Circulaire nr. 10 (AFZ/2001-0518) dd. 22.04.2002

CIRC 10/2002

Circulaire nr. 10 (AFZ/2001-0518) dd. 22.04.2002


Aansprakelijke vertegenwoordiger
Niet in België gevestigde belastingplichtige
Verplichtingen
BTW-identificatienummer
Opgave belastingplichtige afnemers
Opgave intracommunautaire handelingen
Voldoening van de belasting
Schuldenaar van de belasting
Verlegging van de heffing.


Wijzigingen van het BTW-Wetboek inzake de niet in België gevestigde belastingplichtige.

I. Inleiding

Geconfronteerd met het fundamentele probleem van de onderlinge verschillen tussen de betrokken lidstaten op het vlak van de fiscale verplichtingen (het al dan niet laten erkennen van een fiscaal vertegenwoordiger, het eventueel storten van een borg...) en met het feit dat er geen eenvormige toepassing is inzake het aanstellen van een tot de voldoening van de BTW gehouden persoon, hebben de communautaire instanties de richtlijn 2000/65/EG van de Raad van 17 oktober 2000 aangenomen tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de bepaling van degene die tot voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde gehouden is (PBEG nr. L 269/44 van 21 oktober 2000).

De richtlijn 2000/65/EG die op 21 oktober 2000 in werking is getreden, heeft als voornaamste doelstelling een belangrijke vereenvoudiging aan te brengen aan het gemeenschappelijk stelsel van de BTW. De lidstaten dienen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen om uiterlijk op 31 december 2001 aan deze richtlijn te voldoen.

In het Belgisch Staatsblad van 13 maart 2002 - 3 de editie werd de wet van 7 maart 2002 gepubliceerd tot wijziging van de artikelen 50, 51, 51bis, 53quater, 53quinquies, 53sexies, 55 en 61 van het BTW-Wetboek. Deze nieuwe bepalingen hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2002.

Tevens werd in het Belgisch Staatsblad van 11 april 2002 het koninklijk besluit nr. 31 van 2 april 2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen gepubliceerd. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002.

Tenslotte werd in het Belgisch Staatsblad van 16 april 2002 het koninklijk besluit van 2 april 2002 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 3, 7, 10, 23 en 50 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde gepubliceerd. Dit besluit heeft eveneens uitwerking met ingang van 1 januari 2002.

Deze aanschrijving bevat een eerste commentaar en een gecoördineerde tekst van de nieuwe bepalingen van het BTW-Wetboek.

II. Stelsel van kracht vóór de omzetting van de richtlijn 2000/65/EG

De BTW-belastingplichtige die belastbare handelingen verricht, wordt in principe geacht de belasting te voldoen.

Voor zover laatstgenoemde dergelijke handelingen verricht in een lidstaat waarin hij niet is gevestigd, laat de Europese regelgeving die lidstaat toe de buitenlandse belastingplichtige te verplichten een fiscaal vertegenwoordiger aan te wijzen in die lidstaat of de belastingplichtige medecontractant aan te stellen als degene die gehouden is tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

Aangezien de op dit gebied vastgestelde regels niet op dezelfde wijze in de verschillende lidstaten worden toegepast, levert dit ernstige problemen op.

III. Draagwijdte van de nieuwe bepalingen

De enige wijziging die daadwerkelijk een aanzienlijke vereenvoudiging kan betekenen voor het gemeenschappelijk BTW-stelsel in het algemeen, en de bepaling van de tot voldoening van de belasting gehouden persoon in het bijzonder, bestaat erin de lidstaten de keuzemogelijkheid te ontnemen de aanwijzing van een fiscaal vertegenwoordiger verplicht te stellen voor de belastingplichtigen die belastbare handelingen verrichten in andere lidstaten dan die waarin zij zijn gevestigd.

De aanwijzing van een fiscaal vertegenwoordiger kan voortaan voor niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen slechts facultatief zijn, althans wanneer het belastingplichtigen van een andere lidstaat betreft. Die keuzemogelijkheid is onderworpen aan de door elke lidstaat bepaalde voorwaarden en modaliteiten.

Niettemin kunnen niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen die onderdaan zijn van landen die geen deel uitmaken van de Gemeenschap nog steeds door de lidstaten worden verplicht een fiscaal vertegenwoordiger aan te wijzen die in hun plaats tot voldoening van de belasting is gehouden, of een gemachtigde. Artikel 21, § 2, b), nieuw, van de zesde richtlijn bepaalt inderdaad dat de ondernemingen die uitsluitend buiten de Gemeenschap zijn gevestigd (in landen waarmee geen enkel rechtsinstrument is overeengekomen waarbij wederzijdse bijstand of administratieve samenwerking op het gebied van de indirecte belastingen wordt geregeld zoals deze binnen de Gemeenschap is voorzien) kunnen worden verplicht er een fiscaal vertegenwoordiger aan te wijzen.

De lidstaten kunnen nog steeds vrijelijk bepalen wie tot voldoening van de belasting bij invoer gehouden is en kunnen nog steeds bepalen dat een ander dan de tot voldoening van de belasting gehouden persoon hoofdelijk verplicht is de belasting te voldoen.

Overigens kunnen de lidstaten overeenkomstig artikel 21, § 1, a), tweede lid, nieuw, van de zesde richtlijn, onder door henzelf vast te stellen voorwaarden bepalen dat de belasting verschuldigd is door degene voor wie de belastbare levering van goederen of de belastbare dienst wordt verricht.

De lidstaten hebben aldus de mogelijkheid te voorzien in een stelsel van verlegging van heffing van de belasting waarbij de belastingplichtige medecontractant handelt als degene die tot voldoening van de BTW is gehouden.

Artikel 22, nieuw, van de zesde richtlijn laat de lidstaten eveneens toe niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen rechtstreeks dezelfde verplichtingen op te leggen als aan wel in het binnenland gevestigde belastingplichtigen.

Die nieuwe bepaling laat derhalve toe niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen die handelingen verrichten waarvoor recht op aftrek ontstaat en waarvoor zij gehouden zijn de belasting te voldoen, door middel van een individueel nummer voor BTW-doeleinden te identificeren.

IV. Keuze van België

Het basisprincipe van de weerhouden oplossing bestaat erin dat de niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige die in het binnenland belastbare handelingen verricht verplicht wordt een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen.

Die verplichting is niet vereist van zodra gebruik wordt gemaakt van de door artikel 21, § 1, van de zesde richtlijn geboden mogelijkheid om de medecontractant als schuldenaar van de verschuldigde belasting aan te wijzen.

Voor alle in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtigen die hier te lande aan de belasting onderworpen handelingen verrichten wordt elke verplichting tot aanwijzing van een aansprakelijke vertegenwoordiger voortaan opgeheven. Niettemin wordt een keuzemogelijkheid ingevoerd.

V. Toelichting bij de artikelen

1. Identificatie voor de belasting over de toegevoegde waarde

Artikel 50, nieuw, van het BTW-Wetboek vloeit voort uit de omzetting van artikel 22, § 1, punt c, nieuw, van de zesde richtlijn.

Een BTW-identificatienummer dat de letters BE bevat wordt toegekend aan elke niet in België gevestigde belastingplichtige van zodra hij handelingen verricht bedoeld in het Wetboek die hem recht op aftrek verlenen en waarvoor hij in België schuldenaar is van de belasting overeenkomstig de artikelen 51 en 52 van dit Wetboek.

Door die bepaling kan eveneens worden vermeden dat belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat ertoe gehouden zijn aanvragen tot teruggaaf in te dienen bij het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen (CKBB) teneinde de Belgische BTW te kunnen recupereren geheven van de hier te lande gedane aankopen (aan de belasting onderworpen leveringen van goederen en/of dienstverrichtingen).

Artikel 50, § 2, van het Wetboek laat bovendien toe aan andere niet in § 1 bedoelde belastingplichtigen een BTW-identificatienummer toe te kennen dat niet noodzakelijk de letters BE bevat. Dit is het geval voor de belastingplichtigen op wie de in artikel 56, § 2, bepaalde regeling van toepassing is of de belastingplichtigen die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verrichten waarvoor zij geen recht op aftrek hebben.

Hier worden inzonderheid de niet in België gevestigde belastingplichtigen bedoeld die hier te lande uitsluitend handelingen verrichten waarvoor zij geen schuldenaar zijn van de BTW of de personen die vooraf door de Minister van Financiën worden erkend om, in bepaalde omstandigheden, niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen die niet in België voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd te vertegenwoordigen.

2. Begrip schuldenaar

Teneinde volledig in overeenstemming te zijn met artikel 21, nieuw, van de zesde richtlijn, wordt het begrip "buiten België gevestigde belastingplichtige" vervangen door het begrip "niet in België gevestigde belastingplichtige".

De nieuwe tekst van artikel 50 vereist dat in artikel 51, § 2, 1°, b) wordt verduidelijkt dat de bedoelde ontvanger van de dienst dient te worden geïdentificeerd onder een nummer dat de letters BE bevat.

Artikel 21, § 1, a), nieuw, van de zesde richtlijn voorziet de mogelijkheid om te bepalen dat wanneer een levering van goederen of een dienst wordt verricht door een niet in het binnenland gevestigde belastingplichtige, de belasting verschuldigd is door de verkrijger van het goed of de ontvanger van de dienst.

Artikel 51, § 2, 5°, nieuw, van het Wetboek voert het systeem in van veralgemeende verlegging van de heffing van de verschuldigde belasting in hoofde van de medecontractant van een niet in België gevestigde leverancier van goederen of diensten die in België belastbare handelingen verricht.

Dit stelsel kan slechts worden toegepast mits de volgende voorwaarden worden nageleefd:
a)de leverancier van het goed of de dienstverrichter is een niet in België gevestigde belastingplichtige;
b)de belastbare handelingen mogen niet het voorwerp uitmaken van de afwijkingen bedoeld in § 2, 1° en 2° van artikel 51 (dat een dergelijke verlegging regelt), noch worden vrijgesteld of verricht met vrijstelling van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 44bis van het BTW-Wetboek;
c)de medecontractant kan slechts een in België gevestigde belastingplichtige zijn gehouden tot de indiening van periodieke BTW-aangiften overeenkomstig artikel 53, eerste lid, 3°, of een niet in België gevestigde medecontractant die overeenkomstig artikel 55, § 1, of § 2, nieuw, van het Wetboek een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen.
3. Andere regeling van entrepot dan douane-entrepot: hoofdelijke aansprakelijkheid

In het stelsel van de regeling inzake BTW-entrepots bedoeld in artikel 39quater van het Wetboek zijn de depothouder, de vervoerder alsook in voorkomend geval zijn lastgever, tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting met de persoon die er schuldenaar van is.

Artikel 51, § 2, 5°, nieuw, van het Wetboek duidt nieuwe personen aan als schuldenaar van de belasting. Deze personen kunnen eveneens tussenkomst verlenen bij de handelingen die betrekking hebben op de uitslag van de goederen uit de regeling BTW-entrepot.

Artikel 51bis, § 3, van het Wetboek dat die hoofdelijke aansprakelijkheid regelt, wordt dus vervolledigd in die zin dat de in België gevestigde medecontractant die gehouden is tot het indienen van de aangifte bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3°, alsook de niet in België gevestigde medecontractant die een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen overeenkomstig artikel 55, § 1, of § 2, eveneens deel zullen uitmaken van de personen die tegenover de Staat hoofdelijk gehouden zijn tot voldoening van de belasting in het kader van die regeling.

4. Mededeling van het BTW-identificatienummer

Wanneer een overeenkomstig artikel 50 van het BTW-Wetboek voor BTW-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige, een dienst ontvangt die een expertise of een werk aan lichamelijke roerende goederen, een intracommunautair vervoer, een activiteit die samenhangt bij zulk een vervoer of de tussenkomst van een tussenpersoon bij een intracommunautaire levering van goederen of een dienst tot voorwerp heeft, is hij niet verplicht zijn BTW-identificatienummer voorafgegaan van de letters BE mee te delen aan zijn dienstverrichter.

Voor zover hij beschikt over een BTW-identificatienummer in een andere lidstaat, kan hij om commerciële doeleinden dit identificatienummer meedelen aan zijn dienstverrichter.

De invoeging van een nieuwe paragraaf in artikel 53quater van het Wetboek regelt die mogelijkheid.

Overigens is het van belang dat niet in België gevestigde belastingplichtigen die er een aansprakelijke vertegenwoordiger hebben laten erkennen of die er worden vertegenwoordigd door een vooraf erkende persoon, ertoe gehouden zijn zowel aan hun klanten als aan hun leveranciers alle gegevens van hun fiscaal vertegenwoordiger mee te delen.

Die verplichting laat toe de buitenlandse belastingplichtigen die in België over een fiscaal vertegenwoordiger beschikken te onderscheiden van die welke zonder fiscaal vertegenwoordiger in België voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd en dus een rechtstreekse BTW-identificatie hebben, waardoor de toepassingsvoorwaarden van de verlegging bedoeld in artikel 51, § 2, 5°, nieuw, van het BTW-Wetboek kunnen worden nagegaan.

5. Overgave belastingplichtige afnemers

Alle niet in België gevestigde belastingplichtigen die hier te lande belastbare handelingen verrichten en die er een aansprakelijke vertegenwoordiger hebben laten erkennen alsook degenen die vertegenwoordigd worden door een vooraf erkende persoon overeenkomstig artikel 55, § 3 en de in artikel 50, § 2, bedoelde niet in België gevestigde belastingplichtigen, zijn eveneens verplicht de opgave van de belastingplichtige afnemers in te dienen.

6. Opgave intracommunautaire handelingen

Om te voorkomen dat de lidstaten belastingopbrengsten derven heeft de Raad van de Europese Gemeenschappen een gemeenschappelijk systeem ingesteld voor de uitwisseling van inlichtingen over intracommunautaire transacties tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten (Verordening EEG nr. 218/92 van 27 januari 1992).

Overeenkomstig artikel 53sexies van het Wetboek moet elke in België voor BTW-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige ieder kalenderkwartaal bij de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, een opgave indienen van zijn in een andere lidstaat van de Gemeenschap voor BTW-doeleinden geïdentificeerde afnemers waarmee hij ofwel vrijgestelde intracommunautaire leveringen van goederen heeft verricht ofwel leveringen van goederen die plaatsvinden in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen in het geval van driehoeksverkeer.

Door rekening te houden met de nieuwe tekst van artikel 50, geldt de in voornoemd artikel 53sexies bedoelde verplichting zowel voor niet in België gevestigde maar er wel geïdentificeerde belastingplichtigen als voor niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen die worden vertegenwoordigd door een vooraf erkend persoon.

7. Aansprakelijke vertegenwoordiger

Artikel 21, § 2, nieuw, van de (zesde) richtlijn nr. 77/388/EEG bepaalt dat wanneer een niet in het binnenland gevestigde belastingplichtige schuldenaar van de belasting is, de lidstaten hem de mogelijkheid kunnen geven een fiscaal vertegenwoordiger aan te wijzen als degene die in zijn plaats de belasting verschuldigd is, en zelfs de aanwijzing van zo'n fiscaal vertegenwoordiger kunnen opleggen wanneer er met het land van het hoofdkantoor of de vestiging van de belastingplichtige geen rechtsinstrument betreffende de administratieve samenwerking is overeengekomen.

Artikel 55, § 1, eerste lid, nieuw, van het Wetboek verplicht, in principe, elke niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen voor zover het handelingen in België betreft waarvoor de belasting niet is verschuldigd door de medecontractant overeenkomstig de artikelen 51, § 2, 1°, 2° en 5° van het Wetboek.

Artikel 55, § 1, tweede lid, laat onder bepaalde voorwaarden evenwel toe dat die belastingplichtige door of vanwege de Minister van Financiën kan worden ontslagen van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen. Die mogelijkheid tot ontslag werd reeds voorzien in artikel 55, vierde lid, oud, van het Wetboek.

Het betreft de omstandigheden waarbij een niet in België gevestigde belastingplichtige die er niet voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd, hier te lande toevallige handelingen of handelingen van gering belang verricht.

Artikel 55, § 2 voert een mogelijkheid in voor belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat van de Gemeenschap om een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige.

De in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtigen die in België door bemiddeling van een aansprakelijke vertegenwoordiger voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd, zijn bijgevolg vanaf 1 januari 2002 hun erkenning ambtshalve verloren, tenzij zij het voornemen hebben geuit het stelsel van fiscaal vertegenwoordiger te behouden.

Artikel 55 bepaalt dat de voorwaarden en modaliteiten voor de erkenning van de aansprakelijke vertegenwoordiger bij koninklijk besluit worden vastgelegd. Het koninklijk besluit nr. 31 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen werd dus aangepast, rekening gehouden met de aan artikel 55 van het Wetboek aangebrachte wijzigingen.

Artikel 55, § 3 biedt bovendien aan een niet in België gevestigde belastingplichtige de mogelijkheid om in bepaalde omstandigheden te worden vertegenwoordigd door een vooraf erkende persoon. De voorwaarden en modaliteiten eigen aan dit stelsel zijn in feite reeds opgenomen in voornoemd koninklijk besluit nr. 31 van 29 december 1992.

Artikel 21, § 3, nieuw, van de zesde richtlijn bepaalt dat voor de in §§ 1 en 2 van dit artikel bedoelde situaties de lidstaten kunnen bepalen dat een andere persoon dan degene die tot voldoening van de belasting is gehouden, hoofdelijk verplicht is de belasting te voldoen.

Teneinde volledig in overeenstemming te zijn met die bepaling, breidt artikel 55, § 4, nieuw, de hoofdelijke aansprakelijkheid wat betreft de voldoening van de belasting, interesten en geldboeten uit tot de vooraf erkende persoon.

De § 6 die de bepalingen overneemt van artikel 55, zesde lid, oud, van het BTW-Wetboek dient te worden aangepast.

8. Voorlegging van boeken en stukken

Rekening houdend met de nieuwe mogelijkheid voor de niet in België gevestigde belastingplichtigen om er voor BTW-doeleinden te worden geïdentificeerd zonder er evenwel fiscaal te zijn vertegenwoordigd, dient artikel 61, § 1, van het Wetboek te worden aangevuld.

Het derde lid, nieuw, van dit artikel verplicht de voornoemde belastingplichtigen aan de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft een adres in België kenbaar te maken, waar de boeken en stukken waarvan de bewaring is voorgeschreven in artikel 60 van het Wetboek aan de ambtenaren van die administratie kunnen worden voorgelegd.

Namens de Minister:
De Adjunct-administrateur-generaal van de belastingen,


Jean-Marc Delporte
Bijlage 1 7 maart 2002 - Wet tot wijziging van de artikelen 50, 51, 51bis, 53quater, 53quinquies, 53sexies, 55 en 61 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde

Albert II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. Artikel 50 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 december 1992, wordt vervangen als volgt:

"Art. 50. § 1. De administratie van de BTW, registratie en domeinen kent een BTW-identificatienummer toe dat de letters BE bevat:

1° aan elke belastingplichtige gevestigd in België, met uitzondering van de belastingplichtigen bedoeld in de artikelen 8 en 8bis van de belastingplichtigen op wie de in artikel 56, § 2, bepaalde regeling van toepassing is en van de belastingplichtigen die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verrichten waarvoor zij geen recht op aftrek hebben;

2° aan de niet-belastingplichtige rechtspersonen en, in afwijking van 1°, aan de belastingplichtigen op wie de in artikel 56, § 2, bedoelde regeling van toepassing is en aan de belastingplichtigen die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verrichten waarvoor zij geen recht op aftrek hebben:

a) wanneer zij overeenkomstig artikel 53bis, § 1, verklaren een intracommunautaire verwerving van goederen te verrichten die tot gevolg heeft dat de drempel van 11.200 EUR, bedoeld in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, b), wordt overschreden;

b) wanneer zij overeenkomstig artikel 25ter, § 1, derde lid, ervoor kiezen om al hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen;

3° aan elke niet in België gevestigde belastingplichtige die handelingen verricht bedoeld in het Wetboek waarvoor recht op aftrek is ontstaan en waarvoor hij krachtens de artikelen 51 en 52 schuldenaar is van de belasting in België.

De belastingplichtigen op wie de in artikel 57 bedoelde regeling van toepassing is, kunnen hun nummer slechts rechtsgeldig gebruiken om intracommunautaire verwervingen te verrichten van andere goederen dan accijnsproducten nadat zij vooraf de in het eerste lid, 2°, a), bedoelde verklaring hebben ingediend of nadat zij vooraf de in het eerste lid, 2°, b), bedoelde keuze hebben uitgeoefend.

Degenen aan wie ingevolge het eerste lid, 2°, a), een identificatienummer is toegekend, gebruiken dit rechtsgeldig voor de door hen verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen vanaf de dag waarop de drempel werd overschreden en tot 31 december van het kalenderjaar dat erop volgt. Indien de drempel wordt overschreden in de loop van dit laatste jaar en, in voorkomend geval, in de loop van de volgende jaren, gebruiken zij dit nummer rechtsgeldig tot 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin de drempel voor het laatst werd overschreden. § 2. Een BTW-identificatienummer kan eveneens worden toegekend aan andere belastingplichtigen."

Art. 3. In artikel 51, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 december 1992 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 december 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a) in § 2, 1°, worden de woorden "buiten België gevestigde" vervangen door de woorden "niet in België gevestigde";

b) in § 2, 1°, b), worden de woorden "overeenkomstig artikel 50, § 1, " vervangen door de woorden "onder een nummer dat de letter BE bevat.";

c) op het einde van § 2, 4°, wordt het punt vervangen door een puntkomma;

d) § 2 wordt aangevuld als volgt:

"5° door de in België gevestigde medecontractant die gehouden is tot het indienen van de aangifte bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3°, of door de niet in België gevestigde medecontractant die een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, wanneer het gaat om een levering van goederen of een dienst verricht door een niet in België gevestigde belastingplichtige en de hier te lande belastbare handeling niet onder 1° en 2° van deze paragraaf is bedoeld, noch vrijgesteld is of verricht met vrijstelling van de belasting ingevolge de artikelen 39 tot 44bis."

Art. 4. In artikel 51bis, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 22 december 1995, worden de woorden "51, § 1, 1° en 2°, § 2, 3° en 4°, " vervangen door de woorden "51, § 1, 1° en 2°, § 2, 3°, 4° en 5°". Art. 5. Artikel 53quater, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 december 1992, wordt vervangen als volgt:

"Art. 53quater. § 1. Zij die overeenkomstig artikel 50 voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd, moeten hun identificatienummer aan hun klanten en aan hun leveranciers mededelen. De mededeling van het identificatienummer is evenwel facultatief wanneer de personen die overeenkomstig artikel 50 voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd een dienst ontvangen zoals bedoeld in artikel 21, § 3, 2°, b, 3°bis, 3°ter, 4°bis, 4°ter of 8°.

De belastingplichtigen, op wie de regeling bedoeld in artikel 57 van toepassing is, mogen bovendien hun BTW-identificatienummer niet mededelen aan hun leveranciers wanneer zij intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan accijnsproducten verrichten, indien zij de drempel van 11.200 EUR waarvan sprake in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, niet hebben overschreden of indien zij het in artikel 25ter, § 1, derde lid, bedoelde keuzerecht niet hebben uitgeoefend.

§ 2. De niet in België gevestigde belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger hebben laten erkennen of die overeenkomstig artikel 55, § 3, door een vooraf erkende persoon worden vertegenwoordigd, moeten bovendien, voor de handelingen die zij in België verrichten of ontvangen, de naam of benaming en het adres van hun aansprakelijke vertegenwoordiger in België of van de vooraf erkende persoon die hen vertegenwoordigt, aan hun klanten of leveranciers mededelen."

Art. 6. Artikel 53quinquies, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, wordt vervangen als volgt:

"Art. 53quinquies. De belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1° en 3°, voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd, de belastingplichtigen bedoeld in artikel 56, § 2, alsook de niet in België gevestigde belastingplichtigen die voor de handelingen die zij hier te lande verrichten zijn vertegenwoordigd door een vooraf erkende persoon, overeenkomstig artikel 55, § 3, en de andere niet in België gevestigde belastingplichtigen bedoeld in artikel 50, § 2, zijn gehouden jaarlijks voor iedere belastingplichtige die voor BTW-doeleinden moet geïdentificeerd zijn, behalve voor degenen die uitsluitend handelingen verrichten die krachtens artikel 44 van de belasting zijn vrijgesteld, en waaraan zij goederen hebben geleverd of diensten hebben verstrekt in de loop van het vorige jaar, de administratie van de BTW, registratie en domeinen in kennis te stellen van het totale bedrag van die handelingen alsmede van het totale bedrag van de in rekening gebrachte belasting." Art. 7. In artikel 53sexies, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 december 1992 en 22 december 1995, worden de woorden "1° en 3°, " ingevoegd tussen de woorden "artikel 50, § 1, eerste lid, " en de woorden "voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd" en worden de woorden "alsook de niet in België gevestigde belastingplichtigen die voor de handelingen die zij hier te lande verrichten worden vertegenwoordigd door een overeenkomstig artikel 55, § 3, vooraf erkende persoon, " ingevoegd tussen de woorden "voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd, " en de woorden "moeten ieder kalenderkwartaal".

Art. 8. Artikel 55, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 december 1992 en 22 december 1995, wordt vervangen als volgt:

"Art. 55. § 1. De niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige moet, alvorens in België enige andere handeling te verrichten dan een handeling waarvoor de belasting krachtens artikel 51, § 2, 1°, 2° en 5° verschuldigd is door de medecontractant, door of vanwege de Minister van Financiën een in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen. Onder de door hem te stellen voorwaarden kan door of vanwege de Minister van Financiën echter worden bepaald in welke omstandigheden de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige wordt ontslagen van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen. § 2. De niet in België gevestigde belastingplichtige, die gevestigd is in de Gemeenschap, kan een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen, wanneer hij hier te lande handelingen verricht die, indien zij door een niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige werden verricht, de erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger ingevolge § 1, zouden vereisen.

De Koning bepaalt, in dit geval, de voorwaarden en modaliteiten van erkenning van de aansprakelijke vertegenwoordiger.

§ 3. Voor de bijzondere handelingen die Hij in een lijst vastlegt, kan de Koning eveneens, binnen de beperkingen en onder de voorwaarden en modaliteiten die Hij bepaalt, aan de niet in België gevestigde belastingplichtige die er niet is geïdentificeerd overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, en die hier te lande uitsluitend handelingen verricht opgenomen in de voormelde lijst, toestaan te worden vertegenwoordigd door een persoon die vooraf door of vanwege de Minister van Financiën werd erkend.

§ 4. De aansprakelijke vertegenwoordiger bedoeld in §§ 1 of 2 wordt in de plaats gesteld van zijn lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ter uitvoering van dit Wetboek.

Die vertegenwoordiger of de vooraf erkende persoon bedoeld in § 3 is met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten die laatstgenoemde verschuldigd is krachtens onderhavig Wetboek.

§ 5. Bij overlijden van de aansprakelijke vertegenwoordiger bedoeld in § 1, bij intrekking van zijn erkenning of bij feiten die zijn onbekwaamheid tot gevolg hebben, moet onmiddellijk in zijn vervanging worden voorzien.

§ 6. Bij ontstentenis van identificatie van de belastingplichtige bedoeld in artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, of van vertegenwoordiging door een vooraf erkende persoon overeenkomstig § 3, kan de invordering van de belasting, de interesten en de geldboeten geschieden ten laste van de medecontractant van de niet in België gevestigde belastingplichtige.

De medecontractant te goeder trouw, die bewijst dat hij aan zijn leverancier wiens identiteit hij aantoont, de belasting geheel of gedeeltelijk heeft betaald, is evenwel in dezelfde mate ontslagen van deze verplichting."

Art. 9. In artikel 61, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992, wordt tussen het tweede en het derde lid het volgende lid ingevoegd:

"De belastingplichtige bedoeld in artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, die geen aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen, alsook de niet in België gevestigde belastingplichtige bedoeld in artikel 50, § 2, moeten aan de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft een adres in België kenbaar maken waar de boeken en stukken bedoeld in het eerste lid zullen worden medegedeeld op ieder verzoek van de ambtenaren van die administratie."

Art. 10. Deze wet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 7 maart 2002. Albert

Van Koningswege:

De Minister van Financiën,

D. Reynders

Met 's Lands zegels gezegeld:

De Minister van Justitie,

M. Verwilghen

Nota's

Parlementaire verwijzingen:
Stukken van de kamer van volksvertegenwoordigers:
50-1585 - 2001/2002:
- Nr. 1: Wetsontwerp.
- Nr. 2: Verslag.
- Nr. 3: Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat.
Integraal Verslag: 31 januari 2002.
Stukken van de Senaat: 2-1033 - 2001/2002
- Nr. 1: Ontwerp niet geëvoceerd door de Senaat.



7 maart 2002 - Wet tot wijziging van de artikelen 50, 51, 51bis, 53quater, 53quinquies, 53sexies, 55 en 61 van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde. - Errata

In het Belgisch Staatsblad van 13 maart 2002, 3 e editie, blz. 10635:

- in de Franse versie, moet het opschrift van de wet gelezen worden als volgt: "Loi modifiant les articles 50, 51, 51bis, 53quater, 53quinquies, 53sexies, 55 et 61 du code de la taxe sur la valeur ajoutée".

- in de Franse versie moet artikel 6 gelezen worden als volgt: "... et les autres assujettis non établis en Belgique que vise l'article 50, § 2..." in plaats van "... et les autres assujettis non établis en Belgique que visé à l'article 50, § 2...".



Bijlage 2 2 april 2002. - Koninklijk besluit nr. 31 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen

Albert II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, goedgekeurd bij de wet van 2 december 1957, inzonderheid op artikel 93 (ex-artikel 99);

Gelet op de richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, inzonderheid artikel 10, § 2, op artikel 17, gewijzigd bij de richtlijn 91/680/EEG van 16 december 1991, bij de richtlijn 92/111/EEG van 14 december 1992 en bij de richtlijn 95/7/EG van 10 april 1995, op artikel 21, gewijzigd bij de richtlijn 91/680/EEG van 16 december 1991 en gewijzigd bij de richtlijn 92/111/EEG van 14 december 1992, bij de richtlijn 95/7/EG van 10 april 1995 en bij de richtlijn 1999/59/EG van 17 juni 1999, op artikel 22, gewijzigd bij de richtlijn 91/680/EEG van 16 december 1991 en gewijzigd bij de richtlijn 92/111/EEG van 14 december 1992 en bij de richtlijn 95/7/EG van 10 april 1995, op artikel 28quater, titel E, vervangen bij de richtlijn 92/111/EEG van 14 december 1992 en gewijzigd bij de richtlijn 95/7/EG van 10 april 1995, op artikel 28septies, ingevoegd bij de richtlijn 91/680/EEG van 16 december 1991 en gewijzigd bij de richtlijn 92/111/EEG van 14 december 1992 en bij de richtlijn 95/7/EG van 10 april 1995, op artikel 28octies, ingevoegd bij de richtlijn 91/680/EEG van 16 december 1991 en gewijzigd bij de richtlijn 92/111/EEG van 14 december 1992 en bij de richtlijn 95/7/EG van 10 april 1995 en op artikel 28nonies, ingevoegd bij de richtlijn 91/680/EEG van 16 december 1991 en gewijzigd bij de richtlijn 92/111/EEG van 14 december 1992 en bij de richtlijn 95/7/EG van 10 april 1995;

Gelet op de richtlijn 2000/65/EG van de Raad van 17 oktober 2000 tot wijziging van richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de bepaling van degene die tot voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde gehouden is;

Gelet op het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, inzonderheid op artikel 54, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, en op artikel 55, vervangen bij de wet van 7 maart 2002;

Gelet op de wet van 7 maart tot wijziging van de artikelen 50, 51, 51bis, 53quater, 53quinquies, 53sexies, 55 en 61 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, inzonderheid op artikel 10;

Gelet op het koninklijk besluit nr. 31 van 29 december 1992 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 februari 1996 en 28 oktober 1996;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën uitgebracht op 14 november 2001;

Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting gegeven op 20 november 2001;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door het feit:
-dat de richtlijn 2000/65/EG in werking is getreden op 21 oktober 2000;
-dat artikel 2, paragraaf 1, eerste lid, van die richtlijn de Lid-Staten ertoe verplicht ten laatste op 1 januari 2002 aan deze richtlijn te voldoen;
-dat genoemde richtlijn in de Belgische rechtsorde door de wet van 7 maart 2002 tot wijziging van de artikelen 50, 51, 51bis, 53quater, 53quinquies, 53sexies, 55 en 61 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde hoofdzakelijk werd omgezet;
-dat krachtens artikel 10 van de wet van 7 maart 2002 heeft bedoelde wet uitwerking op 1 januari 2002;
-dat het overigens een absolute noodzaak is dat de regelgeving die onverwijld in uitvoering van genoemde wet van 7 maart 2002 dient ook te worden genomen, op 1 januari 2002;
-dat de bepalingen van onderhavig besluit, dat juist is dit als voorwerp heeft, bijgevolg vereisen om op 1 januari 2002 uitwerking te hebben;
-dat dit besluit dus dringend moet genomen worden;
Gelet op de adviezen nr. 32.604/4 en nr. 33.177/4 van de Raad van State gegeven, respectievelijk op 29 november 2001 en op 20 maart 2002, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij:

Artikel 1. § 1. Vooraleer in België:

-goederen te leveren of diensten te verstrekken, andere dan die waarvoor overeenkomstig artikel 51, § 2, 1°, 2° en 5°, van het Wetboek de belasting verschuldigd is door de medecontractant,
-goederen in te voeren, een intracommunautaire verwerving van goederen te verrichten of een handeling te stellen waarvoor hij schuldenaar is van de BTW krachtens artikel 51, § 2, 3° en 4°, van het Wetboek,
-een handeling te verrichten van plaatsing van goederen onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot die niet aan de belasting is onderworpen,
a) moet de niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen overeenkomstig de bepalingen van dit besluit, tenzij hij ervan ontslagen is bij toepassing van artikel 55, § 1, tweede lid, van het Wetboek;

b) kan de niet in België gevestigde belastingplichtige, die gevestigd is in de Gemeenschap, een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.

Ingeval men wordt ontheven van de erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger, wordt geen enkel BTW-identificatienummer toegekend aan de in a) bedoelde belastingplichtige.

§ 2. Om de erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger te verkrijgen richt de niet in België gevestigde belastingplichtige aan het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen een verzoek waarin hij de volledige identiteit vermeldt van de aansprakelijke vertegenwoordiger die hij de administratie ter erkenning voorstelt.

Het verzoek moet worden ingediend op een formulier dat bij het voornoemd kantoor ter beschikking wordt gesteld van de betrokkenen en waarvan het model door of namens de Minister van Financiën wordt bepaald.

Dit verzoek vergezelt de aangifte van aanvang van werkzaamheid voorgeschreven door artikel 53, eerste lid, 1°, van het Wetboek, tenminste indien de niet in België gevestigde belastingplichtige niet reeds voor BTW-doeleinden zou zijn geïdentificeerd hier te lande.

Het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen geeft de niet in België gevestigde belastingplichtige en de aansprakelijke vertegenwoordiger kennis van de erkenning. Tegelijkertijd, in de mate waarin de belastingplichtige niet reeds voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd in België, deelt het Centraal kantoor hem, evenals aan zijn aansprakelijke vertegenwoordiger, ook het identificatienummer voor de belasting over de toegevoegde waarde mee dat hem is toegekend. § 3. Wanneer een niet in België gevestigde belastingplichtige, aan wie een BTW-identificatienummer werd toegekend, de erkenning van zijn aansprakelijke vertegenwoordiger wil schrappen doch zijn werkzaamheid hier te lande voortzet, of zijn aansprakelijke vertegenwoordiger wil vervangen door een andere, dient hij hiervan aangifte te doen bij het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen.

De verantwoordelijkheid van de aansprakelijke vertegenwoordiger waarvan de erkenning is afgeschaft, of die wordt vervangen, is onder deze omstandigheden beperkt tot de handelingen verricht door de niet in België gevestigde belastingplichtige tot de datum van aanvaarding door de administratie van het verzoek dat het voorwerp uitmaakt van deze aangifte.

Art. 2. § 1. De niet in België gevestigde belastingplichtige die er niet voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd overeenkomstig artikel 50, § 1, 3° van het Wetboek kan, wanneer hij uitsluitend hier te lande hiernavermelde handelingen verricht en onder de voorwaarden en modaliteiten bepaald in het huidig besluit, vertegenwoordigd worden door een persoon die door of vanwege de Minister van Financiën vooraf erkend is:

1° wanneer hij schuldenaar is van de belasting ingevolge invoeren van goederen in België die niet geplaatst zijn onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, in de mate waarin de invoer is geschied met het oog op een volgende levering van dezelfde goederen;

2° wanneer hij schuldenaar is van de belasting ingevolge handelingen bedoeld in artikel 39quater, § 1, 1° en 3°, van het Wetboek, of wanneer hij een handeling verricht van plaatsing van goederen onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot die niet aan de belasting is onderworpen;

3° wanneer hij de goederen onttrekt aan een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, bedoeld in artikel 39quater van het Wetboek;

4° wanneer hij een intracommunautaire verwerving van goederen of een krachtens artikel 25quater, § 1, van het Wetboek daarmee gelijkgestelde handeling verricht en die goederen niet geplaatst zijn onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, in de mate waarin de intracommunautaire verwerving van goederen of de daarmee gelijkgestelde handeling is geschied met het oog op een volgende levering van dezelfde goederen vrijgesteld bij artikel 39, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek;

5° wanneer hij een intracommunautaire verwerving van goederen of een krachtens artikel 25quater, § 1, van het Wetboek daarmee gelijkgestelde handeling verricht en die goederen niet geplaatst zijn onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, met uitzondering van elke andere handeling onderworpen aan de belasting in België. Door of namens de Minister van Financiën kan worden afgeweken van deze uitzondering in de gevallen en volgens de regels die hij bepaalt.

Door of vanwege de Minister van Financiën kan de erkenning beperkt worden tot de categorieën van personen die hij bepaalt.

§ 2. De persoon die een erkenning wil verkrijgen om niet in België gevestigde belastingplichtigen te vertegenwoordigen die uitsluitend in § 1 bedoelde handelingen verrichten, richt een verzoek aan het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen.

Bij de erkenning van deze persoon, kent het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen twee globale BTW-identificatienummers toe die verschillen naargelang die handelingen bedoeld zijn, hetzij in 1°, hetzij in 2° tot 5°, van die paragraaf. Het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen stelt de erkende persoon hiervan in kennis. Door of vanwege de Minister van Financiën worden de gebruiksvoorwaarden van de nummers bedoeld in het voorgaande lid bepaald.

§ 3. De vooraf erkende persoon bedoeld in § 1, eerste lid, wordt in de plaats gesteld van zijn lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ter uitvoering van dit Wetboek voor de handelingen die hij verricht of die hem hier te lande worden verstrekt onder het globale BTW-identificatienummer.

Art. 3. De aansprakelijke vertegenwoordiger bedoeld in artikel 1 of de vooraf erkende persoon bedoeld in artikel 2 moet bekwaam zijn om contracten aan te gaan, in België gevestigd zijn, voldoende solvabel zijn om de door het Wetboek of ter uitvoering ervan aan belastingplichtigen opgelegde verplichtingen na te komen en aanvaarden de belastingplichtige te vertegenwoordigen.

Door of vanwege de Minister van Financiën wordt de solvabiliteit van de aansprakelijke vertegenwoordiger of van de vooraf erkende persoon beoordeeld rekening houdend met hun verplichtingen.

Indien de aansprakelijke vertegenwoordiger of de vooraf erkende persoon niet voldoende solvabel is, wordt een zekerheid gevraagd tot waarborg van de invordering van al wat opeisbaar zou kunnen worden aan belasting, geldboeten, interesten en kosten ten laste van de vertegenwoordigde belastingplichtige(n). Ze wordt periodiek herzien rekening houdend met de verplichtingen van de aansprakelijke vertegenwoordiger of de vooraf erkende persoon.

Het bedrag van de zekerheid wordt vastgesteld op ten hoogste een vierde van de belasting die door de niet in België gevestigde belastingplichtige verschuldigd is over een periode van twaalf kalendermaanden. In het geval van vertegenwoordiging onder een globaal nummer door een vooraf erkende persoon, wordt de zekerheid vastgesteld op ten hoogste tien pct. van de verschuldigde belasting voor het geheel van de vertegenwoordigde belastingplichtigen.

Wanneer een vooraf erkende persoon beschikt over twee globale nummers, zal het bedrag van de zekerheid worden bepaald in functie van het geheel van de verrichte handelingen onder de twee nummers en zal het zonder onderscheid, geheel of gedeeltelijk, kunnen worden gebruikt om de invordering van de verschuldigde sommen te verzekeren voor de handelingen verricht onder het een of het andere van deze twee nummers.

De zekerheid kan bestaan uit een hypotheek in eerste rang op in België gelegen onroerende goederen, een borgtocht in speciën, een borgtocht in effecten of een persoonlijke borgstelling van een verzekeringsonderneming of van een bank of private spaarkas die hun activiteiten in België uitoefenen.

Art. 4. § 1. De niet in België gevestigde belastingplichtige stuurt de voor zijn medecontractant bestemde factuur naar zijn aansprakelijke vertegenwoordiger of naar de vooraf erkende persoon die hij vertegenwoordigt zonder het bedrag van de verschuldigde belasting erop te vermelden.

§ 2. De aansprakelijke vertegenwoordiger of de vooraf erkende persoon stelt in die hoedanigheid een stuk in tweevoud op, waarin de bij artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde vermeldingen voorkomen. Hij stuurt het origineel van dat stuk naar de medecontractant van de niet in België gevestigde belastingplichtige na de factuur welke die belastingplichtige voor zijn medecontractant heeft bestemd eraan gehecht te hebben. Hij bewaart het dubbel van dat stuk.

Het stuk bedoeld in het voorgaande lid dient te worden beschouwd als noodzakelijk deel uitmakend van de factuur die wordt uitgereikt door de niet in België gevestigde belastingplichtige.

§ 3. Door of vanwege de Minister van Financiën kan in de gevallen die hij aanwijst en onder de voorwaarden die hij bepaalt de aansprakelijke vertegenwoordiger van de niet in België gevestigde belastingplichtige worden toegestaan het in § 2 bedoelde stuk niet op te stellen. Art. 5. § 1. Wanneer de niet in België gevestigde belastingplichtige niet wordt vertegenwoordigd door een aansprakelijke vertegenwoordiger of een vooraf erkende persoon voor handelingen waarvoor hij overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek schuldenaar is van de belasting, of niet voor de BTW geïdentificeerd is, voldoet zijn medecontractant de belasting die verschuldigd is over de aan hem verrichte leveringen van goederen en de aan hem verstrekte diensten op de volgende wijze:

1° wanneer hij een belastingplichtige is die gehouden is een in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde aangifte in te dienen, door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting dat wordt vermeld in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting opeisbaar is geworden;

2° wanneer hij een persoon is die gehouden is de in artikel 53ter, 1°, van het Wetboek bedoelde aangifte in te dienen, door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting dat wordt vermeld in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting opeisbaar is;

3° wanneer hij een andere persoon is, door middel van een storting of overschrijving op een postrekening aangeduid door of vanwege de Minister van Financiën.

Door of vanwege de Minister van Financiën kunnen, in voorkomend geval, andere wijzen van betaling van de belasting worden bepaald.

§ 2. De in § 1 bedoelde medecontractant voldoet de belasting op basis van de ontvangen factuur of, bij ontstentenis, op een stuk dat hij daarvoor opmaakt.

Het in het eerste lid bedoelde stuk moet de datum waarop het is opgesteld bevatten, een verwijzing naar de inschrijving in de boekhouding van de medecontractant, de vermeldingen bedoeld in artikel 9, § 2, 1°, 2°, 4° en 5°, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, evenals de datum van de levering van de goederen of van de voltooiing van de dienst en, in de in artikel 1, § 1, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit bedoelde gevallen, de datum waarop de belasting opeisbaar wordt, of, indien de datum niet nauwkeurig kan worden bepaald, het tijdvak waarin de handeling is verricht.

§ 3. Wanneer de persoon voor de in § 1, eerste lid, 2°, bedoelde voldoening de in artikel 53ter van het Wetboek bedoelde aangifte een eerste maal moet indienen en hij nog niet voor de belasting over de toegevoegde waarde is geïdentificeerd bij toepassing van artikel 50 van het Wetboek, dient hij zich vooraf kenbaar te maken bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde dat bevoegd is voor de plaats waar hij gevestigd is.

De persoon bedoeld in § 1, eerste lid, 3°, is eveneens gehouden zich vóór elke storting of overschrijving kenbaar te maken bij het controlekantoor van de BTW dat bevoegd is voor de plaats waar hij gevestigd is.

Art. 6. § 1. De niet in België gevestigde belastingplichtige die in België niet voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd, kan teruggaaf verkrijgen van de belasting die geheven is van de hem geleverde goederen, van de hem verstrekte diensten en van de door hem verrichte invoeren hier te lande, mits een aanvraag tot teruggaaf wordt ingediend bij het hoofd van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen. Nochtans kan hij geen teruggaaf krijgen van de belasting die geheven is van de handelingen die hij heeft verricht of die hem werden verstrekt hier te lande onder het globale BTW-identificatienummer dat overeenkomstig artikel 50, § 2, van het Wetboek, werd toegekend aan een vooraf erkende persoon bedoeld in artikel 3, § 1.

§ 2. De aanvraag moet bij de in § 1 bedoelde ambtenaar toekomen in drie exemplaren, vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan.

De vorm van de aanvraag tot teruggaaf, de over te leggen stukken en de modaliteiten van de teruggaaf worden door of vanwege de Minister van Financiën bepaald.

§ 3. De teruggaaf geschiedt hetzij door overschrijving op de in België of in het buitenland geopende postrekening op naam van de rechthebbende op teruggaaf, hetzij door overmaking op de rekening geopend op zijn naam bij een bank, instelling of onderneming bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, of bij een bank in het buitenland.

De teruggaaf die niet kan worden uitgevoerd op de in het eerste lid beschreven wijze, geschiedt door middel van een postassignatie gesteld op naam van de rechthebbende op teruggaaf.

§ 4. Op de aanvraag tot teruggaaf wordt niet ingegaan indien zij betrekking heeft op een bedrag van minder van 25 EUR.

Art. 7. Dit besluit vervangt het koninklijk besluit nr. 31 van 29 december 1992 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door in het buitenland gevestigde belastingplichtigen.

Art. 8. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002.

Art. 9. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Nice, 2 april 2002.

Albert

Van Koningswege:

De Minister van Financiën,

D. Reynders

Nota

Koninklijk besluit nr. 31 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen (1)

(1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad:
Wet van 3 juli 1969, Belgisch Staatsblad van 17 juli 1969.
Wet van 28 december 1992, Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 1ste editie.
Wet van 7 maart 2002, Belgisch Staatsblad van 13 maart 2002, 3 e editie.
Koninklijk besluit van 29 december 1992, Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4 e editie.
Koninklijk besluit van 25 februari 1996, Belgisch Staatsblad van 5 maart 1996.
Koninklijk besluit van 28 oktober 1996, Belgisch Staatsblad van 29 november 1996.



2 april 2002 - Koninklijk besluit nr. 31 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen - Erratum

In het Belgisch Staatsblad van 11 april 2002, 1 e editie, blz. 14838, moet artikel 6, § 1, in fine, gelezen worden als volgt: "aan een vooraf erkende persoon bedoeld in artikel 2, § 1, " in plaats van "aan een vooraf erkende persoon bedoeld in artikel 3, § 1, ".



Bijlage 3 2 april 2002 - Koninklijk besluit tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 3, 7, 10, 23 en 50 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde

Albert II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, goedgekeurd bij de wet van 2 december 1957, inzonderheid artikel 93 (ex-artikel 99);

Gelet op de richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, inzonderheid artikel 10, § 2, op artikel 17, gewijzigd bij de richtlijn 91/680/EEG van 16 december 1991, bij de richtlijn 92/111/EEG van 14 december 1992 en bij de richtlijn 95/7/EG van 10 april 1995, op artikel 21, vervangen bij de richtlijn 91/680/EEG van 16 december 1991 en gewijzigd bij de richtlijn 92/111/EEG van 14 december 1992, bij de richtlijn 95/7/EG van 10 april 1995 en bij de richtlijn 1999/59/EG van 17 juni 1999, op artikel 22, vervangen bij de richtlijn 91/680/EEG van 16 december 1991 en gewijzigd bij de richtlijn 92/111/EEG van 14 december 1992 en bij de richtlijn 95/7/EG van 10 april 1995, op artikel 28quater, titel E, gewijzigd bij de richtlijn 92/111/EEG van 14 december 1992 en gewijzigd bij de richtlijn 95/7/EG van 10 april 1995, op artikel 28septies, ingevoegd bij de richtlijn 91/680/EEG van 16 december 1991 en gewijzigd bij de richtlijn 92/111/EEG van 14 december 1992 en bij de richtlijn 95/7/EG van 10 april 1995, op artikel 28octies, ingevoegd bij de richtlijn 91/680/EEG van 16 december 1991 en gewijzigd bij de richtlijn 92/111/EEG van 14 december 1992 en bij de richtlijn 95/7/EG van 10 april 1995 en op artikel 28nonies, ingevoegd bij de richtlijn 91/680/EEG van 16 december 1991 en gewijzigd bij de richtlijn 92/111/EEG van 14 december 1992 en bij de richtlijn 95/7/EG van 10 april 1995;

Gelet op de richtlijn 2000/65/EG van de Raad van 17 oktober 2000 tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de bepaling van degene die tot voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde gehouden is;

Gelet op het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, inzonderheid op artikel 50, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 december 1992, op artikel 51, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 december 1992 en 22 december 1995, op artikel 51bis, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 december 1995, op artikel 53quater, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 december 1992, op artikel 53quinquies, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, op artikel 53sexies, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 december 1992 en 22 december 1995, op artikel 55, vervangen bij de wet van 7 maart 2002 en op artikel 61, vervangen bij de wet van 28 december 1992;

Gelet op de wet van 7 maart tot wijziging van de artikelen 50, 51, 51bis, 53quater, 53quinquies, 53sexies, 55 en 61 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, inzonderheid op artikel 10;

Gelet op het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, inzonderheid op artikel 5, § 1, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 februari 1996 en 26 november 1998, op artikel 18, § 3, eerste lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 december 1998, op artikel 20, § 1, op artikel 20bis, § 1, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 30 december 1999 en bijlage Abis, Kader III, C, rooster [87], vervangen bij bijlage II, Kader III, D, rooster [87], bij het koninklijk besluit van 19 december 2001;

Gelet op het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, inzonderheid op artikel 3, § 3, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 december 1992;

Gelet op het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, inzonderheid op artikel 5, § 3, en op artikel 6;

Gelet op het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in artikelen 15, § 5, derde lid, en 25ter, § 1, derde lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, inzonderheid op artikel 1, op artikel 2 en op artikel 5;

Gelet op het koninklijk besluit nr. 23 van 29 december 1992 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van artikel 53quinquies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, inzonderheid op artikel 1;

Gelet op het koninklijk besluit nr. 31 van 2 april 2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen;

Gelet op het koninklijk besluit nr. 50 van 29 december 1992 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van artikel 53sexies, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 november 1994, 25 februari 1996 en 26 november 1998, op artikel 2, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996, op artikel 3, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996, op artikel 4, op artikel 6, § 1, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996 en de bijlagen A en B, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 november 1998;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën uitgebracht op 14 november 2001;

Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting gegeven op 20 november 2001;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door het feit:
-dat de richtlijn 2000/65/EG in werking is getreden op 21 oktober 2000;
-dat artikel 2, paragraaf 1, eerste lid, van die richtlijn ertoe verplicht ten laatste op 1 januari 2002 aan deze richtlijn te voldoen;
-dat genoemde richtlijn in de Belgische rechtsorde door de wet van 7 maart 2002 tot wijziging van de artikelen 50, 51, 51bis, 53quater, 53quinquies, 53sexies, 55 en 61 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde hoofdzakelijk werd omgezet;
-dat krachtens artikel 10 van de wet van 7 maart 2002 heeft bedoelde wet uitwerking op 1 januari 2002;
-dat het overigens een absolute noodzaak is dat de regelgeving die onverwijld in uitvoering van genoemde wet van 7 maart 2002 dient ook te worden genomen, op 1 januari 2002;
-dat de bepalingen van onderhavig besluit, dat juist is dit als voorwerp heeft, bijgevolg vereisen om op 1 januari 2002 uitwerking te hebben;
-dat dit besluit dus dringend moet genomen worden;
Gelet op de adviezen nr. 32.605/4 en nr. 33.178/4 van de Raad van State gegeven, respectievelijk op 29 november 2001 en op 20 maart 2002, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij:

Artikel 1. In artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 februari 1996 en 26 november 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° wordt een 2°bis ingevoegd, luidende:

"2°bis wanneer de belastingplichtige niet in België is gevestigd en:

a) hij heeft hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, van het Wetboek, de identiteit en het adres van de aansprakelijke vertegenwoordiger en de aanduiding van zijn hoedanigheid;

b) hij wordt vertegenwoordigd door een vooraf erkende persoon overeenkomstig artikel 55, § 3, van het Wetboek, de identiteit, het adres en het BTW-identificatienummer toegekend aan die persoon en de aanduiding van zijn hoedanigheid.";

2° wordt een 3°bis ingevoegd, luidende:

"3°bis wanneer de medecontractant niet in België is gevestigd en:

a) hij heeft hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, van het Wetboek, de identiteit en het adres van de aansprakelijke vertegenwoordiger en de aanduiding van zijn hoedanigheid;

b) hij wordt vertegenwoordigd door een vooraf erkende persoon overeenkomstig artikel 55, § 3, van het Wetboek, de identiteit, het adres en het BTW-identificatienummer toegekend aan die persoon en de aanduiding van zijn hoedanigheid;".

3° in 9°, worden de woorden "artikel 51, § 2, 1° en 2°, van het Wetboek" vervangen door de woorden "artikel 51, § 2, 1°, 2° en 5°, van het Wetboek".

Art. 2. Artikel 18, § 3, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 december 1998, wordt vervangen als volgt:

"§ 3. De personen gehouden tot het indienen van de in de §§ 1 en 2 bedoelde aangiften moeten gebruik maken van de formulieren die hen door de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen worden vertrekt en waarvan het model voorkomt op de bijlage I bij dit besluit wat betreft de aangifte bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek en op de bijlage III wat betreft de aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1°, van het Wetboek. De omschrijving van de roosters van de aangifte waarvan het model voorkomt in de genoemde bijlage I, maakt het voorwerp uit van de bijlage II bij dit besluit."

Art. 3. Artikel 20, § 1, van hetzelfde besluit, wordt vervangen als volgt:

"§ 1. In afwijking van artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek moet de medecontractant van de in België gevestigde belastingplichtige die een van de in § 2 aangeduide handelingen verricht de belasting die over die handeling verschuldigd is voldoen, wanneer hij zelf een in België gevestigde belastingplichtige is en gehouden tot het indienen van een in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde aangifte of een niet in België gevestigde belastingplichtige die hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, van het Wetboek. Hij moet deze belasting voldoen op de in § 4 hierna voorgeschreven wijze."

Art. 4. Artikel 20bis, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 30 december 1999, wordt vervangen als volgt:

"§ 1. In afwijking van artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek moet de medecontractant van de belastingplichtige die een in § 2 hierna beoogde levering verricht, de belasting die over die levering verschuldigd is voldoen, wanneer hij zelf een in België gevestigde belastingplichtige is en gehouden tot het indienen van een in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde aangifte of een niet in België gevestigde belastingplichtige die hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, van het Wetboek. Hij moet deze belasting voldoen op de in § 4 hierna voorgeschreven wijze." Art. 5. Aan de bijlage Abis, Kader III, C, rooster [87], bij hetzelfde besluit, vervangen door bijlage II, Kader III, D, rooster [87], bij het koninklijk besluit van 19 december 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° In het eerste streepje, worden de woorden "en 5" ingevoegd tussen de woorden "van artikel 51, § 2, 1°" en de woorden "van het BTW-Wetboek;";

2° De tekst van het vijfde streepje wordt vervangen door de volgende tekst:

"- van artikel 5, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 31 van 2 april 2002, betreffende de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België belastingplichtigen;".

Art. 6. In artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 december 1992 en 22 november 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° de woorden "of van artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 31 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen" worden ingevoegd tussen de woorden "artikel 51, § 2 of § 4, van het Wetboek, " en de woorden "ertoe gehouden is zelf de belasting te voldoen";

2° de woorden "van bovengenoemde bepaling" worden vervangen door de woorden "van bovengenoemde bepalingen".

Art. 7. In artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, worden de woorden "met uitsluiting van de belastingplichtigen bedoeld in artikel 55, § 3, van het Wetboek, " ingevoegd tussen de woorden "in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde periodieke aangifte indienen, " en de woorden "kan door of vanwege de Minister van Financiën".

Art. 8. In artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in § 2, tweede lid, worden de woorden "een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft voor de toepassing van de belasting." vervangen door de woorden "voor BTW-doeleinden in België is geïdentificeerd overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek, dat hij vertegenwoordigd is door een persoon die vooraf is erkend overeenkomstig artikel 55, § 3, van het Wetboek";

2° in § 3, tweede lid, worden de woorden "een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft voor de toepassing van de belasting." vervangen door de woorden "voor BTW-doeleinden in België is geïdentificeerd overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek, of dat hij vertegenwoordigd is door een persoon die vooraf is erkend overeenkomstig artikel 55, § 3, van het Wetboek."

Art. 9. In artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 5, derde lid, en 25ter, § 1, derde lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, wordt tussen het tweede en het derde lid het volgende lid ingevoegd:

"Indien de aangever niet in België is gevestigd en hij geen aansprakelijke vertegenwoordiger laat erkennen, vermeldt deze aangifte bovendien een adres in België waar de boeken en stukken die de aangever overeenkomstig artikel 60 van het Wetboek moet bewaren ter inzage zullen worden voorgelegd op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft overeenkomstig artikel 61, § 1, van het Wetboek."

Art. 10. In artikel 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden "die het adres wijzigt waar de boeken en de stukken moeten worden voorgelegd overeenkomstig artikel 61, § 1, derde lid, van het Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "economische activiteit geheel of gedeeltelijk wijzigt, " en de woorden "moet daarvan binnen vijftien dagen aangifte doen".

Art. 11. In artikel 5, van hetzelfde besluit, worden de woorden "artikel 51, § 2, 1°, van het Wetboek" vervangen door de woorden "artikel 51, § 2, 1°, a), van het Wetboek".

Art. 12. In artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 23 van 29 december 1992 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van artikel 53quinquies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in het eerste lid, worden de woorden "De belastingplichtigen aan wie bij toepassing van artikel 50, § 1, eerste lid, van het Wetboek een BTW-identificatienummer werd toegekend, de belastingplichtigen bedoeld in artikel 56, § 2, van het Wetboek" vervangen door de woorden "De belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1° en 3°, van het Wetboek, voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd, de belastingplichtigen bedoeld in artikel 56, § 2, van het Wetboek, alsook de niet in België gevestigde belastingplichtigen die voor de handelingen die zij hier te lande verrichten zijn vertegenwoordigd door een vooraf erkende persoon, overeenkomstig artikel 55, § 3, van het Wetboek, en de andere niet in België gevestigde belastingplichtigen bedoeld in artikel 50, § 2, van het Wetboek";

2° in de Franse tekst, dienen de woorden "fourni des biens ou livré des services" te worden vervangen door de woorden "livré des biens ou fourni des services".

Art. 13. Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 50 van 29 december 1992 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van artikel 53sexies, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 november 1994, 25 februari 1996 en 26 november 1998, wordt vervangen als volgt:

"Artikel 1. De belastingplichtige die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1° en 3° van het Wetboek voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd alsook de niet in"Artikel 1. De belastingplichtige die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1° en 3° van het Wetboek voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd alsook de niet in België gevestigde belastingplichtige die voor de handelingen die hij hier te lande verricht wordt vertegenwoordigd door een overeenkomstig artikel 55, § 3, van het Wetboek vooraf erkende persoon moet uiterlijk de twintigste van de eerste maand na ieder kalenderkwartaal bij de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft een intracommunautaire opgave indienen waarin de volgende gegevens voorkomen:

1° het BTW-identificatienummer van:

a) iedere afnemer waaronder goederen aan hem zijn geleverd met vrijstelling van de belasting bij toepassing van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Wetboek en waarvoor de belasting in de loop van het verstreken kalenderkwartaal opeisbaar is geworden;

b) de belastingplichtige, toegekend door de Lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen, in het geval van leveringen van goederen als bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Wetboek en waarvoor de belasting in de loop van het verstreken kalenderkwartaal opeisbaar is geworden;

c) iedere afnemer, toegekend door de Lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen, in het geval van leveringen van goederen als bedoeld in artikel 25quinquies, § 3, laatste lid, van het Wetboek verricht door de belastingplichtige in de Lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen en waarvoor de belasting in de loop van het verstreken kalenderkwartaal opeisbaar is geworden;

2° voor iedere persoon als bedoeld in 1°, het totale bedrag, uitgedrukt in euro, van elk van de hierna vermelde categorieën van handelingen waarvoor de belasting in de loop van het verstreken kalenderkwartaal opeisbaar is geworden:

a) de krachtens artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Wetboek vrijgestelde leveringen van goederen;

b) in de gevallen beoogd in 1°, b), de krachtens artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Wetboek vrijgestelde leveringen van goederen;

c) de leveringen van goederen als bedoeld in 1°, c)."

Art. 14. Artikel 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996, wordt vervangen als volgt:

"Art. 3. Indien in de intracommunautaire opgave meerdere bedragen moeten worden opgenomen voor eenzelfde persoon, dient voor ieder aangegeven bedrag het in artikel 1, 1°, bedoelde identificatienummer van die persoon te worden vermeld."

Art. 15. In artikel 4, van hetzelfde besluit, worden de woorden "de in artikel 1, 3° bedoelde bedragen" vervangen door de woorden "de in artikel 1, 2° bedoelde bedragen".

Art. 16. In artikel 6, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1996, worden de woorden "in de artikelen 1, 1° tot 3°, en 4" vervangen door de woorden "in de artikelen 1, 3 en 4".

Art. 17. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002.

Art. 18.

Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Nice, 2 april 2002.

Albert

Van Koningswege:

De Minister van Financiën,

D. Reynders

Nota

Koninklijk besluit tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 3, 7, 10, 23 en 50 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde (1)
(1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad:
Wet van 3 juli 1969, Belgisch Staatsblad van 17 juli 1969.
Wet van 28 december 1992, Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 1 e editie.
Wet van 7 maart 2002, Belgisch Staatsblad van 13 maart 2002, 3 e editie.
Koninklijk besluit van 10 december 1969, Belgisch Staatsblad van 12 december 1969.
Koninklijk besluit van 29 december 1992, Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 4 e editie.
Koninklijk besluit van 22 november 1994, Belgisch Staatsblad van 1 december 1994.
Koninklijk besluit van 22 december 1995, Belgisch Staatsblad van 30 december 1995, 1e editie.
Koninklijk besluit van 25 februari 1996, Belgisch Staatsblad van 5 maart 1996.
Koninklijk besluit van 26 november 1998, Belgisch Staatsblad van 1 december 1998, 2e editie.
Koninklijk besluit van 30 december 1999, Belgisch Staatsblad van 31 december 1999, 3e editie.
Koninklijk besluit van 2 april 2002, Belgisch Staatsblad van 11 april 2002, 1e editie.



2 april 2002 - Koninklijk besluit tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 3, 7, 10, 23 en 50 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde - Errata

In het Belgisch Staatsblad van 16 april 2002, 2e editie, blz. 15440:
-moet artikel 5, 2°, van de Nederlandse tekst gelezen worden als volgt: "van artikel 5, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 31, van 2 april 2002, met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen;" in plaats van "van artikel 51, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 31, van 2 april 2002, betreffende de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België belastingplichtigen;".
-moet artikel 6, 2°, van de Franse tekst gelezen worden als volgt: ""de la disposition susmentionnée" sont remplacés par les mots "des dispositions susmentionnées"" in plaats van "les mots "de la disposition mentionnée" sont remplacés par les mots "des dispositions mentionnées"".


Bijlage 4
Basistekst Basistekst aangepast aan het wetsontwerp
Artikel 50

§ 1. De Administratie van de BTW, registratie en domeinen kent een BTW-identificatienummer toe, dat de letters BE bevat, aan elke belastingplichtige, met uitzondering van de belastingplichtigen bedoeld in de artikelen 8 en 8bis, van de belastingplichtigen op wie de in artikel 56, § 2, bepaalde regeling toepasselijk is en van de belastingplichtigen die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verrichten waarvoor zij geen recht op aftrek hebben.

Zulk nummer wordt evenwel ook toegekend aan de niet-belastingplichtige rechtspersonen, aan de belastingplichtigen op wie de in artikel 56, § 2, bepaalde regeling toepasselijk is en aan de belastingplichtigen die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verrichten waarvoor zij geen recht op aftrek hebben:

1° wanneer zij overeenkomstig artikel 53bis, § 2, verklaren een intracommunautaire verwerving van goederen te verrichten die tot gevolg heeft dat de drempel van 450.000 BEF - 11.155,21 EUR, bedoeld in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, b, wordt overschreden;

2° wanneer zij overeenkomstig artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, ervoor kiezen om al hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen.










De belastingplichtigen op wie de in artikel 57 bedoelde regeling toepasselijk is, kunnen hun nummer pas rechtsgeldig gebruiken om intracommunautaire verwervingen te verrichten van andere goederen dan accijnsprodukten nadat zij vooraf de in het tweede lid, 1°, bedoelde verklaring hebben ingediend of nadat zij vooraf de in het tweede lid, 2°, bedoelde keuze hebben uitgeoefend.

Degenen aan wie ingevolge het tweede lid, 1°, een identificatienummer is toegekend, gebruiken dit rechtsgeldig voor de door hen verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, vanaf de dag waarop de drempel werd overschreden en tot 31 december van het kalenderjaar dat erop volgt. Indien de drempel wordt overschreden in de loop van dit laatste jaar en, in voorkomend geval, in de loop van de volgende jaren, gebruiken zij dit nummer rechtsgeldig tot 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin de drempel voor het laatst werd overschreden.

§ 2. Een BTW-identificatienummer dat verschilt van het nummer bepaald in § 1 kan eveneens worden toegekend aan andere belastingplichtigen.

Artikel 50

§ 1. De administratie van de BTW, registratie en domeinen kent een BTW-identificatienummer toe dat de letters BE bevat:

1° aan elke belastingplichtige gevestigd in België, met uitzondering van de belastingplichtigen bedoeld in de artikelen 8 en 8bis, van de belastingplichtigen op wie de in artikel 56, § 2, bepaalde regeling van toepassing is en van de belastingplichtigen die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verrichten waarvoor zij geen recht op aftrek hebben;

2° aan de niet-belastingplichtige rechtspersonen en, in afwijking van 1°, aan de belastingplichtigen op wie de in artikel 56, § 2, bedoelde regeling van toepassing is en aan de belastingplichtigen die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verrichten waarvoor zij geen recht op aftrek hebben:

a) wanneer zij overeenkomstig artikel 53bis, § 1, verklaren een intracommunautaire verwerving van goederen te verrichten die tot gevolg heeft dat de drempel van 11.200 EUR, bedoeld in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, b), wordt overschreden;

b) wanneer zij overeenkomstig artikel 25ter, § 1, derde lid ervoor kiezen om al hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen;

3° aan elke niet in België gevestigde belastingplichtige die handelingen verricht bedoeld in het Wetboek waarvoor recht op aftrek is ontstaan en waarvoor hij krachtens de artikelen 51 en 52 schuldenaar is van de belasting in België.

De belastingplichtigen op wie de in artikel 57 bedoelde regeling van toepassing is, kunnen hun nummer slechts rechtsgeldig gebruiken om intracommunautaire verwervingen te verrichten van andere goederen dan accijnsproducten nadat zij vooraf de in het eerste lid, 2°, a), bedoelde verklaring hebben ingediend of nadat zij vooraf de in het eerste lid, 2°, b), bedoelde keuze hebben uitgeoefend.

Degenen aan wie ingevolge het eerste lid, 2°, a), een identificatienummer is toegekend, gebruiken dit rechtsgeldig voor de door hen verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen vanaf de dag waarop de drempel werd overschreden en tot 31 december van het kalenderjaar dat erop volgt. Indien de drempel wordt overschreden in de loop van dit laatste jaar en, in voorkomend geval, in de loop van de volgende jaren, gebruiken zij dit nummer rechtsgeldig tot 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin de drempel voor het laatst werd overschreden.

§ 2. Een BTW-identificatienummer kan eveneens worden toegekend aan andere belastingplichtigen.

Artikel 51

§ 1. De belasting is verschuldigd:

1° door de belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht;

2° door degene die in België een belastbare intracommunautaire verwerving van goederen verricht;

3° door eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk.

§ 2. In afwijking van § 1, 1°, is de belasting verschuldigd:

1° door de ontvanger van de dienst wanneer de dienstverrichter een buiten België gevestigde belastingplichtige is, en

a) hetzij de plaats van de dienst krachtens artikel 21, § 3, 7°, geacht wordt zich in België te bevinden;

b) hetzij de ontvanger van de dienst overeenkomstig artikel 50, § 1, voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd en de plaats van de dienst overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, b, 3°bis, 3°ter, 4°bis, 4°ter en 8°, geacht wordt zich in België te bevinden;

2° door de medecontractant die overeenkomstig artikel 50, § 1, voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd, wanneer het gaat om leveringen van goederen als bedoeld in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 3°, en voor zover de in artikel 53, eerste lid, 2°, beoogde factuur de door de Koning te bepalen vermeldingen bevat;

3° door de medecontractant wanneer het gaat om leveringen van goederen of diensten als bedoeld in de artikelen 39, § 2, en 39quater;

4° door degene die de goederen onttrekt aan één van de regelingen bedoeld in de artikelen 39, § 2, en 39quater;











§ 3. Wanneer ten aanzien van goederen en diensten waarvoor de in artikel 59, § 2, bedoelde deskundige schatting kan worden gevorderd, wordt vastgesteld dat de belasting werd voldaan over een onvoldoende maatstaf, is de aanvullende belasting verschuldigd door degene tegen wie de schattingsprocedure wordt ingesteld.

§ 4. De Koning kan afwijken van § 1, 1°, om de medecontractant van de leverancier van goederen of van de dienstverrichter tot voldoening van de belasting te verplichten in de mate dat Hij zulks noodzakelijk acht om die voldoening te vrijwaren.

Artikel 51

§ 1. De belasting is verschuldigd:

1° door de belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht;

2° door degene die in België een belastbare intracommunautaire verwerving van goederen verricht;

3° door eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk.

§ 2. In afwijking van § 1, 1°, is de belasting verschuldigd:

1° door de ontvanger van de dienst wanneer de dienstverrichter een niet in België gevestigde belastingplichtige is, en

a) hetzij de plaats van de dienst krachtens artikel 21, § 3, 7°, geacht wordt zich in België te bevinden;

b) hetzij de ontvanger van de dienst onder een nummer dat de letters BE bevat voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd en de plaats van de dienst overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, b, 3°bis, 3°ter, 4°bis, 4°ter en 8°, geacht wordt zich in België te bevinden;

2° door de medecontractant die overeenkomstig artikel 50, § 1, voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd, wanneer het gaat om leveringen van goederen als bedoeld in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 3°, en voor zover de in artikel 53, eerste lid, 2°, beoogde factuur de door de Koning te bepalen vermeldingen bevat;

3° door de medecontractant wanneer het gaat om leveringen van goederen of diensten als bedoeld in de artikelen 39, § 2, en 39quater;

4° door degene die de goederen onttrekt aan één van de regelingen bedoeld in de artikelen 39, § 2, en 39quater;

5° door de in België gevestigde medecontractant die gehouden is tot het indienen van de aangifte bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3°, of door de niet in België gevestigde medecontractant die een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, wanneer het gaat om een levering van goederen of een dienst verricht door een niet in België gevestigde belastingplichtige en de hier te lande belastbare handeling niet onder 1° en 2° van deze paragraaf is bedoeld, noch vrijgesteld is of verricht met vrijstelling van de belasting ingevolge de artikelen 39 tot 44bis.

§ 3. Wanneer ten aanzien van goederen en diensten waarvoor de in artikel 59, § 2, bedoelde deskundige schatting kan worden gevorderd, wordt vastgesteld dat de belasting werd voldaan over een onvoldoende maatstaf, is de aanvullende belasting verschuldigd door degene tegen wie de schattingsprocedure wordt ingesteld.

§ 4. De Koning kan afwijken van § 1, 1°, om de medecontractant van de leverancier van goederen of van de dienstverrichter tot voldoening van de belasting te verplichten in de mate dat Hij zulks noodzakelijk acht om die voldoening te vrijwaren.

Artikel 51bis

§ 1. De medecontractant van de schuldenaar van de belasting:

1° krachtens artikel 51, § 1, 1°, en §§ 2 en 4, is met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan het uitreiken is voorgeschreven door de artikelen 53 en 54 of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet werd uitgereikt of een onjuiste vermelding bevat ten aanzien van de naam, het adres of het BTW-identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten of de prijs of het toebehoren ervan;

2° krachtens artikel 51, § 1, 2°, is met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk niet werd uitgereikt of een onjuiste vermelding bevat ten aanzien van de naam, het adres of het BTW-identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de verworven goederen of de prijs of het toebehoren ervan;

3° krachtens artikel 51, § 1, 1°, is eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk het bedrag van de op de handeling verschuldigde belasting niet of onjuist vermeldt;

4° krachtens artikel 51, §§ 2 en 4, is eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer hij een bedrag aanrekent als belasting.

§ 2. De medecontractant van degene die krachtens 51, § 1, 1°, schuldenaar is van de belasting, die de identiteit van zijn leverancier of dienstverrichter aantoont en bewijst hem de prijs en de bijhorende belasting of een deel daarvan te hebben betaald, is evenwel in die mate van de hoofdelijke aansprakelijkheid ontslagen.

§ 3. In de regeling entrepot ander dan douane-entrepot, zijn de depothouder, degene die zich belast met het vervoer van de goederen uit het entrepot alsook, in voorkomend geval, zijn lastgever, tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting met de persoon die er krachtens de artikelen 51, § 1, 1° en 2°, § 2, 3° en 4°, of 52, § 1, tweede lid, schuldenaar van is.

Artikel 51bis

§ 1. De medecontractant van de schuldenaar van de belasting:

1° krachtens artikel 51, § 1, 1°, en §§ 2 en 4, is met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan het uitreiken is voorgeschreven door de artikelen 53 en 54 of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet werd uitgereikt of een onjuiste vermelding bevat ten aanzien van de naam, het adres of het BTW-identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten of de prijs of het toebehoren ervan;

2° krachtens artikel 51, § 1, 2°, is met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk niet werd uitgereikt of een onjuiste vermelding bevat ten aanzien van de naam, het adres of het BTW-identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de verworven goederen of de prijs of het toebehoren ervan;

3° krachtens artikel 51, § 1, 1°, is eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk het bedrag van de op de handeling verschuldigde belasting niet of onjuist vermeldt;

4° krachtens artikel 51, §§ 2 en 4, is eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer hij een bedrag aanrekent als belasting.

§ 2. De medecontractant van degene die krachtens 51, § 1, 1°, schuldenaar is van de belasting, die de identiteit van zijn leverancier of dienstverrichter aantoont en bewijst hem de prijs en de bijhorende belasting of een deel daarvan te hebben betaald, is evenwel in die mate van de hoofdelijke aansprakelijkheid ontslagen.

§ 3. In de regeling entrepot ander dan douane-entrepot, zijn de depothouder, degene die zich belast met het vervoer van de goederen uit het entrepot alsook, in voorkomend geval, zijn lastgever, tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting met de persoon die er krachtens de artikelen 51, § 1, 1° en 2°, § 2, 3°, 4° en 5°, of 52, § 1, tweede lid, schuldenaar van is.

Artikel 53quater

Zij die overeenkomstig artikel 50 voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd, moeten hun identificatienummer aan hun leveranciers en aan hun klanten mededelen.







De belastingplichtigen, op wie de regeling bedoeld in artikel 57 van toepassing is, mogen dit nummer evenwel niet aan hun leveranciers mededelen, wanneer zij intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan accijnsprodukten verrichten, indien zij de drempel van 450.000 BEF - 11.155,21 EUR waarvan sprake in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, niet hebben overschreden of indien zij het in artikel 25ter, § 1, derde lid, bedoelde keuzerecht niet hebben uitgeoefend.

Artikel 53quater

§ 1. Zij die overeenkomstig artikel 50 voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd, moeten hun identificatienummer aan hun klanten en aan hun leveranciers mededelen.

De mededeling van het identificatienummer is evenwel facultatief wanneer de personen die overeenkomstig artikel 50 voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd een dienst ontvangen zoals bedoeld in artikel 21, § 3, 2°, b, 3°bis, 3°ter, 4°bis, 4°ter of 8°.

De belastingplichtigen, op wie de regeling bedoeld in artikel 57 van toepassing is, mogen bovendien hun BTW-identificatienummer niet mededelen aan hun leveranciers wanneer zij intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan accijnsproducten verrichten, indien zij de drempel van 11.200 EUR waarvan sprake in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, niet hebben overschreden of indien zij het in artikel 25ter, § 1, derde lid, bedoelde keuzerecht niet hebben uitgeoefend.

§ 2. De niet in België gevestigde belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger hebben laten erkennen of die overeenkomstig artikel 55, § 3, door een vooraf erkende persoon worden vertegenwoordigd, moeten bovendien, voor de handelingen die zij in België verrichten of ontvangen, de naam of benaming en het adres van hun aansprakelijke vertegenwoordiger in België of van de vooraf erkende persoon die hen vertegenwoordigt, aan hun klanten of leveranciers mededelen.

Artikel 53quinquies

De belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd alsook de belastingplichtigen bedoeld in artikel 56, § 2, zijn gehouden jaarlijks voor iedere belastingplichtige die voor BTW-doeleinden moet geïdentificeerd zijn, behalve voor degenen die uitsluitend handelingen verrichten die krachtens artikel 44 van de belasting zijn vrijgesteld, en waaraan zij goederen hebben geleverd of diensten hebben verstrekt in de loop van het vorige jaar, de Administratie van de BTW, registratie en domeinen in kennis stellen van het totale bedrag van die handelingen alsmede van het totale bedrag van de in rekening gebrachte belasting.

Artikel 53quinquies

De belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1° en 3°, voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd, de belastingplichtigen bedoeld in artikel 56, § 2, alsook de niet in België gevestigde belastingplichtigen die voor de handelingen die zij hier te lande verrichten zijn vertegenwoordigd door een vooraf erkende persoon, overeenkomstig artikel 55, § 3, en de andere niet in België gevestigde belastingplichtigen bedoeld in artikel 50, § 2, zijn gehouden jaarlijks voor iedere belastingplichtige die voor BTW-doeleinden moet geïdentificeerd zijn, behalve voor degenen die uitsluitend handelingen verrichten die krachtens artikel 44 van de belasting zijn vrijgesteld, en waaraan zij goederen hebben geleverd of diensten hebben verstrekt in de loop van het vorige jaar, de administratie van de BTW, registratie en domeinen in kennis te stellen van het totale bedrag van die handelingen alsmede van het totale bedrag van de in rekening gebrachte belasting.

Artikel 53sexies

§ 1. De belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd, moeten ieder kalenderkwartaal voor iedere persoon die in een andere Lid-Staat voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd, de Administratie van de BTW, registratie en domeinen in kennis stellen van de volgende gegevens, waarbij een onderscheid moet worden gemaakt naargelang van de aard van de handelingen;




1° het totale bedrag van de krachtens artikel 39bis, eerste lid, 1° en 4°, vrijgestelde leveringen van goederen en waarvoor de belasting in de loop van het vorige kalenderkwartaal opeisbaar is geworden;

2° het totale bedrag van de leveringen van goederen bedoeld in artikel 25quinquies, § 3, laatste lid, verricht in de Lid-Staat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen en waarvoor de belasting in de loop van het vorige kalenderkwartaal opeisbaar is geworden.

§ 2. De Koning kan bepalen dat de belastingplichtige die een levering verricht van een nieuw vervoermiddel in de zin van artikel 8bis, § 2, onder de voorwaarden van artikel 39bis, de Administratie van de BTW, registratie en domeinen de inlichtingen moet verschaffen die Hij bepaalt met het oog op de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde en de controle erop door de administratie in de Lid-Staat van vertrek en in deze van aankomst van de verzending of het vervoer van dit goed.

Artikel 53sexies

§ 1. De belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1° en 3°, voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd, alsook de niet in België gevestigde belastingplichtigen die voor de handelingen die zij hier te lande verrichten worden vertegenwoordigd door een overeenkomstig artikel 55, § 3 vooraf erkende persoon, moeten ieder kalenderkwartaal voor iedere persoon die in een andere Lid-Staat voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd, de administratie van de BTW, registratie en domeinen in kennis stellen van de volgende gegevens, waarbij een onderscheid moet worden gemaakt naargelang van de aard van de handelingen;

1° het totale bedrag van de krachtens artikel 39bis, eerste lid, 1° en 4°, vrijgestelde leveringen van goederen en waarvoor de belasting in de loop van het vorige kalenderkwartaal opeisbaar is geworden;

2° het totale bedrag van de leveringen van goederen bedoeld in artikel 25quinquies, § 3, laatste lid, verricht in de Lid-Staat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen en waarvoor de belasting in de loop van het vorige kalenderkwartaal opeisbaar is geworden.

§ 2. De Koning kan bepalen dat de belastingplichtige die een levering verricht van een nieuw vervoermiddel in de zin van artikel 8bis, § 2, onder de voorwaarden van artikel 39bis, de administratie van de BTW, registratie en domeinen de inlichtingen moet verschaffen die Hij bepaalt met het oog op de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde en de controle erop door de administratie in de Lid-Staat van vertrek en in deze van aankomst van de verzending of het vervoer van dit goed.

Artikel 55

Eenieder die niet in België is gevestigd moet, alvorens in België enige andere handeling te verrichten dan een handeling waarvoor de belasting krachtens artikel 51, § 2, 1° en 2° verschuldigd is door de afnemer, door of vanwege de Minister van Financiën een in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen.


In de gevallen en onder de voorwaarden te bepalen door of vanwege de Minister van Financiën, kunnen zij die in het eerste lid worden bedoeld, worden ontslagen van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen (vroegere vierde lid).





















De aansprakelijke vertegenwoordiger wordt in de plaats gesteld van zijn lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd, door of ter uitvoering van dit Wetboek.

Hij is met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten waarvan de opeisbaarheid voortvloeit uit de in het eerste lid bedoelde handelingen.


Bij overlijden van de aansprakelijke vertegenwoordiger, bij intrekking van zijn erkenning of bij een feit dat zijn onbekwaamheid tot gevolg heeft, moet onmiddellijk in zijn vervanging worden voorzien.


Bij ontstentenis van erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger kan de invordering van de belasting, de interesten en de geldboeten geschieden ten laste van de medecontractant van de niet in België gevestigde belastingplichtige.



De medecontractant te goeder trouw, die bewijst dat hij aan zijn leverancier wiens identiteit hij aantoont, de belasting geheel of gedeeltelijk heeft betaald, is evenwel in dezelfde mate ontslagen van de verplichting om de belasting te betalen.

Artikel 55

§ 1. De niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige moet, alvorens in België enige andere handeling te verrichten dan een handeling waarvoor de belasting krachtens artikel 51, § 2, 1°, 2° en 5° verschuldigd is door de medecontractant, door of vanwege de Minister van Financiën een in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen.

Onder de door hem te stellen voorwaarden kan door of vanwege de Minister van Financiën echter worden bepaald in welke omstandigheden de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige wordt ontslagen van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen.

§ 2. De niet in België gevestigde belastingplichtige, die gevestigd is in de Gemeenschap, kan een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen, wanneer hij hier te lande handelingen verricht die, indien zij door een niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige werden verricht, de erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger ingevolge § 1, zouden vereisen.

De Koning bepaalt, in dit geval, de voorwaarden en modaliteiten van erkenning van de aansprakelijke vertegenwoordiger.

§ 3. Voor de bijzondere handelingen die Hij in een lijst vastlegt, kan de Koning eveneens, binnen de beperkingen en onder de voorwaarden en modaliteiten die Hij bepaalt, aan de niet in België gevestigde belastingplichtige die er niet is geïdentificeerd overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, en die hier te lande uitsluitend handelingen verricht opgenomen in de voormelde lijst, toestaan te worden vertegenwoordigd door een persoon die vooraf door of vanwege de Minister van Financiën werd erkend.

§ 4. De aansprakelijke vertegenwoordiger bedoeld in §§ 1 of 2 wordt in de plaats gesteld van zijn lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ter uitvoering van dit Wetboek.

Die vertegenwoordiger of de vooraf erkende persoon bedoeld in § 3 is met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten die laatstgenoemde verschuldigd is krachtens onderhavig Wetboek.

§ 5. Bij overlijden van de aansprakelijke vertegenwoordiger, bedoeld in § 1, bij intrekking van zijn erkenning of bij feiten die zijn onbekwaamheid tot gevolg hebben, moet onmiddellijk in zijn vervanging worden voorzien.

§ 6. Bij ontstentenis van identificatie van de belastingplichtige bedoeld in artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, of van vertegenwoordiging door een vooraf erkende persoon overeenkomstig § 3, kan de invordering van de belasting, de interesten en de geldboeten geschieden ten laste van de medecontractant van de niet in België gevestigde belastingplichtige.

De medecontractant te goeder trouw, die bewijst dat hij aan zijn leverancier wiens identiteit hij aantoont, de belasting geheel of gedeeltelijk heeft betaald, is evenwel in dezelfde mate ontslagen van deze verplichting.

Artikel 61

§ 1. Eenieder is gehouden de boeken en stukken, die hij overeenkomstig artikel 60 moet bewaren, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, zonder verplaatsing, ter inzage voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan.

Wanneer de boeken en stukken door middel van een geïnformatiseerd systeem worden gehouden, opgemaakt, uitgereikt, ontvangen of bewaard, hebben die ambtenaren het recht zich de op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm ter inzage te doen voorleggen. Die ambtenaren kunnen eveneens degene bedoeld in het eerste lid verzoeken om in hun bijzijn en op zijn uitrusting kopies te maken onder de door hen gewenste vorm van het geheel of een deel van de voormelde gegevens, evenals om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om de juiste heffing van de belasting na te gaan.










Deze paragraaf is niet van toepassing op het Nationaal Instituut voor de Statistiek en op het Economisch en Sociaal Instituut voor de Middenstand ten aanzien van de in hun bezit zijnde individuele inlichtingen.

§ 2. De ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, hebben het recht om de boeken en stukken, die overeenkomstig artikel 60 moeten worden bewaard, alsmede de overeenkomstig § 1, tweede lid, gemaakte kopies, tegen afgifte van een ontvangstbewijs te behouden, telkens wanneer zij menen dat de boeken, stukken of kopies de verschuldigdheid van een belasting of een geldboete in hoofde van de betrokkene of van derden aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen.

Dat recht bestaat niet ten aanzien van de boeken die niet zijn afgesloten. Wanneer die boeken door middel van een geïnformatiseerd systeem worden bewaard, hebben de ambtenaren het recht zich kopies van die boeken te doen overhandigen onder de door hen gewenste vorm.

Artikel 61

§ 1. Eenieder is gehouden de boeken en stukken, die hij overeenkomstig artikel 60 moet bewaren, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, zonder verplaatsing, ter inzage voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan.

Wanneer de boeken en stukken door middel van een geïnformatiseerd systeem worden gehouden, opgemaakt, uitgereikt, ontvangen of bewaard, hebben die ambtenaren het recht zich de op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm ter inzage te doen voorleggen. Die ambtenaren kunnen eveneens degene bedoeld in het eerste lid verzoeken om in hun bijzijn en op zijn uitrusting kopies te maken onder de door hen gewenste vorm van het geheel of een deel van de voormelde gegevens, evenals om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om de juiste heffing van de belasting na te gaan.

De belastingplichtige bedoeld in artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, die geen aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen, alsook de niet in België gevestigde belastingplichtige bedoeld in artikel 50, § 2, moeten aan de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft een adres in België kenbaar maken waar de boeken en stukken bedoeld in het eerste lid zullen worden medegedeeld op ieder verzoek van de ambtenaren van die administratie.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het Nationaal Instituut voor de Statistiek en op het Economisch en Sociaal Instituut voor de Middenstand ten aanzien van de in hun bezit zijnde individuele inlichtingen.

§ 2. De ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, hebben het recht om de boeken en stukken, die overeenkomstig artikel 60 moeten worden bewaard, alsmede de overeenkomstig § 1, tweede lid, gemaakte kopies, tegen afgifte van een ontvangstbewijs te behouden, telkens wanneer zij menen dat de boeken, stukken of kopies de verschuldigdheid van een belasting of een geldboete in hoofde van de betrokkene of van derden aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen.

Dat recht bestaat niet ten aanzien van de boeken die niet zijn afgesloten. Wanneer die boeken door middel van een geïnformatiseerd systeem worden bewaard, hebben de ambtenaren het recht zich kopies van die boeken te doen overhandigen onder de door hen gewenste vorm.