Circulaire nr. Ci.RH.242/580.123 (AOIF 39/2007) van 31.10.2007

CIRC 31.10.07/1
BELASTINGKREDIET VOOR ONDERZOEK EN ONTWIKKELING
Bedrag van het BK
Verrekening van het BK

INVESTERINGSAFTREK
Aftrek voor risicokapitaal
Belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling
Percentage van de investeringsaftrek

VENNOOTSCHAPSBELASTING
Investeringsaftrek
Investeringsaftrek voor vennootschappen (commentaar op artikel 3, W 22.6.2005 tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal, op artikel 126, W 23.12.2005 betreffende het generatiepact en op artikel 286, W 27.12.2006 houdende diverse bepalingen - I).
Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C.
I. INLEIDING
1. Deze circulaire bespreekt de wijzigingen die inzake de investeringsaftrek voor vennootschappen aan artikel 201, WIB 92 werden gebracht door :
  • artikel 3 van de wet van 22 juni 2005 tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal (inwerkingtreding = artikel 21 van die wet);
  • artikel 120 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact (inwerkingtreding = artikel 132 van die wet);
  • artikel 286 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) (inwerkingtreding = artikel 289 van die wet),
evenals de ermede gepaard gaande overgangsmaatregelen die zijn opgenomen in de artikelen 528 en 530, WIB 92, welke respectievelijk zijn ingevoegd door artikel 18 van eerstgenoemde wet van 22 juni 2005 en artikel 131 van de voornoemde wet van 23 december 2005.
II. WETTEKSTEN
Wet van 22.6.2005 tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal
(BS 30.6.2005)
Artikel 3
2. In artikel 201 van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 28 juli1992 en gewijzigd bij de wet van 4 mei 1999, bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 13 juli 2001 en bij de wet van 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
het eerste lid, 1°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"1° met betrekking tot binnenlandse vennootschappen waarvan de aandelen voor meer dan de helft toebehoren aan één of meer natuurlijke personen die de meerderheid van het stemrecht vertegenwoordigen, is het percentage van de aftrek gelijk aan de percentsgewijs uitgedrukte stijging van het gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen van het Rijk voor het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, waaraan het belastbare tijdperk is verbonden waarin de investering is verricht, ten opzichte van het gemiddelde van de indexcijfers van het eraan voorafgaande jaar, afgerond tot de hogere of lagere eenheid naargelang de breuk al dan niet 50 pct. bedraagt en verhoogd met 1 percentpunt, doch teruggebracht tot 0;";
het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Wanneer de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen kan de Koning, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, de in het eerste lid, 1° en 2°, vermelde percentages, in zover ze tot 0 worden teruggebracht, verhogen.";
het vierde lid wordt opgeheven;
het artikel wordt aangevuld met een nieuw lid dat luidt als volgt :
"In het in artikel 70, eerste lid, vermelde geval is het percentage van de aftrek tot 0 teruggebracht."
Artikel 18
3. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 528 ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 528. De bepaling van artikel 201, vijfde lid, zoals ze wordt ingevoegd bij de wet van 22 juni 2005 tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal, is niet van toepassing wat betreft de in artikel 70, eerste lid, vermelde investeringsaftrekken die worden toegelaten vanaf een aanslagjaar dat aan het aanslagjaar 2007 voorafgaat."
Artikel 21, eerste en tweede lid
4. De artikelen 2 tot 19 treden in werking vanaf aanslagjaar 2007.
Elke wijziging die vanaf 29 april 2005 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking op de toepassing van de in het eerste lid bedoelde bepalingen.
Wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact
(BS 30.12.2005 - Ed. 2)
Artikel 120
5. Artikel 201 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen door de wet van 28 juli 1992 en gewijzigd bij de wet van 4 mei 1999, bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 13 juli 2001 en bij de wetten van 27 december 2004 en 22 juni 2005, wordt aangevuld met het volgende lid :
"De belastingplichtige die onherroepelijk heeft geopteerd voor het in artikel 289quater vermelde belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling, kan niet meer genieten van de in de artikelen 69, § 1, eerste lid, 2°, a) en b) en 70, tweede lid, vermelde investeringsaftrek en voor die belastingplichtige, worden de in artikel 72, tweede lid, bedoelde bedragen van 620.000 EUR en 2.480.000 EUR respectievelijk op 310.000 EUR en 1.240.000 EUR bepaald."
Artikel 131
6. In titel X van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 530 ingevoegd, luidende :
"Art. 530. § 1. Wat de belastingplichtigen die aan de vennootschapsbelasting worden onderworpen betreft die vanaf een bepaald aanslagjaar voor het in artikel 289quater voorziene belastingkrediet hebben geopteerd, wordt van het totaal van de overgedragen investeringsaftrek op het einde van het voorafgaand aanslagjaar het gedeelte van het totaal dat verband houdt met de op grond van de artikelen 69, § 1, eerste lid, 2°, a) en b), en 70, tweede lid, bepaalde investeringsaftrekken, voor de drie voorafgaande aanslagjaren in mindering gebracht.
Het gedeelte dat in het eerste lid in mindering wordt gebracht, wordt omgezet in een overgedragen belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling door dit gedeelte te vermenigvuldigen met het in artikel 289quater, tweede lid, vermelde tarief.
Dit belastingkrediet wordt geacht verband te houden met het aanslagjaar voorafgaand aan dit waarvoor werd geopteerd voor het belastingkrediet.
In afwijking van artikel 292bis, § 1, tweede en vijfde lid, is dit belastingkrediet niet terugbetaalbaar maar het kan zonder beperking in de tijd worden overgedragen.
§ 2. Wat dezelfde belastingplichtigen betreft, die, in toepassing van artikel 70, tweede lid, hadden gekozen de investeringsaftrek te spreiden voor vaste activa die worden verkregen of tot stand gebracht gedurende de belastbare tijdperken waarvoor niet werd geopteerd voor het belastingkrediet, is het gespreide belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling dat in de plaats van de gespreide investeringsaftrek voor deze vaste activa komt, voor elk aanslagjaar dat verband houdt met een nog te lopen belastbaar tijdperk van de afschrijvingsperiode, gelijk aan de afschrijving die voor het belastbaar tijdperk wordt aangenomen, vermenigvuldigd met het in artikel 70, tweede lid, voorziene percentage en met het in artikel 289quater, tweede lid, voorziene tarief."
Artikel 132
7. De artikelen 120 tot 131 treden in werking vanaf aanslagjaar 2007.
Elke wijziging die vanaf 18 november 2005 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking.
Wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I)
(BS 28.12.2006 - Ed. 3)
Artikel 286
8. Artikel 201, zesde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005, wordt aangevuld als volgt :
"Deze bedragen worden jaarlijks aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast. Die aanpassing gebeurt met behulp van de in artikel 178, § 3, bepaalde coëfficiënt."
Artikel 289, vijfde lid
9. De artikelen 286 tot 288 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2007.
Gecoördineerde tekst van artikel 201, WIB 92
(aanslagjaren 2007 en 2008)
10. In de gevallen als vermeld in artikel 69, § 1, eerste lid, 1°, wordt de investeringsaftrek als volgt vastgesteld :
met betrekking tot binnenlandse vennootschappen waarvan de aandelen voor meer dan de helft toebehoren aan één of meer natuurlijke personen die de meerderheid van het stemrecht vertegenwoordigen, is het percentage van de aftrek gelijk aan de percentsgewijs uitgedrukte stijging van het gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen van het Rijk voor het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, waaraan het belastbare tijdperk is verbonden waarin de investering is verricht, ten opzichte van het gemiddelde van de indexcijfers van het eraan voorafgaande jaar, afgerond tot de hogere of lagere eenheid naargelang de breuk al dan niet 50 pct. bedraagt en verhoogd met 1 percentpunt, doch teruggebracht tot 0;
met betrekking tot de niet in 1° vermelde vennootschappen is het percentage van de aftrek dat vermeld in 1°, doch teruggebracht tot 0.
Wanneer de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen kan de Koning, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, de in het eerste lid, 1° en 2°, vermelde percentages, in zover ze tot 0 worden teruggebracht, verhogen.
De Koning zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van dit artikel genomen besluiten.
In het in artikel 69, § 1, eerste lid, 3°, vermelde geval is de investeringsaftrek slechts van toepassing met betrekking tot de in het eerste lid, 1°, vermelde binnenlandse vennootschappen en de binnenlandse vennootschappen die op grond van de in artikel 15, § 1, van het Wetboek van vennootschappen bepaalde criteria als kleine vennootschappen worden aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbaar tijdperk waarin de vaste activa zijn verkregen of tot stand gebracht.
In het in artikel 70, eerste lid, vermelde geval is het percentage van de aftrek tot 0 teruggebracht.
De belastingplichtige die onherroepelijk heeft geopteerd voor het in artikel 289quater vermelde belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling, kan niet meer genieten van de in de artikelen 69, § 1, eerste lid, 2°, a) en b) en 70, tweede lid, vermelde investeringsaftrek en voor die belastingplichtige, worden de in artikel 72, tweede lid, bedoelde bedragen van 620.000 EUR en 2.480.000 EUR respectievelijk op 310.000 EUR en 1.240.000 EUR bepaald. Deze bedragen worden jaarlijks aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast. Die aanpassing gebeurt met behulp van de in artikel 178, § 3, bepaalde coëfficiënt.
III. VOORWOORD
11. Deze circulaire behandelt alleen de aspecten die verbonden zijn aan de investeringsaftrek.
De aspecten die verbonden zijn aan de belastingaftrek voor risicokapitaal en het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling zullen in afzonderlijke circulaires worden besproken.
IV. WET VAN 22.6.2005 TOT INVOERING VAN EEN BELASTINGAFTREK VOOR RISICOKAPITAAL
A. Draagwijdte
12. Bij de invoering van de belastingaftrek voor risicokapitaal heeft de regering in een aantal budgettaire compensatiemaatregelen voorzien, waaronder de afschaffing van het basispercentage van de investeringsaftrek voor vennootschappen.
13. Tot het aanslagjaar 2006 werd, wat de vennootschappen betreft, de investeringsaftrek met betrekking tot de gewone investeringen (beperkt tot de eerste - te indexeren - schijf van 5.000.000 EUR investeringen) uitsluitend toegekend aan binnenlandse vennootschappen waarvan de aandelen voor meer dan de helft toebehoorden aan één of meer natuurlijke personen die de meerderheid van het stemrecht vertegenwoordigden en die geen deel uitmaakten van een groep waartoe een erkend coördinatiecentrum behoorde. Voor de andere binnenlandse vennootschappen dan die zogenaamde KMO-vennootschappen was het percentage van de eenmalige investeringsaftrek met betrekking tot vaste activa die vanaf 27.3.1992 werden verkregen of tot stand gebracht, teruggebracht tot 0.
Door de artikelen 3 en 21 van de voormelde wet van 22.6.2005 is het percentage van de eenmalige investeringsaftrek met betrekking tot de gewone investeringen, met ingang van het aanslagjaar 2007, nu ook voor die KMO-vennootschappen tot 0 teruggebracht.
Anticiperend op het uitdovend karakter van het stelsel van de coördinatiecentra is in de omschrijving van wat onder KMO-vennootschappen moet worden verstaan bovendien de voorwaarde weggelaten "dat zij geen deel mogen uitmaken van een groep waartoe een coördinatiecentrum behoort als vermeld in het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra". Aangezien het percentage van de eenmalige investeringsaftrek met betrekking tot de gewone investeringen vanaf aanslagjaar 2007 uiteindelijk voor alle vennootschappen tot 0 is herleid, blijft die aanpassing in de huidige stand van de wetgeving op het vlak van de gewone investeringsaftrek in principe zonder gevolgen.
14. Net zoals voorheen het geval was bij de op nul zetting van het percentage voor de andere vennootschappen dan KMO-vennootschappen, wordt aan het principe van de investeringsaftrek zelf niet geraakt, zodat, wanneer de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen, het tot 0 teruggebrachte percentage bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit weer kan verhoogd worden (cf. artikel 201, tweede lid, WIB 92).
In dat geval moet de Koning dan wel bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van dat besluit (cf. artikel 201, derde lid, WIB 92).
15. Aangezien nu ook voor de KMO-vennootschappen het basispercentage van de investeringsaftrek tot 0 is herleid, verliest de tot aanslagjaar 2006 op hen van toepassing zijnde beperking van de aftrek tot de (te indexeren) eerste investeringsschijf van 5.000.000 EUR investeringen, alle betekenis (althans in de huidige stand van de wetgeving). Daarom is die beperking verdwenen uit het eerste lid van artikel 201, WIB 92 en werd het vroegere vierde lid van dat artikel (dat de indexering van dat grensbedrag regelde) opgeheven door artikel 3, 3° van de voormelde wet van 22.6.2005.
Dit houdt evenwel in dat, mocht het tot 0 teruggebrachte percentage wegens economische redenen bij koninklijk besluit worden verhoogd (zie nr. 14), de beperking tot die eerste investeringsschijf van 5.000.000 EUR niet langer zou gelden.
16. Krachtens artikel 201, vijfde lid, WIB 92, dat werd ingevoerd door artikel 3, 4° van de voornoemde wet van 22.6.2005, wordt ook het percentage van de gewone gespreide investeringsaftrek waarvan sprake is in artikel 70, eerste lid, WIB 92, voor alle vennootschappen op 0 gezet.
Dienaangaande is wel in een overgangsmaatregel voorzien (cf. arti-kel 528, WIB 92, ingevoegd door artikel 18 van diezelfde wet van 22.6.2005) waardoor de op nul zetting van het percentage van de gespreide aftrek niet van toepassing is op investeringsaftrekken die werden toegekend in een aanslagjaar voorafgaand aan het aanslagjaar 2007. Dit impliceert dat, mits naleving van de in artikel 70, eerste lid, WIB 92 gestelde voorwaarden (inzonderheid op de eerste dag van het belastbare tijdperk waarin de activa zijn aangeschaft of tot stand gebracht minder dan 20 werknemers tewerkstellen), de gewone gespreide investeringsaftrek voor vennootschappen van toepassing blijft met betrekking tot de activa die zijn verkregen of tot stand gebracht tijdens een jaar of boekjaar dat aan het aanslagjaar 2006 of een vroeger aanslagjaar is verbonden en tijdens dat jaar of boekjaar afschrijfbaar zijn geworden.
In dit verband wordt eraan herinnerd dat inzake vooruitbetalingen op materiële en immateriële vaste activa en vaste activa in aanbouw, de aanvang van de toepassing van de gespreide investeringsaftrek gekoppeld wordt aan de aanvang van de afschrijvingen op die activa (cf. nr. 68/17, derde lid, Com.IB 92). Derhalve komen de vooruitbetalingen op materiële en immateriële vaste activa en vaste activa in aanbouw die betrekking hebben op aanslagjaar 2006 of een vroeger aanslagjaar, voor vennootschappen blijvend in aanmerking voor de gewone gespreide investeringsaftrek, doch enkel voor het gedeelte dat tijdens dat aanslagjaar (2006 of een vorig aanslagjaar) als een materieel of immaterieel vast actief werd geactiveerd én waarop daarenboven uiterlijk voor aanslagjaar 2006 afschrijvingen werden toegepast en aangenomen.
17. De hiervoor besproken wettelijke aanpassingen hebben dus tot gevolg dat met ingang van het aanslagjaar 2007 aan vennootschappen geen gewone éénmalige of gespreide investeringsaftrek meer kan worden toegekend.
De eenmalige investeringsaftrek kan evenwel verder worden toegekend aan :
  • eender welke vennootschap die investeert in :
  • octrooien (en die niet geopteerd heeft voor het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling);
  • milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling (en die niet geopteerd heeft voor het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling);
  • energiebesparende investeringen;
  • rookafzuig- of verluchtingssystemen in horeca-inrichtingen;
  • investeringen tot aanmoediging van het hergebruik van verpakkingen van dranken en nijverheidsproducten;
  • vennootschappen zoals bedoeld in artikel 201, eerste lid, 1° WIB 92 of in artikel 15, § 1, van het Wetboek van vennootschappen, die investeren in de beveiliging van beroepslokalen;
  • vennootschappen die uitsluitend winst uit zeescheepvaart verkrijgen en investeren in nieuwe zeeschepen of in tweedehandse zeeschepen die voor het eerst in het bezit van een Belgische belastingplichtige komen.
De gespreide investeringsaftrek daarentegen kan nog enkel worden toegekend aan vennootschappen die investeren in onderzoek en ontwikkeling en niet geopteerd hebben voor het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling.
18. Het gedeelte van de vroeger (voor aanslagjaar 2007) toegekende investeringsaftrekken, dat bij gebrek aan winst nog niet kon worden afgetrokken en dus naar een belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 2007 of een volgend aanslagjaar is overgedragen, blijft, rekening houdende met de voor het betrokken aanslagjaar geldende aftrekbeperking, bij voortduur verrekenbaar met de winst van die belastbare tijdperken (zie evenwel ook de nrs. 23 en 24).
B. Inwerkingtreding
19. De op nul zetting van het percentage van de investeringsaftrek voor KMO's treedt in werking vanaf aanslagjaar 2007.
20. Wijzigingen die vanaf 29 april 2005 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening worden aangebracht, zijn zonder uitwerking voor de toepassing van de hiervoor besproken maatregel.
V. WET VAN 23 DECEMBER 2005 BETREFFENDE HET GENERATIEPACT VAN WET VAN 27 DECEMBER 2006 HOUDENDE DIVERSE BEPALINGEN (I)
A. Draagwijdte
21. Met betrekking tot de investeringen in octrooien en milieuvriendelijke investeringen in onderzoek en ontwikkeling, biedt de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, vanaf aanslagjaar 2007, aan vennootschappen de mogelijkheid om onherroepelijk te kiezen voor een belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling in plaats van voor de investeringsaftrek.
Dit belastingkrediet, dat is ingevoerd door artikel 124 van de voormelde wet van 23.12.2005 (artikel 289quater, WIB 92) en dat, in hoofde van de vennootschappen die ervoor opteren, in mindering wordt gebracht van de verschuldigde belasting, stemt in feite overeen met de belasting die de vennootschap zou hebben uitgespaard indien zij de investeringsaftrek voor octrooien en onderzoek en ontwikkeling zou hebben toegepast.
22. Belastingplichtigen die vanaf een bepaald belastbaar tijdperk voor het in voormelde artikel 289quater, WIB 92 bedoelde belastingkrediet hebben geopteerd, kunnen overeenkomstig het laatste lid van artikel 201, WIB 92 (ingevoerd door artikel 120 van de voormelde wet van 23.12.2005) evenwel niet meer genieten van de eenmalige investeringsaftrek voor octrooien, noch van de eenmalige en de gespreide investeringsaftrek voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Deze keuze is onherroepelijk; tijdens latere aanslagjaren kan er dus niet meer op teruggekomen worden.
23. Bovendien heeft de keuze voor het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling ook gevolgen voor de overdraagbaarheid van vroegere investeringsaftrekken die nog niet konden worden afgetrokken. In die gevallen worden de grensbedragen voor de overdracht van nog niet afgetrokken investeringsaftrekken immers gehalveerd.
Aldus mag, voor de vennootschappen die onherroepelijk voor het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling hebben geopteerd, de aftrek van de overgedragen vrijstelling op de winst van elk van de volgende belastbare tijdperken, overeenkomstig artikel 201, laatste lid, WIB 92, in geen geval per belastbaar tijdperk meer bedragen dan 310.000 EUR (1) of, wanneer het totale bedrag van de overgedragen vrijstelling op het einde van het vorige belastbare tijdperk 1.240.000 EUR (1) overtreft, 25 % van dat totale bedrag.
[(1) Voor vennootschappen die niet voor het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling hebben geopteerd, zijn deze grensbedragen overeenkomstig artikel 72, tweede lid, WIB 92 vastgesteld op respectievelijk 620.000 EUR en 2.480.000 EUR.]
Artikel 286 van de wet van 27.12.2006 houdende diverse bepalingen (I), heeft het laatste lid van artikel 201, WIB 92 aangevuld met een bepaling die de jaarlijkse indexering van die bedragen regelt. Overeenkomstig die bepaling zijn de voormelde bedragen van 310.000 EUR en 1.240.000 EUR voor het aanslagjaar 2007 respectievelijk op 396.270 EUR en 1.585.090 EUR gebracht en voor het aanslagjaar 2008 respectievelijk op 403.370 EUR en 1.613.490 EUR.
24. Tenslotte heeft artikel 131 van de voormelde wet van 23.12.2005 nog een overgangsbepaling ingevoerd (artikel 530, WIB 92) voor de vennootschappen die op het ogenblik van hun keuze voor het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling nog een over te dragen investeringsaftrek hebben.
Voor die vennootschappen wordt van het totale bedrag van de overgedragen investeringsaftrek, zoals deze op het einde van het voorafgaande aanslagjaar bestond, de investeringsaftrek met betrekking tot investeringen in octrooien en in onderzoek en ontwikkeling van de drie voorafgaande aanslagjaren afgetrokken. Dit in mindering gebrachte bedrag wordt immers omgezet in een over te dragen belastingkrediet en mag dus niet meer worden opgenomen in het bedrag van de investeringsaftrek dat naar latere belastbare tijdperken kan worden overgedragen.
De vennootschappen die met betrekking tot hun investeringen in onderzoek en ontwikkeling niet hadden gekozen voor de eenmalige investeringsaftrek doch voor de gespreide investeringsaftrek, en die vanaf een bepaald belastbaar tijdperk onherroepelijk kiezen voor het belastingkrediet, kunnen de gespreide aftrek voor die activa voor de aanslagjaren die verband houden met de nog te lopen belastbare tijdperken van de afschrijvingsperiode, vanaf het aanslagjaar van die keuze niet meer als zodanig van het resultaat in mindering brengen. Ook voor die nog te lopen belastbare tijdperken van de afschrijvingsperiode, wordt de gespreide aftrek immers omgezet in een belastingkrediet dat alsdan van de verschuldigde belasting met betrekking tot die belastbare tijdperken zal worden afgetrokken.
B. Inwerkingtreding
25. De onderrichtingen uiteengezet in de nummers 21 tot 24 hiervoor, zijn eveneens van toepassing vanaf aanslagjaar 2007.
Elke wijziging die vanaf 18 november 2005 aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening wordt aangebracht is zonder uitwerking voor de toepassing van het bepaalde in de nummers 21 tot 24.
Voor de administrateur
Kleine en Middelgrote Ondernemingen :
J. VANHOUTTE
Directeur