
Situering van de problematiek.
13. Ook in deze situatie - die zonder de registratie van de compromis betreffende V1 vóór aa/A2 aanleiding kon geven tot meeneembaarheid onder de vorm van teruggave - liep men onder gelding van de oude teksten de meeneembaarheid mis:
- meeneembaarheid onder de vorm van teruggave was uitgesloten omdat het oude artikel 212bis vereiste dat V1 vaste datum kreeg nà de authentieke akte betreffende A2;
- meeneembaarheid onder de vorm van verrekening op basis van de elementen A1 - registratie oa/V1 - aa/A2 was al evenzeer uitgesloten, omdat deze vorm van meeneembaarheid vereiste dat A2 vaste datum kreeg nà de authentieke akte betreffende V1.
Oplossing voor de problematiek in situatie 2.
14. De nieuwe redactie van artikel 613 laat voortaan verrekening toe in de situatie A1 - registratie oa/V1 - aa/A2 - aa/V1.
Inderdaad, voor de meeneembaarheid onder de vorm van verrekening is voortaan vereist dat " de nieuwe aankoop vaste datum heeft gekregen binnen twee jaar te rekenen van de datum van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op hetzij de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, hetzij de verdeling van die woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan".
De aaneenschakeling van de elementen A1 - registratie oa/V1 - aa/A2 kan aldus aanleiding geven tot verrekening op voorwaarde dat aa/A2 wordt verleden binnen de twee of vijf jaar van de datum van de registratie van oa/V1. Merk op dat in deze situatie - anders dan in de eerst besproken situatie - de gestelde voorwaarde niet a priori is vervuld.
Afdeling 6.- Artikel 212ter - Technische rechtzettting.
15. Artikel 29 van het decreet brengt een technische correctie aan in de tekst van artikel 212ter. Het probleem van wetgevingstechnische aard werd uiteengezet in circulaire nr 3/2003 van 20 februari 2003 (zie blz. 11, nr. 2.3. "Wijzigingen in het kader van het vangnet voor de meeneembaarheid"; derde alinea:
"Alleen wordt er nog op gewezen dat in het derde lid van artikel 212ter niet meer uitdrukkelijk wordt verwezen naar het 2° en 3° van het eerste lid van artikel 614, terwijl er wel nog uitdrukkelijk wordt verwezen naar het 2° en 3° van het zesde lid van artikel 212bis. Het niet-verwijzen naar het 2° en 3° van het eerste lid van artikel 614 is een vergetelheid van de Vlaamse decreetgever. In de praktijk heeft die vergetelheid geen gevolgen, omdat het eigenlijk voor zich spreekt dat alleen de vermeldingen en verklaringen van het 2° en 3° van het eerste lid van artikel 614 als bijzondere vermeldingen moeten worden opgenomen in het gemotiveerd verzoekschrift tot teruggave op grond van het vangnet voor de primaire wijze van meeneembaarheid. Het 1° van het eerste lid van artikel 614 is alleen bedoeld voor het geval de meeneembaarheid op primaire wijze, dus onmiddellijk, wordt gevraagd.).
Dit behoeft geen verdere commentaar. Zie echter ook Hoofdstuk 3.
Afdeling 7.- Schenking van bouwgronden - Technische rechtzetting
16. Artikel 15 van het decreet brengt een technische correctie aan in de tekst van artikel 140nonies. Bij het programmadecreet van eind 2003 (5) werd de oude tabel II (globale tabel omvattende de tarieven "tussen broers en zussen", "tussen ooms of tantes en neven of nichten" en "tussen alle andere personen") van artikel 131 opgesplitst in drie afzonderlijke tabellen (een tabel per onderscheiden tariefcategorie). Bij die opsplitsing van de vroeger globale tabel II in drie afzonderlijke tabellen (tabellen II, III, en IV) werd evenwel vergeten de in artikel 140nonies voorkomende verwijzing naar de oude tabel II aan te passen overeenkomstig de doorgevoerde opsplitsing. Dit wordt bij genoemd artikel 15 rechtgezet met terugwerkende kracht tot op 1 januari 2004 (zie verder - afdeling 3 - inwerkingtreding).
[(5) Decreet van het Vlaams Parlement van 19 december 2003 "houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 - zie circulaire nr. 5/2004 van 7 april 2004.]
Afdeling 8.- Tarief van artikel 131 niet langer van toepassing op bepaalde schenkingen.
17. Artikel 14 van het decreet voegt een lid toe aan artikel 131, § 2, van het Wetboek der registratie-, hypotheek en griffierechten. Deze nieuwe bepaling moet, voor een goed begrip, samen gelezen worden met de nieuwe fictiebepaling in artikel 4, 3° van het Wetboek der successierechten, ingevoegd bij artikel 13 van het decreet. De artikelen 13 en 14 van het decreet staan trouwens in het decreet samen in een afdeling II onder het opschrift "Successierechten". Voor de bespreking van beide artikelen wordt dan ook verwezen naar het volgende hoofdstuk van deze circulaire.
HOOFDSTUK 2. SUCCESSIERECHTEN
Afdeling 1.- Inleiding
18. Krachtens het nieuwe 3° van artikel 4 van het Wetboek der successierechten worden "met het oog op de heffing van het successierecht" als legaten beschouwd: "alle schenkingen onder de levenden van roerende goederen die de overledene heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker" (artikel 13 van het decreet).
19. Vermits dergelijke schenkingen als legaten worden beschouwd - maar volgens de tekst van artikel 4 W. Suc.alleen "met het oog op de heffing van het successierecht" -, zouden op het ogenblik van het overlijden zowel successie- als schenkingsrechten over de verkoopwaarde van de geschonken roerende goederen kunnen worden geheven. Door de invoeging van het nieuwe lid in artikel 131, §2, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (artikel 14 van het decreet) heeft de Vlaamse decreetgever uitdrukkelijk te kennen gegeven dat dit niet de bedoeling is (6): over de verkoopwaarde van de geschonken goederen zullen alleen nog successierechten verschuldigd zijn (7). Wat de registratierechten betreft zullen de met een legaat gelijk te stellen schenkingen dus enkel nog aanleiding geven tot de heffing van het algemeen vast recht (8) bij de registratie van het document dat titel ervan vormt; bij de vervulling van de opschortende voorwaarde (overlijden van de schenker) is geen evenredig registratierecht verschuldigd.
[(6)Uitdrukkelijke toepassing van de non bis in idem-regel.
(7) Uiteraard impliceert dit dat de nalatenschap onderhevig moet zijn aan het recht van successie. Een schenking van roerende goederen gelijk stellen met een legaat van roerende goederen wanneer het recht van overgang van overlijden van toepassing is, zou meebrengen dat de combinatie van de hier besproken nieuwe bepalingen zou leiden tot een dubbele vrijstelling van belasting, dus zowel op het vlak van de registratie- als op het vlak van de successierechten. Dat was vanzelfsprekend niet de bedoeling.
(8) Alles wel beschouwd is het nieuwe artikel 131, § 2, tweede lid geen afwijking van de regel neergelegd in artikel 16 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten. De bedoelde schenkingen zijn immers niet aan een evenredig recht onderworpen. De heffing van het algemeen vast recht geschiedt met andere woorden bij toepassing van artikel 11, tweede lid, en niet bij toepassing van artikel 16, eerste lid van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten]
20. De bepalingen van artikel 4, 3°, Vl. W. Suc. en artikel 131, § 2, laatste lid, Vl. W. Reg. zijn complementaire bepalingen in die zin dat ze op een schenking onder opschortende voorwaarde van (voor)overlijden van de schenker ofwel beide toepassing vinden ofwel beide niet van toepassing zijn. Indien ze niet van toepassing zijn, dan valt de schenking onder de opschortende voorwaarde die vervuld wordt door het overlijden van de schenker uiteraard onder de gewone regels geldend voor een met een evenredig recht belastbare rechtshandeling onder opschortende voorwaarde (artikel 16 W. Reg.). Daarover meer bij de bespreking van de niet-uitdrukkelijke voorwaarden voor toepassing van artikel 4 Vl. W. Succ. (zie verder Afdeling 3, onderafdeling 2).
Afdeling 2.- Ratio legis
21. De reden waarom dergelijke schenkingen van roerende goederen met een legaat worden gelijkgesteld, houdt rechtstreeks verband met de reden waarom het voordelig tarief van het registratierecht op de schenkingen van roerende goederen werd ingevoerd bij het decreet van 19 december 2003 (9). Bedoeling van dat voordeeltarief was een fiscale hinderpaal (hoge tarieven), die het doorgeven van roerende vermogens tussen generaties tijdens het leven van de overdrager bemoeilijkte, weg te nemen. Door de oudere generatie aan te moedigen om aan de jongere generatie vervroegd een deel van hun patrimonium over te dragen, kan een niet te veronachtzamen positief effect gegenereerd worden: de jongere generatie kan sneller en met minder eigen middelen beginnen aan de uitbouw van een eigen zaak, aan de bouw van een eigen gezinswoning, … In die zin liet de bevoordeling van de roerende schenkingen zich dan ook verantwoorden.
[(9) Zie voetnoot 5.]
Die bedoeling van aanmoediging van vervroegde patrimoniumoverdracht werd door sommigen echter omzeild door de schenking van de roerende goederen te doen onder de opschortende voorwaarde van het overlijden of het vooroverlijden van de schenker. Aldus kon de schenker een - vanuit zijn standpunt - dubbel voordeel binnenhalen: hij blijft tot zijn dood eigenaar van de geschonken goederen en de goederen gaan bij zijn dood naar de begiftigde over tegen een veel lagere fiscale kost dan het geval zou zijn wanneer ze via zijn nalatenschap zouden worden overgedragen. Naar de feitelijke patrimoniale gevolgen is er weinig verschil tussen een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de schenker en een legaat van diezelfde goederen. Vandaar dat de Vlaamse Regering ze nu fiscaal op gelijke voet stelt: ze worden voor de heffing van de successierechten beide beschouwd als een legaat.
Afdeling 3. Voorwaarden waaronder een schenking met een legaat wordt gelijkgesteld.
Onderafdeling 1.- Uitdrukkelijke voorwaarden.
22. Uit de lezing van de tekst blijkt dat minstens vier voorwaarden moeten vervuld zijn. Het moet gaan om een schenking
1. onder de levenden
2. van roerende goederen
3. door de overledene gedaan
4. onder de opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
De eerste drie voorwaarden behoeven geen bijzondere commentaar.
De vierde voorwaarde behoeft dat wel.
23. Volgens artikel 894 van het Burgerlijk Wetboek is een schenking onder de levenden een akte waarbij de schenker zich dadelijk en onherroepelijk van de geschonken zaak ontdoet, ten voordele van de begiftigde die ze aanneemt. Het woord "dadelijk" wordt in de rechtspraak en rechtsleer geïnterpreteerd in de zin dat de begiftigde een onmiddellijk werkelijk recht op de geschonken zaak moet verkrijgen, zonder dat er evenwel vereist wordt dat hij dadelijk in het bezit van de geschonken zaak moet worden gesteld. Een schenking onder opschortende voorwaarde belet niet dat de begiftigde dadelijk een recht verkrijgt. Traditioneel (10) wordt dan ook aanvaard dat ze al evenmin de opeisbaarheid verhindert van het registratierecht, gebeurlijk met inachtneming van artikel 16 W. Reg.
[(10) Werdefroy nr. 1116 met verwijzing naar De Page, VIII, nr. 237.]
24. De combinatie van de nieuwe artikelen 4,3° Vl. W. Suc. en 131, §2, laatste lid Vl. W. Reg. maakt dat bepaalde schenkingen onder opschortende voorwaarde niet meer aan het registratierecht maar aan het successierecht worden onderworpen
De omschrijving «alle schenkingen onder de levenden van roerende goederen die de overledene heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker» in artikel 4, 3°, Vl. W. Reg. beoogt bijvoorbeeld volgende situaties te dekken:
- de schenking onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker;
- de schenking onder de opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de schenker;
- de schenking onder de opschortende voorwaarde van het overleven van de begiftigde.
25. Artikel 4, 3° Vl. W. Reg. houdt uiteraard geen stellingname in van de Vlaamse decreetgever ten aanzien van de burgerrechtelijke geldigheid van schenkingen onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker (11). Dat is niet zijn bevoegdheid. De decreetgever heeft enkel bepaald dat de waarde van de roerende goederen die bij een akte van schenking onder dergelijke voorwaarde worden overgedragen, niet met het schenkingsrecht maar met het successierecht wordt belast. Voor het overige speelt hier ook de regel dat de administratie geen rechter is over de geldigheid van de overeenkomst en dus ook niet over de geldigheid van de modaliteiten van de overeenkomst.
[(11) In zijn advies bij het ontwerp van decreet heeft de Raad van State wat dit betreft het volgende opgemerkt: "Vraag is overigens of een schenking onder de levenden van roerende goederen gedaan onder de opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker in wezen geen legaat is (zie in die zin H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, Brussel Bruylant, 1962, VIII/I, 368), in welk geval een aanpassing van de wetgeving niet nodig is om het doel te bereiken dat de stellers van het ontwerp beogen.".]
26. In het verleden heeft de administratie beslist dat wanneer twee of meer personen samen goederen schenken met voorbehoud van vruchtgebruik ten bate van de langstlevende, er mag aangenomen worden dat, behalve wanneer de partijen daaromtrent uitdrukkelijk anders hebben bedongen, de overlevende het vruchtgebruik bekomt ingevolge een last door hem aan de begiftigde opgelegd als tegenprestatie van de door hem overgedragen goederen. De verkrijging van het vruchtgebruik die in dit geval bij het overlijden van een der schenkers plaatsvindt, is als afhankelijke bepaling niet aan het evenredig recht onderworpen (zie Aanschr. van 9 augustus 1941, nr. 76 in Rep RJ R 14 nrs. 01.01 en 02.01). Dit standpunt is zowel van toepassing op schenkingen van onroerende goederen als op schenkingen van roerende goederen.
27. Het beding in een schenkingsakte waarbij de schenker zich het vruchtgebruik voorbehoudt en bedingt dat bij zijn overlijden dit vruchtgebruik overgaat op een derde, die aanvaardt, m.a.w. het beding van terugvalling, wordt in beginsel beschouwd als een schenking onder opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de schenker.
Op de terugvalling van het vruchtgebruik bij het overlijden van de schenker is artikel 4,3 ° Vl. W. Succ. van toepassing.
Onderafdeling 2. Niet uitdrukkelijk vermelde voorwaarden die volgen uit de lokalisatieregels inzake schenkingsrechten in de bijzondere financieringswet.
28. Het spreekt voor zich dat de schenker op het ogenblik van de schenking Vlaams gewestinwoner (12) moet zijn.
Bovendien moet de nalatenschap van de schenker met het in het Vlaams Gewest geldend recht van successie belastbaar zijn. Met andere woorden, ook op het ogenblik van zijn overlijden moet de schenker "vlaams gewestinwoner" (13) zijn.
[(12) de schenker is in het kader van de schenkingsrechten op schenkingen van roerende goederen op het ogenblik van de schenking een vlaams Gewestinwoner wanneer hij:
- ofwel op het ogenblik van de schenking zijn fiscale woonplaats reeds meer dan tweeëneenhalf jaar in het Vlaams Gewest heeft;
- ofwel in de laatste vijf jaar voor de schenking zijn fiscale woonplaats langer in het Vlaamse Gewest dan in een van de andere Gewesten heeft gehad.
(13) Iemand is in het kader van de rechten van successie op het ogenblik van zijn overlijden een vlaams gewestinwoner wanneer hij:
- ofwel op het ogenblik van zijn overlijden zijn fiscale woonplaats reeds meer dan tweeëneenhalf jaar in het Vlaams Gewest heeft;
- ofwel in de laatste vijf jaar voor zijn overlijden zijn fiscale woonplaats langer in het Vlaamse dan in een van de andere Gewesten heeft gehad.]
29. Uiteraard kan artikel 4, 3°, van het Vlaams Wetboek der successierechten niet van toepassing zijn wanneer de schenker van de roerende goederen op het ogenblik van de schenking wel "vlaams gewestinwoner", maar dat niet meer is op het ogenblik van zijn overlijden, omdat hij bij voorbeeld al meer dan tweeëneenhalf jaar in het Brussels Hoofdstedelijk of het Waals Gewest zijn fiscale woonplaats had. In dat geval wordt de nalatenschap van de schenker beheerst door het recht van successie geldend in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest respectievelijk dat geldend in het Waals Gewest. Op de schenking is dan artikel 131, §2, laatste lid, van het Vlaams Wetboek der registratierechten niet van toepassing. De heffing van het Vlaams schenkingsrecht zal geschieden overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van het Wetboek der registratierechten (initieel - bij de registratie van de schenkingsakte - het algemeen vast recht, bij de realisatie van de opschortende voorwaarde: het evenredig schenkingsrecht met toerekening van het betaalde A.V.R.).
30. Quid wanneer de schenker op het ogenblik van de schenking van de roerende goederen wel "Vlaams Gewestinwoner" maar op het ogenblik van zijn overlijden zelfs geen rijksinwoner meer is ? In dat geval is uit hoofde van het overlijden van de schenker niet het recht van successie, maar het recht van overgang bij overlijden van toepassing. In het kader van het recht van overgang bij overlijden zijn alleen in België gelegen onroerende goederen belastbaar. In deze context heeft de gelijkstelling van een schenking van roerende goederen met een legaat (van roerende goederen) geen enkele zin. Dat zou immers leiden tot onbelastbaarheid zowel op het vlak van de schenkingsrechten als op het vlak van de successierechten. Dit was geenszins de bedoeling van de Vlaamse decreetgever. Hoewel de tekst van artikel 4,3° van het Vl. W. Succ. (14) daaromtrent enige twijfel zou kunnen doen rijzen, moet op grond van een teleologische interpretatie van het artikelonderdeel aangenomen worden dat de onderhavige gelijkstelling met een legaat enkel geldt wanneer de nalatenschap van de schenker belastbaar is met het Vlaams recht van successie.
[(14) De inleidende zin van artikel 4 Vl. W. Suc. luidt: "Worden met het oog op de heffing van het successierecht …". In principe kunnen de termen "het successierecht" of "de successierechten" zowel verwijzen naar "het recht van successie", als naar het "recht van overgang bij overlijden".]
Voorbeeld: A, "vlaams gewestinwoner", doet op 1/1/2005 een schenking van roerende goederen ter waarde van 500.000 € aan B, onder de opschortende voorwaarde van vooroverlijden van A. Op het ogenblik van de schenking heeft A zijn fiscale woonplaats in het Vlaams Gewest. Tien jaar later overlijdt A. B is dan nog in leven. De roerende goederen zijn dan 600.000 € waard. Op de datum van zijn overlijden is A:
- hypothese 1: "vlaams gewestinwoner"
- hypothese 2: geen "vlaams gewestinwoner" meer.
Heffingen:
| Bij de registratie van de schenkingsakte | Ingevolge het overlijden van A | |
|---|---|---|
| Hypothese 1 | A.V.R. | - Geen registratierecht bij toepassing van artikel 131, §2, laatste lid Vl. W. Reg. - Belasting als legaat in het kader van de Vlaamse successierechten bij toepassing van artikel 4, 3° Vl. W. Succ.(belastbare waarde in de nalatenschap: 600.000 €.). - Geen aanrekening van het betaald A.V.R. bij de registratie van de schenkingsakte |
| Hypothese 2 | A.V.R. | Heffing Vlaams evenredig schenkingsrecht voor roerende goederen (belastbare grondslag 600.000 €) met aanrekening betaald A.V.R, . bij toepassing van artikel 16, tweede lid Vl. W. Reg. |
Het is duidelijk dat pas op het ogenblik van het overlijden van A zal kunnen uitgemaakt worden of hij op dat ogenblik al of niet "vlaams gewestinwoner" is. Voor de initiële heffing op de ter registratie aangeboden schenkingsake heeft dit geen belang, omdat in iedere hypothese het algemeen vast recht verschuldigd is.
HOOFDSTUK 3. INWERKINGTREDING
Afdeling 1.- Algemeen
31. Artikel 95 van het decreet bepaalt dat de meeste van de in deze circulaire besproken artikelen van het decreet in werking treden op 1 januari 2005.
32. Datzelfde artikel maakt evenwel uitzondering voor de artikelen 15 (zie Hoofdstuk 1, Afdeling 7 hiervoor) en 29 (zie Hoofdstuk 1, Afdeling 6 hiervoor) die respectievelijk uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2004 en met ingang van 1 januari 2003. Dit zijn de respectieve data van inwerkingtreding van de bij vorige decreten technisch onvolkomen doorgevoerde wijzigingen van de artikelen 140nonies en 212ter van het W. Reg. De terugwerkende kracht van de inwerkingtredingen van de huidige wijzigingen van die artikelen van het W. Reg., laat zich verklaren door het feit dat de Vlaamse decreetgever aan die technische rechtzettingen een interpretatief karakter heeft willen geven. Op die inwerkingtredingen wordt hier verder niet meer teruggekomen.
Afdeling 2.- Concretisering van de inwerkingtreding op 1 januari 2005.
Onderafdeling 1.- inzake registratierechten
(*)
33. Verlenging van de termijn van drie tot vijf jaar voor vestiging van de hoofdverblijfplaats op de aangekochte bouwgrond.
De nieuwe termijn van vijf jaar geldt voor de overeenkomsten gesloten vanaf 1 januari 2005.
Voor de toepassing in de tijd van deze wijziging moet er gekeken worden
- voor het abattement: naar de datum van de koopovereenkomst;
- voor de meeneembaarheid door verrekening (A1-V1-A2): naar de datum van de overeenkomst van aankoop van de nieuwe hoofdverblijfplaats (A2);
- voor de meeneembaarheid door teruggave (A1-A2-V1): naar de datum van de overeenkomst van wederverkoop van de oude hoofdverblijfplaats (V1).
De overeenkomsten gesloten vóór 1 januari 2005 blijven beheerst door de "oude" regelgeving (termijn van drie jaar); de nieuwe regelgeving (termijn van vijf jaar) is alleen van toepassing op de overeenkomsten gesloten vanaf 1 januari 2005.
(*) dit punt 33 maakt deel uit van een wijziging die aan de schriftelijke versie voorafgaat.
34. Wijzigingen aan de meeneembaarheid
Voor de toepassing in de tijd van deze wijzigingen moet
- bij een verrichting-verrekening (A1-V1-A2) gekeken worden naar de datum van de overeenkomst van aankoop van de nieuwe hoofdverblijfplaats (A2);
- bij een verrichting-teruggave (A1-A2-V1) gekeken worden naar de datum van de overeenkomst van wederverkoop van de oude hoofdverblijfplaats (V1).
Situeert die dag zich vóór 1 januari 2005, dan wordt de verrichting beheerst door de oude regelgeving; situeert die dag zich na 31 december 2004, dan is de nieuwe regelgeving van toepassing.
35. Tarief artikel 131 niet langer van toepassing op bepaalde schenkingen (zie Hoofdstuk 1, Afdeling 8).
Zie onderafdeling 2 hierna.
Onderafdeling 2.- inzake successierechten
36. Gelijkstelling met legaat/onttrekking aan het tarief schenkingsrechten (zie Hoofdstuk I, Afdeling 8 en Hoofdstuk 2).
De in hoofdstuk 2 besproken gelijkstelling met een legaat geldt in het kader van nalatenschappen die vanaf 1 januari 2005 openvallen. Wanneer die gelijkstelling van een roerende schenking met een legaat geldt, geldt uiteraard tevens de correlatieve onttrekking van de schenking aan het tarief van de schenkingsrechten. Bekeken vanuit het oogpunt van de registratierechten betekent dit dat de onttrekking van de schenking aan het tarief van de schenkingsrechten geldt voor alle schenkingen van roerende goederen waarbij de opschortende voorwaarde van overlijden van de schenker zich realiseert na 31 december 2004. De waarde van de geschonken goederen wordt dan belast in het kader van de nalatenschap van de overleden schenker op grond van de met de ontheffing van de schenkingsrechten correlerende gelijkstelling van de schenking met een legaat.
NAMENS DE MINISTER :
De adjunct-administrateur-generaal,
Paul NECKEBROECK.
BIJLAGE 1
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 31 december 2004.
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
24 december 2004 - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2005.
Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, regering, bekrachtigen hetgeen volgt:
Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2005.
…
Hoofdstuk V. Financiën
AFDELING II. Successierechten
Art. 13. Artikel 4 van het wetboek der successierechten wordt aangevuld met een 3°, dat luidt als volgt :
"3° alle schenkingen onder de levenden van roerende goederen die de overledene heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker."
Art. 14. In het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt aan artikel 131, § 2, de volgende alinea toegevoegd :
"Dit tarief is evenwel niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld krachtens artikel 4, 3° van het wetboek der successierechten ".
AFDELING III. Registratierechten op schenking van bouwgronden
Art. 15. In artikel 140nonies van het wetboek der registratie -, hypotheek- en griffierechten, worden in het punt b), de woorden "in tabel II van artikel 131", vervangen door de woorden "in tabel II, tabel III of tabel IV van artikel 131 §1, naar gelang het geval, ".
AFDELING IV. Registratierechten op de aankoop van onroerende goederen
ONDERAFDELING I. Versoepeling abattement
Art. 16. In het derde lid, 2°, c) van het artikel 46 bis van hetzelfde wetboek wordt het woord "drie" vervangen door het woord "vijf".
ONDERAFDELING II. Vereenvoudiging meeneembaarheid
Art. 17. In artikel 613 van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, worden in het eerste lid de woorden "van de datum van de authentieke akte van de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend" vervangen door de woorden "van de datum van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredige recht op hetzij de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, hetzij de verdeling van die woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan".
Art. 18. In hetzelfde artikel wordt het tweede lid aangevuld door wat volgt :
"Aanvullende rechten die voor om het even welke reden op een aankoop werden geheven zijn eveneens van de verrekening uitgesloten".
Art. 19. In artikel 614 van hetzelfde wetboek worden in het eerste lid, 2 °, na de woorden "van de verkochte" de woorden "of verdeelde" ingevoegd.
Art. 20. In hetzelfde artikel 614 wordt in het eerste lid het 3°, a) vervangen door wat volgt :
"a) dat hij op enig ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de verkoop of verdeling, zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de verkochte of verdeelde woning".
Art. 21. In hetzelfde artikel 614 worden in het eerste lid onder 3°, b ), vierde streep, de woorden "indien het een bouwgrond betreft, binnen drie jaar na dezelfde datum" vervangen door de woorden "indien het een bouwgrond betreft, binnen vijf jaar na dezelfde datum".
Art. 22. In artikel 212bis van hetzelfde wetboek wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"In geval van zuivere verkoop door een natuurlijke persoon van een woning waarin hij op enig ogenblik zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de zuivere aankoop van het onroerend goed dat hij als zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, en in geval van verdeling van een dergelijke woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan, wordt zijn wettelijk aandeel in de rechten die overeenkomstig de artikelen 44, 53, 2°, of 57 verschuldigd waren op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, teruggegeven mits de verkoop of de verdeling vaste datum heeft gekregen uiterlijk twee jaar, of vijf jaar in geval van aankoop van een bouwgrond, na de datum van de authentieke akte van de nieuwe aankoop."
Art. 23. In hetzelfde artikel 212bis wordt het tweede lid aangevuld met wat volgt :
"Aanvullende rechten die voor om het even welke reden op een aankoop werden geheven zijn eveneens van de teruggave uitgesloten".
Art. 24. In hetzelfde artikel wordt onder 1° van het zesde lid na de woorden "het evenredige recht op de verkoop" de woorden "of de verdeling" ingevoegd.
Art. 25. In hetzelfde artikel wordt onder 2°, a ) van het zesde lid, na de woorden "op de aankoop van de verkochte" de woorden "of verdeelde" ingevoegd.
Art. 26. In hetzelfde artikel wordt 3°, a ) van het zesde lid vervangen door wat volgt :
"a) dat hij op enig ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de aankoop van de woning die hij tot zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de wederverkochte of verdeelde woning".
Art. 27. In hetzelfde artikel wordt onder 3°, b), vierde streepje, van het zesde lid, de woorden "indien het een bouwgrond betreft, binnen drie jaar na dezelfde datum" vervangen door de woorden "indien het een bouwgrond betreft, binnen vijf jaar na dezelfde datum".
Art. 28. In het tweede lid van artikel 212ter van hetzelfde wetboek worden de woorden "van het evenredige recht op de aankoop of de verkoop" vervangen door de woorden "van het evenredige recht op de aankoop, de verkoop, of de verdeling".
Art. 29. In het derde lid van artikel 212ter wordt na de woorden artikel 614, eerste lid, de woorden "2° en 3°, " ingevoegd.
BIJLAGE 2
Gecoördineerde teksten van de gewijzigde artikelen
REGISTRATIERECHTEN
Artikel 46bis
De heffingsgrondslag ten aanzien van de verkopingen, zoals bepaald in de artikelen 45 en 46, wordt verminderd met 12.500 euro in geval van zuivere aankoop van de geheelheid volle eigendom van een tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed door een of meer natuurlijke personen om er hun hoofdverblijfplaats te vestigen.
Het voordeel van de vermindering van de heffingsgrondslag overeenkomstig dit artikel kan niet gecombineerd worden met het voordeel van de verrekening bedoeld in § 4bis van deze afdeling of met het voordeel van de teruggave bedoeld in artikel 212bis.
Aan de vermindering van de heffingsgrondslag zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° geen van de verkrijgers mag op de datum van de overeenkomst tot koop voor de geheelheid volle eigenaar zijn van een ander onroerend goed, dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd; indien de aankoop geschiedt door meerdere personen mogen zij bovendien op vermelde datum gezamenlijk niet voor de geheelheid volle eigenaar zijn van een ander onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd. Een perceel grond, stedenbouwkundig bestemd tot woningbouw wordt beschouwd als een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd;
2° in of onderaan op het document, dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, moeten de verkrijgers :
a) uitdrukkelijk vermelden dat zij de toepassing van dit artikel vragen;
b) verklaren dat zij voldoen aan de voorwaarde vermeld in 1° van dit lid;
c) zich verbinden hun hoofdverblijfplaats te vestigen op de plaats van het aangekochte goed :
-
indien het een woning betreft, binnen twee jaar na :
-
ofwel de datum van de registratie van het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, wanneer dat document binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden;
-
ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, wanneer het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn;
-
indien het een bouwgrond betreft, binnen vijf jaar na dezelfde datum.
In geval de verklaring bedoeld in 2°, b), van het derde lid onjuist wordt bevonden, zijn de verkrijgers ondeelbaar gehouden tot betaling van de aanvullende rechten over het bedrag waarmee de heffingsgrondslag werd verminderd, en van een boete gelijk aan die aanvullende rechten.
Dezelfde aanvullende rechten en boete zijn ondeelbaar verschuldigd door de verkrijgers indien geen van hen de in 2° c) van het derde lid bedoelde verbintenis naleeft. Komen sommige verkrijgers die verbintenis niet na dan worden de aanvullende rechten en de boete, waartoe zij ondeelbaar gehouden zijn, bepaald naar verhouding van hun wettelijk aandeel in de aankoop. Evenwel is de boete niet verschuldigd indien de niet-naleving van de bedoelde verbintenis het gevolg is van overmacht.
Artikel 61^3
In geval van zuivere aankoop van een tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed door een natuurlijke persoon om er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen, wordt zijn wettelijk aandeel in de rechten die overeenkomstig de artikelen 44, 53, 2°, of 57 verschuldigd waren op de aankoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, verrekend met zijn wettelijk aandeel in de rechten verschuldigd op de nieuwe aankoop, mits de nieuwe aankoop vaste datum heeft gekregen binnen twee jaar te rekenen van de datum van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op hetzij de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, hetzij de verdeling van die woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan.
Van de verrekening overeenkomstig de bepalingen van dit artikel zijn uitgesloten de rechten betaald voor de verkrijging van een onroerend goed dat niet in het Vlaamse Gewest is gelegen. Aanvullende rechten die voor om het even welke reden op een aankoop werden geheven zijn eveneens van de verrekening uitgesloten.
De verrekening overeenkomstig de bepalingen van dit artikel levert in geen geval grond voor een teruggave op.
In geval een verrichting als bedoeld in het eerste lid is voorafgegaan door een of meer zulke verrichtingen en/of door een of meer verrichtingen als bedoeld in het eerste lid van artikel 212bis, worden, in voorkomend geval, de bij die voorgaande verrichtingen ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van dit artikel nog niet verrekende rechten en/of de ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van artikel 212bis nog niet teruggegeven rechten, gevoegd bij het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de overeenkomstig de artikelen 44, 53, 2°, of 57 verschuldigde rechten op de voorlaatste aankoop, om het verrekenbaar bedrag bij de laatste aankoop te bepalen.
Het te verrekenen bedrag, bekomen met toepassing van het eerste of het vierde lid kan nooit meer bedragen dan 12.500 euro. Dit maximum te verrekenen bedrag wordt bepaald in verhouding tot de fractie die de natuurlijke persoon bekomt in het nieuw aangekochte goed.
Artikel 61^4
Aan de in artikel 61^3 bepaalde verrekening zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° de toepassing van artikel 61^3 wordt uitdrukkelijk gevraagd in of onderaan op het document dat aanleiding geeft tot de heffing van het evenredig recht op de nieuwe aankoop;
2° het in 1° bedoelde document bevat een afschrift van het registratierelaas dat is aangebracht op het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op die vorige aankoop.
Indien de verrekening wordt gevraagd met toepassing van het vierde lid van artikel 61^3 dan moet het in 1° bedoelde document bovendien de afschriften bevatten van de relazen aangebracht op de documenten die betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot het heffen van de evenredige rechten en bij ieder relaas het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de verrekende of teruggegeven rechten vermelden;
3° in het in 1° bedoelde document of in een ondertekende en waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan op dat document, vermeldt de natuurlijke persoon uitdrukkelijk :
a) dat hij op enig ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de verkoop of verdeling, zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de verkochte of verdeelde woning ;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats op de plaats van het nieuw aangekochte goed zal vestigen :
-
indien het een woning betreft, binnen twee jaar na :
-
ofwel de datum van de registratie van het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, wanneer dat document binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden;
-
ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, wanneer het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn;
-
indien het een bouwgrond betreft, binnen vijf jaar na dezelfde datum.
Aan de voorwaarden van het eerste lid wordt ook geacht voldaan te zijn als het verzoek en de vermeldingen het voorwerp uitmaken van een door de natuurlijke persoon ondertekend verzoek, dat het ter registratie aangeboden en tot de heffing van het evenredig registratierecht aanleiding gevend document, vergezelt.
Indien één van de voorwaarden bepaald in het eerste lid niet is vervuld, wordt het tot de heffing van het evenredig recht aanleiding gevend document betreffende de nieuwe aankoop geregistreerd zonder toepassing van artikel 61^3.
Artikel 131
§ 1. Voor de schenkingen onder de levenden van onroerende goederen wordt over het bruto-aandeel van elk der begiftigden een evenredig recht geheven volgens het tarief in onderstaande tabellen aangeduid.
Hierin wordt vermeld :
onder a : het percentage dat toepasselijk is op het overeenstemmende gedeelte;
onder b : het totale bedrag van de belasting over de voorgaande gedeelten.
Tabel I
Tarief in rechte lijn en tussen echtgenoten
| Gedeelte van de schenking | |||
| van | tot inbegrepen | a | b |
| EUR | EUR | t.h. | EUR |
| 0,01 | 12.500 | 3 | - |
| 12.500 | 25.000 | 4 | 375 |
| 25.000 | 50.000 | 5 | 875 |
| 50.000 | 100.000 | 7 | 2.125 |
| 100.000 | 150.000 | 10 | 5.625 |
| 150.000 | 200.000 | 14 | 10.625 |
| 200.000 | 250.000 | 18 | 17.625 |
| 250.000 | 500.000 | 24 | 26.625 |
| boven de 500.000 | 30 | 86.625 | |
Tabel II
Tarief tussen broers en zusters
| Gedeelte van de schenking | |||
| van | tot inbegrepen | a | b |
| EUR | EUR | t.h. | EUR |
| 0,01 | 12.500 | 20 | - |
| 12.500 | 25.000 | 25 | 2.500 |
| 25.000 | 75.000 | 35 | 5.625 |
| 75.000 | 175.000 | 50 | 23.125 |
| boven de 175.000 | 65 | 73.125 | |
Tabel III
Tarief tussen ooms of tantes en neven en nichten
| Gedeelte van de schenking | |||
| van | tot inbegrepen | a | b |
| EUR | EUR | t.h. | EUR |
| 0,01 | 12.500 | 25 | - |
| 12.500 | 25.000 | 30 | 3.125 |
| 25.000 | 75.000 | 40 | 6.875 |
| 75.000 | 175.000 | 55 | 26.875 |
| boven de 175.000 | 70 | 81.875 | |
Tabel IV
Tarief tussen alle andere personen
| Gedeelte van de schenking | |||
| van | tot inbegrepen | a | b |
| EUR | EUR | t.h. | EUR |
| 0,01 | 12.500 | 30 | - |
| 12.500 | 25.000 | 35 | 3.750 |
| 25.000 | 75.000 | 50 | 8.125 |
| 75.000 | 175.000 | 65 | 33.125 |
| boven de 175.000 | 80 | 98.125 | |
§ 2. Voor de schenkingen onder de levenden van roerende goederen wordt over het bruto-aandeel van elk der begiftigden een recht geheven van :
1° 3 % voor schenkingen in de rechte lijn en tussen echtgenoten;
2° 7 % voor schenkingen aan andere personen.
Dit tarief is evenwel niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld krachtens artikel 4, 3° van het wetboek der successierechten.
Artikel 140nonies
In afwijking van artikel 131 wordt voor schenkingen onder de levenden van een perceel grond dat volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw, waarvan de akte verleden wordt in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005, over het bruto-aandeel van een natuurlijk persoon in de geschonken bouwgrond, een evenredig recht geheven dat als volgt wordt bepaald :
a) voor schenkingen in rechte lijn en tussen echtgenoten volgens het tarief bepaald in onderstaande tabel waarin wordt vermeld :
onder a : het percentage dat toepasselijk is op het overeenstemmend gedeelte;
onder b : het totale bedrag van de belasting over het voorgaand gedeelte.
Tabel
| Gedeelte van de schenking | |||
| van | tot inbegrepen | a | b |
| EUR | EUR | t.h. | EUR |
| 0,01 | 12.500 | 1 | |
| 12.500 | 25.000 | 2 | 125 |
| 25.000 | 50.000 | 3 | 375 |
| 50.000 | 100.000 | 5 | 1.125 |
| 100.000 | 150.000 | 8 | 3.625 |
| 150.000 | 200.000 | 14 | 7.625 |
| 200.000 | 250.000 | 18 | 14.625 |
| 250.000 | 500.000 | 24 | 23.625 |
| Boven de 500.000 | 30 | 83.625 | |
b) voor schenkingen aan andere personen dan in rechte lijn of de echtgenoot : volgens het tarief bepaald in tabel II, tabel III of tabel IV van artikel 131 § 1, naar gelang het geval, met dien verstande dat op het gedeelte van 0,01 euro tot 150.000 euro inbegrepen, een tarief van 10 t.h. wordt geheven.
Artikel 212bis
In geval van zuivere verkoop door een natuurlijke persoon van een woning waarin hij op enig ogenblik zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de zuivere aankoop van het onroerend goed dat hij als zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt en in geval van verdeling van een dergelijke woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan, wordt zijn wettelijk aandeel in de rechten die overeenkomstig de artikelen 44, 53, 2°, of 57 verschuldigd waren op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, teruggegeven mits de verkoop of de verdeling vaste datum heeft gekregen uiterlijk twee jaar, of vijf jaar in geval van aankoop van een bouwgrond, na de datum van de authentieke akte van de nieuwe aankoop.
Van de teruggave overeenkomstig de bepalingen van dit artikel zijn uitgesloten de rechten betaald voor de verkrijging van een onroerend goed dat niet in het Vlaamse Gewest is gelegen. Aanvullende rechten die voor om het even welke reden op een aankoop werden geheven zijn eveneens van de teruggave uitgesloten.
De teruggave overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan in geen geval meer bedragen dan het bedrag van het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op de nieuwe aankoop.
In geval een verrichting als bedoeld in het eerste lid is voorafgegaan door een of meer zulke verrichtingen en/of door een of meer verrichtingen als bedoeld in het eerste lid van artikel 61^3, worden, in voorkomend geval, de bij die voorgaande verrichtingen ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van dit artikel nog niet teruggegeven rechten en/of de ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van artikel 61^3 nog niet verrekende rechten, gevoegd bij het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de overeenkomstig de artikelen 44, 53, 2°, of 57 verschuldigde rechten op de voorlaatste aankoop, om het teruggeefbaar bedrag bij de wederverkoop ervan te bepalen.
Het terug te geven bedrag, bekomen met toepassing van het eerste of het vierde lid kan nooit meer bedragen dan 12.500 euro. Dit maximum terug te geven bedrag wordt bepaald in verhouding tot de fractie die de natuurlijke persoon bekomt in het nieuw aangekochte goed.
Aan de teruggave zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° het verzoek tot teruggave, ondertekend door de natuurlijke persoon, wordt gedaan in of onderaan op het document dat aanleiding geeft tot de heffing van het evenredig recht op de verkoop of de verdeling;
2° het in 1° bedoelde document bevat :
a) een afschrift van het registratierelaas dat is aangebracht op het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op die aankoop;
b) een afschrift van het registratierelaas dat is aangebracht op het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de nieuwe hoofdverblijfplaats en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op die aankoop;
Indien de teruggave wordt gevraagd met toepassing van het vierde lid van dit artikel dan moet het in 1° bedoelde document bovendien de afschriften bevatten van de relazen aangebracht op de documenten die betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot het heffen van de evenredige rechten en bij ieder relaas het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de verrekende of teruggegeven rechten vermelden;
3° in het in 1° bedoelde document of in een ondertekende en waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan op dat document, verklaart de natuurlijke persoon uitdrukkelijk :
a) dat hij op enig ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de aankoop van de woning die hij tot zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de wederverkochte of verdeelde woning;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats op de plaats van het nieuw aangekochte goed heeft gevestigd of zal vestigen :
-
indien het een woning betreft, binnen twee jaar na :
-
ofwel de datum van de registratie van het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, wanneer dat document binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden;
-
ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, wanneer het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn;
-
indien het een bouwgrond betreft, binnen vijf jaar na dezelfde datum.
Aan de voorwaarden van het zesde lid wordt ook geacht voldaan te zijn als het verzoek en de vermeldingen het voorwerp uitmaken van een door de natuurlijke persoon ondertekend verzoek tot teruggave dat het ter registratie aangeboden en tot de heffing van het evenredig registratierecht aanleiding gevend document vergezelt.
In geval van onjuistheid of niet-nakoming van de vermeldingen voorgeschreven bij het zesde lid, is de natuurlijke persoon gehouden tot betaling van de onrechtmatig teruggegeven rechten en van een boete gelijk aan die rechten. De boete is evenwel niet verschuldigd indien de niet-nakoming van de verplichting opgelegd door het zesde lid, 3°, b, het gevolg is van overmacht.
Het verzoek tot teruggave heeft dezelfde gevolgen als het met redenen omkleed verzoek ingevolge artikel 217^2. Het verzoek vermeldt in voorkomend geval het rekeningnummer waarop het bedrag van de terug te geven rechten kan worden gestort.
Artikel 212ter
Ingeval de in artikel 46bis bepaalde vermindering van de heffingsgrondslag niet werd gevraagd of niet werd bekomen naar aanleiding van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de overeenkomst tot koop, kunnen de teveel geheven rechten nog worden teruggegeven op een verzoek in te dienen overeenkomstig de bepalingen van artikel 217^2 binnen zes maanden te rekenen van de datum van de registratie van dat document.
Ingeval het voordeel van de meeneembaarheid van voorheen betaalde registratierechten als bedoeld in de artikelen 61^3 en 212bis niet werd gevraagd of niet werd bekomen naar aanleiding van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop, de verkoop, of de verdeling kunnen de meeneembare rechten nog worden teruggegeven op een verzoek in te dienen overeenkomstig de bepalingen van artikel 217^2 binnen zes maanden te rekenen van de datum van de registratie van dat document.
Het verzoek tot teruggave bedoeld in het eerste of tweede lid bevat, naar gelang van het geval, de vermeldingen en verklaringen vereist bij het artikel 46bis, derde lid, 2°, b en c ; bij het artikel 61^4, eerste lid 2° en 3°; of bij het artikel 212bis, zesde lid, 2° en 3 °. Het verzoek vermeldt in voorkomend geval ook het rekeningnummer waarop het bedrag van de terug te geven rechten kan worden gestort.
SUCCESSIERECHTEN
Artikel 4
Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° alle schulden alleenlijk bij uiterste wil erkend;
2° alle schuldbekentenissen van sommen die een bevoordeling vermommen onder het voorkomen van een contract ten bezwarenden titel, en niet aan het voor de schenkingen gevestigd registratierecht werden onderworpen.
3° alle schenkingen onder de levenden van roerende goederen die de overledene heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
