Circulaire nr. AINV 3/2005 (AOIF 11/2005) dd. 24.03.2005

INVORDERING
Aanwending van een ontheffing van belasting
Aanwending van een terug te geven som
Fiscale schuldvergelijking


Commentaar op de art. 334 tot 338 van de Programmawet van 27.12.2004 (BS 31.12.2004, Editie 2).

Aan alle ambtenaren van de sector invordering en taxatie
I. INLEIDING
1. De aanwending van terug te betalen sommen aan een belastingschuldige ter betaling van fiscale schulden van deze laatste was tot op heden enkel mogelijk tussen schuldvorderingen en fiscale schulden van dezelfde aard, in die zin dat een belastingkrediet inzake inkomstenbelastingen of met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen enkel kon aangewend worden ter betaling van een gelijkaardige schuld (art. 166, § 2, KB/WIB 92) en een BTW-krediet enkel kon aangewend worden ter betaling van een BTW-schuld (art. 8 1, § 3, al. 2, KB nr 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaaf van BTW-tegoeden blijkende uit de BTW rekening-courant.

Bij gebrek aan enige wettelijke bepaling in die zin, was er bijgevolg in hoofde van dezelfde belastingschuldige geen "schuldvergelijking" mogelijk tussen de teveel betaalde directe belastingen en de BTW-schulden, en omgekeerd.

Om de teruggave van een BTW-belastingkrediet te vatten, had de ontvanger belast met de invordering van de directe belastingen bijgevolg geen andere keuze dan over te gaan tot het leggen van een vereenvoudigd derdenbeslag in handen van zijn taxatiecollega van de BTW. Hetzelfde gold voor de BTW-Ontvanger wanneer hij een terugbetaling van teveel betaalde directe belastingen wou vatten. Niettegenstaande de samenwerking, georganiseerd tussen de verschillende sectoren van de administratie respectievelijk belast met de directe belastingen en de BTW, was deze procedure niet altijd even efficiënt.

2. Teneinde aan deze situatie te verhelpen en om de fiscale achterstand weg te werken, voert art. 334, Programmawet 27.12.2004 (BS 31.12.2004, Editie 2) een "transversale" maatregel in. Deze laatste laat de aanwending zonder formaliteit toe van sommen die moeten worden terugbetaald aan een belastingschuldige door de BTW-ambtenaar of door deze belast met de invordering van de directe belastingen, zowel ter betaling van een schuld inzake directe belastingen of de ermee gelijkgestelde belastingen, als van een schuld inzake BTW, voor zover deze schulden niet of niet meer betwist worden.

De art. 335 tot 337 van de hiervoor vermelde programmawet verzekeren op hun beurt de samenhang van deze transversale maatregel met de bepalingen van de art. 76, 77 en 77 bis, WBTW.

II. WETTEKST - ART. 334, PROGRAMMAWET VAN 27.12.2004
3. " Art. 334. Elke som die aan een belastingschuldige moet worden teruggegeven of betaald in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en de ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde of krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, kan door de bevoegde ambtenaar zonder formaliteit worden aangewend ter betaling van de door deze belastingschuldige verschuldigde voorheffingen, inkomstenbelastingen en ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, fiscale of administratieve geldboeten, interesten en kosten, wanneer deze laatste niet of niet meer worden betwist.
Het voorgaande lid blijft van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure."
III. DRAAGWIJDTE VAN DE NIEUWE WETTELIJKE BEPALING
A. Algemeen - Fiscale schuldvergelijking sui generis
4. Art. 334, Programmawet 27.12.2004, stelt een fiscale schuldvergelijking sui generis in die zowel alle schuldvorderingen die zijn bedoeld in artikel 166, § 2, KB/WIB 92, als deze inzake BTW, maar ook alle gelijkaardige schulden op naam van een belastingplichtige, beoogt.

Het betreft dus een bijzondere vorm van schuldvergelijking, eigen aan het fiscaal recht, waardoor de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek aangaande de schuldvergelijking (art. 1289 tot 1299, BW) geen toepassing vinden.

Het bijzondere karakter van deze fiscale schuldvergelijking komt nog meer tot uiting door het feit dat deze eveneens van toepassing blijft in geval van een insolvabiliteitsprocedure, beslag, overdracht of in het geval van samenloop.

Deze schuldvergelijking kan evenwel slechts ingeroepen worden indien de schuldvordering niet of niet meer wordt betwist. De toepassing ervan wordt aan het initiatief van de bevoegde ambtenaar overgelaten en heeft uitwerking zonder bijzondere formaliteiten, d.w.z. dat er geen bijzondere procedureakte, noch andere rechtspleging vereist is.

De aandacht wordt er niettemin op gevestigd dat art. 334, Programmawet 27.12.2004, een "transversale" maatregel vormt, die niet ingevoegd is in de fiscale wetten, noch in de uitvoeringsbesluiten ervan. Deze bepaling doet dus geen afbreuk aan de art. 166, KB/WIB 92 en 76, WBTW, noch aan het KB nr 4 van 29.12.1969.

Het bedoelde art. 334 vermindert derhalve geenszins de mogelijkheden tot toepassing van de eigen regels inzake de aanrekening van terug te betalen sommen, waarover de verschillende sectoren van de administratie, respectievelijk belast met de invordering van de directe belastingen en van de BTW, beschikken. Inzake BTW betreft dit onder meer de inhouding van de teruggave inzake de belasting over de toegevoegde waarde op grond van art. 8 1, § 3, al. 4 of 5 of nog op grond van het KB nr 4 van 29.12.1969. Inzake inkomstenbelastingen of de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, betreft het de aanwending op grond van art. 166, § 3, KB/WIB 92, wanneer de belastingschuld wordt betwist.

B. Sommen die kunnen worden aangerekend
5. Komen in aanmerking voor aanrekening op de door de belastingschuldige nog verschuldigde bedragen:

  • elke som die aan een belastingschuldige moet worden teruggegeven in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en ermee gelijkgestelde belastingen;
  • elke som die aan een belastingschuldige moet worden teruggegeven in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake BTW;
  • elke som die aan een belastingschuldige moet worden betaald krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling.
C. Schulden waarop kan worden aangerekend
1. Aard van de aan te zuiveren schulden
6. De hiervoor opgesomde terug te betalen bedragen kunnen worden aangezuiverd op:

  • de inkomstenbelastingen (met inbegrip van de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid) in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen;
  • de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (ingekohierd of niet) in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen;
  • de voorheffingen (ingekohierd of niet) in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen;
  • de BTW in hoofdsom;
  • de administratieve of fiscale boeten;
  • de (nalatigheids) interesten;
  • en de vervolgingskosten,
die deze belastingschuldige verschuldigd is.

De belastingtegoeden (of andere terug te betalen sommen) van één sector worden evenwel prioritair aangewend op de schulden van deze sector zelf (bv. de teruggaven inzake BTW op naam van een belastingplichtige worden bij voorrang aangewend op de BTW-schulden op naam van deze belastingschuldige).

2. Niet betwiste karakter van de aan te zuiveren schuld
7. De aanwending voorzien in artikel 334, Programmawet 27.12.2004, mag slechts uitgevoerd worden indien de aan te zuiveren schuld niet of niet meer wordt betwist. De schuld waarop het belastingkrediet of het terug te betalen bedrag wordt aangewend, moet met andere woorden het karakter van een zekere, vaststaande en opeisbare schuld hebben.

Het indienen van een bezwaarschrift, een verzoek om ambtshalve ontheffing, bedoeld in art. 376, WIB 92, of een vordering in rechte inzake directe belastingen, of nog, inzake BTW, de administratieve of gerechtelijke betwisting van de aanslag of de schuld waarop de bevoegde ambtenaar de terug te betalen som wenst aan te wenden, verhinderen bijgevolg de toepassing van voormeld art. 334.

De aandacht moet er niettemin op gevestigd worden dat, niettegenstaande dergelijke betwisting van de schuld, de bepalingen van art. 166, § 3, KB/WIB 92 inzake directe belastingen en deze van art. 8 1, § 3, al. 4, KB nr 4 inzake BTW, desgevallend onverkort van toepassing blijven (zie nr 4, hiervoor). Bovendien is het tevens steeds mogelijk een bewarend beslag onder derden volgens de gemeenrechtelijke regels te leggen.

D. Aard van de aanwending
8. Art. 334, Programmawet 27.12.2004 bepaalt dat de aanzuivering "zonder formaliteit" gebeurt. Dit betekent dat de eigenlijke aanwending geen voorafgaande handeling of procedure vereist.

Niettegenstaande de aanwending zonder formaliteiten gebeurt, wordt de toepassing ervan aan het initiatief van de bevoegde ambtenaar gelaten. Dit heeft onder meer tot gevolg dat de bevoegde ambtenaar om de aanwending moet verzoeken, maar ook dat het voordeel van de schuldvergelijking tussen een onbetaalde belastingschuld en een aan de belastingschuldige terug te geven som enkel door de bevoegde ambtenaar kan ingeroepen worden en niet door de belastingschuldige die recht heeft op de terugbetaling.

Het is evident dat de belastingschuldige moet ingelicht worden welke bestemming aan de terug te geven som is gegeven. Aldus vermijdt men dat hij een hoger bedrag betaalt dan hetgeen hij werkelijk verschuldigd zal zijn na de aanwending.

E. Aanwending niettegenstaande een toestand van samenloop
9. Art. 334, al. 2, Programmawet 27.12.2004, stelt expliciet dat de aanwending van toepassing blijft in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure.

In principe kan de bevoegde ambtenaar dus de aanwendingsregeling, beoogd in art. 334 toepassen, niettegenstaande één van de volgende gevallen vóór de aanwending is tussengekomen:

  • een derdenbeslag in handen van de Belgische Staat op de terug te betalen sommen;
  • een overdracht aan een derde van de fiscale schuldvordering, tegenstelbaar aan de Belgische Staat;
  • het faillissement van de belastingschuldige;
  • de aanvraag of het bekomen van een gerechtelijk akkoord door de belastingschuldige;
  • de aanvraag of het bekomen van de collectieve schuldenregeling door de belastingschuldige;
  • de invereffeningstelling van de belastingschuldige rechtspersoon.
IV. INWERKINGTREDING
10. Overeenkomstig art. 338, Programmawet 27.12.2004, treden de bepalingen van de art. 334 tot 337 van deze wet in werking op 1.1.2005.

Voor de AOIF,

J.-M. DELPORTE
Administrateur-generaal van de Belastingen
en de Invordering

Voor de Invordering,

H. FAUTRE
Directeur-generaal