Circulaire AAFisc Nr. 33/2014 (nr. Ci.RH.231/633.892) d.d. 20.08.2014
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Operationele Expertise en Ondersteuning
Dienst VENB
Vennootschapsbelasting
Zie ook: Addendum dd. 15.02.2016
Personenbelasting
Inkomsten uit roerende goederen en kapitalen
Interesten
Aandelen of rechten van deelneming van een collectieve beleggingsinstelling in effecten
Bepaling van de belastbare grondslag
Roerende inkomsten - Inkomsten van bepaalde ICBE’s - Art. 19bis, WIB 92 -Verwezenlijkte meerwaarde.
1. Deze circulaire heeft betrekking op de bepaling van het belastbaar inkomen overeenkomstig art. 19bis, WIB 92, dat wordt verkregen van bepaalde collectieve beleggingsinstellingen in effecten (hierna ICBE) en vult in dit opzicht de circ. van 25.10.2013, ref. Ci.RH.231/629.328, AAFisc Nr. 41/2013, aan.
2. Overeenkomstig de bepalingen van art. 19bis, § 1, eerste lid, WIB 92, omvat interest eveneens de inkomsten in het bedrag verkregen ingeval van overdracht onder bezwarende titel van aandelen, ingeval van inkoop van eigen rechten van deelneming of ingeval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen van een ICBE waarvan meer dan 25% van het vermogen rechtstreeks of onrechtstreeks is belegd in schuldvorderingen, voor zover deze inkomsten betrekking hebben op de periode gedurende dewelke de verkrijger houder was van de rechten van deelneming. Indien de verkrijger deze rechten door schenking heeft verkregen, wordt deze periode verlengd met de periode gedurende dewelke de schenker houder is geweest van de rechten van deelneming.
Indien de verkrijger of de schenker de rechten van deelneming vóór 01.07.2005 (of 01.07.2008 indien het gaat om rechten van deelneming van ICBE’s die nieuw worden bedoeld, voor verrichtingen die hebben plaatsgegrepen vanaf 01.07.2013 (1)) heeft verkregen, of indien de verkrijger de datum van verkrijging niet kan aantonen, wordt hij evenwel geacht houder te zijn geweest vanaf 01.07.2005 (of vanaf 01.07.2008).
([1]) Zie art. 19bis, § 3, eerste lid, WIB 92 en circ. van 25.10.2013, nrs. 23 e.v.
3. Uit de bepalingen van art. 19bis, WIB 92, volgt, dat indien de aanschaffings- of de beleggingswaarde van de rechten van deelneming is gekend, het belastbaar inkomen, dat aan de RV is onderworpen, in voorkomend geval beperkt wordt tot de door de verkrijger verwezenlijkte meerwaarde (zie inzonderheid in die zin het nr. 32 van de circ. van 25.10.2013).
4. Indien de verkrijger rechten van deelneming bezit van een ICBE die binnen het toepassingsgebied van de bedoelde bepalingen valt en die rechten van deelneming het voorwerp hebben uitgemaakt van een verrichting zoals bedoeld in art. 19bis, § 1, eerste lid, WIB 92, is het mogelijk dat een RV aan de bron werd ingehouden op een bedrag dat hoger is dan het bedrag van de meerwaarde die door de verkrijger werd behaald naar aanleiding van de verrichting. Dat kan zich voordoen in het geval dat, op datum van 01.07.2005 (of van 01.07.2008 – zie nr. 2, tweede lid, hiervoor), de inventariswaarde van deze rechten van deelneming lager is dan hun waarde op de werkelijke datum van verkrijging door de verkrijger (of de schenker).
5. Indien de verkrijger (of de schenker) de rechten van deelneming heeft verkregen vóór 01.07.2005 (of, in voorkomend geval, vóór 01.07.2008 – zie nr. 2, tweede lid, hiervoor), is de Administratie van mening dat kan worden toegestaan dat, voor de berekening van het door de belegger verkregen resultaat en dus voor de eventuele beperking van het belastbaar inkomen tot de verwezenlijkte meerwaarde, de beleggingswaarde van de rechten van deelneming op de werkelijke datum van hun verkrijging in aanmerking mag worden genomen (en niet de vastgestelde waarde van de rechten van deelneming op 01.07.2005 of op 01.07.2008).
6. Als de verkrijger van de inkomsten de datum kan aantonen waarop hij (of de schenker) de rechten van deelneming die de inkomsten hebben opgebracht (en die duidelijk identificeerbaar moeten zijn) heeft verkregen, evenals hun aanschaffingswaarde, kan hij een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de bevoegde gewestelijke directie in de vorm en binnen de gestelde termijnen die zijn voorzien in de art. 366 en 368, WIB 92 (d.w.z. binnen een termijn van 5 jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarin de RV gestort is geweest). Die dienst zal de gegrondheid van het ingediende bezwaarschrift onderzoeken en in voorkomend geval overgaan tot de terugbetaling van de teveel ingehouden RV.
Voor de Administrateur Grote Ondernemingen, tijdelijk belast met de functie van Administrateur-generaal van de Fiscaliteit,
R. ROUSOUX
Adviseur-generaal dd. – Auditeur-generaal van financiën dd.
