Circulaire nr. Ci.RH.241/467.430 van 08.08.1997

CIRC 08.08.97/1
Bull. nr. 775, pag. 2069
BEROEPSINKOMEN
Indeling van het beroepsinkomen.
Inkomen uit een nevenactiviteit.

NEVENACTIVITEIT
Inkomen uit een nevenactiviteit.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2+ en 2.
1. Deze circulaire strekt ertoe de richtlijnen aangaande het belastingstelsel van uit nevenactiviteiten verkregen inkomsten te verduidelijken aan de hand van recente rechtspraak.
2. Behoudens wanneer dergelijke inkomsten in het kader van een arbeidsovereenkomst zijn verkregen, zijn zij belastbaar hetzij als in art. 90, 1°, WIB 92, bedoelde diverse inkomsten (uit occasionele of toevallige verrichtingen), hetzij als in art. 23, § 1, 2°, en 27, WIB 92, bedoelde baten van een winstgevende bezigheid.
3. Volgens een vaste rechtspraak kan er slechts van een in art. 27, WIB 92, bedoelde winstgevende bezigheid sprake zijn indien het om een geheel van verrichtingen gaat die voldoende talrijk en onderling verbonden zijn om een gewone en voortgezette bezigheid uit te maken (zie 23/35, Com.IB 92).
Dit principe werd nog maar eens bevestigd in het arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 30.4.1993, waarvan de voornaamste overwegingen in 23/36, Com.IB 92, zijn opgenomen (de integrale tekst van dat arrest is als bijlage 1 toegevoegd).
4. Om het onderscheid te maken tussen een winstgevende bezigheid met beroepskarakter (art. 27, WIB 92) en een occasionele of toevallige verrichting zonder beroepskarakter (art. 90, 1°, WIB 92), moet de administratie steunen op feitelijke gegevens waarvan er een aantal zijn opgesomd in 23/37, Com.IB 92. Andere gegevens werden recentelijk door de rechtspraak in aanmerking genomen.
5. Zo halen de Hoven van Beroep te Brussel en te Gent in hun arresten van respectievelijk 19.10.1995 en 18.1.1996 (waarvan de teksten als bijlagen 2 en 3 zijn toegevoegd) als bijkomend argument het feit aan dat de nevenactiviteit nauw verband houdt met de hoofdactiviteit van de betrokken belastingplichtige of in het verlengde van diens beroepsactiviteit ligt, om te besluiten dat de uit die nevenactiviteit verkregen inkomsten als inkomsten uit een winstgevende bezigheid in de zin van art. 27, WIB 92, moet worden aangemerkt.
6. De enige omstandigheid dat een in het kader van een nevenactiviteit gedane verrichting nauw verband houdt met de hoofdactiviteit van de belastingplichtige of in het verlengde ervan ligt, volstaat uiteraard niet om die verrichting als een winstgevende bezigheid in de zin van art. 27, WIB 92, aan te merken. Daartoe moet immers evenzeer voldaan zijn aan het algemeen principe dat de activiteit moet kaderen in "een geheel van verrichtingen die voldoende talrijk en onderling verbonden zijn" (zie nr. 3).
7. De in nr. 5 aangehaalde bijkomende criteria ondersteunen in ieder geval het administratief standpunt dat stelt dat de inkomsten die een persoon (ambtenaar, magistraat, universiteitsprofessor, kaderlid van een financiële instelling, enz.), naast zijn bezoldigingen uit zijn gewone beroepsactiviteit, buiten het kader van een arbeidsovereenkomst verkrijgt uit een geregelde medewerking aan verrichtingen (publicaties, studiedagen, cursussen, voordrachten, enz.) in de regel moeten worden aangemerkt als in art. 27, WIB 92, bedoelde baten, en niet als in art. 90, 1°, WIB 92, bedoelde diverse inkomsten, wanneer die verrichtingen nauw verband houden met zijn hoofdactiviteit of in het verlengde ervan liggen, m.a.w. wanneer die verrichtingen nauw verband houden met zijn normale dagtaak of met de tijdens zijn normale beroepswerkzaamheid opgedane kennis en ervaring.
8.
De Com.IB 92 zal eerlang in deze zin worden verduidelijkt.
9. Deze circulaire moet onmiddellijk worden toegepast, ook voor het oplossen van hangende geschillen.
NAMENS DE MINISTER :
De Directeur-generaal,
J.-C. TILLIET
BIJLAGE 1
HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL
N. 30.4.1993 TEGEN : DE BELGISCHE STAAT, (Min. Fin.)
Het Hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :
Gezien :
  • de fiscale voorziening, tesamen met de aanzegging ervan neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te ... op 19 maart 1987 en gericht tegen de directoriale beslissing van 25 februari 1987, aan de belastingplichtige betekend op dezelfde datum, waarbij diens bezwaarschrift werd afgewezen, ingediend tegen de aanslag in de personenbelasting gevestigd onder het kohiernummer ... voor het aanslagjaar 1983, en voor een bedrag van ... frank;
  • het arrest van verwijzing van het Hof van Cassatie geveld op ...;
Overwegende dat de voorziening ontvankelijk is;
Overwegende dat de belasting gevestigd werd overeenkomstig de aanslagprocedure voorzien in artikel 251 van het WIB;
Gezien :
  • de fiscale voorziening, tesamen met de aanzegging ervan neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te ... op 14 juli 1989 en gericht tegen de directoriale beslissing van 14 juni 1989, aan de belastingplichtige betekend op dezelfde datum, waarbij diens bezwaarschrift werd afgewezen, ingediend tegen de aanslag in de personenbelasting gevestigd onder het kohiernummer ..., voor het aanslagjaar 1985, en voor het bedrag van ... frank;
  • het arrest van verwijzing van het Hof van Cassatie van ...;
Overwegende dat de voorziening ontvankelijk is;
Overwegende dat de belasting gevestigd werd overeenkomstig de aanslagprocedure voorzien in artikel 251 van het WIB;
Overwegende dat de beide zaken, alhoewel zij verschillende beslissingen aanvechten, dezelfde betwisting behandelen voor verschillende aanslagjaren zodat een goede rechtsbedeling hun voeging vereist;
Overwegende dat het voorwerp van het geschil, telkens voor een ander aanslagjaar, de kwalificatie betreft van de vergoedingen, die door de verzoeker worden omschreven als auteursrechten;
Overwegende dat deze inkomsten zich voor het aanslagjaar 1983 laten opsplitsen in de vergoedingen genoten als co-auteur van het wetboek van koophandel en deze genoten voor het drukklaar maken van de copijen ingeleverd door auteurs van andere wetboeken; dat de vergoedingen als co-auteur van het wetboek van koophandel ... bedragen van de omzet van dit wetboek en zijn bijwerkingen oplopen tot ... frank en de vergoeding voor het geleverde redactioneel werk m.b.t. de andere wetboeken ... op de omzet van de basiswetboeken en ... op de omzet van de bijwerkingen bedroeg en zich liet becijferen op ... frank; dat de vergoeding bekomen voor het aanslagjaar 1985 uitsluitend betrekking heeft op contractuele rechten die verzoeker kon laten gelden m.b.t. het wetboek van koophandel en het bedrag van ... frank bedroeg;
Overwegende dat verzoeker terecht voorhoudt dat hij deze inkomsten genoten heeft ingevolge werkzaamheden die niet in het verlengde liggen van zijn activiteit als magistraat; dat hij terecht voor de taxatieambtenaar en tijdens de bezwaarprocedure heeft laten gelden dat zijn wetenschappelijk werk, in tegenstelling tot gelijkaardig wetenschappelijk werk uitgevoerd door een universiteitsprofessor, los diende gezien te worden van zijn taak als magistraat; dat het niet rechtstreeks of onrechtstreeks tot de taak van de magistraat behoort de publicatie van wetboeken mee te helpen verzorgen en ze te helpen voorzien van leidende rechtspraak per artikel of de door andere auteurs ingeleverde copij te collationeren en te toetsen;
Overwegende echter dat deze vaststelling niet toelaat zonder meer de uit deze taken genoten inkomsten te beschouwen als afzonderlijk te belasten inkomsten in toepassing van artikel 67, 1° van het WIB;
Overwegende dat verzoeker deze inkomsten heeft aangegeven als afzonderlijk belastbare inkomsten; dat het WIB ze bepaalt als volgt :
1° de winsten of baten hoe ook genaamd die voortvloeien uit enigerlei prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden, zelfs occasioneel of toevallig, buiten de uitoefening van een in artikel 20 bedoelde beroepswerkzaamheid ...;
dat het niet wordt betwist dat de bepaling van de beroepswerkzaamheid die voor de oplossing van het geschil dienstig is, dient gezocht in artikel 20, 3° van het WIB die deze omschrijft als volgt :
baten, onder welke naam ook, van vrije beroepen, ambten of posten, en van elke winstgevende bezigheid ...;
Overwegende dat de administratie, bij dewelke de bewijslast ligt, drie feitelijke gegevens aanhaalt waaruit zij afleidt dat de door verzoeker genoten inkomsten beroepsinkomsten zijn die voldoen aan de wettelijke bepaling voorzien in artikel 20, 3° WIB;
Overwegende dat de administratie aanduidt dat verzoeker gelijkaardige inkomsten genoten ingevolge dezelfde activiteit in de vorige aanslagjaren heeft aangegeven als met de andere beroepsinkomsten te globaliseren inkomsten;
Overwegende dat de wijze waarop de belastingplichtige in de vorige jaren zijn belastbare inkomsten heeft aangegeven hem bindt voor elk van deze jaren; dat in de mate dat verzoeker thans voorhoudt dat hij de door hem geleverde prestaties en de daaruit genoten voordelen verkeerd heeft beoordeeld het louter verwijzen naar vroegere aangiftes enkel een aanwijzing bevat over de wijze waarop verzoeker voor vroegere niet betwiste aanslagperiodes deze inkomsten heeft beoordeeld; dat dit op zichzelf geen voldoende vermoeden nopens de tijdens de betwiste belastbare periode genoten inkomsten schept;
Overwegende dat de administratie eveneens verwijst naar de taakomschrijving door de uitgever; dat deze op een vraag om inlichtingen van de administratie heeft geantwoord :
"Om zeker te zijn dat de basiswerken en vooral de latere bijwerkingen regelmatig en tijdig zouden verschijnen, moesten wij de vakkundige medewerking inroepen van een veelzijdig jurist die, terzake bevoegd en in staat om er de nodige tijd aan te besteden, bereid zou zijn om nauwgezet de door de diverse hoofdredacteurs ingeleverde kopij na te lezen, deze te toetsen aan de jongste nieuwe en of wijzigende wetgeving, ze aan te vullen waar het nodig blijkt en ze desnoods zelf samen te stellen.
De Heer N die reeds ervaring had opgedaan met het samenstellen van het Wetboek van Koophandel, werd door ons aangezocht om deze veeleisende taak op zich te nemen en heeft deze opdracht aanvaard";
Overwegende dat de administratie zich verder ook beroept op de periode gedurende dewelke de inkomsten genoten werden en die zich uitstrekt over verschillende jaren ingevolge een minstens even lange doorgezette inspanning waardoor het onmogelijk zou worden de aldus genoten inkomsten te beschouwen als afzonderlijk belastbare inkomsten daar dezen wezenlijk occasioneel zijn;
Overwegende dat de winstgevende bezigheid bedrijfsmatig is en valt onder de bepaling van artikel 20, 3° WIB als zij bestaat uit een geheel van voldoende onderling verbonden verrichtingen om doorlopend en gewoon genoemd te worden;
Overwegende dat daarbij niet vereist is dat de bezigheid een belangrijk deel van de beschikbare tijd in beslag zou nemen; dat een deeltijdse arbeid, zelfs al wordt slechts een beperkt gedeelte van de beschikbare tijd in beslag genomen, bedrijfsmatig kan zijn;
Overwegende dat de op verzoeker rustende taak m.b.t. het wetboek van koophandel er in bestond om gedurende jaren gebruik makend van zijn belangrijk inzicht in het recht en zijn kennis van de rechtsbronnen, het wetboek van koophandel blijvend aan de evoluerende situatie aan te passen om er een voortdurend kwaliteitsinstrument van te maken; dat de taak m.b.t. de andere wetboeken meer technisch was en erin bestond de door de andere auteurs ingeleverde kopij te toetsen en te collationeren;
Overwegende dat verzoeker gedurende jaren ononderbroken de evolutie van het handelsrecht heeft gevolgd en wat nuttig bleek heeft gebruikt; dat deze taak noodzakelijk een doorlopend geheel van handelingen veronderstelt; dat het feit dat er gedurende een bepaald jaar geen bijvullingen zouden geweest zijn geen afbreuk doet aan het doorlopend karakter van de geleverde inspanning dat voornamelijk in de controle van de voor eventuele publicatie vatbare evolutie gelegen is;
Overwegende dat het volume van het redactionele werk m.b.t. de andere wetboeken weliswaar werd bepaald door de ingeleverde copij maar dat niet ernstig kan betwist worden dat deze voor de betwiste periode een geheel uitmaakte van voldoende talrijk en onderling verbonden handelingen met een belangrijke frekwentie zodat zij een weliswaar deeltijdse maar toch doorlopende activiteit uitmaakte; dat ook al deze handelingen in een welbepaalde taakomschrijving, met een welbepaalde verantwoordelijkheid, werden verricht en zij derhalve een geheel uitmaken; dat in ieder geval de uitgever van de wetboeken dit in zijn verhouding tot verzoeker zo ervaren heeft;
Overwegende dat verzoeker ten onrechte voorhoudt dat opdat er sprake zou zijn van een winstgevende activiteit zoals bepaald door artikel 20, 3° WIB, ook zou vereist zijn dat de handelingen zouden ingegeven zijn door een winstoogmerk en dat zij gepaard zouden gaan met een zekere organisatie en daartoe noodzakelijke investeringen;
Overwegende dat een belangrijk deel van de bedrijfsinkomsten traditioneel genoten wordt door mensen die niet gedreven zijn door een winstoogmerk; dat zelfs in hele sectoren het winstoogmerk secundair of gewoon bijkomstig is; dat dit ondermeer waar is voor de gezondheidssector, bepaalde juridische beroepen, de geestelijkheid; dat de bedoeling van diegene die de inkomsten geniet, zonder belang is om te bepalen of het om een winstgevende bezigheid gaat; dat het adjektief "winstgevend" dat voorkomt in artikel 20, 3° WIB uitsluitend verwijst naar het resultaat van de operatie en niet naar het inzicht van diegene die de activiteit uitoefent;
Overwegende dat het al dan niet bestaan van investeringen in de activiteit evenmin enig uitsluitsel kan geven over het bedrijfsmatig karakter van een gepleegde handeling; dat vooreerst door niemand wordt betwist dat diverse inkomsten gepaard kunnen gaan met zeer belangrijke investeringen; dat zelfs een afzonderlijk regime van aftrekbaarheid van deze lasten bestaat; dat overigens dient opgemerkt dat verzoeker zijn inkomsten genoten heeft gebruik makend van de organisatie en de infrastructuur van de drukker, die, optredend als de ondernemer, de materiële omstandigheden heeft geschapen en het commercieel risico heeft genomen terwijl verzoeker zijn intellectuele arbeid heeft geleverd, wat helemaal geen ongewone situatie is;
Overwegende dat bijgevolg aangetoond is dat de door verzoeker aangehaalde voorwaarden niet noodzakelijk zijn om inkomsten als bedrijfsmatig genoten inkomsten uit een winstgevende bezigheid te bestempelen;
Overwegende dat de administratie terecht uit de hierboven geanalyseerde feitelijke omstandigheden heeft afgeleid dat de afzonderlijk aangegeven inkomsten terzake geen diverse inkomsten zijn bedoeld door de wetgever, maar wel inkomsten volgend uit een bijkomende beroepsaktiviteit en zij deze terecht heeft geglobaliseerd;
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Rechtsprekend na tegenspraak;
Gelet op artikel 24bis van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Gehoord in openbare terechtzitting voorzittend raadsheer K. VAN HERCK in zijn verslag en advocaat-generaal R. HUENENS in de lezing van zijn geschreven advies;
Voegt de zaken ingeschreven in de fiscale rol onder nummers ... en ... samen;
Verklaart de verhalen ontvankelijk, doch ongegrond.
BIJLAGE 2
HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL
V. 19.10.1995 TEGEN : DE BELGISCHE STAAT, (Min. Fin.)
Het Hof, na beraadslaging, spreekt het hierna vermelde arrest uit in openbare zitting :
Gelet op de fiscale voorziening, die samen met de aanzegging ervan aan de administratie, ter griffie van het Hof van Beroep werd neergelegd op 22 april 1992 en welke is gericht tegen de op 19 maart 1992 genomen directoriale beslissing houdende afwijzing van het bezwaarschrift tegen de aanslagen in de personenbelasting, ingekohierd onder de artikelen ... supplement aan ... en ... supplement aan ... voor de aanslagjaren 1989 en 1990 voor de sommen van ... BF en ... BF;
Overwegende dat de fiscale voorziening ontvankelijk is;
Overwegende dat de gevolgde aanslagprocedure die is welke is voorgeschreven door artikel 251, WIB 64;
Overwegende dat de betwisting betrekking heeft op de kwalificatie van een deel van de inkomsten die verzoeker in de loop van de betwiste aanslagjaren heeft verkregen; dat deze inkomsten volgens verzoeker tot de categorie van de diverse inkomsten behoren, waarvan sprake in artikel 90, 1° WIB 92, terwijl de administratie bedoelde inkomsten beschouwd als beroepsinkomsten in de zin van artikel 27 WIB 92;
Overwegende dat verzoeker professor in het gerechtelijk recht is bij de Universiteit ...; dat hij in die hoedanigheid het statuut van voltijdse werknemer genoot tijdens de betwiste periode; dat hij een wedde van ... BF heeft ontvangen voor het aanslagjaar 1989 en van ... BF voor het aanslagjaar 1990;
Overwegende dat de betwiste inkomsten voor het aanslagjaar 1989 honoraria voor twee arbitrages omvatten die respectievelijk ... BF en ... BF bedroegen, alsook honoraria ten bedrage van respectievelijk ... BF en ... BF voor twee consultaties, evenals auteursrechten ten bedrage van ... BF;
Overwegende dat, voor het aanslagjaar 1990, de voor arbitrage ontvangen honoraria ... BF bedroegen voor twee arbitrages, vermeerderd met ... BF presentiegeld en ... BF auteursrechten;
Overwegende dat enkel een geheel van verrichtingen die voldoende frequent en voldoende samenhangend zijn om een ononderbroken en gebruikelijke bezigheid tot stand te brengen, een beroepswerkzaamheid kan doen ontstaan; dat de baten uit losstaande verrichtingen zoals de twee arbitrages en de twee consultaties, niettegenstaande het om occasionele verrichtingen gaat, belastbaar zijn als baten waarvan sprake in artikel 20, 3° WIB, rekening houdend met het feit dat die verrichtingen nauw samenhangen met de huidige beroepswerkzaamheid van verzoeker; dat zijn bekendheid als specialist nauw samenhangt met zijn ambt van professor; dat de activiteiten waarvoor op hem een beroep wordt gedaan in het verlengde liggen van zijn professorale activiteit die tijdens de betwiste periode niet te scheiden is van zijn bijzondere juridische kennis; dat de academische activiteiten zich niet beperken tot de uitvoering van het tewerkstellingscontract in strikte zin, dat hem bindt aan de Universiteit, zijnde zijn werkgever; dat het derhalve zonder belang is dat de betwiste verrichtingen niet onder het tewerkstellingscontract van verzoeker als universiteitsprofessor vallen dat bedoelde verrichtingen zich onderscheiden van de opbrengsten van zijn werk in dienst van zijn werkgever, vermits deze verrichtingen nauw samenhangen met zijn bekendheid als professor en als jurist, welke niet te scheiden elementen zijn die de samenhang vormen tussen de occasionele activiteiten in de rand van zijn professoraal ambt;
Overwegende dat het in de academische loopbaan gebruikelijk is om publicaties tot stand te brengen; dat publiceren, zowel vóór als na de benoeming, één van de aspecten van die loopbaan is; dat de administratie derhalve terecht aanvoert dat de activiteiten als auteur van verzoeker onderling verbonden zijn omwille van zijn universitair ambt en dat zij er slechts een aspect van zijn, zelfs indien de tot stand gebrachte publicaties geen prestaties zijn die als dusdanig worden geleverd voor zijn werkgever, de universiteit;
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Uitspraak doende op tegenspraak;
Gelet op artikel 24bis van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;
Gehoord in openbare zitting voorzitter-raadsheer K. VAN HERCK in zijn verslag;
Verklaart het beroep onontvankelijk en ongegrond.
BIJLAGE 3
HOF VAN BEROEP TE GENT
D.S. 18 januari 1996 TEGEN : DE BELGISCHE STAAT, (Min. Fin.)
Het Hof spreekt volgend arrest uit :
Overwegende dat de eisers tijdig en regelmatig een voorziening hebben ingediend van de beslissing van de ambtenaren gedelegeerd door de Gewestelijke directeur der directe belastingen te ... van 14 oktober 1992, waarbij de bezwaarschriften van de eisers tegen de op naam van D.-S. gevestigde aanslagen in de personen- en aanvullende gemeentebelasting voor de aanslagjaren 1983 (kohierartikel ...) en 1984 (kohierartikel ...) ten dele werden ingewilligd, doch voor de aanslagjaren 1985 (kohierartikel ...), 1986 (kohierartikel ...), 1987 (kohierartikel ...) en 1989 (kohierartikel ...) geheel werden afgewezen;
Overwegende dat de betwiste aanslagen werden gevestigd nadat aan de eisers voorafgaandelijk een bij ter post aangetekend bericht van wijziging werd overgemaakt op 12 november 1985 (stuk 17), 17 november 1986 (stuk 24), 30 november 1987 (stuk 30), 22 november 1988 (stuk 36), 13 juni 1989 (stuk 42) en 5 november 1991 (stuk 49) voor respectievelijk de aanslagjaren 1983, 1984, 1985, 1986, 1987 en 1989, waarbij de eisers in kennis werden gesteld van de aan de ingediende aangiften voorgenomen wijzigingen.
Overwegende dat onder meer aan de eisers werd medegedeeld dat de door de eisers behaalde baten aangegeven onder de diverse inkomsten niet in toepassing konden worden gebracht met artikel 67, 1°, van het Wetboek van inkomstenbelastingen/oud, daar voormelde baten werden verworven in het kader van een hoofdberoepswerkzaamheid en deze baten geen toevallig of occasioneel karakter hadden;
Overwegende dat de eiser telkens liet weten dat hij daarmede niet akkoord kon gaan; dat desalniettemin de aangegeven diverse inkomsten werden belast samen met de bedrijfsinkomsten;
Overwegende dat de eiser professor is aan de Universiteit ... en bedrijfsrevisor in de ...; dat de eiser bij de wijziging van de wet op de bij te houden boekhouding van 17 juli 1975 en 8 oktober 1976 een tweeledig werk heeft geschreven nl. "..." en "..."; dat in de latere jaren wijzigingen werden uitgevoerd naar aanleiding van wetswijzigingen; dat de eiser daarnaast voordrachten gaf, publicaties verzorgde en ook schoolboeken schreef;
Overwegende dat de eiser uit hoofde van deze nevenactiviteiten volgende bedragen aangaf onder de diverse inkomsten :
jaar 1982 : ... fr.
jaar 1983 : ... fr.
jaar 1984 : ... fr.
jaar 1985 : ... fr.
jaar 1986 : ... fr.
jaar 1987 : ... fr.
jaar 1988 : ... fr.
Overwegende dat door de eiser telkens bezwaar werd ingediend; dat naast andere grieven met betrekking tot de belastingverhoging, het aantal kinderen ten laste en het aftrekbaar bedrag wegens aankoop van aandelen in het aanslagjaar 1983 de betwisting betrekking had op de door de eiser ontvangen bedragen van auteursrechten; dat de eisers stelden dat het om occasionele prestaties gaat die voor de betrokken aanslagjaren geenszins een beroepswerkzaamheid uitmaakten en derhalve als diverse inkomsten moesten worden belast;
Overwegende dat de bestreden directoriale beslissing de bezwaren grotendeels afwees en de ontvangen baten als auteursrechten als behaald uit een beroepsactiviteit kwalificeerde; dat de bezwaren enkel werden ingewilligd voor de aanslagjaren 1983 en 1984 voor wat de belastingverhoging aangaat en het aantal kinderen ten laste;
Overwegende dat de voorziening er op gericht is te doen zeggen voor recht dat de opbrengsten uit publicaties en voordrachten diverse inkomsten zijn als bedoeld onder artikel 67, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen/oud en niet vallen onder artikel 20, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen/oud; dat eveneens de grief met betrekking tot de geweigerde aftrek van aandelen voor het aanslagjaar 1983 werd hernomen;
Auteursrechten : diverse inkomsten of bedrijfsinkomsten ?
Overwegende dat overeenkomstig artikel 67, § 1 (lees 1°), van het Wetboek van inkomstenbelastingen/oud als diverse inkomsten belastbaar zijn, de winsten of baten, hoe ook genaamd, die voortvloeien uit enigerlei prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen voor derden, zelfs occasioneel of toevallig, buiten de uitoefening van een in artikel 20 bedoelde beroepswerkzaamheid;
Overwegende dat op grond van artikel 20, 3°, van het Wetboek van inkomstenbelastingen/oud als bedrijfsinkomsten moeten worden beschouwd, de baten, onder welke vorm ook, van vrije beroepen, ambten of posten en van elke winstgevende bezigheid;
Overwegende dat onder winstgevende bezigheid moet worden verstaan een geheel van verrichtingen die zich vaak genoeg voordoen en met elkaar verbonden zijn om een gewone voortgezette bezigheid uit te maken en die, vallend buiten de grenzen van het normaal beheer van een privé-vermogen, een beroepskarakter hebben;
Overwegende dat uit voormelde wettelijke bepalingen (artikel 67, § 1 (lees 1°), van het Wetboek van inkomstenbelastingen/oud en 20, 3°, van het Wetboek van inkomstenbelastingen/oud) volgt dat de kwalificatie als bedrijfs- dan wel als divers inkomen afhankelijk is van de feitelijke gegevens die op het uitoefenen van een winstgevende bezigheid met beroepskarakter wijzen;
Overwegende dat de eiser stelt dat ten deze de frekwentie van de betrokken handelingen onmogelijk kan wijzen op een geheel van verrichtingen, die zich vaak genoeg voordoen en met elkaar verbonden zijn om een voortdurende en gewone bedrijvigheid op te leveren met beroepskarakter;
Overwegende dat de eiser dienaangaande aanvoert dat het gaat om de opbrengst van een éénmalig basiswerk geschreven in 1976 en 1977 met occasionele aanpassingen achteraf, wijl bovendien in de loop der jaren af en toe spreekbeurten werden gehouden of kleinere artikels werden gepubliceerd;
Overwegende dat met betrekking tot het aantal verrichtingen is gebleken dat de eiser, in zijn hoedanigheid van professor aan de Universiteit ... waar hij directeur is van het Seminarie ..., en als bedrijfsrevisor, niet alleen het "..." en het "..." in 1976 en 1977 op de markt bracht, doch dat hij tevens deze werken achteraf in de periode 1984-1986 heeft aangepast, ingevolge de gewijzigde wetgeving; dat hij ingevolge het succes van dit werk regelmatig werd gevraagd voor het geven van voordrachten en het schrijven van artikels in diverse tijdschriften; dat bovendien niet wordt betwist dat de eiser in de jaren 1977 tot 1980 schoolboeken schreef;
Overwegende dat voormelde taken een samenhangend geheel vormen, nagenoeg jaarlijks terugkomen met belangrijke inkomsten voor gevolg, zodat bezwaarlijke van een occasioneel en toevallig karakter worden gesproken;
Overwegende dat aan deze vaststelling geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat er in een bepaald jaar geen aanvullingen of wijzigingen zouden zijn gebeurd; dat het bijhouden van de boekhoudwetgeving een doorlopend geheel van handelingen en prestaties onderstelt;
Overwegende dat de eiser vervolgens niet betwist dat het schrijven van boeken winstgevend is; dat de eiser evenwel terecht stelt dat het winstoogmerk niet decisief is om auteursrechten en vergoedingen voor spreekbeurten als baten van winstgevende bezigheden dan wel als diverse inkomsten te kwalificeren;
Overwegende dat de eiser tenslotte het bedrijfskarakter van deze baten betwist enerzijds omdat de manier waarop deze activiteit werd georganiseerd niet wijst op een beroepsmatig uitgeoefende activiteit bij gebrek aan organisatie, ingezette middelen, personeel enz. ..., terwijl bovendien zijn professoraat en zijn activiteit als bedrijfsrevisor een derde beroepswerkzaamheid niet zouden toelaten, anderzijds, omdat deze activiteit geen nauw verband houdt met de eigenlijke beroepswerkzaamheid;
Overwegende dat de eiser niet in deze zienswijze kan worden bijgetreden; dat de verrichtingen van de eiser als auteur ongetwijfeld in het verlengde liggen van diens beroepsactiviteit;
Overwegende dat de nieuwigheden en aanpassingen van de wetgeving die de eiser als professor en directeur van het seminarie ... dient bij te houden en te verwerken met daarenboven de problemen in de praktijk waarmede hij als bedrijfsrevisor wordt geconfronteerd, hem in een uitermate geschikte positie plaatsen om bij wijze van artikels, voordrachten en werken zijn kennis op studenten en derden over te brengen; dat de fiscus terecht stelt dat voormelde nevenactiviteiten het (rechtstreeks) gevolg zijn van zijn opzoekings-, studie- en wetenschappelijk werk als hoogleraar;
Overwegende dat het al dan niet bestaan van een professionele organisatie evenmin enig uitsluitsel kan geven over het bedrijfsmatig karakter van een gepleegde handeling; dat ten deze dient aangenomen dat de eiser voor het uitgeven van zijn boeken en het publiceren van artikels in tijdschriften gebruik heeft gemaakt van de organisatie en de infrastructuur van de uitgever, die de materiële omstandigheden heeft geschapen en het commercieel risico nam, terwijl de eiser het intellectueel werk leverde; dat verder de andere daarmede samenhangende activiteiten zoals het geven van een voordracht of lezing geen bijzondere infrastructuur vereist;
Overwegende dat uit voorgaande feitelijke gegevens op afdoende wijze is gebleken dat het ten deze gaat om een geheel van verrichtingen die zich vaak genoeg voordeden, met elkaar verbonden zijn en in nauw verband staan met het beroep van de eiser, dat zij een gewone voortgezette bezigheid met beroepskarakter uitmaken; dat in de gegeven omstandigheden de fiscus terecht de door de eiser afzonderlijk aangegeven inkomsten als inkomsten volgend uit een bijkomende beroepsactiviteit kwalificeerde, zodat de voorziening op dit punt ongegrond is;
Nopens het bedrag van de aftrek van aandelen in het aanslagjaar 1983
...
OP DIE GRONDEN,
HET HOF,
Gelet op artikel 24bis van de wet van 15 juni 1935.
Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van raadsheer Antoine DE MEUE en de partijen in hun middelen en conclusies;
Verklaart de voorziening ontvankelijk doch wijst deze af als ongegrond.