Circulaire nr. Ci.R.14/438.580 dd. 14.02.1992
Bull. nr. 715, pag. 1136
BESTUURSHANDELING
Begrip.
Motiveringsplicht.
INVORDERING
Motiveringsplicht van de bestuurshandelingen.
I. INLEIDING
1. De W 29.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S. 12.09.1991) gebiedt dat met ingang van 1.1.1992 alle bestuurshandelingen uitgaande van de onderscheidene administratieve overheden uitdrukkelijk worden gemotiveerd.
De tekst van de wet is opgenomen als bijlage.
II. DRAAGWIJDTE VAN DE WET
Bestuurshandeling
Bij de definitie van de term "bestuur" wordt in art. 1, W 29.7.1991 verwezen naar art. 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (R.v.S.) (D.I. 136). Uit de verwijzing kan niet worden besloten dat de bedoelde wet uitsluitend van toepassing zou zijn op beslissingen die door de R.v.S. nietig kunnen worden verklaard. Ook de bestuurshandelingen die door middel van een administratief of jurisdictioneel beroep kunnen worden aangevochten vallen onder de wet.
Uitdrukkelijke motivering
3. De motivering in rechte en in feite moet uitdrukkelijk zijn. Dit betekent dus dat de "interne of materiële motivering", of anders gezegd, de motivering die blijkt uit het administratieve dossier voortaan al onvoldoende zal worden aangezien. De uitdrukkelijke motivering moet expliciet de juridische basis vermelden waarop het bestuur steunt om de handeling te stellen zomede de feiten aanhalen die de genomen beslissing verantwoorden. De motivering moet dus in een direct verband staan met het dispositief van de beslissing. Het gaat ter zake om een actieve informatieplicht voor de overheid die beantwoordt aan een fundamenteel recht van de "bestuurde" op algemeen inzicht en kennis van zijn betrekkingen met het bestuur. Daaruit volgt dat vage, stereotiepe formules niet in overeenstemming zijn met de wettelijke norm.
4. De motivering moet "afdoende" zijn. Er moet dus een voldoende proportionaliteit aanwezig zijn tussen de aangehaalde motivering en de belangrijkheid van de beslissing.
Ter zake betreft het een legalisering van een inmiddels gevestigde rechtspraak van de R.v.S., naar luid waarvan de motivering de beslissing voldoende moet schragen.
5. Dringende noodzakelijkheid kan NOOIT een aanvaardbare reden zijn om de uitdrukkelijke motiveringsplicht achterwege te laten.
III. TOEPASSING INZAKE INVORDERING
Betalingsfaciliteiten
6. De eisbaarheid van belastingen en voorheffingen is geregeld in de art. 303 en 304, WIB. Deze bepalingen zijn van openbare orde en derhalve imperatief toe te passen. De administratie der directe belastingen kan er als bestuur niet van afwijken. Betalingsfaciliteiten worden eventueel toegestaan onder de persoonlijke verantwoordelijkheid en geldelijke aansprakelijkheid van de Ontv. Deze laatste handelt aldus niet als orgaan van een administratieve overheid maar uit persoonlijke naam. Noch de toekenning noch de weigering van betalingsfaciliteiten kunnen aldus als bestuurshandelingen worden aangezien en vallen derhalve buiten het toepassingsgebied van de nieuwe wet. Indien de afbetalingsregeling in gemeen akkoord is getroffen is er daarenboven, geen sprake van een eenzijdige rechtshandeling. Tenslotte aanvaardt een constante rechtspraak de onbevoegdheid ter zake van de hoven en rechtbanken.
Onmiddellijke eisbaarheid
7. Indien de rechten van de Schatkist in gevaar zijn kan de Ontv. de ingekohierde belasting onmiddellijk eisbaar stellen. Een dergelijke handeling is een bewust gestelde bestuurlijke daad die een bestaande rechtstoestand (betaling binnen twee maanden na de toezending van het aanslagbiljet) wijzigt en derhalve moet worden verantwoord.
De dag zelf waarop de Ontv. de belasting onmiddellijk eisbaar stelt moet de belastingschuldige schriftelijk worden ingelicht omtrent de desbetreffende beslissing. De kennisgeving moet uitdrukkelijk de wettelijke grondslag (art. 304, 2e lid, 2°, WIB) vermelde zomede alle feitelijke elementen die de Ontv. tot de overtuiging hebben gebracht dat de rechten van de Schatkist daadwerkelijk in gevaar verkeren. Er wordt opgemerkt dat het ter zake om tastbare elementen moet gaan en niet om louter hypothetische overwegingen.
Het nemen van waarborgen
8. Naast het leggen van beslag, wat een maatregel van tenuitvoerlegging is, staat art. 300, WIB, de Ontv. toe alle maatregelen te nemen die ertoe strekken de invordering van het volledige bedrag van de betwiste belasting en van de toebehoren te waarborgen.
De beslissing tot het nemen van die bewarende maatregel moet de belastingschuldige worden ter kennis gebracht met een verwijzing naar art. 300, WIB, en eventueel naar andere wettelijke grondslagen (bijv. art. 217bis KB/WIB in geval van aanwending van teruggaven). Tevens moet worden vermeld waarom de Ontv. de maatregel nodig acht en welke waarborgen aldus worden genomen. De richtlijn in Com.IB, 300/1.1 krijgt in dit kader een uitgesproken belang. Ten einde aan de motiveringsplicht te kunnen voldoen is het dan ook van uitzonderlijk belang dat de Ontv. ONMIDDELLIJK in kennis wordt gesteld van het onbetwistbaar verschuldigde gedeelte.
Verdaging van de invordering
9. De Gew. dir. is gemachtigd om "in bijzondere gevallen" de invordering van de betwiste schuld geheel of gedeeltelijk te verdagen onder de door hem te bepalen voorwaarden.
Er moet vooreerst worden opgemerkt dat de term "bijzonder geval" nergens uitdrukkelijk is gedefinieerd. In zeer brede zin kan worden aangenomen dat de Gew. dir. ter zake over een zeer ruim interpretatierecht beschikt en dat derhalve in de regel elk motief dat niet strijdig is met de openbare orde of de goede zeden kan worden aangenomen. Naar luid van een vaste rechtspraak van de R.v.S. mag de Gew. dir. de draagwijdte van de term "bijzonder geval" evenwel niet beperken tot een mindere graad van gegoedheid of een gebrek aan betaalkracht. Er wordt mutatis mutandis verwezen naar Com.IB 307/6 en 307/7.
10. De aandacht wordt er voorts op gevestigd dat de Gew. dir. bij ieder verzoek tot opschorting van de invordering zelf moet oordelen of de aanvrager zich in een bijzonder geval bevindt, wat betekent dat hij zich niet mag beperken tot het louter overnemen van consideransen van andere personen (bijv. van de Ontv.).
11. In geval van instemmende beslissing mag de motivering tot een eerder algemene formule worden beperkt.
12. In geval van gehele of gedeeltelijke afwijzing moet aan de proportionaliteitsvereiste (cfr. supra 4) voldaan worden. De beslissing moet dus expliciet vermelden waarom de aanvrager met inachtneming van de termen van het verzoek en van de aan de Gew. dir. bekende gegevens uit het dossier zich niet in een bijzonder geval bevindt.
Vrijstelling van nalatigheidsinterest
13. In aanvulling van de Com.IB bij art. 307, WIB, wordt mutatis mutandis naar het bovenstaande verwezen in verband met de beslissing van de Gew. dir. inzake de verdaging van de invordering.
Zakelijke zekerheden en persoonlijke borgstellingen
14. Inzake de door de Gew. dir. getroffen beslissingen tot het eisen van een waarborg van bepaalde belastingschuldigen houdt de W 29.7.1991 geen nieuwigheid in, vermits art. 310, WIB uitdrukkelijk stelt dat de beslissing zowel in rechte als in feite wordt gemotiveerd (cfr. Com.IB 310/8 tot 310/11).
Wettelijke hypotheek - De rechten van de Schatkist zijn in gevaar
15. Krachtens art. 318, 2e lid, WIB, mag, behalve wanneer de rechten van de Schatkist in gevaar zijn, de inschrijving van de wettelijke hypotheek slechts worden genomen vanaf het verstrijken van een termijn van zes maanden ingaand op de datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier.
Indien de rechten van de Schatkist vereisen dat er onmiddellijk wordt opgetreden, wat inhoudt dat de Ontv. niet meer in staat is vóór de inschrijving van de hypotheek het bericht 249.2 (Com.IB 318/8) te verzenden, moet de beslissing tot het nemen van de wettelijke hypotheek de dag zelf aan de betrokken belastingschuldige ter kennis worden gebracht. Voor de motivering in rechte moet worden verwezen naar de art. 316 tot 320, WIB. De feitelijke motivering is identiek aan die vermeld onder nr. 7 hierboven.
Wettelijke hypotheek - Afwezigheid van dringende noodzakelijkheid
16. Indien de rechten van de Schatkist niet in gevaar zijn moet de Ontv., vooraleer de inschrijving van de wettelijk hypotheek te vorderen, de belastingschuldige van zijn voornemen in kennis stellen door middel van het bericht 249.2. Deze loutere kennisgeving van een voornemen is op zichzelf geen bestuurshandeling in de zin van de W 29.7.1991 en moet derhalve niet expliciet worden gemotiveerd.
17. Vermits de belastingschuldige door middel van het bericht 249.2 de mogelijkheid geboden wordt te reageren, o.a. door middel van het aanbieden van vervangende waarborgen, mag het uitblijven van enige reactie van betrokkene worden aangezien als een stilzwijgende instemming, zodat de daaropvolgende inschrijving zonder verdere formaliteit kan geschieden.
18. Reageert de belastingschuldige wel en blijft de Ontv. bij zijn standpunt, dan moet de belastingschuldige in het bezit worden gesteld van een gemotiveerde beslissing ad hoc. Ter zake wordt verwezen naar nr. 15.
Er wordt aan herinnerd dat de inschrijving plaatsvindt niettegenstaande verzet, betwisting of beroep (art. 319, WIB).
Faillissement van de belastingschuldige
19. De motiveringsplicht voor bestuurshandelingen geldt niet ten aanzien van derden. De inschrijving, van de wettelijke hypotheek met toepassing van art. 318, 3e lid, WIB moet derhalve niet worden verantwoord tegenover de curator en ook niet tegenover de belastingschuldige aangezien deze het beheer over zijn goederen heeft verloren met ingang van het vonnis van faillietverklaring.
Verzoek tot gehele of gedeeltelijke handlichting
20. Op verzoek van de belastingplichtige kan de Ontv. geheel of gedeeltelijk handlichting van de ingeschreven hypotheek verlenen. De motivering in feite van een eventuele afwijzende beslissing moet ter voldoening aan art. 322, WIB, op afdoende wijze aantonen dat de rechten van de Schatkist zonder de hypotheek onvoldoende zijn beveiligd en dat er geen voldoende alternatieve waarborgen zijn verstrekt.
Notificatie aan notaris
21. Krachtens art. 326, WIB geldt de in art. 325 WIB bedoelde notificatie als beslag onder derden in handen van de notaris. De notificatie heeft dus het karakter van een maatregel van tenuitvoerlegging waardoor zij buiten de toepassing van de W 29.7.1991 valt.
22. Uitzondering moet evenwel worden gemaakt voor nog niet vervallen belastingen die in de notificatie worden opgenomen. Door het feit zelf wordt de eisbaarheid vervroegd en komt de Ontv. in een toestand te staan zoals bedoeld is in nr. 7.
23. Behalve indien de Ontv. duidelijke aanwijzingen heeft dat zulks niet het geval is, mag de vervreemding of de hypothecaire aanwending van het onroerend goed, gelet op de bepalingen van de art. 7 en 8 Hyp. wet, worden aangezien als een directe bedreiging van de rechten van de Schatkist en als motivering in feite worden aangehaald in de aan de belastingschuldige te zenden kennisgeving van de getroffen maatregel.
24. De eventuele hypothecaire inschrijving bedoeld in art. 326, 3e lid, WIB is een onderdeel van de procedure van tenuitvoerlegging en moet niet aanvullend worden gemotiveerd.
Toepassing van art. 217bis, § 1 en 2, KB/WIB
25. De bepalingen van de W 29.7.1991 zijn niet van toepassing ingeval de Ontv. terugbetalingen in het voordeel van de belastingschuldige aanwendt, aangezien de tekst zelf van art. 217bis KB/WIB uitdrukkelijk bepaalt dat de aanwending geschiedt "zonder formaliteit".
Toepassing van art. 217bis, § 3, KB/WIB
Vervolgingen
27. Vervolgingen zijn de materiële uitvoering van de uitvoerbaarverklaring van de authentieke akte of van de gerechtelijke uitspraak die bevel inhoudt tot tenuitvoerlegging. Per definitie vallen zij dus niet onder de bestuurshandelingen als bedoeld in de W 29.7.1991. Zij zijn immers slechts het gevolg van een voorheen getroffen beslissing.
IV. SLOTBEMERKINGEN
28. Deze circulaire bevat een eerste benadering van een ingrijpende verandering in het administratief handelen.
De W 29.7.1991 beoogt in de eerste plaats de bestaande materiële motiveringsplicht aan te vullen of te vervangen door een formele motiveringsplicht. Het voornaamste toepassingsgebied moet worden gezocht daar waar de overheid op grond van eigen beoordelingscriteria al dan niet kan optreden.
Wellicht zal rechtsleer en rechtspraak leiden tot het bijsturen van deze onderrichtingen.
29. De ambtenaren worden derhalve verzocht alle principiële betwistingen ter zake langs hiërarchische weg aan het Hoofdbestuur mede te delen.
BESTUURSHANDELING
Begrip.
Motiveringsplicht.
INVORDERING
Motiveringsplicht van de bestuurshandelingen.
I. INLEIDING
1. De W 29.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S. 12.09.1991) gebiedt dat met ingang van 1.1.1992 alle bestuurshandelingen uitgaande van de onderscheidene administratieve overheden uitdrukkelijk worden gemotiveerd.
De tekst van de wet is opgenomen als bijlage.
II. DRAAGWIJDTE VAN DE WET
Bestuurshandeling
| 2. | Daaronder moet worden verstaan : |
- de eenzijdige rechtshandeling : d.w.z. de handeling die van één partij, nl. de administratieve overheid uitgaat en bewust is gesteld om de rechten, de vrijheden of de belangen van een individu te raken. De handeling moet dus een rechtstoestand scheppen, wijzigen of opheffen;
- met individuele strekking : hieronder moet worden verstaan : met individuele werking of draagwijdte. Het mag dus geen handelingen met een algemene en abstracte draagwijdte betreffen (bijv. een KB);
- uitgaande van een bestuur : ter zake betreft het een administratieve overheid, behorende tot de uitvoerende macht, zowel nationaal, communautair, gewestelijk, provinciaal als gemeentelijk, voor zover zij optreedt als een administratieve autoriteit en niet als jurisdictioneel orgaan of in een wetgevende functie.
Bij de definitie van de term "bestuur" wordt in art. 1, W 29.7.1991 verwezen naar art. 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (R.v.S.) (D.I. 136). Uit de verwijzing kan niet worden besloten dat de bedoelde wet uitsluitend van toepassing zou zijn op beslissingen die door de R.v.S. nietig kunnen worden verklaard. Ook de bestuurshandelingen die door middel van een administratief of jurisdictioneel beroep kunnen worden aangevochten vallen onder de wet.
- die beoogt rechtsgevolgen te hebben vóór een of meer besturen of voor een ander bestuur : vermits het "rechtshandelingen" (zie hoger) moet betreffen is het evident dat deze rechtsgevolgen hebben. Onder bestuurder moeten worden verstaan natuurlijke of rechtspersonen in hun betrekkingen met de administratieve overheid.
Uitdrukkelijke motivering
3. De motivering in rechte en in feite moet uitdrukkelijk zijn. Dit betekent dus dat de "interne of materiële motivering", of anders gezegd, de motivering die blijkt uit het administratieve dossier voortaan al onvoldoende zal worden aangezien. De uitdrukkelijke motivering moet expliciet de juridische basis vermelden waarop het bestuur steunt om de handeling te stellen zomede de feiten aanhalen die de genomen beslissing verantwoorden. De motivering moet dus in een direct verband staan met het dispositief van de beslissing. Het gaat ter zake om een actieve informatieplicht voor de overheid die beantwoordt aan een fundamenteel recht van de "bestuurde" op algemeen inzicht en kennis van zijn betrekkingen met het bestuur. Daaruit volgt dat vage, stereotiepe formules niet in overeenstemming zijn met de wettelijke norm.
4. De motivering moet "afdoende" zijn. Er moet dus een voldoende proportionaliteit aanwezig zijn tussen de aangehaalde motivering en de belangrijkheid van de beslissing.
Ter zake betreft het een legalisering van een inmiddels gevestigde rechtspraak van de R.v.S., naar luid waarvan de motivering de beslissing voldoende moet schragen.
5. Dringende noodzakelijkheid kan NOOIT een aanvaardbare reden zijn om de uitdrukkelijke motiveringsplicht achterwege te laten.
III. TOEPASSING INZAKE INVORDERING
Betalingsfaciliteiten
6. De eisbaarheid van belastingen en voorheffingen is geregeld in de art. 303 en 304, WIB. Deze bepalingen zijn van openbare orde en derhalve imperatief toe te passen. De administratie der directe belastingen kan er als bestuur niet van afwijken. Betalingsfaciliteiten worden eventueel toegestaan onder de persoonlijke verantwoordelijkheid en geldelijke aansprakelijkheid van de Ontv. Deze laatste handelt aldus niet als orgaan van een administratieve overheid maar uit persoonlijke naam. Noch de toekenning noch de weigering van betalingsfaciliteiten kunnen aldus als bestuurshandelingen worden aangezien en vallen derhalve buiten het toepassingsgebied van de nieuwe wet. Indien de afbetalingsregeling in gemeen akkoord is getroffen is er daarenboven, geen sprake van een eenzijdige rechtshandeling. Tenslotte aanvaardt een constante rechtspraak de onbevoegdheid ter zake van de hoven en rechtbanken.
Onmiddellijke eisbaarheid
7. Indien de rechten van de Schatkist in gevaar zijn kan de Ontv. de ingekohierde belasting onmiddellijk eisbaar stellen. Een dergelijke handeling is een bewust gestelde bestuurlijke daad die een bestaande rechtstoestand (betaling binnen twee maanden na de toezending van het aanslagbiljet) wijzigt en derhalve moet worden verantwoord.
De dag zelf waarop de Ontv. de belasting onmiddellijk eisbaar stelt moet de belastingschuldige schriftelijk worden ingelicht omtrent de desbetreffende beslissing. De kennisgeving moet uitdrukkelijk de wettelijke grondslag (art. 304, 2e lid, 2°, WIB) vermelde zomede alle feitelijke elementen die de Ontv. tot de overtuiging hebben gebracht dat de rechten van de Schatkist daadwerkelijk in gevaar verkeren. Er wordt opgemerkt dat het ter zake om tastbare elementen moet gaan en niet om louter hypothetische overwegingen.
Het nemen van waarborgen
8. Naast het leggen van beslag, wat een maatregel van tenuitvoerlegging is, staat art. 300, WIB, de Ontv. toe alle maatregelen te nemen die ertoe strekken de invordering van het volledige bedrag van de betwiste belasting en van de toebehoren te waarborgen.
De beslissing tot het nemen van die bewarende maatregel moet de belastingschuldige worden ter kennis gebracht met een verwijzing naar art. 300, WIB, en eventueel naar andere wettelijke grondslagen (bijv. art. 217bis KB/WIB in geval van aanwending van teruggaven). Tevens moet worden vermeld waarom de Ontv. de maatregel nodig acht en welke waarborgen aldus worden genomen. De richtlijn in Com.IB, 300/1.1 krijgt in dit kader een uitgesproken belang. Ten einde aan de motiveringsplicht te kunnen voldoen is het dan ook van uitzonderlijk belang dat de Ontv. ONMIDDELLIJK in kennis wordt gesteld van het onbetwistbaar verschuldigde gedeelte.
Verdaging van de invordering
9. De Gew. dir. is gemachtigd om "in bijzondere gevallen" de invordering van de betwiste schuld geheel of gedeeltelijk te verdagen onder de door hem te bepalen voorwaarden.
Er moet vooreerst worden opgemerkt dat de term "bijzonder geval" nergens uitdrukkelijk is gedefinieerd. In zeer brede zin kan worden aangenomen dat de Gew. dir. ter zake over een zeer ruim interpretatierecht beschikt en dat derhalve in de regel elk motief dat niet strijdig is met de openbare orde of de goede zeden kan worden aangenomen. Naar luid van een vaste rechtspraak van de R.v.S. mag de Gew. dir. de draagwijdte van de term "bijzonder geval" evenwel niet beperken tot een mindere graad van gegoedheid of een gebrek aan betaalkracht. Er wordt mutatis mutandis verwezen naar Com.IB 307/6 en 307/7.
10. De aandacht wordt er voorts op gevestigd dat de Gew. dir. bij ieder verzoek tot opschorting van de invordering zelf moet oordelen of de aanvrager zich in een bijzonder geval bevindt, wat betekent dat hij zich niet mag beperken tot het louter overnemen van consideransen van andere personen (bijv. van de Ontv.).
11. In geval van instemmende beslissing mag de motivering tot een eerder algemene formule worden beperkt.
12. In geval van gehele of gedeeltelijke afwijzing moet aan de proportionaliteitsvereiste (cfr. supra 4) voldaan worden. De beslissing moet dus expliciet vermelden waarom de aanvrager met inachtneming van de termen van het verzoek en van de aan de Gew. dir. bekende gegevens uit het dossier zich niet in een bijzonder geval bevindt.
Vrijstelling van nalatigheidsinterest
13. In aanvulling van de Com.IB bij art. 307, WIB, wordt mutatis mutandis naar het bovenstaande verwezen in verband met de beslissing van de Gew. dir. inzake de verdaging van de invordering.
Zakelijke zekerheden en persoonlijke borgstellingen
14. Inzake de door de Gew. dir. getroffen beslissingen tot het eisen van een waarborg van bepaalde belastingschuldigen houdt de W 29.7.1991 geen nieuwigheid in, vermits art. 310, WIB uitdrukkelijk stelt dat de beslissing zowel in rechte als in feite wordt gemotiveerd (cfr. Com.IB 310/8 tot 310/11).
Wettelijke hypotheek - De rechten van de Schatkist zijn in gevaar
15. Krachtens art. 318, 2e lid, WIB, mag, behalve wanneer de rechten van de Schatkist in gevaar zijn, de inschrijving van de wettelijke hypotheek slechts worden genomen vanaf het verstrijken van een termijn van zes maanden ingaand op de datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier.
Indien de rechten van de Schatkist vereisen dat er onmiddellijk wordt opgetreden, wat inhoudt dat de Ontv. niet meer in staat is vóór de inschrijving van de hypotheek het bericht 249.2 (Com.IB 318/8) te verzenden, moet de beslissing tot het nemen van de wettelijke hypotheek de dag zelf aan de betrokken belastingschuldige ter kennis worden gebracht. Voor de motivering in rechte moet worden verwezen naar de art. 316 tot 320, WIB. De feitelijke motivering is identiek aan die vermeld onder nr. 7 hierboven.
Wettelijke hypotheek - Afwezigheid van dringende noodzakelijkheid
16. Indien de rechten van de Schatkist niet in gevaar zijn moet de Ontv., vooraleer de inschrijving van de wettelijk hypotheek te vorderen, de belastingschuldige van zijn voornemen in kennis stellen door middel van het bericht 249.2. Deze loutere kennisgeving van een voornemen is op zichzelf geen bestuurshandeling in de zin van de W 29.7.1991 en moet derhalve niet expliciet worden gemotiveerd.
17. Vermits de belastingschuldige door middel van het bericht 249.2 de mogelijkheid geboden wordt te reageren, o.a. door middel van het aanbieden van vervangende waarborgen, mag het uitblijven van enige reactie van betrokkene worden aangezien als een stilzwijgende instemming, zodat de daaropvolgende inschrijving zonder verdere formaliteit kan geschieden.
18. Reageert de belastingschuldige wel en blijft de Ontv. bij zijn standpunt, dan moet de belastingschuldige in het bezit worden gesteld van een gemotiveerde beslissing ad hoc. Ter zake wordt verwezen naar nr. 15.
Er wordt aan herinnerd dat de inschrijving plaatsvindt niettegenstaande verzet, betwisting of beroep (art. 319, WIB).
Faillissement van de belastingschuldige
19. De motiveringsplicht voor bestuurshandelingen geldt niet ten aanzien van derden. De inschrijving, van de wettelijke hypotheek met toepassing van art. 318, 3e lid, WIB moet derhalve niet worden verantwoord tegenover de curator en ook niet tegenover de belastingschuldige aangezien deze het beheer over zijn goederen heeft verloren met ingang van het vonnis van faillietverklaring.
Verzoek tot gehele of gedeeltelijke handlichting
20. Op verzoek van de belastingplichtige kan de Ontv. geheel of gedeeltelijk handlichting van de ingeschreven hypotheek verlenen. De motivering in feite van een eventuele afwijzende beslissing moet ter voldoening aan art. 322, WIB, op afdoende wijze aantonen dat de rechten van de Schatkist zonder de hypotheek onvoldoende zijn beveiligd en dat er geen voldoende alternatieve waarborgen zijn verstrekt.
Notificatie aan notaris
21. Krachtens art. 326, WIB geldt de in art. 325 WIB bedoelde notificatie als beslag onder derden in handen van de notaris. De notificatie heeft dus het karakter van een maatregel van tenuitvoerlegging waardoor zij buiten de toepassing van de W 29.7.1991 valt.
22. Uitzondering moet evenwel worden gemaakt voor nog niet vervallen belastingen die in de notificatie worden opgenomen. Door het feit zelf wordt de eisbaarheid vervroegd en komt de Ontv. in een toestand te staan zoals bedoeld is in nr. 7.
23. Behalve indien de Ontv. duidelijke aanwijzingen heeft dat zulks niet het geval is, mag de vervreemding of de hypothecaire aanwending van het onroerend goed, gelet op de bepalingen van de art. 7 en 8 Hyp. wet, worden aangezien als een directe bedreiging van de rechten van de Schatkist en als motivering in feite worden aangehaald in de aan de belastingschuldige te zenden kennisgeving van de getroffen maatregel.
24. De eventuele hypothecaire inschrijving bedoeld in art. 326, 3e lid, WIB is een onderdeel van de procedure van tenuitvoerlegging en moet niet aanvullend worden gemotiveerd.
Toepassing van art. 217bis, § 1 en 2, KB/WIB
25. De bepalingen van de W 29.7.1991 zijn niet van toepassing ingeval de Ontv. terugbetalingen in het voordeel van de belastingschuldige aanwendt, aangezien de tekst zelf van art. 217bis KB/WIB uitdrukkelijk bepaalt dat de aanwending geschiedt "zonder formaliteit".
Toepassing van art. 217bis, § 3, KB/WIB
| 26. | Ter zake wordt verwezen naar nr. 8. |
27. Vervolgingen zijn de materiële uitvoering van de uitvoerbaarverklaring van de authentieke akte of van de gerechtelijke uitspraak die bevel inhoudt tot tenuitvoerlegging. Per definitie vallen zij dus niet onder de bestuurshandelingen als bedoeld in de W 29.7.1991. Zij zijn immers slechts het gevolg van een voorheen getroffen beslissing.
IV. SLOTBEMERKINGEN
28. Deze circulaire bevat een eerste benadering van een ingrijpende verandering in het administratief handelen.
De W 29.7.1991 beoogt in de eerste plaats de bestaande materiële motiveringsplicht aan te vullen of te vervangen door een formele motiveringsplicht. Het voornaamste toepassingsgebied moet worden gezocht daar waar de overheid op grond van eigen beoordelingscriteria al dan niet kan optreden.
Wellicht zal rechtsleer en rechtspraak leiden tot het bijsturen van deze onderrichtingen.
29. De ambtenaren worden derhalve verzocht alle principiële betwistingen ter zake langs hiërarchische weg aan het Hoofdbestuur mede te delen.
Bron: FisconetPlus
