Aanschrijving nr. 22/1993 d.d. 07.10.1993

Wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiële bepalingen - Koninklijke besluiten van 27 augustus 1993

MINISTERIE VAN FINANCIEN

Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen

Sector Registratie

E.L./T.T. 42

E.L./T.Z. 5

EE/E.L. 1102

Bijlagen: 5

BIJLAGE 1: 22 juli 1993 -Wet houdende fiscale en financiële bepalingen

BIJLAGE 2: 27 augustus 1993 - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 januari 1940 betreffende de uitvoering van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten

BIJLAGE 3: 27 augustus 1993 - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten

BIJLAGE 4: 27 augustus 1993 - Koninklijk besluit tot wijziging van het besluit van de Regent van 18 september 1947 betreffende de uitvoering van het Wetboek der zegelrechten

BIJLAGE 5: 27 augustus 1993 - Koninklijk besluit tot wijziging van de Algemene Verordening op de met het zegel gelijkgestelde taksen

Het Belgisch Staatsblad van 26 juli 1993 heeft de wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiële bepalingen bekendgemaakt. Deze tekst vervangt degene die per vergissing verscheen in het Belgisch Staatsblad van 24 juli 1993. Teneinde elke betwisting betreffende de inwerkingtreding van sommige bepalingen van die wet te vermijden, zal de Administratie de wetsbepalingen, die de tiende dag na de publicatie in werking treden, toepassen vanaf 5 augustus 1993.

De hoofdstukken 2 tot 7 van Titel II van deze wet brengen wijzigingen aan inzake zegelrechten, met het zegel gelijkgestelde taksen, successierechten en registratierechten (z. bijlage 1). Een aantal nieuwe bepalingen worden

hierna gecommentarieerd.

Het Belgisch Staatsblad van 21 september 1993 heeft 4 koninklijke besluiten, daterend van 27 augustus 1993, bekendgemaakt die de barema's van vermindering van de proportionele fiscale boeten met betrekking tot de bovengenoemde rechten wijzigen (bijlagen 2 tot 5).

I. Wijzigingen inzake zegelrechten

a) Verhoging van bepaalde tarieven van het zegelrecht

1. De artikelen 29 en 30 van de wet verhogen het zegelrecht van 150 frank voorzien in de artikelen 4 en 5 van het Wetboek der zegelrechten tot 300 frank.

Deze artikelen treden in werking op de eerste dag van de maand die volgt op deze van de publicatie van de wet, namelijk op 1 augustus 1993.

Het nieuwe tarief is dus van toepassing op elke akte verleden vanaf 1 augustus 1993 onder de voorwaarden voorzien in voornoemde artikelen 4 en 5 en op elk uittreksel, afschrift of uitgifte afgeleverd door de notarissen en de gerechtsdeurwaarders vanaf dezelfde datum.

De repertoria van notarissen en gerechtsdeurwaarders die voor 1 augustus 1993 in gebruik werden genomen, moeten niet aanvullend gezegeld worden. Dat is eveneens het geval voor de dubbels van de repertoria van notarissen die een inschrijving van voor 1 augustus 1993 bevatten.

Het gezegeld papier van 150 frank, in het bezit van de notarissen en de gerechtsdeurwaarders, zal, op hun initiatief, aanvullend gezegeld worden door middel van fiscale plakzegels.

2. De artikelen 31 en 32 van de wet verhogen het zegelrecht van 90 frank voorzien in de artikelen 8 en 21 van het Wetboek der zegelrechten tot 200 frank.

Deze bepaling treedt eveneens in werking op 1 augustus 1993.

Het recht wordt geheven tegen het nieuwe tarief op voorwaarde dat het recht niet reeds aan de Staat verworven was voor 1 augustus 1993, onder meer rekening houdende met de artikelen 22 en 25 van voornoemd Wetboek.

Aldus moet elke ongenoemde akte waarvoor één der in artikel 25 opgesomde oorzaken van opeisbaarheid van het recht zich voordoet (bij voorbeeld een vrijwillige aanbieding van een akte ter registratieformaliteit) vanaf 1 augustus 1993 gezegeld worden tegen het tarief van 200 frank, zelfs indien deze akte van vóór 1 augustus 1993 gedagtekend is.

b) Boeten

3. De artikelen 34 tot 38 van de wet passen de niet-proportionele boeten aan, en verhogen de minima van de proportionele boeten, indien deze minima voorzien zijn.

Deze bepalingen zijn van toepassing op de overtredingen begaan vanaf 26 juli 1993.

4. De artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot wijziging van het besluit van de Regent van 18 september 1947 betreffende de uitvoering van het Wetboek der zegelrechten (bijlage 4) wijzigen respectievelijk het minimum van de boete voorzien bij artikel 26, vijfde lid, van het besluit van de Regent en het maximum van de boete voorzien bij artikel 30bis, tweede lid, van hetzelfde besluit.

5. Artikel 3 van dit koninklijk besluit verduidelijkt dat de afronding van de verminderde boete enkel gebeurt bij de invordering van deze laatste, vóór de aflevering van een dwangbevel. De afronding wordt niet meer toegepast indien naar aanleiding van het dwangbevel de verminderde boete met 50% vermeerderd wordt (vgl. nr. 31 hierna).

6. Het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot wijziging van het besluit van de Regent van 18 september 1947 betreffende de uitvoering van het Wetboek der zegelrechten is van toepassing op de overtredingen begaan vanaf 26 juli 1993.

7. De artikelen 80 en 81 van de wet wijzigen de artikelen 229 en 230 van de wet van 22 december 1989 houdende fiscale bepalingen, teneinde rekening te houden met de wijzigingen van de tarieven van het zegelrecht.

De voornoemde artikelen 229 en 230 zijn op dit ogenblik evenwel nog niet in werking getreden. Artikel 85, vijfde lid, van de wet voorziet dan ook dat de inwerkingtreding van deze bepalingen zal bepaald worden bij koninklijk besluit.

Op dit ogenblik dient men dus geen rekening te houden met de voormelde artikelen 80 en 81 van de wet.

II. Wijzigingen inzake met het zegel gelijkgestelde taksen

A. Taks op de beursverrichtingen

8. Beleggingsvennootschappen met veranderlijk kapitaal (BEVEK)

De artikelen 39 tot 44 van de wet regelen de heffing van de taks op de beursverrichtingen op de inkoop van haar aandelen door een BEVEK en op de omzetting, in hoofde van een zelfde persoon van rechten van deelneming in een bepaald compartiment in rechten van deelneming in een ander compartiment binnen een zelfde BEVEK.

a) Inkoop van eigen aandelen door een BEVEK

9. Krachtens de nieuwe bepaling vervat in artikel 120, 3°, van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, is elke inkoop van eigen aandelen door een BEVEK, afgesloten of uitgevoerd in België, onderworpen aan de taks op de beursverrichtingen, wanneer een tussenpersoon van beroep tussenkomt in de verrichting (z. art. 126^1, 1°, van het voornoemde Wetboek).

De bedoelde inkopen betreffen zowel deze door de BEVEK gedaan op verzoek van de houder van de aandelen, als deze gedaan op het verzoek van de BEVEK, zoals de inkopen die de BEVEK doet in het kader van de vereffening van één van haar compartimenten.

10. Het tarief van de taks, opeisbaar voor de inkopen, bedoeld in het voornoemde artikel 120, 3°, is 3,5 per duizend (art.121, 3° van het Wetboek). Zij is slechts één maal verschuldigd op de verrichting, uit hoofde van de afstand van de aandelen door de afstanddoener (art. 122, § 1, 3°, van het Wetboek).

11. Heffingsgrondslag

De taks wordt berekend op de door de afstanddoener te verkrijgen netto-inventariswaarde, zonder aftrek van de forfaitaire vergoeding (art. 123 van het Wetboek). De forfaitaire vergoeding is deze voorzien bij artikel 14, § 3, van het koninklijk besluit van 4 maart 1991 met betrekking tot bepaalde instellingen voor collectieve belegging, die afgehouden wordt van de netto-inventariswaarde van het overgedragen aandeel en bestemd tot dekking van de kosten voor de realisatie van de activa.

12. Plafonnering van de taks

Krachtens artikel 124, tweede lid, van het Wetboek, zal het bedrag van de geheven taks op een inkoopverrichting niet meer bedragen dan 10.000 frank per verrichting (dit wil zeggen, per order van inkoop, uitgaande van een zelfde persoon en betrekking hebbend op aandelen van een zelfde compartiment).

b) Omzetting van aandelen van een BEVEK

13. Artikel 43 van de wet heft artikel 126^1, 8°, van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen op, dat een vrijstelling voorzag van de taks op de beursverrichtingen voor omzettingen, gedaan door een zelfde persoon, van rechten van deelneming in één compartiment in rechten van deelneming in een ander compartiment binnen een zelfde BEVEK.

Deze opheffing heeft ten gevolge dat dergelijke omzettingen voortaan onderworpen zijn aan de taks op de beursverrichtingen krachtens artikel 120, 2° en 3°, van het Wetboek, aangezien een verrichting van omzetting tegelijk bestaat uit een inkoop van aandelen in één compartiment door de BEVEK en uit een uitgifte door deze laatste, van nieuwe aandelen in een ander compartiment.

14. Artikel 121, 3°, van het Wetboek, onderwerpt de omzettingsverrichtingen uitdrukkelijk aan een tarief van 3,5 per duizend.

Bovendien is de taks slechts verschuldigd uit hoofde van de afgifte van de nieuwe aandelen aan degene die de omzetting vraagt, in ruil voor de omgezette aandelen (art. 122, § 2 van het Wetboek).

15. Heffingsgrondslag

Krachtens artikel 123 van het Wetboek wordt de taks van 3,5 per duizend berekend op de netto-inventariswaarde op basis waarvan de omzetting gebeurt, van de nieuwe aandelen, uitgegeven ter vervanging van de omgezette aandelen, vermeerderd met de forfaitaire plaatsingsprovisie en met de forfaitaire vergoeding tot dekking van de kosten van de verwerving van de activa door het compartiment van de BEVEK waarop de nieuw uitgegeven aandelen betrekking hebben. De forfaitaire plaatsingsprovisie en de forfaitaire vergoeding zijn deze die bedoeld worden in artikel 14, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 4 maart 1991 met betrekking tot bepaalde instellingen voor collectieve belegging.

16. Plafonnering van de taks

Krachtens artikel 124, tweede lid, van het Wetboek, is het bedrag van de geheven taks geplafonneerd tot 10.000 frank per omzettingsverrichting (dit wil zeggen, per order van omzetting, uitgaande van een zelfde persoon, met het oog op het verwerven van nieuwe aandelen van een zelfde compartiment).

c) Inwerkingtreding

17. De artikelen 39 tot 44 van de wet treden in werking op 26 juli 1993.

Om praktische redenen dient de datum van het borderel, dat de aan de taks onderworpen verrichting vaststelt, in aanmerking genomen te worden om te bepalen of de verrichting uitgevoerd werd vóór of vanaf 26 juli 1993.

B. Boeten

18. De artikelen 45 tot 65 van de wet, passen, in het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, de bedragen aan van de niet-proportionele boeten, en verhogen de minima van de proportionele boeten, indien deze minima voorzien zijn.

19. De artikelen 82 en 83 van de wet wijzigen de bedragen van de boeten voorzien bij de artikelen 123 en 125, tweede lid, van de wet van 28 december 1992 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen. Het gaat om de overgangsmaatregelen inzake de taks op het lange termijnsparen (z. aanschr. nr. 2 van 28 januari 1993).

20. Het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot wijziging van de Algemene Verordening op de met het zegel gelijkgestelde taksen (bijlage 5), wijzigt het barema van vermindering van de proportionele boeten.

21. Inwerkingtreding

De artikelen 45 tot 65 van de wet zijn van toepassing op de overtredingen begaan vanaf 26 juli 1993.

Hetzelfde geldt voor het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot wijziging van de Algemene Verordening op de met het zegel gelijkgestelde taksen. Voor elke overtreding begaan vanaf 26 juli 1993, zullen de proportionele boeten verminderd worden overeenkomstig het nieuwe barema van vermindering.

III. Wijzigingen aan het Wetboek der successierechten

22. De artikelen 67 tot 70 van bovengenoemde wet wijzigen de regels betreffende de opeisbaarheid van de fiscale boeten.

23. Artikel 67 van de wet brengt de boete voor de laattijdige neerlegging van de aangifte van nalatenschap (artikel 124 van het Wetboek) van 100 frank op 1.000 frank per maand vertraging en per persoon die tot neerlegging van de aangifte gehouden is. De wettelijke boete mag niet minder dan 1.000 frank en niet meer dan één tiende van de rechten bedragen.

24. Artikel 68 van de wet wijzigt het bedrag van de wettelijke boete inzake het verzuim van aangifte van goederen.

Deze boete (artikel 126 van het Wetboek) is gelijk aan eenmaal de rechten voor de verzuimen van aangifte van onroerende goederen die in België gelegen zijn en van renten en schuldvorderingen die ingeschreven zijn in de registers van een hypotheekkantoor in België. Voor de verzuimen van aangifte van alle andere goederen is zij gelijk aan tweemaal de rechten. Het barema van vermindering van de fiscale boeten (zie bijlage 3) herleidt deze boete, in principe, tot respectievelijk 1/10 en 1/5 van de bijkomende rechten.

Wat deze materie betreft wordt er gepreciseerd dat de administratie de toepassing van ambtswege van de vermindering van de boete conform het barema uitsluit, wanneer het verzuim waarden of sommen betreft die kort vóór het overlijden van de rekeningen van de overledene of diens echtgenoot werden opgenomen in omstandigheden die aantonen dat de aangevers kennis moesten hebben van die afhalingen.

25. Artikel 69 van de wet vult artikel 128 van het Wetboek der successierechten aan. Dit artikel vestigt een nieuwe oorzaak van opeisbaarheid van een evenredige boete, te weten de onjuiste vermelding van de leeftijd van een persoon, op wiens hoofd een vruchtgebruik is gevestigd. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de vergissing betreffende een persoon die het vruchtgebruik verkrijgt in de nalatenschap en de vergissing betreffende een vruchtgebruiker wiens leeftijd de waarde van de blote eigendom van een actief bestanddeel van de nalatenschap bepaalt.

26. De artikelen 67 tot 69 van de wet zijn van toepassing op al de nalatenschappen die vanaf 26 juli 1993 zijn opengevallen. Dat betekent dat de nieuwe boeten ten vroegste van toepassing zullen zijn vanaf 26 december 1993.

Bijgevolg worden de laattijdige indieningen van aanvullende aangiften waarvan de neerlegging verplicht is krachtens artikel 37 van het Wetboek van de successierechten en die betrekking hebben op een overlijden dat vóór 26 juli 1993 plaatsvond, evenmin door de nieuwe maatregel beoogd.

27. Artikel 70 van de wet verhoogt de niet-evenredige fiscale boeten. De boeten voor elke inbreuk op de artikelen 98, 100, 101, 102^1 en 107 van het Wetboek der successierechten (onder andere de onregelmatige toegangen tot de kofferzalen en de weigeringen om inlichtingen te verlenen naar aanleiding van een bankonderzoek) worden fors verhoogd en kunnen tot 100.000 frank per overtreding oplopen.

Deze nieuwe boeten zijn van toepassing op alle overtredingen die vanaf 26 juli 1993 worden begaan. Het is derhalve zeer belangrijk om de oorzaak van de overtreding en het ogenblik waarop ze begaan werd te bepalen.

28. Artikel 66 van de wet wijzigt artikel 107 van bovengenoemd Wetboek. Dit artikel beoogt elke betwisting te vermijden die kan ontstaan betreffende de persoon welke gemachtigd is om een onderzoek zoals voorzien in artikel 107 van het Wetboek uit te voeren. Er wordt voorzien dat elke ambtenaar, die door de Directeur-generaal wordt aangewezen, het onderzoek mag uitvoeren en dus niet enkel de ontvanger.

Dit artikel is van toepassing op elk onderzoek dat vanaf 5 augustus 1993 toegestaan zal worden.

29. Artikel 71 van de wet wijzigt de regels betreffende de verjaring. De verjaringstermijnen voor de invordering naar aanleiding van het verzuim van aangifte van goederen wordt eenvormig op 10 jaar bepaald, behalve wanneer het verzuim betrekking heeft op in België gelegen onroerende goederen en op schuldvorderingen en renten die ingeschreven zijn in een register van een hypotheekkantoor in België. Voor deze goederen wordt de verjaringstermijn van 5 jaar behouden (N.B. het betreft dezelfde goederen als deze bedoeld in artikel 126 van het Wetboek der successierechten waarvoor de wettelijke boete wegens verzuim eenmaal de rechten bedraagt, zie nr. 24 hiervoor).

De wet bepaalt geen specifieke datum van inwerkingtreding voor dit artikel. Bijgevolg is de nieuwe verjaringstermijn van 10 jaar van toepassing op al de gevallen, zelfs deze die ontstaan zijn onder de oude wetgeving, waarvoor de verjaring nog niet verkregen is op het ogenblik dat deze wet in werking is getreden. Hij wordt toegepast vanaf 5 augustus 1993.

30. Artikel 73 van de wet voert een nieuwe jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen in. Deze bepaling zal na de publicatie van het koninklijk besluit van uitvoering bij een afzonderlijke aanschrijving gecommentarieerd worden.

31. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten (bijlage 3) verduidelijkt dat de afronding van de verminderde boete enkel gebeurt bij de invordering ervan vóór de aflevering van een dwangbevel. De afronding wordt niet meer toegepast indien naar aanleiding van het dwangbevel de verminderde boete met 50% vermeerderd wordt. Deze wijze van afronding is onmiddellijk van toepassing.

32. Artikel 2 van dit koninklijk besluit wijzigt het barema van vermindering van de boeten. Dit nieuwe barema is toepasselijk op elke overtreding die sinds 26 juli 1993 is begaan.

33. Voorbeelden:

1° De erfgenamen leggen betrekkelijk de nalatenschap van een Rijksinwoner, die op 1 maart 1993 in België overleden is, een verklaring van schuldvordering over, die op 25 augustus werd afgeleverd. Deze verklaring wordt toegevoegd aan een aangifte, die op 30 augustus 1993 wordt neergelegd. Ter gelegenheid van een controle stelt de ontvanger vast dat de schuld, die het voorwerp uitmaakt van de toegevoegde verklaring, niet meer bestaat sinds 20 november 1992.

Deze aangifte geeft aanleiding tot de heffing van drie boeten:

- één boete voor laattijdige neerlegging van de aangifte (art. 124 van het Wetboek), verschuldigd volgens het oud tarief door iedere persoon die gehouden is tot neerlegging van de aangifte (het overlijden vond plaats vóór 26 juli 1993);

- één boete lastens de schuldeiser die en valse verklaring heeft afgelegd (art. 130 van het Wetboek), verschuldigd volgens het nieuwe tarief (10.000 tot 20.000 frank) aangezien de aflevering van de verklaring plaatsvond na 25 juli 1993;

- één boete lastens de erfgenamen omdat zij schulden hebben aangegeven die geen deel uitmaken van het passief (art. 128 van het Wetboek). De wettelijke boete wordt volgens het nieuwe barema van vermindering herleid tot 1/5 van de ontdoken rechten (de overtreding werd na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 begaan).

2° De erfgenamen dienen voor een erfenis, die op 15 augustus 1993 is opengevallen, een aanvullende aangifte in, die een verzuiming van titels die in het Grootboek van de openbare schuld ingeschreven zijn, rechtzet. De wettelijke boete is gelijk aan tweemaal de rechten (art.126 nieuw) en wordt overeenkomstig het nieuwe barema tot 1/5 van de rechten verminderd (overtreding begaan na de inwerkingtreding van de wet en het koninklijk besluit).

3° De erfgenamen dienen een aanvullende aangifte in die een verzwijzing van titels, die ingeschreven zijn in de boeken van een openbare kredietinstelling, rechtzet. De oorspronkelijke aangifte werd op 12 juli 1993 ingediend.

De boete wordt tot 1/10 van de rechten verminderd overeenkomstig het barema van vermindering dat toepasselijk was op deze datum.

IV. Wijzigingen aan het Wetboek der registratierechten

34. Artikel 74 van de wet brengt het algemeen vast recht van 750 frank op 1.000 frank.

Dit artikel wordt toegepast vanaf 5 augustus 1993 op alle akten waarvoor het recht niet reeds aan de Staat verworven is vóór die datum rekening houdende namelijk met de regels bepaald bij de artikelen 19 en 26 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.

Dat betekent dat de akten van notarissen en van gerechtsdeurwaarders die vóór 5 augustus verleden werden en die aan het algemeen vast recht onderworpen zijn, moeten geregistreerd worden tegen betaling van 750 frank, zelfs wanneer de formaliteit na die datum gebeurt.

Al de onderhandse akten worden vanaf 5 augustus 1993 aan het algemeen vast recht van 1.000 frank geregistreerd, behalve wanneer een registratieverplichting vóór die datum is ontstaan (b.v. de onderhandse akten gehecht aan een notariële akte verleden vóór 5 augustus 1993 worden aan het recht van 750 frank geregistreerd; de onderhandse akte houdende verhuring van een onroerend goed dat uitsluitend bestemd is tot huisvesting van een gezin, wordt eveneens aan 750 frank geregistreerd wanneer die akte vóór 5 augustus ondertekend is).

Voor de authentieke testamenten en de testamenten die op verzoek van de erflater onder de minuten van een notaris worden neergelegd ontstaat de verplichting tot registratie bij het overlijden van de erflater. Deze akten worden geregistreerd tegen betaling van 750 frank, indien de erflater vóór 5 augustus 1993 overleden is.

35. De artikelen 76 en 77 voorzien in een gevoelige verhoging van de boete die verschuldigd is wanneer de inlichtingen die op grond van de artikelen 182 en 183 van het Wetboek der registratierechten aan de administratie medegedeeld moeten worden, niet verstrekt worden. De boete is identiek aan deze bepaald inzake successierechten (vgl. nr. 6 hiervoor).

Deze artikelen zijn van toepassing op alle overtredingen die vanaf 26 juli 1993 worden begaan.

36. De artikelen 75 en 79 van de wet wijzigen de artikelen 41bis (vereenvoudigde registratieformaliteit) en 285 (heffing van het griffierecht) van het Wetboek. In afwachting van een koninklijk besluit van uitvoering zijn de nieuwe boeten niet van toepassing.

37. Artikel 78 voorziet in de verdubbeling van de minimale boete bepaald voor de laattijdige neerlegging van de akten van vennootschappen die bekendgemaakt moeten worden. Dit artikel is van toepassing vanaf 5 augustus 1993.

38. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 11 januari 1940 betreffende de uitvoering van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (bijlage 2) verduidelijkt dat de afronding van de verminderde boete enkel gebeurt bij de invordering ervan vóór de aflevering van een dwangbevel. De afronding wordt niet meer toegepast indien naar aanleiding van het dwangbevel de verminderde boete met 50% vermeerderd wordt (vgl. nr. 10 hiervoor).

39. Het nieuwe barema van vermindering van de boeten, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd, heeft uitwerking op 26 juli 1993. Voor iedere overtreding, die sinds deze datum begaan werd, wordt de boete verminderd volgens het nieuwe barema.

Voorbeeld:

Een onderhandse akte van 10 april 1993, die binnen de 4 maanden geregistreerd moet worden, wordt ter formaliteit aangeboden op 28 september 1993. De boete voor laattijdige registratie is gelijk aan 1/10 van de rechten, aangezien de overtreding na 26 juli 1993 werd begaan.

V. Aanvullende crisisbelasting

40. De belasting van de niet-inwoners, die betrekking heeft op de meerwaarden verwezenlijkt bij de overdracht ten bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen en die bij de registratie van de akten van verkoop geheven wordt, is krachtens de artikelen 22 en 23 van voornoemde wet eveneens aan de crisisbelasting onderworpen. De in artikel 171 W.I.B. 1992 bepaalde belastingstarieven van 33% en 16,5% bedragen dientengevolge 33,99% en 16,995%.

Namens de Minister:

De dienstdoende administratie chef,

J. DECUYPER

Auditeur-generaal