Aanschrijving nr. 7 (AFZ/98-0947 - Dos. 107) d.d. 18.05.1999
Vlaams Gewest
Overdrachten van familiale ondernemingen of van aandelen in familiale vennootschappen door overlijden wijzigingen aan artikel 60bis Wb. Suc.
Decreet van 19 december 1998 van het Vlaams Parlement houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999
In het Belgisch Staatsblad van 31 december 1998, editie 2, werd het decreet van het Vlaams Parlement van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999, bekendgemaakt.
Artikel 48 van dat decreet wijzigt artikel 60bis van het Wetboek der successierechten, zoals het, wat het Vlaams Gewest betreft, werd ingevoegd bij artikel 21 van het decreet van 20 december 1996 en gewijzigd bij de artikelen 26 en 27 van het decreet van 8 juli 1997. Genoemd decreet is in werking getreden op 1 januari 1999.
1. Ref. Centr. Adm. BTW, Reg. en Dom. - 6de dienst A: E.E./E.L.17
2. Deze aanschrijving werd ter goedkeuring overgemaakt aan het
Vlaams Gewest. Eventuele opmerkingen of aanvullingen vanwege het
Vlaams Gewest zullen later worden medegedeeld.
In deze aanschrijving wordt een eerste commentaar bij de nieuwe bepalingen verstrekt. Die eerste commentaar wordt zeer beknopt gehouden, al was het maar omdat in de praktijk voornamelijk de Administratie Budgettering, Accounting en Financiëel Management van het departement Algemene Zaken en Financiën van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap met de toepassing van de nieuwe bepalingen zal geconfronteerd worden. In bijlage gaat de tekst van artikel 48 van vermeld decreet (bijlage l), de uitgebreide memorie van toelichting bij dat artikel (bijlage 2) evenals een gecoördineerde tekst van artikel 60bis, zoals die met ingang van 1 januari 1999 geldt in het Vlaamse Gewest (bijlage 3).
1) Overzicht van de wijzigingen aan artikel 60bis Wb. Succ.
Artikel 48 van genoemd decreet van 19 december 1998 bevat de volgende wijzigingen aan het in het Vlaamse Gewest geldende stelsel van heffing van successierechten op de overdrachten door overlijden van familiale ondernemingen of van aandelen van of vorderingen op familiale vennootschappen:
(Art. 60bis, § 1, Wb. Suc. - zie ook punt 10.4.1. van de aanschrijving nr. 1 van 24 maart 1997 van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen).
2.1. De minimumduur van de vereiste participatiegraad van minstens 50% wordt teruggebracht van vijf op drie jaar, voorafgaand aan het overlijden.
2.2. Voor de berekening van de vereiste participatiegraad van minstens 50% wordt voortaan ook rekening gehouden met de activa of de aandelen:
1) in geval van elkaar snel (d.w.z. binnen de drie jaar) opvolgende overlijdens of in geval van het overlijden van een begiftigde vermoedelijke erfgenaam van de schenker - dat snel (d.w.z. binnen de drie jaar) volgt op de schenking van de activa of de aandelen: in die gevallen mag de termijn gedurende dewelke de rechtsvoorganger eigenaar is geweest, gevoegd worden bij die van de rechtsopvolger om na te gaan of in hoofde van die laatste de voorwaarde met betrekking tot de duur (voortaan dus drie jaar) van de vereiste participatiegraad is vervuld;
2) in geval van overlijden van een mede-erfgenaam van activa of aandelen (een overlijden binnen de zogenaamde "tweede generatie"), wanneer zijn activa of aandelen, samengevoegd met die welke in het bezit zijn van kinderen van zijn vooroverleden broers of zusters, in de drie jaar voorafgaand aan zijn overlijden aan de participatievoorwaarde van 50% voldoen.
Zie ook de memorie van toelichting (bijlage 2) onder de nrs. 2 en 4.
2.3. Het nieuwe derde lid van § 1 van artikel 60bis (zie gecoördineerde tekst in bijlage 3) houdt de regeling in van de weerslag van reorganisaties binnen de drie jaar vóór het overlijden op het recht op het verlaagd tarief. In de memorie van toelichting wordt terzake de volgende vuistregel vermeld: " Indien de situaties vóór en na de reorganisatie beide aanleiding zouden geven tot vererving tegen het 3%-tarief, blijft de verlaging van het tarief behouden; indien de situatie verschillend is, dient de minst gunstige situatie te worden genomen.".
Zie ook de memorie van toelichting (bijlage 2) onder nr. 3.
2.4. Het nieuwe laatste lid van § 1 van artikel 60bis (zie gecoördineerde tekst in bijlage 3) bepaalt dat er geen minimumparticipatie vereist is voor aandelen in vennootschappen met een sociaal oogmerk (VSO). Opdat dergelijke aandelen onder het 3%-voordeeltarief zouden vallen, moeten uiteraard de overige voorwaarden die artikel 60bis daarvoor stelt, vervuld zijn. Vennootschappen met een sociaal oogmerk kunnen zowel bestaan onder de vorm van een burgerlijke vennootschap als onder de vorm van een handelsvennootschap. Voor het statuut van een VSO onder de vorm van een burgerlijke vennootschap wordt verwezen naar de artikelen 1832-1872 van het Burgerlijk Wetboek, voor die onder de vorm van een handelsvennootschap naar Afdeling VIIbis (art 164bis-164quater) van de vennootschappenwet (Titel IX van Boek I van het Wetboek van Koophandel).
Zie ook de memorie van toelichting (bijlage 2) onder nr. 6.
3) Mildering van het principe dat voor het volledig behoud van het voordeeltarief het aantal in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, de eerste vijf jaar na het overlijden jaar na jaar moet behouden blijven (art. 60bis, § 5, Wb. Suc.).
De strenge vereiste dat de tewerkstelling gedurende de vijf jaar na het overlijden jaar na jaar volledig moet behouden blijven op straffe van een met het verlies aan tewerkstelling evenredige inkrimping van het bedrag waarop het voordeeltarief kan worden toegepast, wordt gemilderd door de introductie van het begrip "voortschrijdend gemiddeld aantal in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde personeelsleden" in het nieuwe vijfde lid van § 5 van artikel 60bis (zie gecoördineerde tekst in bijlage 3).
De draagwijdte van die nieuwe bepaling wordt verduidelijkt onder punt 5 van de memorie van toelichting (bijlage 2), waarnaar wordt verwezen. Voor alle duidelijkheid wordt hierna nog een ander cijfervoorbeeld gegeven.
+ ------------------------------------------------------------------------+ ¦Jaar ¦ Voltijdse ¦ Voortschrijdend ¦ Voltijdse ¦ Voortschrijdend ¦ ¦ ¦ eenheden ¦ gemiddelde ¦ eenheden ¦ gemiddelde ¦ ¦ ¦ A ¦ A ¦ B ¦ B ¦ ¦------------+-----------+-----------------+-----------+-----------------¦ ¦Jaar nul ¦ 6 ¦ P.M. ¦ 6 ¦ P.M. ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦Eerste jaar ¦ 6 ¦ 100,00 ¦ 3 ¦ 50,00 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦Tweede jaar ¦ 1 ¦ 58,33 ¦ 2 ¦ 41,66 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦Derde jaar ¦ 2 ¦ 50,00 ¦ 4 ¦ 50,00 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦Vierde jaar ¦ 3 ¦ 50,00 ¦ 5 ¦ 58,33 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦Vijfde jaar ¦ 6 ¦ 60,00 ¦ 6 ¦ 66,67 ¦ +------------------------------------------------------------------------+ In geval A daalt het voortschrijdend gemiddelde in geen van de vijf jaren na het overlijden onder de 50%. Bovendien is de tewerkstelling op het einde van het vijfde jaar op hetzelfde niveau als bij het overlijden. Het verlaagd tarief is dus definitief verworven. In geval B is het voortschrijdend gemiddeld aantal in het tweede jaar gezakt onder de 50%-grens. De mildering voorzien in het (nieuwe) vijfde lid van § 5 van artikel 60bis kan dus niet meer toegepast worden, zodat het (nieuwe) vierde lid van § 5 van dat artikel moet worden toegepast. Vermits de tewerkstelling tot 1/3 van het oorspronkelijk niveau is gedaald, kan het voordeeltarief van 3% maar behouden blijven voor 1/3 van het basisbedrag waarop oorspronkelijk de 3% werd toegepast; het overige 2/3 van het basisbedrag wordt "teruggenomen" om te worden gevoegd bij de belastbare massa die het gewoon successietarief ondergaat. Het feit dat vanaf het derde jaar de tewerkstelling gevoelig stijgt om in het vijfde jaar opnieuw het niveau te halen dat bestond bij het overlijden, heeft daarop geen enkele invloed.
4) Wijziging van de administratieve verplichtingen van de genieters van het voordeeltarief (art. 60bis, § 11, Wb. Suc).
Als voorwaarde voor het behoud van het voordeeltarief, bepaalde artikel 60bis, § 11, dat de genieters ervan in de periode van vijf jaar na het overlijden jaarlijks het bewijs dienden te leveren dat er blijvend voldaan is aan de voorwaarden voor het behoud van het voordeel. Anderzijds bevatte die paragraaf een meldingsplicht in hoofde van de genieters, wanneer er in die periode iets wijzigde aan de voorwaarden waaronder het voordeel werd bekomen.
Het nieuwe tweede lid van § 11 van artikel 60bis (zie gecoördineerde tekst in bijlage 3) behoudt de meldingsplicht, maar past die aan in het licht van de overige wijzigingen aan artikel 60bis. De nieuwe formulering brengt bijvoorbeeld mee dat indien de tewerkstelling daalt, maar het voortschrijdend gemiddelde aantal in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde personeelsleden niet onder de 50% komt, van dat feit geen melding moet worden gedaan. Die melding moet door de genieters van het voordeeltarief wel gedaan worden zodra de verlaging van de tewerkstelling meebrengt dat het voortschrijdend gemiddelde onder de 50% komt. Bedoeld lid bepaalt dat de melding dient te geschieden bij wijze van "aanvullende aangifte". Uit contacten met het kabinet van de Vlaamse Minister van Financiën, is gebleken dat met "aanvullende aangifte" geen "nieuwe aangifte" in de zin van artikel 37 Wb. Suc. wordt bedoeld. Het zou gaan om een schriftelijke mededeling in de zin van artikel 5, § 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 november 1997 betreffende het verlaagd tarief der successierechten voor familiale ondernemingen en vennootschappen (zie aanschrijving nr. 3 van 27 april 1998 van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen). Definitief uitsluitsel daarover zal pas kunnen gegeven worden na de aanpassing door de Vlaamse Regering van bedoeld uitvoeringsbesluit aan de wijzigingen van artikel 60bis.
Het nieuwe derde lid van § 11 van artikel 60bis (zie gecoördineerde tekst in bijlage 3) brengt mee dat de genieters van het voordeeltarief niet meer jaarlijks moeten aantonen dat de voorwaarden voor het behoud van het voordeel vervuld blijven. Het is pas na verloop van een termijn van vijf jaar na het overlijden dat voortaan zal moeten aangetoond worden dat de voorwaarden voor het behoud tijdens de periode van vijf jaar vervuld zijn gebleven.
Overdrachten van familiale ondernemingen of van aandelen in familiale vennootschappen door overlijden wijzigingen aan artikel 60bis Wb. Suc.
Decreet van 19 december 1998 van het Vlaams Parlement houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999
In het Belgisch Staatsblad van 31 december 1998, editie 2, werd het decreet van het Vlaams Parlement van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999, bekendgemaakt.
Artikel 48 van dat decreet wijzigt artikel 60bis van het Wetboek der successierechten, zoals het, wat het Vlaams Gewest betreft, werd ingevoegd bij artikel 21 van het decreet van 20 december 1996 en gewijzigd bij de artikelen 26 en 27 van het decreet van 8 juli 1997. Genoemd decreet is in werking getreden op 1 januari 1999.
1. Ref. Centr. Adm. BTW, Reg. en Dom. - 6de dienst A: E.E./E.L.17
2. Deze aanschrijving werd ter goedkeuring overgemaakt aan het
Vlaams Gewest. Eventuele opmerkingen of aanvullingen vanwege het
Vlaams Gewest zullen later worden medegedeeld.
In deze aanschrijving wordt een eerste commentaar bij de nieuwe bepalingen verstrekt. Die eerste commentaar wordt zeer beknopt gehouden, al was het maar omdat in de praktijk voornamelijk de Administratie Budgettering, Accounting en Financiëel Management van het departement Algemene Zaken en Financiën van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap met de toepassing van de nieuwe bepalingen zal geconfronteerd worden. In bijlage gaat de tekst van artikel 48 van vermeld decreet (bijlage l), de uitgebreide memorie van toelichting bij dat artikel (bijlage 2) evenals een gecoördineerde tekst van artikel 60bis, zoals die met ingang van 1 januari 1999 geldt in het Vlaamse Gewest (bijlage 3).
1) Overzicht van de wijzigingen aan artikel 60bis Wb. Succ.
Artikel 48 van genoemd decreet van 19 december 1998 bevat de volgende wijzigingen aan het in het Vlaamse Gewest geldende stelsel van heffing van successierechten op de overdrachten door overlijden van familiale ondernemingen of van aandelen van of vorderingen op familiale vennootschappen:
- verkorting van de termijn gedurende dewelke de onderneming of de aandelen van de vennootschap voor ten minste 50% ononderbroken moeten toebehoord hebben aan de overledene en/of zijn echtgenoot (art. 48, l° - zie hierna punt 2);
- uitbreiding van de gevallen waarin activa of aandelen, die in principe niet in aanmerking komen voor de berekening van de 50% eigendomsvoorwaarde in hoofde van de overledene en/of zijn echtgenoot, toch voor die berekening kunnen meegerekend worden (art. 48, 2° - zie hierna punt 2);
- expliciete regeling van de invloed van reorganisaties (fusie, splitsing, ...) op het recht op het verlaagd tarief van 3% (art. 48, 2°, zie hierna punt 2);
- afwijking, in de zin van niet-toepasselijkheid, van de 50% eigendomsvoorwaarde voor aandelen in vennootschappen met een sociaal oogmerk (art. 48, 2°, zie hierna punt 2);
- invoering van een afwijking op het principe dat voor het behoud van het voordeel van het verlaagd tarief het aantal in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde personeelsleden in de eerste vijf jaar na het overlijden jaar na jaar moet behouden blijven (art. 48, 3° en 4°, zie hierna punt 3);
- wijziging van de administratieve verplichtingen van de genieters van het voordeeltarief (art. 48, 5°, zie hierna punt 4).
(Art. 60bis, § 1, Wb. Suc. - zie ook punt 10.4.1. van de aanschrijving nr. 1 van 24 maart 1997 van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen).
2.1. De minimumduur van de vereiste participatiegraad van minstens 50% wordt teruggebracht van vijf op drie jaar, voorafgaand aan het overlijden.
2.2. Voor de berekening van de vereiste participatiegraad van minstens 50% wordt voortaan ook rekening gehouden met de activa of de aandelen:
- die in het bezit zijn of waren van ascendenten of descendenten en hun echtgenoten, of van de zijverwanten van de overledene tot en met de tweede graad;
- die in het bezit zijn van de kinderen van vooroverleden broers en zusters van de overledene.
1) in geval van elkaar snel (d.w.z. binnen de drie jaar) opvolgende overlijdens of in geval van het overlijden van een begiftigde vermoedelijke erfgenaam van de schenker - dat snel (d.w.z. binnen de drie jaar) volgt op de schenking van de activa of de aandelen: in die gevallen mag de termijn gedurende dewelke de rechtsvoorganger eigenaar is geweest, gevoegd worden bij die van de rechtsopvolger om na te gaan of in hoofde van die laatste de voorwaarde met betrekking tot de duur (voortaan dus drie jaar) van de vereiste participatiegraad is vervuld;
2) in geval van overlijden van een mede-erfgenaam van activa of aandelen (een overlijden binnen de zogenaamde "tweede generatie"), wanneer zijn activa of aandelen, samengevoegd met die welke in het bezit zijn van kinderen van zijn vooroverleden broers of zusters, in de drie jaar voorafgaand aan zijn overlijden aan de participatievoorwaarde van 50% voldoen.
Zie ook de memorie van toelichting (bijlage 2) onder de nrs. 2 en 4.
2.3. Het nieuwe derde lid van § 1 van artikel 60bis (zie gecoördineerde tekst in bijlage 3) houdt de regeling in van de weerslag van reorganisaties binnen de drie jaar vóór het overlijden op het recht op het verlaagd tarief. In de memorie van toelichting wordt terzake de volgende vuistregel vermeld: " Indien de situaties vóór en na de reorganisatie beide aanleiding zouden geven tot vererving tegen het 3%-tarief, blijft de verlaging van het tarief behouden; indien de situatie verschillend is, dient de minst gunstige situatie te worden genomen.".
Zie ook de memorie van toelichting (bijlage 2) onder nr. 3.
2.4. Het nieuwe laatste lid van § 1 van artikel 60bis (zie gecoördineerde tekst in bijlage 3) bepaalt dat er geen minimumparticipatie vereist is voor aandelen in vennootschappen met een sociaal oogmerk (VSO). Opdat dergelijke aandelen onder het 3%-voordeeltarief zouden vallen, moeten uiteraard de overige voorwaarden die artikel 60bis daarvoor stelt, vervuld zijn. Vennootschappen met een sociaal oogmerk kunnen zowel bestaan onder de vorm van een burgerlijke vennootschap als onder de vorm van een handelsvennootschap. Voor het statuut van een VSO onder de vorm van een burgerlijke vennootschap wordt verwezen naar de artikelen 1832-1872 van het Burgerlijk Wetboek, voor die onder de vorm van een handelsvennootschap naar Afdeling VIIbis (art 164bis-164quater) van de vennootschappenwet (Titel IX van Boek I van het Wetboek van Koophandel).
Zie ook de memorie van toelichting (bijlage 2) onder nr. 6.
3) Mildering van het principe dat voor het volledig behoud van het voordeeltarief het aantal in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, de eerste vijf jaar na het overlijden jaar na jaar moet behouden blijven (art. 60bis, § 5, Wb. Suc.).
De strenge vereiste dat de tewerkstelling gedurende de vijf jaar na het overlijden jaar na jaar volledig moet behouden blijven op straffe van een met het verlies aan tewerkstelling evenredige inkrimping van het bedrag waarop het voordeeltarief kan worden toegepast, wordt gemilderd door de introductie van het begrip "voortschrijdend gemiddeld aantal in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde personeelsleden" in het nieuwe vijfde lid van § 5 van artikel 60bis (zie gecoördineerde tekst in bijlage 3).
De draagwijdte van die nieuwe bepaling wordt verduidelijkt onder punt 5 van de memorie van toelichting (bijlage 2), waarnaar wordt verwezen. Voor alle duidelijkheid wordt hierna nog een ander cijfervoorbeeld gegeven.
+ ------------------------------------------------------------------------+ ¦Jaar ¦ Voltijdse ¦ Voortschrijdend ¦ Voltijdse ¦ Voortschrijdend ¦ ¦ ¦ eenheden ¦ gemiddelde ¦ eenheden ¦ gemiddelde ¦ ¦ ¦ A ¦ A ¦ B ¦ B ¦ ¦------------+-----------+-----------------+-----------+-----------------¦ ¦Jaar nul ¦ 6 ¦ P.M. ¦ 6 ¦ P.M. ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦Eerste jaar ¦ 6 ¦ 100,00 ¦ 3 ¦ 50,00 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦Tweede jaar ¦ 1 ¦ 58,33 ¦ 2 ¦ 41,66 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦Derde jaar ¦ 2 ¦ 50,00 ¦ 4 ¦ 50,00 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦Vierde jaar ¦ 3 ¦ 50,00 ¦ 5 ¦ 58,33 ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦ ¦Vijfde jaar ¦ 6 ¦ 60,00 ¦ 6 ¦ 66,67 ¦ +------------------------------------------------------------------------+ In geval A daalt het voortschrijdend gemiddelde in geen van de vijf jaren na het overlijden onder de 50%. Bovendien is de tewerkstelling op het einde van het vijfde jaar op hetzelfde niveau als bij het overlijden. Het verlaagd tarief is dus definitief verworven. In geval B is het voortschrijdend gemiddeld aantal in het tweede jaar gezakt onder de 50%-grens. De mildering voorzien in het (nieuwe) vijfde lid van § 5 van artikel 60bis kan dus niet meer toegepast worden, zodat het (nieuwe) vierde lid van § 5 van dat artikel moet worden toegepast. Vermits de tewerkstelling tot 1/3 van het oorspronkelijk niveau is gedaald, kan het voordeeltarief van 3% maar behouden blijven voor 1/3 van het basisbedrag waarop oorspronkelijk de 3% werd toegepast; het overige 2/3 van het basisbedrag wordt "teruggenomen" om te worden gevoegd bij de belastbare massa die het gewoon successietarief ondergaat. Het feit dat vanaf het derde jaar de tewerkstelling gevoelig stijgt om in het vijfde jaar opnieuw het niveau te halen dat bestond bij het overlijden, heeft daarop geen enkele invloed.
4) Wijziging van de administratieve verplichtingen van de genieters van het voordeeltarief (art. 60bis, § 11, Wb. Suc).
Als voorwaarde voor het behoud van het voordeeltarief, bepaalde artikel 60bis, § 11, dat de genieters ervan in de periode van vijf jaar na het overlijden jaarlijks het bewijs dienden te leveren dat er blijvend voldaan is aan de voorwaarden voor het behoud van het voordeel. Anderzijds bevatte die paragraaf een meldingsplicht in hoofde van de genieters, wanneer er in die periode iets wijzigde aan de voorwaarden waaronder het voordeel werd bekomen.
Het nieuwe tweede lid van § 11 van artikel 60bis (zie gecoördineerde tekst in bijlage 3) behoudt de meldingsplicht, maar past die aan in het licht van de overige wijzigingen aan artikel 60bis. De nieuwe formulering brengt bijvoorbeeld mee dat indien de tewerkstelling daalt, maar het voortschrijdend gemiddelde aantal in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde personeelsleden niet onder de 50% komt, van dat feit geen melding moet worden gedaan. Die melding moet door de genieters van het voordeeltarief wel gedaan worden zodra de verlaging van de tewerkstelling meebrengt dat het voortschrijdend gemiddelde onder de 50% komt. Bedoeld lid bepaalt dat de melding dient te geschieden bij wijze van "aanvullende aangifte". Uit contacten met het kabinet van de Vlaamse Minister van Financiën, is gebleken dat met "aanvullende aangifte" geen "nieuwe aangifte" in de zin van artikel 37 Wb. Suc. wordt bedoeld. Het zou gaan om een schriftelijke mededeling in de zin van artikel 5, § 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 november 1997 betreffende het verlaagd tarief der successierechten voor familiale ondernemingen en vennootschappen (zie aanschrijving nr. 3 van 27 april 1998 van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen). Definitief uitsluitsel daarover zal pas kunnen gegeven worden na de aanpassing door de Vlaamse Regering van bedoeld uitvoeringsbesluit aan de wijzigingen van artikel 60bis.
Het nieuwe derde lid van § 11 van artikel 60bis (zie gecoördineerde tekst in bijlage 3) brengt mee dat de genieters van het voordeeltarief niet meer jaarlijks moeten aantonen dat de voorwaarden voor het behoud van het voordeel vervuld blijven. Het is pas na verloop van een termijn van vijf jaar na het overlijden dat voortaan zal moeten aangetoond worden dat de voorwaarden voor het behoud tijdens de periode van vijf jaar vervuld zijn gebleven.
Namens de Minister:
De Adjunct Administrateur-generaal van de belastingen,
J.-M.DELPORTE
Bron: FisconetPlus
