Circulaire nr. 9/2008 (AFZ 15/2008 - E.E./L.177) d.d. 25.06.2008
Brusselse successierechten - Ordonnantie van 6 maart tot wjiziging van het Wetboek der Successierechten
| FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN |
| Administratie van Fiscale Zaken |
| 4de dienst - 3de directie |
| Dossier nr. 403 |
| Bijlagen |
In het Belgisch Staatsblad van 1 april 2008 werd de ordonnantie van 6 maart 2008 tot wijziging van het Wetboek der Successierechten (Brussels Hoofdstedelijk Gewest) bekendgemaakt.
Bij deze ordonnantie worden de volgende wijzigingen in het Brussels Wetboek der Successierechten aangebracht:
-
uitbreiding, onder bepaalde voorwaarden, van de gelijkstelling van bepaalde niet-afstammelingen van de erflater met afstammelingen (kinderen) van de erflater (art. 3 van de ordonnantie - art. 50, §1, BR. W. Succ.);
-
verzachting van sommige voorwaarden voor het bekomen van het verlaagd tarief voor de woning-hoofdverblijfplaats van de overledene (art. 5 en 6 van de ordonnantie - art. 60ter en 135,8° nieuw van het Br. W. Succ.);
-
formele opheffing van de ordonnantie van 6 mei 2002 betreffende het tarief, de vrijstellingen en de verminderingen van de successierechten die van toepassing zijn op de wettelijk samenwonenden (art. 7 van de ordonnantie);
-
een aantal puur technische correcties (art. 2 en 4 van de ordonnantie - art. 48, laatste lid en 54, 1° van het Br. W. Succ.).
Deze ordonnantie is, met terugwerkende kracht, in werking getreden op 1 januari 2008. Artikel 5 (1) van de ordonnantie heeft evenwel uitwerking gekregen met ingang van 1 januari 2003.
[(1) Lees: 7 (de vergissing is in de tekst geslopen bij het hernummeren van de artikels door de parlementscommissie na het aannemen van twee amendementen.]
Deze circulaire bevat een eerste commentaar bij de nieuwe bepalingen. Bijlage 1 bevat de tekst van de ordonnantie. In bijlage 2 gaan de gecoördineerde teksten van de gewijzigde bepalingen in het Wetboek.
Commentaar
1. Draagwijdte van de maatregel
I. Uitbreiding van de gelijkstelling van bepaalde rechtverkrijgenden die niet afstammen van de erflater met afstammelingen (kinderen) van de erflater
(art. 3 van de ordonnantie - art. 50, §1, nieuw van het Br. W. Succ.)
Het oude artikel 50, §1, Br. W. Succ. beperkte het voordeel van de gelijkstelling tot de "stiefkinderen" (2) van de overledene, te weten:
kinderen van zijn echtgenoot (waarvan de overledene dus niet één van de ouders was) en
-
kinderen van de wettelijk samenwonende (3) met de overledene (waarvan de overledene dus evenmin één van de ouders was) mits deze met de erflater geen band van verwantschap tot de derde graad heeft, en op voorwaarde dat die (stief)kinderen vóór de leeftijd van 21 jaar, gedurende zes jaar zonder onderbreking van de erflater en zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende tezamen, de hulp en verzorging hebben gekregen die kinderen normalerwijze van hun ouders krijgen.
[(2) Begrip als algemene noemer gebruikt voor bedoelde gelijkgestelden in de circulaire nr. 9/2003 (AFZ nr. 13/2003) van 3 juni 2003.
(3) Zie hierna onder punt III betreffende de inhoud die aan dit begrip wordt gegeven door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in de context van de toepassing van het tarief van de successierechten.]
De gelijkstelling gold in de twee richtingen m.a.w. zowel voor een verkrijging door het stiefkind van de stiefouder als voor een verkrijging door de stiefouder van het stiefkind.
Het nieuwe artikel 50, §1, eerste lid Br. W. Succ. heft die beperkingen op. Het toepassingsgebied van de gelijkstelling wordt verruimd. Voortaan worden voor de toepassing van het tarief in rechte lijn met afstammelingen van de erflater gelijkgesteld: om het even welke rechtverkrijgende die niet afstamt van de erflater op voorwaarde dat hij, vóór de leeftijd van 21 jaar, gedurende zes achtereenvolgende jaren bij de erflater heeft ingewoond en gedurende die tijd van de erflater of van de erflater en zijn echtgenoot of samenwonende tezamen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normalerwijze van hun ouders krijgen. De aldus verruimde globale groep van gelijkgestelden wordt, naar analogie met de terminologie in het VL. W.. Succ., in het administratief jargon aangeduid met de generieke term "zorgkinderen", die de categorie van de "stiefkinderen" zoals gedefinieerd in de circulaire nr. 9/2003 (4) mede omvat.
[(4) Circ. nr. 9/2003, titel II, hoofdstuk IV, voorafgaande terminologische opmerking.]
Het derde lid van artikel 50, §1, Br. W. Succ. maakt dat de gelijkstelling, zoals vroeger, in beide richtingen werkt. Het bepaalt immers dat "voor de toepassing van hetzelfde tarief met de vader of de moeder van de erflater wordt gelijkgesteld de persoon die met de erflater onder dezelfde voorwaarden de in deze paragraaf bedoelde hulp- en verzorging heeft gegeven". Die niet-ouder wordt in het administratief jargon aangeduid met de term "zorgouder". Een en ander betekent dus dat het tarief rechte lijn niet enkel geldt in het geval dat het zorgkind rechtverkrijgende is van de zorgouder, maar ook, in voorkomend geval, wanneer de zorgouder rechtverkrijgende is in de nalatenschap van zijn zorgkind.
Concreet betekent dit alles dat voortaan worden gelijkgesteld:
-
met afstammelingen van de overledene (m.a.w. zijn dus "zorgkinderen")
- de kinderen van de echtgenoot van de overledene;
- de kinderen van een wettelijk samenwonende met de overledene, ongeacht de graad van bloedverwantschap van de samenwonende met de overledene; met andere woorden daaronder zijn voortaan niet alleen meer begrepen de kinderen van een wettelijk samenwonende die geen nauwe bloedverwantschap heeft met de overledene, maar ook de kinderen van een samenwonende broer, zuster, neef of nicht, oom of tante van de overledene;
- de kinderen die niet tot één van de vorige categorieën behoren maar die door de overledene, om welke reden ook, werden "onderhouden en opgevoed" (bijvoorbeeld kinderen die in uitvoering van een rechterlijke beslissing in het gezin van de overledene werden geplaatst, kinderen waarvan de overledene de opvoeding op zich heeft genomen omwille van het overlijden van de ouders of om humanitaire of andere redenen, enz…)
op voorwaarde dat zij hebben ingewoond bij de erflater en dat zij de vereiste hulp en verzorging waarvan hoger sprake hebben genoten;
-
met de vader of de moeder van de overledene (m.a.w. is dus een "zorgouder") een persoon die aan de overledene de vereiste inwoning en hulp en verzorging waarvan hoger sprake, heeft verstrekt.
2. Te vervullen voorwaarden voor de toepassing van het tarief "rechte lijn" op de verkrijgingen tussen een "zorgkind" en een "zorgouder"(5).
[(5) De voorwaarden gelden in het geval de zorgouder deel heeft in de nalatenschap van het zorgkind op identieke wijze als in het meest voorkomend geval waarbij het zorgkind deel heeft in de nalatenschap van de zorgouder.]
a) Ontleding
Het "zorgkind" moet
| 1) | vóór de leeftijd van 21 jaar |
| 2) | gedurende zes opeenvolgende jaren |
| 3) | bij de erflater hebben ingewoond |
| 4) | en gedurende bedoelde zes opeenvolgende jaren van de erflater of van de erflater en zijn echtgenoot of samenwonende tezamen, de hulp en verzorging hebben gekregen die kinderen normalerwijze van hun ouders krijgen ( |
[(6) Deze voorwaarde stemt overeen met de voorwaarde gesteld in artikel 522, tweede lid, 3° Br. W. Succ. om rekening te houden met de verwantschapsband voortspruitende uit gewone adoptie. Beide voorwaarden moeten dus op identieke wijze worden toegepast. Voor het geval van een beperkte tussenkomst van derden in de hulp en verzorging van het zorg- of adoptiekind wordt verwezen naar wat daarover in voormelde circulaire nr. 9/2003 wordt gezegd in titel II, hoofdstuk IV, afdeling 2, Opmerkingen, 2°.]
Ten opzichte van de vorige regeling is alleen de voorwaarde vermeld onder 3) nieuw.
Apart beschouwd impliceert die voorwaarde dat de gelijkstelling uiteraard niet geldt wanneer er geen zes opeenvolgende jaren inwoning bij de erflater kan worden aangetoond.
In combinatie met de voorwaarde onder 4) impliceert ze dat de gelijkstelling evenmin van toepassing is wanneer de periode van inwoning en de periode van hulp en verzorging elkaar niet gedurende zes opeenvolgende jaren overlappen.
De voorwaarden vermeld onder 1) en 2) behoeven geen nadere toelichting. Wat betreft de voorwaarde onder 4) wordt voor het geval dat het huwelijk of de samenwoning van de erflater in de loop van de vereiste zesjarig periode eindigt, verwezen naar wat daarover gezegd is in de circulaire nr. 9/2003 van 3 juni 2003, meer bepaald in titel II, hoofdstuk IV, afdeling 2, punt 2, tweede alinea.
b) Bewijsproblematiek
Bij toepassing van de regel dat degene die aanspraak maakt op een belastingvoordeel moet bewijzen dat hij de voorwaarden voor de toepassing ervan vervult, moeten de belanghebbenden aantonen dat de voorwaarden voor het toepassen van het tarief rechte lijn zijn vervuld. Vermits het gaat om feitenkwesties kan dat door alle middelen van recht, getuigenissen en vermoedens inbegrepen, maar met uitzondering van de eed.
Wat de nieuwe voorwaarde inzake inwoning bij de zorgouder betreft (zie hoger: voorwaarde onder a) nr. 3)) heeft de Brusselse ordonnantiegever de bewijslast voor de belanghebbende verlicht door een weerlegbaar vermoeden van inwoning te bepalen. Naar luid van artikel 50, § 1, tweede lid (nieuw) geldt de inschrijving van het kind in het bevolkings- of het vreemdelingenregister op het adres van de erflater tot bewijs van het tegendeel als vermoeden van inwoning bij de erflater. Gelet op het weerlegbaar karakter van dit vermoeden kan de belastingadministratie in voorkomend geval het tegenbewijs aanbrengen waarbij ze gebruik kan maken van alle middelen die in rechte zijn toegelaten, inclusief getuigenissen en vermoedens, maar met uitzondering van de eed.
Er wordt benadrukt dat deze bewijsverlichting enkel slaat op de voorwaarde van de inwoning (voorwaarde onder a) nr. 3)) en niet op de voorwaarde van het geven van de hulp en verzorging (voorwaarde onder a) nr. 4)).
* *
*
II. Versoepeling van bepaalde voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief voor de woning-hoofdverblijfplaats van de overledene
(art. 5 en 6 van de ordonnantie - art. 60ter en 135,8° nieuw, Br. W. Succ.)
Inleiding
Tot nog toe (7)
[(7) Zie de commentaar desbetreffend in de circulaire nr. 9/2003 van 3 juni 2003, titel II, hoofdstuk III, blz. 14-21]
Eén van de voorwaarden voor de toekenning van het verlaagd tarief was dat in alle gevallen een uitdrukkelijk verzoek daartoe moest worden gedaan in de aangifte van nalatenschap en dat een uittreksel uit het bevolkings- of vreemdelingenregister moest worden voorgelegd waaruit, naar gelang van het geval, bleek dat:
-
de overledene in de ononderbroken periode van vijf jaar vóór de datum van zijn overlijden zijn hoofdverblijfplaats in de vererfde woning had;
-
indien de overledene door overmacht zijn hoofdverblijfplaats niet had kunnen behouden in de woning tot op de datum van zijn overlijden, dat hij daarin zijn hoofdverblijfplaats had tot op het ogenblik van zijn gedwongen vertrek.
Wanneer het uitdrukkelijk verzoek in de aangifte van successie ontbrak lieten de wetteksten niet toe dit achteraf alsnog te doen. Het recht op het verminderd tarief ging onherroepelijk verloren, zodat het voordeel ook niet meer onder de vorm van een teruggave kon worden bekomen
Voortaan
De Brusselse ordonnantiegever heeft deze strenge toepassingsvoorwaarde gemilderd door voortaan:
| 1) | in principe het voordeel van het verlaagd tarief door de administratie ambtshalve te doen toepassen (d.w.z. zonder uitdrukkelijk verzoek daartoe), wanneer het recht daarop uit de gegevens van het Rijksregister blijkt (art. 5 van de ordonnantie - art 60ter, nieuw derde lid, 1ste zin Br. W. Succ.); |
| 2) | enkel nog in het geval dat de overledene door overmacht zijn hoofdverblijfplaats in de woning niet heeft kunnen behouden, de voorwaarde van een uitdrukkelijk verzoek tot toepassing van het voordeel te behouden (uiteraard dient dan ook de overmacht te worden bewezen) (art. 5 van de ordonnantie - art 60ter, nieuw derde lid, 2de zin Br. W. Succ.); |
| 3) | de mogelijkheid te voorzien om in bepaalde omstandigheden het voordeel van het verlaagd tarief dat initieel niet kon worden bekomen, toch nog te bekomen maar dan onder de vorm van een teruggave (art 6 . van de ordonnantie - art. 135, 8°, nieuw, Br. W. Succ.). |
A. Onmiddellijke toepassing van het voordeeltarief
A.1. Regel: ambtshalve toepassing
Rekening houdend met de informaticamiddelen waarover de administratie beschikt en teneinde de zaken voor de belastingplichtige zo eenvoudig mogelijk te houden heeft de Brusselse ordonnantiegever beslist dat de administratie het verlaagd tarief ambtshalve zal toepassen wanneer uit de gegevens van het Rijksregister blijktdat de overledene op datum van zijn overlijden reeds sedert minstens vijf jaar zijn hoofdverblijfplaats in de vererfde woning had.
Wanneer het Rijksregister dat bevestigt, is een uitdrukkelijk verzoek overbodig en vervalt ook de vroeger bestaande vereiste van voorlegging van een uittreksel uit het bevolkings- of vreemdelingenregister.
De administratie kan in dat geval de toepassing van het voordeeltarief niet weigeren. Van de andere kant is het niet de taak van de administratie de correctheid van de gegevens van het Rijksregister naar aanleiding van de ambtshalve toepassing van het voordeeltarief te controleren.
Indien het Rijksregister niet bevestigt dat aan de vereiste duur van vestiging van de hoofdverblijfplaats voldaan is, en de belanghebbenden van hun kant toch menen recht te hebben op het voordeel van het verlaagd tarief (wegens onderbreking van de vereiste termijn door overmacht of wegens fout in het rijksregister), dan zullen ze moeten terugvallen op de gemeenrechtelijke bewijsregels om het belastingsvoordeel alsnog te bekomen (zie punt A.2.2 en B.2 hierna: niet uitdrukkelijk voorziene gevallen).
A.2. Toepassing op uitdrukkelijk verzoek
A.2.1. Uitdrukkelijk voorziene geval: de overledene heeft door overmacht zijn hoofdverblijfplaats in de vererfde woning niet kunnen behouden tot op de dag van zijn overlijden.
In dat geval zal het rijksregister uiteraard niet de bevestiging inhouden dat de overledene in de vererfde woning zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad gedurende de vereiste termijn. Ambtshalve toepassing van het voordeeltarief is dus uitgesloten. Het voordeeltarief zal maar onmiddellijk kunnen worden toegepast ¾ d.w.z. bij de berekening van de verschuldigde rechten op de oorspronkelijke aangifte ¾ indien in de aangifte daarom uitdrukkelijk wordt gevraagd. Het spreekt voor zich dat ook het bewijs van de overmacht moet zijn aangebracht.
A.2.2. Niet-uitdrukkelijk voorziene geval: in tegenstrijd met de gegevens van het rijksregister heeft de overledene wel degelijk zijn hoofdverblijfplaats in de vererfde woning gehad gedurende de vereiste termijn.
Vergissingen in het Rijksregister kunnen niet helemaal worden uitgesloten (verkeerde input door fout in de codering of input op basis van foutieve gegevens). Hierdoor kunnen de belanghebbenden de ambtshalve toepassing van het voordeeltarief dat ze genoten zouden hebben mochten de data van het Rijksregister correct zijn geweest, mislopen. Indien de belanghebbenden weet hebben van de fout in het Rijksregister voor de indiening van de aangifte (zie opmerking in de laatste alinea van punt A.1. hiervoor) dan kunnen ze toch van de onmiddellijke toepassing van het voordeeltarief genieten, mits daarom in de aangifte wordt verzocht en het bewijs van de onjuistheid van de gegevens van het Rijksregister wordt aangebracht. Dat bewijs kan worden geleverd met alle middelen van recht, getuigenissen en vermoedens inbegrepen maar met uitzondering van de eed (vb. voorlegging van een uittreksel uit het bevolkings- of vreemdelingenregister waaruit de te bewijzen toestand blijkt, getuigenissen van buren, bewijzen van zorgenverstrekking aan de erflater in de betreffende woning, facturen voor het gebruik van de nutsvoorzieningen in de woning op naam van de overledene, …)
B. Toepassing van het voordeeltarief onder de vorm van een teruggave
B.1. Uitdrukkelijk voorziene geval
Het nieuwe 8° van artikel 135 Br. W. Succ. Voorziet in een zogenaamd "opvangnet" voor het geval de erflater zijn woning-hoofdverblijfplaats door overmacht niet heeft kunnen behouden in de vererfde woning tot op de dag van zijn overlijden, en de belanghebbenden ¾ om wat voor reden dan ook ¾ de toepassing van het voordeeltarief niet uitdrukkelijk hebben gevraagd in de (oorspronkelijke) aangifte. Het nieuwe 8° bepaalt dat alsdan teruggave van hetgeen teveel werd geheven mogelijk is, wanneer:
-
na de indiening van de (oorspronkelijke) aangifte de toepassing van het voordeeltarief alsnog uitdrukkelijk wordt gevraagd in een nieuwe (aanvullende) aangifte en
-
de overmacht wordt bewezen binnen twee jaar na betaling van de belasting.
B.2. Niet uitdrukkelijk voorziene geval
Onder punt A.2.2. werd er gesteld dat vergissingen in het Rijksregister niet helemaal kunnen worden uitgesloten. Quid indien de belanghebbenden die fout slechts vaststellen nadat de aangifte definitief is geworden (vb. indien uit het betalingsbericht blijkt dat de administratie het voordeeltarief niet heeft toegepast omdat volgens de gegevens van het rijksregister de voorwaarden daartoe niet zijn vervuld). Wanneer de belanghebbenden door die administratieve fout de ambtshalve toepassing van het voordeeltarief zijn misgelopen ¾ voordeeltarief dat ze dus genoten zouden hebben mochten de data van het Rijksregister correct zijn geweest ¾ oordeelt de administratie dat teruggave ook mogelijk is. De belanghebbenden moeten dan uiteraard het bewijs aanbrengen van de fout in het Rijksregister.
* *
*
III. Formele opheffing van de ordonnantie van 16 mei 2002 betreffende het tarief, de vrijstellingen en de verminderingen van successierechten die van toepassing zijn op de wettelijk samenwonenden.
(Art. 7 van de ordonnantie)
Artikel 7 van de bij deze circulaire gecommentarieerde ordonnantie heft uitdrukkelijk de ordonnantie van 16 mei 2002, betreffende het tarief, de vrijstellingen en de verminderingen van successierechten die van toepassing zijn op de wettelijk samenwonenden (BS van 31 mei 2002, 3de editie), op.
Die ordonnantie, die in werking had moeten treden op 1 januari 2003, regelde onder de vorm van een algemene bepaling de gelijkstelling echtgenoot - wettelijk samenwonende, voor de toepassing van het tarief, de vrijstellingen en verminderingen van de successierechten. Ze werd impliciet opgeheven door de ordonnantie van 20 december 2002 tot wijziging van het Wetboek der successierechten (B.S. 31 december 2002, 3de editie) en errata B.S. 20 januari 2003), die, om redenen van leesbaarheid, de gelijkstelling van wettelijk samenwonenden met gehuwden rechtstreeks in de verschillende betrokken artikels van het Br. W. Succ. inschreef.
Om redenen van rechtszekerheid werd er van de bij deze circulaire gecommentarieerde ordonnantie van 6 maart 2008 gebruik gemaakt om tot de formele opheffing van de ordonnantie van 16 mei 2002 over te gaan.
* *
*
IV. Zuiver technische correcties
(Art. 2 en 4 van de ordonnantie - art. 48, laatste lid en 54,1° W. Succ.)
1. Wat betreft het toepassingsgebied van het begrip "samenwonende" (art. 2 van de ordonnantie - art. 48, laatste lid Br. W. Succ.)
De oude tekst van artikel 48, laatste lid, Br. W. Succ., bepaalde wat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest onder "samenwonende" moest worden verstaan. Indien men zich strikt aan die tekst hield, gold die definitie enkel in het kader van hoofdstuk VI van het Wetboek. Nochtans is er ook in hoofdstuk VII (in artikel 56) sprake van "samenwonende", zonder dat het begrip aldaar wordt gedefinieerd. Het is zonneklaar dat in beide hoofdstukken het begrip in dezelfde zin wordt gebruikt. Vandaar de verbetering van de wettekst.
2. Wat betreft de gelijkstelling in het Wetboek van een samenwonende met een echtgenoot (art. 5 van de ordonnantie - art. 54, 1°, Br. W. Succ.)
Bij de hervorming in 2002 werd beslist wettelijk samenwonenden op gelijke voet te plaatsen met echtgenoten wat betreft het tarief, de vrijstellingen en verminderingen inzake successierechten. Artikel 54, 1°, dat een vrijstelling van de eerste schijf van 15.000 EUR bepaalt, werd echter niet in die zin gewijzigd. Niettemin genieten de wettelijk samenwonenden sinds 1 januari 2003 van dat abattement, op basis van een interpretatie van de wil van de ordonnantiegever. De wijziging die nu in de wettekst werd aangebracht, confirmeert die interpretatie.
De Brusselse ordonnantiegever heeft niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om artikel 52^2, tweede lid, 1° aan te passen. Ter zake de draagwijdte van de gelijkstelling echtgenoot - samenwonende in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest blijft het standpunt van de administratie onveranderd: de Brusselse ordonnantiegever had van meet af aan de bedoeling de gelijkstelling echtgenoot - samenwonende ook te laten gelden in het kader van artikel 52^2, tweede lid,1° Br. W. Succ. ( zie circulaire AKRED nr. 9/2003, titel II, hfst. I, Afdeling 2, onderafdeling 2). Het feit dat bedoeld artikelonderdeel bij de ordonnantie van 6 maart 2008 niet in die zin werd gewijzigd, noopt de administratie niet tot wijziging van haar standpunt.
V. Inwerkingtreding
(Art. 8 van de ordonnantie)
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 van de ordonnantie zijn de nieuwe bepalingen in werking getreden op 1 januari 2008. Volgens hetzelfde artikel wordt nochtans uitzondering gemaakt voor artikel 5, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2003.
Opgepast
Men moet artikel 7 lezen in plaats van artikel 5. De vergissing is in de tekst geslopen bij het hernummeren van de artikelen door de parlementscommissie na het aannemen van twee amendementen
Het is de formele afschaffing van de ordonnantie van 16 mei 2002 "betreffende het tarief, de vrijstellingen en de verminderingen van successierechten die van toepassing zijn op de wettelijke samenwonenden" die uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2003. De memorie van toelichting bij de ordonnantie (8) sluit ieder twijfel over de wil van de ordonnantiegever wat dat betreft uit.
[(8) Zie Documenten van het Parlement - Ontwerp van ordonnantie, A-411/1 commentaar bij de artikelen 5 en 6 (inwerkingtreding), die na het hernummeren de artikelen 7 en 8 zijn geworden.]
De nieuwe bepalingen, met uitzondering van artikel 7 van de ordonnantie, zijn dus van toepassing op de nalatenschappen die vanaf 1 januari 2008 openvallen.
NAMENS DE MINISTER :
De adjunct-administrateur-generaal,
PAUL NECKEBROECK
BIJLAGE 1
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad
MINISTERIE VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
6 MAART 2008. - Ordonnantie tot wijziging van het Wetboek der successierechten
De Regering van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest heeft aangenomen en Wij bekrachtigen wat volgt :
Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
Art. 2.In artikel 48, laatste lid, van het Wetboek der successierechten, worden de woorden « van het voorgaande tarief en van de overige bepalingen van dit hoofdstuk » vervangen door de woorden « van dit hoofdstuk en van hoofdstuk VII »
Art. 3.Artikel 50, § 1, van het Wetboek der successierechten, vervangen bij artikel 4 van de ordonnantie van 20 december 2002, wordt vervangen door de volgende bepaling :
« § 1. Voor de toepassing van het tarief in rechte lijn, wordt met een nakomeling van de erflater gelijkgesteld, een kind dat niet afstamt van de erflater, op voorwaarde dat dit kind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende zes achtereenvolgende jaren bij de erflater heeft ingewoond en gedurende die tijd van de erfl ater of van de erflater en zijn echtgenoot of samenwonende tezamen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normalerwijze van hun ouders krijgen.
De inschrijving van het kind in het bevolkings- of het vreemdelingenregister op het adres van de erflater geldt, behoudens bewijs van het tegendeel, als vermoeden van inwoning bij de erflater.
Voor de toepassing van hetzelfde tarief, wordt met de vader of de moeder van de erflater gelijkgesteld, de persoon die de erflater onder dezelfde voorwaarden de in deze paragraaf bedoelde hulp en verzorging heeft gegeven. »
Art. 4.In artikel 54, 1°, van het Wetboek der successierechten, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) tussen de woorden « of tussen echtgenoten » en de woorden « ten belope van » worden de woorden « of samenwonenden » ingevoegd;
b) tussen de woorden « de overlevende echtgenoot » en de woorden « met de helft » worden de woorden « of samenwonende » ingevoegd.
Art. 5.In artikel 60ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 2 van de ordonnantie van 16 mei 2002 en vervangen door artikel 11 van de ordonnantie van 20 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het tweede lid wordt opgeheven;
2° het huidige derde lid wordt het tweede lid;
3° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
« Ingeval, volgens de gegevens van het Rijksregister, de in het eerste lid gestelde voorwaarden zijn vervuld, past de ontvanger dit voordeeltarief ambtshalve toe. In geval de erflater zijn hoofdverblijfplaats wegens overmacht niet heeft kunnen behouden in het bedoelde gebouw, als bedoeld in het tweede lid, moet de toepassing van het voordeeltarief wel uitdrukkelijk worden gevraagd in de aangifte en moet de overmacht worden bewezen. »
Art. 6.Artikel 135 van hetzelfde Wetboek, wordt aangevuld met een rubriek 8°, luidend :
« wanneer, in het geval bedoeld in het tweede lid van artikel 60ter, het voordeeltarief uitdrukkelijk wordt gevraagd na de indiening van de aangifte en de overmacht wordt bewezen binnen twee jaar na betaling van de belasting. »
Art. 7.De ordonnantie van 16 mei 2002 betreffende het tarief, de vrijstellingen en de verminderingen van successierechten die van toepassing zijn op de wettelijke samenwonenden, wordt opgeheven.
Art. 8.Deze ordonnantie treedt in werking op 1 januari 2008, met uitzondering van artikel 5 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2003.
Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 6 maart 2008.
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing, Huisvesting, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking,
Ch. PICQUE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
G. VANHENGEL
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
B. CEREXHE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit en Openbare Werken,
P. SMET
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu, Energie enWaterbeleid,
Mevr. E. HUYTEBROECK
BIJLAGE 2
GECOORDINEERDE TEKSTEN VAN DE GEWIJZIGDE BEPALINGEN IN HET WETBOEK DER SUCCESSIERECHTEN
Art. 48
De rechten van successie en van overgang bij overlijden worden geheven volgens het tarief in de onderstaande tabellen aangeduid.
Tabel I bevat het tarief in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden. Dit tarief wordt per rechtverkrijgende toegepast op zijn aandeel in de belastbare waarde van de goederen.
Tabel II bevat het tarief tussen broers en zussen. Dit tarief wordt per rechtverkrijgende toegepast op zijn aandeel in de belastbare waarde van de goederen.
Tabel III bevat het tarief tussen ooms of tantes en neven of nichten. Dit tarief wordt toegepast op de samengenomen aandelen van die personen in de belastbare waarde van de goederen.
Tabel IV bevat het tarief tussen alle andere personen. Dit tarief wordt toegepast op de samengenomen aandelen van die personen in de belastbare waarde van de goederen.
Het bedrag waarop het tarief moet worden toegepast wordt opgesplitst volgens de schijven vermeld in kolom A van de toepasselijke tarieftabel. Van elk aldus bekomen bedrag wordt het overeenstemmende percentage in kolom B geheven. Kolom C vermeldt het totale bedrag van de belasting over de voorgaande gedeelten.
Tabel I
Tarief in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden
| A | B | C |
| belastingschijven | per schijf toepasselijk heffingspercentage | totale bedrag van de belasting over de voorgaande schijven |
| van tot | ||
| 0,01 EUR - 50.000 EUR | 3 % | |
| 50.000 EUR - 100.000 EUR | 8 % | 1.500 EUR |
| 100.000 EUR - 175.000 EUR | 9 % | 5.500 EUR |
| 175.000 EUR - 250.000 EUR | 18 % | 12.250 EUR |
| 250.000 EUR - 500.000 EUR | 24 % | 25.750 EUR |
| boven de 500.000 EUR | 30 % | 85.750 EUR |
Tabel II
Tarief tussen broers en zussen
| A | B | C |
| belastingschijven | per schijf toepasselijk heffingspercentage | totale bedrag van de belasting over de voorgaande schijven |
| van tot | ||
| 0,01 EUR - 12.500 EUR | 20 % | |
| 12.500 EUR - 25.000 EUR | 25 % | 2.500 EUR |
| 25.000 EUR - 50.000 EUR | 30 % | 5.625 EUR |
| 50.000 EUR - 100.000 EUR | 40 % | 13.125 EUR |
| 100.000 EUR - 175.000 EUR | 55 % | 33.125 EUR |
| 175.000 EUR - 250.000 EUR | 60 % | 74.375 EUR |
| boven de 250.000 EUR | 65 % | 119.375 EUR |
Tabel III
Tarief tussen ooms of tantes en neven of nichten
| A | B | C |
| belastingschijven | per schijf toepasselijk heffingspercentage | totale bedrag van de belasting over de voorgaande schijven |
| van tot | ||
| 0,01 EUR - 50.000 EUR | 35 % | |
| 50.000 EUR - 100.000 EUR | 50 % | 17.500 EUR |
| 100.000 EUR - 175.000 EUR | 60 % | 42.500 EUR |
| boven de 175.000 EUR | 70 % | 87.500 EUR |
Tabel IV
Tarief tussen alle andere personen
| A | B | C |
| belastingschijven | per schijf toepasselijk heffingspercentage | totale bedrag van de belasting over de voorgaande schijven |
| van tot | ||
| 0,01 EUR - 50.000 EUR | 40 % | |
| 50.000 EUR - 75.000 EUR | 55 % | 20.000 EUR |
| 75.000 EUR - 175.000 EUR | 65 % | 33.750 EUR |
| boven de 175.000 EUR | 80 % | 98.750 EUR |
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van hoofdstuk VII wordt onder samenwonende verstaan, de persoon die zich in de toestand van wettelijke samenwoning bevindt in de zin van titel Vbis van het boek III van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 50
§ 1. Voor de toepassing van het tarief in rechte lijn, wordt met een nakomeling van de erflater gelijkgesteld, een kind dat niet afstamt van de erflater, op voorwaarde dat dit kind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende zes achtereenvolgende jaren bij de erflater heeft ingewoond en gedurende die tijd van de erflater of van de erflater en zijn echtgenoot of samenwonende tezamen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normalerwijze van hun ouders krijgen.
De inschrijving van het kind in het bevolkings- of het vreemdelingenregister op het adres van de erflater geldt, behoudens bewijs van het tegendeel, als vermoeden van inwoning bij de erflater.
Voor de toepassing van hetzelfde tarief, wordt met de vader of de moeder van de erflater gelijkgesteld, de persoon die de erflater onder dezelfde voorwaarden de in deze paragraaf bedoelde hulp en verzorging heeft gegeven.
§ 2. Het tarief van het recht tussen echtgenoten en tussen samenwonenden is niet van toepassing, naargelang het geval, wanneer de echtgenoten uit de echt gescheiden of van tafel en bed gescheiden zijn of wanneer de wettelijke samenwoning een einde heeft genomen, tenzij de echtgenoten of de samenwonenden gemeenschappelijke kinderen of nakomelingen hebben.
Art 54
Van het recht van successie wordt vrijgesteld:
1° hetgeen verkregen wordt door een door de wet tot de erfenis geroepen erfgenaam in de rechte lijn of tussen echtgenoten of samenwonenden, ten belope van de eerste schijf van 15.000 euro. Dit abattement wordt ten gunste van de kinderen van de overledene die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, vermeerderd met 2.500 euro voor elk vol jaar dat nog moet verlopen tot zij de leeftijd van eenentwintig jaar bereiken en, ten gunste van de overlevende echtgenoot of samenwonende, met de helft der bijabattementen welke de gemene kinderen samen genieten;
2° hetgeen verkregen wordt door alle andere erfgenamen, legatarissen of begiftigden uit de erfenissen waarvan het zuiver bedrag 1.250 euro niet overschrijdt.
Art. 60ter
Wanneer de nalatenschap van de erflater tenminste een deel in volle eigendom van het gebouw inhoudt die de erflater op het ogenblik van zijn overlijden tenminste vijf jaar tot hoofdverblijfplaats heeft gediend en indien deze woning verkregen wordt door een erfgenaam in rechte lijn, door de echtgenoot of de samenwonende van de erflater, wordt het recht dat van toepassing is op de nettowaarde van zijn deel in deze woning, in afwijking van tabel I van het artikel 48, vastgesteld als volgt:
-
op de eerste schijf van 50.000 euro: 2 %;
-
op de schijf van 50.000 euro tot 100.000 euro: 5,3 %;
-
op de schijf van 100.000 euro tot 175.000 euro: 6 %;
-
op de schijf van 175.000 euro tot 250.000 euro: 12 %.
De aanspraak op het voordeeltarief gaat niet verloren wanneer de erflater zijn hoofdverblijfplaats in het bedoelde gebouw niet heeft kunnen behouden wegens overmacht. Onder overmacht wordt inzonderheid verstaan een staat van zorgbehoevendheid, ontstaan na de aankoop van de woning, waardoor de erflater in de onmogelijkheid verkeerde om in de woning, zelfs met hulp van zijn gezin of van een gezinshulporganisatie, in te staan voor zijn lichamelijk of geestelijk welzijn.
Ingeval, volgens de gegevens van het Rijksregister, de in het eerste lid gestelde voorwaarden zijn vervuld, past de ontvanger dit voordeeltarief ambtshalve toe. In geval de erflater zijn hoofdverblijfplaats wegens overmacht niet heeft kunnen behouden in het bedoelde gebouw, als bedoeld in het tweede lid, moet de toepassing van het voordeeltarief wel uitdrukkelijk worden gevraagd in de aangifte en moet de overmacht worden bewezen.
Art.135
Tegen inlevering van een aangifte, die het feit aanduidt dat aanleiding geeft tot teruggave, kunnen de rechten, interesten en boeten teruggegeven worden:
| 1° | wanneer in het geval van artikel 3, het bestaan van de afwezige wettelijk bewezen komt te worden; |
| 2° | wanneer, in het geval van artikel 17, de bewijsstukken, die erin voorzien zijn, neergelegd werden bij de ontvanger binnen twee jaar na de betaling van de belasting in het Rijk; |
| 3° | wanneer er bewezen wordt dat een individueel aangeduid roerend of onroerend goed bij missing op het actief der aangifte gebracht werd; |
| 4° | wanneer, na het openvallen der nalatenschap, de samenstelling ervan verminderd wordt, hetzij door het intreden van een voorwaarde of van enig ander voorval, hetzij door de oplossing van een geschil ingevolge een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of een transactie, tenzij de vermindering van actief het gevolg weze van een ontbinding voortkomende van het niet-uitvoeren door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden van de voorwaarden van een contract; |
| 5° | wanneer er een verandering in de devolutie der erfenis intreedt die van aard is het aanvankelijk verevend bedrag der belasting te verminderen; |
| 6° | wanneer er uitgemaakt wordt dat een missing in de aangifte begaan werd: |
| a) | aangaande de graad van verwantschap bestaande tussen de overledene en dezes erfgenamen, legatarissen of begiftigden; |
| b) | aangaande de wettelijke of testamentaire devolutie der nalatenschap; |
| c) | aangaande de hoedanigheid van Rijksinwoner in hoofde van de overledene; |
| 7° | wanneer, in de gevallen voorzien onder artikel 49, de belanghebbende erin slaagt de werkelijke toestand vast te stellen en er daaruit een vermindering van belasting voortspruit; |
| 8° | wanneer, in het geval bedoeld in het tweede lid van artikel 60ter, het voordeeltarief uitdrukkelijk wordt gevraagd na de indiening van de aangifte en de overmacht wordt bewezen binnen twee jaar na betaling van de belasting. |
