Circulaire 2020/C/52 over de bezoldigingen ontvangen van een buitenlandse verbonden vennootschap - FAQ
Deze circulaire bevat een eerste reeks FAQ over art. 8 t.e.m. 24 van de wet van 11.02.2019 houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen (BS 22.03.2019).
personenbelasting ; belasting van niet-inwoners/natuurlijke personen ; bezoldiging van werknemers ; bezoldiging van bedrijfsleiders ; buitenlandse vennootschap ; bedrijfsvoorheffing ; individuele fiche
FOD Financiën, 07.04.2020
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting
Inhoudstafel
1.1. Basisprincipe
1.2. Wie is de beoogde 'belastingplichtige'?
1.3. Wie is de beoogde 'begunstigde'?
1.4. Welke 'bezoldigingen' zijn beoogd?
1.5. Wanneer worden bezoldigingen geacht te zijn 'ontvangen' door de begunstigde en 'toegekend' door de belastingplichtige?
1.6. De begunstigde moet bezoldigingen hebben ontvangen van de buitenlandse verbonden vennootschap wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige. Wat houdt dat in?
1.7. Moet de beroepswerkzaamheid in België uitgevoerd worden?
1.8. Moet er een arbeidsovereenkomst bestaan tussen de belastingplichtige en de begunstigde?
1.9. Sluit een arbeidsovereenkomst tussen de buitenlandse vennootschap en de begunstigde de toepassing van de fictie uit?
1.10. Valt een niet-inwoner die door de buitenlandse verbonden vennootschap naar België uitgezonden wordt (detachering) onder de toepassing van de wet?
2.1. Welke gevolgen zijn er op het vlak van de bedrijfsvoorheffing?
2.2. Is er altijd effectief bedrijfsvoorheffing verschuldigd als de fictie van toepassing is?
2.3. Op welk moment en voor welke periode is de belastingplichtige bedrijfsvoorheffing verschuldigd?
2.4. Welke bedragen moet de belastingplichtige op de aangifte in de bedrijfsvoorheffing vermelden?
2.5. Op welk bedrag moet de belastingplichtige de bedrijfsvoorheffing berekenen?
2.6. Welk bedrag aan bedrijfsvoorheffing moet de belastingplichtige op de individuele fiches vermelden en in welke rubriek?
2.7. Is er sprake van een belastbaar voordeel wanneer de belastingplichtige de bedrijfsvoorheffing niet (volledig) inhoudt op bezoldigingen die hij zelf aan de begunstigde betaalt?
2.8. Zijn de vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing zoals bedoeld in artikel 275^1-11, WIB 92, van toepassing op de door de belastingplichtige verschuldigde bedrijfsvoorheffing?
3.1. Wat houdt de ficheverplichting in?
3.2. Wanneer moet de belastingplichtige een fiche indienen?
3.3. Over welke fiches gaat het?
3.4. Welke bedragen moet de belastingplichtige op de fiches vermelden?
3.5. Waar op de fiches moeten de bedragen ingevuld worden?
4.1. Een in Nederland gevestigde moedervennootschap betaalt in de maand november een bonus aan een rijksinwoner, werknemer van een Belgische dochtervennootschap voor prestaties geleverd ten behoeve van die Belgische dochtervennootschap
4.2. Een werknemer van een buitenlandse dochter heeft tevens een rapporteringslijn naar een 'business unit leader' van het Belgische hoofdkwartier, de moedervennootschap. Bijgevolg reist de werknemer op regelmatige basis naar België
4.3. Een werknemer van de buitenlandse vennootschap wordt uitgestuurd naar België voor activiteiten die los staan van de werking van de Belgische dochter, maar maakt om praktische redenen wel gebruik van haar infrastructuur
4.4. Een buitenlandse groepsvennootschap heeft een contract met een klant in België en stuurt hiervoor eigen werknemers naar België. De Belgische vennootschap is hierbij niet betrokken
4.5. Een buitenlandse vennootschap stuurt een trainee uit naar de Belgische dochter
4.6. Een begunstigde ontvangt bezoldigingen van een met de belastingplichtige verbonden buitenlandse vennootschap voor activiteiten ten behoeve van die belastingplichtige, terwijl hij op het moment van de ontvangst geen activiteiten meer uitoefent ten behoeve van die belastingplichtige
4.7. Een buitenlandse vennootschap (A) heeft een Belgische inrichting en betaalt de bezoldigingen van haar werknemer, die ten laste zijn van haar Belgische inrichting
I. Inleiding
De wet van 11.02.2019 (1) voert een fictie in, waardoor een belastingplichtige geacht wordt de bezoldigingen toe te kennen die een begunstigde ontvangt van een met die belastingplichtige verbonden buitenlandse vennootschap, wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van die belastingplichtige (2).
(1) Wet van 11.02.2019 houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen (BS 22.03.2019).
(2) Artikel 270, tweede lid, WIB 92.
In dat geval is die belastingplichtige bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen verschuldigd en moet hij individuele fiches opstellen.
De circulaire nr. 2019/C/100 van 01.10.2019 bevat een eerste commentaar hierop.
Deze bijkomende circulaire bevat een aantal FAQ die de wetsbepalingen en de toepassing ervan verder verduidelijken.
II. FAQ
1. Algemeen
1.1. Basisprincipe
De wet beoogt de situatie waarin een begunstigde bezoldigingen ontvangt van een buitenlandse vennootschap, wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van die begunstigde ten behoeve van een belastingplichtige die met die buitenlandse vennootschap verbonden is.
In deze situatie creëert de wet een fictie, waarbij de belastingplichtige geacht wordt dergelijke bezoldigingen zelf te hebben toegekend. Hij is dan bedrijfsvoorheffing verschuldigd en moet een aangifte in de bedrijfsvoorheffing indienen en individuele fiches opstellen.
Deze fictiebepaling is van toepassing op bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.03.2019.
Voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2019 tot en met 28.02.2019 is een overgangsregeling voorzien. Hiervoor geldt enkel de ficheverplichting.
1.2. Wie is de beoogde 'belastingplichtige'?
De beoogde belastingplichtigen zijn:
- de binnenlandse vennootschappen, bedoeld in artikel 179, WIB 92
- de rechtspersonen, bedoeld in artikel 220, WIB 92
- de niet-inwoners, (vennootschappen en rechtspersonen) bedoeld in artikel 227, 2° en 3°, WIB 92, die aan de begunstigde in België of in het buitenland bezoldigingen betalen die beroepskosten zijn in de zin van artikel 237, WIB 92. De niet-inwoner moet derhalve zelf bezoldigingen aan de begunstigde betalen, waarbij het volstaat dat deze bezoldigingen voor aftrek als beroepskosten van de volgens de artikelen 228 tot 231, WIB 92, in België belastbare inkomsten in aanmerking kunnen komen. De omstandigheid dat de niet-inwoner volgens de internrechtelijke bepalingen over een Belgische inrichting beschikt, maar volgens de bepalingen van het van toepassing zijnde verdrag tot voorkoming van dubbele belasting niet over een vaste inrichting beschikt, doet geen afbreuk aan de eventuele verschuldigdheid van de bedrijfsvoorheffing.
Bovendien moet de hiervoor beoogde belastingplichtige verbonden zijn in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen met de buitenlandse vennootschap waarvan de begunstigde bezoldigingen ontvangt wegens of naar aanleiding van zijn beroepsactiviteit ten behoeve van die belastingplichtige.
1.3. Wie is de beoogde 'begunstigde'?
De begunstigde is de natuurlijke persoon die van de buitenlandse verbonden vennootschap bezoldigingen ontvangt, wegens of naar aanleiding van zijn beroepsactiviteit ten behoeve van de belastingplichtige.
De begunstigde kan zowel een rijksinwoner als een niet-inwoner zijn.
1.4. Welke 'bezoldigingen' zijn beoogd?
Zowel de bezoldigingen van werknemers als van bedrijfsleiders vallen onder het toepassingsgebied.
1.5. Wanneer worden bezoldigingen geacht te zijn 'ontvangen' door de begunstigde en 'toegekend' door de belastingplichtige?
Bezoldigingen worden geacht te zijn 'ontvangen' door de begunstigde op het moment van de 'betaling of toekenning' door de buitenlandse verbonden vennootschap.
Dit is het moment waarop de begunstigde over de bezoldigingen of het voordeel kan beschikken. In de regel is dit het moment van effectieve betaling.
Door de fictie wordt de belastingplichtige geacht die bezoldigingen op datzelfde moment te hebben toegekend.
1.6. De begunstigde moet bezoldigingen hebben ontvangen van de buitenlandse verbonden vennootschap wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige. Wat houdt dat in?
De notie 'ten behoeve van' betreft, in de ruimste zin, de uitoefening door de begunstigde van gelijk welke 'beroepswerkzaamheid' die tot de normale activiteiten of het maatschappelijk doel van de belastingplichtige behoort.
Ten behoeve van betekent dus niet enkel dat de activiteiten van de begunstigden aanleiding moeten geven tot een rechtstreekse of onrechtstreekse financiële opbrengst of ander voordeel voor de belastingplichtige. Dit begrip gaat ruimer en omvat alle activiteiten die voor de belastingplichtige worden uitgevoerd.
De beoordeling hiervan zal in vele gevallen een feitenkwestie zijn. Zie ook rubriek 4 voor een aantal praktijkvoorbeelden.
1.7. Moet de beroepswerkzaamheid in België uitgevoerd worden?
De begunstigde moet de beroepswerkzaamheid niet noodzakelijk in België uitoefenen.
De fictie is ook van toepassing wanneer de begunstigde bezoldigingen ontvangt van de buitenlandse verbonden vennootschap voor beroepswerkzaamheden in het buitenland ten behoeve van de belastingplichtige.
1.8. Moet er een arbeidsovereenkomst bestaan tussen de belastingplichtige en de begunstigde?
Neen. De belastingplichtige en de begunstigde moeten geen formele arbeidsovereenkomst gesloten hebben opdat de fictie van toepassing zou zijn.
1.9. Sluit een arbeidsovereenkomst tussen de buitenlandse vennootschap en de begunstigde de toepassing van de fictie uit?
Neen. Een arbeidsovereenkomst tussen de buitenlandse verbonden vennootschap en de begunstigde sluit de toepassing van de fictie niet uit.
1.10. Valt een niet-inwoner die door de buitenlandse verbonden vennootschap naar België uitgezonden wordt (detachering) onder de toepassing van de wet?
Wanneer een buitenlandse verbonden vennootschap bezoldigingen betaalt of toekent aan een gedetacheerde niet-inwoner wegens of naar aanleiding van zijn beroepsactiviteit ten behoeve van een belastingplichtige, dan valt dit onder de bepalingen van de fictie.
2. Bedrijfsvoorheffing
2.1. Welke gevolgen zijn er op het vlak van de bedrijfsvoorheffing?
Door de fictie wordt de belastingplichtige geacht bezoldigingen te hebben toegekend.
De bedrijfsvoorheffing is bijgevolg verschuldigd en wordt berekend volgens de gewone wettelijke en reglementaire bepalingen.
De belastingplichtige moet een aangifte in de bedrijfsvoorheffing indienen. Hij mag de verschuldigde bedrijfsvoorheffing inhouden op de eventuele andere bezoldigingen die hij betaalt of toekent.
Hij moet eveneens een individuele fiche opmaken voor die inkomsten (zie rubriek 3).
2.2. Is er altijd effectief bedrijfsvoorheffing verschuldigd als de fictie van toepassing is?
Neen. Door de fictie is de bedrijfsvoorheffing 'in principe' verschuldigd. Door verdragsrechtelijke of internrechtelijke bepalingen is het evenwel mogelijk dat er toch geen effectieve bedrijfsvoorheffing verschuldigd is.
De belastingplichtige zal echter altijd een aangifte moeten indienen en de bezoldigingen in het vak van de belastbare inkomsten moeten vermelden. Het bedrag van de bedrijfsvoorheffing zal dan evenwel 'nul' zijn.
2.3. Op welk moment en voor welke periode is de belastingplichtige bedrijfsvoorheffing verschuldigd?
De bedrijfsvoorheffing is verschuldigd op het moment dat de belastingplichtige geacht wordt de beoogde bezoldigingen te hebben toegekend. Dit betekent dat de belastingplichtige het inkomen én de daarop verschuldigde bedrijfsvoorheffing moet vermelden in de aangifte in de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de periode van toekenning en dat hij die bedrijfsvoorheffing uiterlijk de 15de van de daaropvolgende maand moet betalen.
Wanneer de begunstigde bijvoorbeeld in januari een bezoldiging ontvangt van de verbonden buitenlandse vennootschap die aan de voorwaarden voldoet, dan zal de belastingplichtige (er van uitgaand dat hij maandelijks de bedrijfsvoorheffing aangeeft) deze inkomsten evenals de bedrijfsvoorheffing moeten vermelden op een aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de maand januari en uiterlijk op 15 februari de bedrijfsvoorheffing storten.
2.4. Welke bedragen moet de belastingplichtige op de aangifte in de bedrijfsvoorheffing vermelden?
Op de aangifte 274.xx in de bedrijfsvoorheffing moeten de belastbare inkomsten en de daarop betrekking hebbende bedrijfsvoorheffing worden vermeld.
Dit belastbare bedrag heeft enkel betrekking op de bezoldigingen die voldoen aan de voorwaarden in FAQ nr. 1.1.
Dit bedrag moet ook vermeld worden wanneer door verdragsrechtelijke of internrechtelijke bepalingen geen effectieve bedrijfsvoorheffing verschuldigd is.
2.5. Op welk bedrag moet de belastingplichtige de bedrijfsvoorheffing berekenen?
De belastingplichtige moet de bedrijfsvoorheffing enkel berekenen op de bezoldigingen die onder de toepassing van de fictie vallen.
2.6. Welk bedrag aan bedrijfsvoorheffing moet de belastingplichtige op de individuele fiches vermelden en in welke rubriek?
De belastingplichtige moet op de fiches de bedrijfsvoorheffing vermelden die betrekking heeft op de bezoldigingen die onder de toepassing van de fictie vallen.
Op de fiches 281.10 en 281.20 is in het vak voor de bedrijfsvoorheffing een specifieke lijn voorzien om deze bedrijfsvoorheffing afzonderlijk te vermelden.
Op de andere fiches is dat niet het geval en moet de eventuele bedrijfsvoorheffing in de normaal daarvoor voorziene rubriek worden vermeld.
2.7. Is er sprake van een belastbaar voordeel wanneer de belastingplichtige de bedrijfsvoorheffing niet (volledig) inhoudt op bezoldigingen die hij zelf aan de begunstigde betaalt?
In sommige gevallen zal de belastingplichtige de bedrijfsvoorheffing die ingevolge de fictiebepaling verschuldigd is, niet (volledig) kunnen inhouden op andere bezoldigingen die hij zelf betaalt aan de begunstigde.
Wanneer de belastingplichtige die verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet recupereert bij de begunstigde, ontstaat bij deze een belastbaar voordeel. Het bedrag daarvan moet worden toegevoegd aan de belastbare bezoldigingen. Op dit voordeel moet evenwel geen bedrijfsvoorheffing meer worden berekend.
2.8. Zijn de vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing zoals bedoeld in artikel 275^1‑11, WIB 92, van toepassing op de door de belastingplichtige verschuldigde bedrijfsvoorheffing?
Neen.
Deze vrijstellingen zijn niet van toepassing op de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de in deze FAQ beoogde bezoldigingen.
Wanneer zou blijken dat de belastingplichtige de hier bedoelde bedrijfsvoorheffing toch in aanmerking heeft genomen voor een vrijstelling van doorstorting dan zal dit worden rechtgezet.
3. Fiches
3.1. Wat houdt de ficheverplichting in?
Wanneer de fictie van toepassing is, wordt de belastingplichtige geacht bezoldigingen te hebben toegekend en wordt hij schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing.
In die hoedanigheid is hij verplicht om voor de bezoldigingen die zijn toegekend individuele fiches op te maken en via elektronische weg in te dienen bij de administratie. Een afschrift ervan moet hij aan de begunstigde bezorgen, zodat die zijn aangifte in de personenbelasting of de belasting van niet-inwoners kan invullen.
3.2. Wanneer moet de belastingplichtige een fiche indienen?
De belastingplichtige moet de fiches op elektronische wijze bij de administratie indienen uiterlijk vóór 1 maart van het jaar volgend op het jaar waarin hij, met toepassing van de fictie, geacht werd de bezoldigingen te hebben toegekend.
Hij moet hiervan eveneens een afschrift bezorgen aan de begunstigde zodat deze in staat is zijn aangifte in de personenbelasting of de belasting van niet-inwoners in te vullen.
3.3. Over welke fiches gaat het?
In de meeste gevallen zal het gaan om de fiches 281.10 (bezoldigingen van werknemers) en 281.20 (bezoldigingen van bedrijfsleiders).
Daarin zijn specifieke rubrieken opgenomen om die bezoldigingen en de daarop verschuldigde bedrijfsvoorheffing te vermelden. Instructies om deze fiches in te vullen zijn terug te vinden in het betreffende bericht aan de werkgever.
Het is mogelijk dat ook andere fiches betrokken zijn. Op deze fiches zijn geen specifieke rubrieken voorzien. De betrokken inkomsten evenals de daarop verschuldigde bedrijfsvoorheffing moeten desgevallend in de daarvoor voorziene normale rubrieken en codes worden vermeld.
3.4. Welke bedragen moet de belastingplichtige op de fiches vermelden?
Op de inkomstenfiche komt in alle gevallen het principieel belastbare bruto inkomen en de hierop berekende bedrijfsvoorheffing (zie ook FAQ nr. 2.1.).
3.5. Waar op de fiches moeten de bedragen ingevuld worden?
Vermeld het bruto bedrag van de bezoldigingen dat betrekking heeft op de beroepsactiviteiten ten behoeve van de belastingplichtige:
- op de fiches 281.10 en 281.20:
zowel in de daarvoor voorziene normale rubrieken als in de vakken 27 (fiche 281.10) en 21 (fiche 281.20) (inkomstenjaar 2019)
- op de andere fiches:
enkel in de daarvoor voorziene normale rubrieken.
Op de fiches 281.10 en 281.20 is in het vak voor de bedrijfsvoorheffing een specifieke lijn voorzien om de bedrijfsvoorheffing afzonderlijk te vermelden (zie ook FAQ 2.6.).
Vermeld de bedrijfsvoorheffing op de andere fiches in de daartoe voorziene normale rubriek.
4. Praktijkvoorbeelden
4.1. Een in Nederland gevestigde moedervennootschap betaalt in de maand november een bonus aan een rijksinwoner, werknemer van een Belgische dochtervennootschap voor prestaties geleverd ten behoeve van die Belgische dochtervennootschap
Er is voldaan aan alle voorwaarden van FAQ nr. 1.1. De belastingplichtige is bijgevolg schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing.
Op de aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de maand november (in te dienen en te betalen, uiterlijk op 15 december) zal de Belgische dochter het bruto belastbaar bedrag van de bonus en de daarop volgens Bijlage III, KB/WIB 92 berekende bedrijfsvoorheffing moeten vermelden.
Aangezien de begunstigde werknemer is van de Belgische dochter, zal deze laatste de bedrijfsvoorheffing op de bonus inhouden op de door haar in november betaalde bezoldigingen.
Op de fiche 281.10 voor het betrokken inkomstenjaar zal de Belgische dochter de bonus vermelden in de code 250 en de op die bonus verschuldigde bedrijfsvoorheffing in vak 22, b). Het bruto bedrag van de bonus wordt herhaald in vak 27, a), 3°.
4.2. Een werknemer van een buitenlandse dochter heeft tevens een rapporteringslijn naar een 'business unit leader' van het Belgische hoofdkwartier, de moedervennootschap. Bijgevolg reist de werknemer op regelmatige basis naar België
In dit geval zal moeten worden nagaan in hoeverre deze rapportering kadert in de uitoefening van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de Belgische moeder, of binnen haar maatschappelijk doel. Indien het hier om een louter informatieve activiteit gaat, dan is deze situatie niet beoogd door de fictie.
4.3. Een werknemer van de buitenlandse vennootschap wordt uitgestuurd naar België voor activiteiten die los staan van de werking van de Belgische dochter, maar maakt om praktische redenen wel gebruik van haar infrastructuur
In dergelijk geval is er geen sprake van een 'beroepsactiviteit ten behoeve van' de Belgische dochter en is de fictie niet van toepassing.
4.4. Een buitenlandse groepsvennootschap heeft een contract met een klant in België en stuurt hiervoor eigen werknemers naar België. De Belgische vennootschap is hierbij niet betrokken
Aangezien de door de begunstigden geleverde prestaties niet kaderen in die van de Belgische vennootschap en deze ook niet betrokken is bij de aansturing van de begunstigden, is deze situatie niet beoogd door de fictie.
4.5. Een buitenlandse vennootschap stuurt een trainee uit naar de Belgische dochter
Wanneer de trainee in België enkel ervaring opdoet via waarneming (theoretische opleiding), zonder enige beroepswerkzaamheid uit te oefenen, dan valt deze situatie niet onder de fictie.
Wanneer de trainee evenwel ook effectief beroepswerkzaamheden uitoefent (on the job training) binnen het kader van de normale activiteiten van de Belgische vennootschap om praktische ervaring op te doen, dan vallen de bezoldigingen wel onder de bepalingen van de fictie.
4.6. Een begunstigde ontvangt bezoldigingen van een met de belastingplichtige verbonden buitenlandse vennootschap voor activiteiten ten behoeve van die belastingplichtige, terwijl hij op het moment van de ontvangst geen activiteiten meer uitoefent ten behoeve van die belastingplichtige
Deze situatie valt volledig onder de bepalingen van de fictie. Principieel zal voor deze inkomsten een fiche moeten worden opgemaakt en eventueel zal hierop ook bedrijfsvoorheffing moeten worden betaald.
4.7. Een buitenlandse vennootschap (A) heeft een Belgische inrichting en betaalt de bezoldigingen van haar werknemer, die ten laste zijn van haar Belgische inrichting
De buitenlandse vennootschap (A) is reeds op basis van artikel 270, eerste lid, 1°, WIB 92, schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing voor de bezoldigingen die in hoofde van de Belgische inrichting beroepskosten kunnen zijn in de zin van artikel 237, WIB 92. De fictiebepaling is daarop dan ook niet van toepassing.
Mocht de werknemer daarnaast bijvoorbeeld een bonus ontvangen van een andere buitenlandse vennootschap (B) die met de buitenlandse vennootschap (A) verbonden is, voor werkzaamheden ten behoeve van de buitenlandse vennootschap (A), dan wordt door toepassing van de fictiebepaling die bonus geacht te zijn betaald of toegekend door de buitenlandse vennootschap (A).
Interne ref.: 720.221/2
