Circulaire 2019/C/20 betreffende de definitieve vrijstellingen - Verplaatsing van de normale verblijfplaats naar de EU (verhuisboedel van particulieren)
FOD Financiën,
01.03.2019
Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen
Inhoudstafel
4. Gevallen die onder andere circulaires vallen
BIJLAGE 3 -
1. Inleiding
1. Deze circulaire regelt de vrijstelling van (douane-)rechten bij invoer, btw en accijnzen, toegekend bij de definitieve invoer van goederen in België naar aanleiding van een overbrenging van de normale verblijfplaats (beter bekend als een verhuis) van natuurlijke personen.
Omdat de btw- en accijnsgebieden kleiner zijn dan het douanegebied van de EU, kunnen de vrijstellingen verschillen naargelang de goederen worden binnengebracht vanuit een lidstaat van de EU, een gebied met een speciaal fiscaal statuut of ingevoerd vanuit een derde land.
2. Deze circulaire geeft geen beschrijving van de praktische modaliteiten bij het opmaken van invoeraangiften. De circulaire ED (en de website van de AAD https://financien.belgium.be/nl/douane_accijnzen) en de werkmethode in dit geval van vrijstelling zullen nuttig worden geraadpleegd.
2. Definities
3. Voor de toepassing van deze vrijstelling wordt in de douanereglementering en fiscale reglementering verstaan onder:
“normale verblijfplaats”: de plaats waar een persoon het permanent centrum van zijn interesses heeft gevestigd of, met andere woorden, de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.
De normale verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats dan zijn persoonlijke bindingen heeft en daardoor afwisselend op verschillende plaatsen in twee of meer Staten verblijft, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats als zijn persoonlijke bindingen te bevinden, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. Deze laatste voorwaarde vervalt, wanneer de belanghebbende voor een opdracht van een bepaalde duur in een andere Staat verblijft.
Het volgen van onderwijs aan een universiteit of een school impliceert niet dat de normale verblijfplaats is verplaatst.
(Art. 12, §2, 1° van het KB nr. 7 van 29 december 1992, omzetting in het Belgisch recht van de Richtlijn 2009/55/EC).
Maar in de omstandigheden waarin de persoon in een derde land zowel persoonlijke als professionele banden heeft en in een lidstaat persoonlijke banden moet voor het vaststellen van zijn normale verblijfplaats in de zin van artikel 3 van de Verordening DV een bijzonder belang gehecht worden aan de verblijfsduur van de betreffende persoon in dit derde land.
“persoonlijke goederen” (art. 2, §1, punt c) van de Verordening DV), goederen die voor het persoonlijk gebruik van de belanghebbenden of voor de behoeften van hun huishouden dienen. Persoonlijke goederen zijn met name:
● roerende goederen en voorwerpen;
● fietsen en motorfietsen, automobielen voor particulier gebruik en aanhangwagens daarvan, kampeerwagens, pleziervaartuigen en sportvliegtuigen;
● huishoudelijke voorraden die overeenkomen met een normale gezinsbevoorrading, kleine huisdieren en rijdieren, alsook draagbare instrumenten voor kunsten en ambachten die de belanghebbende nodig heeft voor de uitoefening van zijn beroep. Persoonlijke goederen mogen door hun aard of hoeveelheid geen commerciële bedoeling laten blijken.
“roerende goederen en voorwerpen" (art. 2, §1, punt d) van de Verordening DV): de persoonlijke voorwerpen, linnengoed, goederen bestemd voor meubilering of uitrusting voor persoonlijk gebruik van de belanghebbenden of voor de behoeften van hun huishouden;
“alcoholische producten”(art. 2, §1, punt e) van de Verordening DV): de producten (bier, wijn, aperitieven op basis van wijn of alcohol, gedistilleerde dranken, likeuren ‑en‑andere alcoholhoudende dranken, enz.) die onder de GN-codes 2203.00 tot 2208.90 vallen.
“Verordening DV” (Definitieve Vrijstellingen): Verordening (EG) 1186/2009
“Administratie Operaties” (centrale, regionale of lokale dienst): de dienst van de AAD die instaat voor het afleveren van vergunningen.
“Vervoermiddelen”: automobielen voor particulier gebruik[1], eventuele aanhangwagens daarvan, motorfietsen met een cilinderinhoud van 50 cm³ indien het een motor met inwendige verbranding betreft en/of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/uur, kampeerwagens, pleziervaartuigen en sportvliegtuigen.
3. Wettelijke basis
4.
1) Artikel 3 tot 11 van de Verordening (EG) Nr. 1186/2009 van de raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen
2) Artikel 12 en 13
van het KB nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de btw en tot omzetting van artikel 1 tot 7 van de Richtlijn (EG) Nr. 2009/55 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitief binnenbrengen uit een lidstaat van persoonlijke goederen door particulieren.
3) Er is geen wettelijke basis voor de vrijstelling van accijnzen inzake verhuisboedels, ongeacht of ze afkomstig zijn van een derde land of van een lidstaat van de EU.
De teksten zijn als bijlage aan deze circulaire toegevoegd.
4. Gevallen die onder andere circulaires vallen
5. Deze circulaire is van toepassing op particulieren (uitsluitend natuurlijke personen).
Worden niet in deze circulaire bedoeld:
a) gebruikte persoonlijke goederen, roerende goederen en voorwerpen ingevoerd vanuit een vroegere verblijfplaats naar aanleiding van de indiensttreding door:
●
de diplomatieke ambtenaren en leden van het technisch en administratief personeel van de buitenlandse diplomatieke missies naar het buitenland die in België zijn geaccrediteerd,
●
de buitenlandse consulaire ambtenaren en beambten in consulaire posten die in België gevestigd zijn,
●
de Belgische of buitenlandse ambtenaren en beambten die tewerkgesteld zijn in de internationale organisaties die in België gevestigd zijn.
Deze gevallen worden behandeld in de instructie Immuniteiten (diplomatieke vrijstellingen en daarmede gelijkgestelde vrijstellingen 1993).
b) persoonlijke goederen ingevoerd bij de verplaatsing van de normale verblijfplaats naar aanleiding van de indiensttreding in België in NAVO-verband (of daarmee gelijkgesteld) door:
●
de Belgische strijdkrachten die in het buitenland gelegerd zijn: instructie Belgische strijdkrachten (1988),
●
de buitenlandse NAVO-strijdkrachten en de personen te hunnen laste: instructie buitenlandse NAVO-strijdkrachten (1985),
●
de leden van SHAPE en de personen te hunnen laste: instructie SHAPE (1985),
●
de leden van de Internationale Militaire Staf van het militair comité van de NAVO (IMS): instructie SHAPE (1985),
●
de leden van het “Joint Operation Centre” (JOC): instructie SHAPE (1985).
c) persoonlijke goederen ingevoerd als verhuisboedel bij afloop van de functies van:
●
de Belgische diplomatieke en consulaire ambtenaren in het buitenland,
●
de Belgische militaire attachés, de economische attachés van de Gewesten (het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het Waals Gewest of het Vlaams gewest) en de coöperanten bij de FOD Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking.
Deze Belgische ambtenaren in het buitenland moeten behandeld worden op basis van de nota betreffende het douane- en fiscale stelsel van toepassing op verhuisboedels van Belgische diplomaten en gelijkgestelden bij hun terugkeer uit het buitenland - EOS/D.D. 012.419.
5. Bevoegdheid voor het toekennen van de vrijstelling
6. Er worden drie gevallen onderscheiden volgens het statuut van de aanvrager of volgens het type goederen.
1) De centrale diensten van de AAD zijn als enige bevoegd om de vrijstelling toe te kennen indien:
a) het gaat om de verhuis van alle vormen van goederen die toebehoren aan de personeelsleden van Belgische diplomatieke zendingen in het buitenland of daarmee gelijkgesteld[2], waarvoor de aanvraag door de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking rechtstreeks aan de centrale administratie van de douane en accijnzen wordt gericht,
b) in uitzonderlijke politieke omstandigheden kan een persoon ertoe gebracht worden zijn normale verblijfplaats van een derde land naar België te verplaatsen (zie art. 11 van Verordening DV),
c) indien het gaat om een vervoermiddel dat het voorwerp is van een leasing contract of “leasing met aankoopoptie” en ingevoerd wordt vanuit een derde land. Indien dergelijk vervoermiddel wordt binnengebracht vanuit een andere lidstaat wordt verwezen naar de Instructie internationaal verkeer.
2) De regionale centrumdirecteur van de douane en accijnzen van de regio waar de nieuwe woonplaats is gevestigd, beslist in geval van:
a) aanvraag van vrijstelling voor vervoermiddelen (inde zin van deze circulaire) voor zover deze voertuigen deel uitmaken van de verhuisboedel van andere personen dan deze voor wie de centrale diensten bevoegd zijn,
b) afwezigheid van de goederen op de lijst van de goederen die door de aanvrager werd voorgelegd,
c) inroeping van bijzondere omstandigheden door de belanghebbende met verantwoording van een afwijking van een of meerdere voorwaarden voor de vrijstelling (zie art. 3, a), 4 en 6 van de Verordening DV).
3) Het plaatselijke hoofd van de douane van het invoerkantoor is bevoegd om de vrijstelling in alle andere gevallen toe te staan.
6. Voorwaarden van de vrijstelling
7. De toepassingsvoorwaarden en -modaliteiten die hier inzake invoerrechten worden genoemd, zijn “mutatis mutandis” van toepassing inzake BTW.
6.1. Voorwaarden met betrekking tot de goederen
6.1.1. Fiscaal statuut en/of douanestatus van de goederen in het land van oorsprong of herkomst
8. Inzake invoerrechten wordt het toekennen van de vrijstelling in België NIET onderworpen aan de voorwaarde dat op de betrokken goederen, hetzij in het land van oorsprong, hetzij in het land van herkomst, de douanerechten en/of belastingen zijn geheven welke daar normaal op slaan (België heeft de optie van artikel 4, tweede lid, van de Verordening DV niet gekozen).
Dit betekent dat er zelfs vrijstelling kan worden verkregen voor de goederen die zonder rechten en belastingen in derde landen werden verworven.
6.1.2. Goederen waarvoor een vrijstelling kan toegekend worden
9. De vrijstelling van invoerrechten wordt onder de voorwaarden van artikel 3 tot 11 van de Verordening uitsluitend toegekend voor “persoonlijke goederen” ingevoerd door natuurlijke personen die hun normale verblijfplaats (= hoofdverblijfplaats) overbrengen van een derde land naar het douanegebied van de EU (België in dit geval).
10. De “persoonlijke goederen” zijn deze bepaald in art. 1 van de Verordening DV (zie hoofdstuk 2 van deze circulaire). Het begrip “draagbare instrumenten voor kunsten en ambachten” in de definitie van de persoonlijke goederen krijgt een hele ruime interpretatie. Zo vallen ook de vrije beroepen eronder (artsen, tandartsen ...). Naast de algemene voorwaarden die voor de toekenning van de vrijstelling voor de genoemde instrumenten moeten nageleefd worden, moet enkel het criterium “draagbaar” worden gekeken en niet de waarde van het instrument.
11. De algemene voorwaarden (art. 4) zijn:
a) dat de goederen in het bezit van de belanghebbende zijn geweest en, wanneer het niet-verbruikbare goederen betreft, door hem in zijn vroegere verblijfplaats werden gebruikt gedurende ten minste zes maanden vóór de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het derde land van herkomst heeft
b) dat de goederen bestemd zijn om voor hetzelfde doel te worden gebruikt in zijn nieuwe normale verblijfplaats.
6.1.3. Bezit en gebruik van goederen gedurende ZES maanden in de vroegere normale verblijfplaats (art. 4 van Verordening (EG) 1186/2009)
12. De vrijstelling is beperkt tot de persoonlijke goederen die in het BEZIT van de belanghebbende zijn geweest en, wanneer het niet-verbruikbare goederen betreft, door hem in zijn vroegere verblijfplaats werden GEBRUIKT gedurende ten minste ZES maanden vóór de datum waarop hij zijn normale verblijfplaats in het LAND VAN HERKOMST heeft opgegeven[3].
Bezit is niet hetzelfde als eigendom maar betekent dat de goederen volledig naar wens beschikbaar zijn. De aanvrager moet dus niet de juridische eigenaar van de goederen zijn.
13. Indien de belanghebbende gedurende de termijn van zes maanden zijn normale verblijfplaats in verschillende landen buiten de Unie heeft gehad, dan mogen die periodes van bezit en gebruik in die verschillende landen gecumuleerd worden. De vrijstelling wordt echter enkel toegekend voor de persoonlijke goederen die de belanghebbende werkelijk heeft gebruikt in zijn LAATSTE normale verblijfplaats voordat ze in België werden ingevoerd.
Dat wil dus zeggen dat de vrijstelling NIET mag worden toegekend voor de goederen die worden ingevoerd vanuit een ANDER land dan dat waar de belanghebbende zijn LAATSTE normale verblijfplaats had en van waaruit hij zijn woonplaats naar België verplaatst.
Vb.: VSA Mexico Brazilië België: enkel wat van Brazilië afkomstig is
Voor de berekening van deze termijn kan de datum waarop de belanghebbende heeft verklaard zijn normale verblijfplaats in het land van herkomst te hebben verlaten in aanmerking worden genomen.
Het spreekt voor zich dat die datum niet later kan liggen dan de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats daadwerkelijk in België heeft gevestigd.
Teneinde te kunnen controleren of de genoemde datum juist is, kan de douane gebruikmaken van reisdocumenten en/of vervoerdocumenten die op naam van de belanghebbende zijn afgeleverd, van de voor te leggen attesten die in punt 6.2.1.1. worden vermeld, enz.
14. Het bewijs van bezit en gebruik tijdens de periode van zes maanden kan worden geleverd door de voorlegging van alle stukken die ontvankelijk worden geacht voor het toekennen van de vrijstelling en die zekerheid geven over de identiteit van de betrokken personen en de goederen (facturen, stukken waaruit de verwerving blijkt, betalingsbewijzen, overeenkomsten, verzekeringspolissen, inschrijvingsbewijzen, kwitanties van de verkeersbelasting, buitenlandse douanedocumenten, vermeldingen van de buitenlandse douanediensten op de internationale douanedocumenten, schriftelijke uitleg of informatie van de belanghebbende die voldoende bewijs biedt).
Gezien het in de meeste gevallen bijna onmogelijk is om voor alle persoonlijke goederen waarvoor de vrijstelling “verhuisboedel” wordt aangevraagd te controleren of aan de voorwaarden van bezit en gebruik volledig voldaan is, moeten de verantwoordelijke controlediensten blijk geven van praktisch inzicht.
15. Behalve bij ernstig vermoeden van misbruik kan voor ANDERE GOEDEREN dan de automobielen voor particulier gebruik, de eventuele aanhangwagens ervan, motorfietsen, kampeerwagens, pleziervaartuigen, sportvliegtuigen en persoonlijke voorwerpen van grote waarde, de sporen van gebruik als voldoende bewijs beschouwd worden. Indien dit niet kan en in gerechtvaardigde gevallen moet er bijkomend onderzoek worden uitgevoerd.
Voor de automobielen voor particulier gebruik, de eventuele aanhangwagens, motorfietsen, kampeerwagens, pleziervaartuigen, sportvliegtuigen en persoonlijke voorwerpen van grote waarde MOET de belanghebbende VERPLICHT alle vereiste stukken voorleggen zodat met zekerheid kan worden vastgesteld dat de voorwaarden inzake BEZIT en GEBRUIK voldaan zijn.
6.1.4. Goederen waarvoor geen vrijstelling kan worden verkregen
16. Zijn altijd uitgesloten van de vrijstelling:
1) de goederen die niet aan de algemene voorwaarden voldoen (art. 4 Verordening DV),
2) de ‘alcoholische producten’ (art. 6 Verordening DV),
3) tabak en tabaksfabricaten (art. 6 Verordening DV),
4) de ‘bedrijfsvoertuigen
(art. 1 en art. 107, tweede lid van Verordening DV),
5) de verbruikbare goederen. Kleine hoeveelheden[4] van die producten kunnen echter wel worden vrijgesteld, met uitzondering van alcoholische producten en tabak en tabaksproducten,
6) de persoonlijke goederen die door hun aard of hoeveelheid een commerciële bedoeling laten blijken,
7) materieel voor beroepsdoeleinden, ander dan draagbare instrumenten voor kunsten en ambachten.
6.1.5. Termijn voor de invoer van goederen
17. De invoer van persoonlijke goederen als verhuisboedel moet plaatsvinden binnen een termijn van maximum 12 maanden te rekenen vanaf de verplaatsing van de normale verblijfplaats (art. 7 van de Verordening DV).
Voor elke aparte invoer van goederen waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd, moet worden nagegaan of die invoer binnen de gestelde termijn plaatsvindt.
18. In principe kan de vrijstelling enkel voor de persoonlijke goederen die in een of meerdere keren worden ingevoerd ten vroegste op de datum van de vestiging van de normale verblijfplaats in België en ten laatste twaalf maanden na die datum worden toegekend. Op basis van artikel 9 en 10 van Verordening DV kan worden afgeweken van die termijn van twaalf maanden (zie punt 8.3).
6.2. Voorwaarden met betrekking tot personen
19. Om de vrijstelling te genieten moet de persoon aan de volgende voorwaarde voldoen (artikel 5, §1, Verordening DV):
●
de normale verblijfplaats moet sedert ten minste 12 opeenvolgende maanden buiten het douanegebied van de EU gevestigd zijn geweest.
Voor de toepassing van de Verordening DV kan een fysieke persoon niet terzelfdertijd zijn normale verblijfplaats in een lidstaat en in een derde land hebben. Bijgevolg bevestigen de artikelen 4, 5, 7 en 9 van de verordening DV met hun bewoording dat een fysieke persoon op hetzelfde moment slechts één enkele normale verblijfplaats kan hebben.
20. Dit principe vastgesteld in voorgenoemd artikel 5, §1 kent volgende afwijkingen:
1) Indien het in het voornemen van de belanghebbende lag gedurende ten minste twaalf maanden buiten het douanegebied van de Unie te verblijven (art. 5, §2),
2) Indien de belanghebbende het derde land waar hij zijn normale verblijfplaats had ingevolge beroepsverplichtingen verlaat zonder deze normale verblijfplaats tegelijkertijd in België te vestigen, maar met de bedoeling deze daar later te vestigen, kan ook een afwijking worden toegestaan.
Invoer met vrijstelling is bovendien onderworpen aan de verbintenis van de belanghebbende om zijn normale verblijfplaats in het douanegebied van de Unie te vestigen binnen een periode die naargelang van de omstandigheden wordt vastgesteld door de bevoegde autoriteiten.
3) Er kan worden afgeweken van artikel 4, punten a) en b), van artikel 6, punten c) en d), en van artikel 8, Verordening DV, indien een persoon zijn normale verblijfplaats van een derde land naar het douanegebied van de Unie overbrengt ten gevolge van uitzonderlijke politieke omstandigheden (art. 11).
De persoon moet de douane het bewijs voorleggen dat hij aan deze voorwaarde voor de verplaatsing van de normale verblijfplaats wel degelijk voldoet.
21. Welke zijn de te weerhouden criteria om de normale verblijfplaats te bepalen wanneer de persoon in een derde land zowel persoonlijke als professionele banden heeft evenals persoonlijke banden in een lidstaat heeft?
Volgens een jurisprudentie opgebouwd in verschillende domeinen van het Europees recht, moet de normale verblijfplaats beschouwd worden als de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn interesses heeft gevestigd. Om dit te bepalen moeten alle pertinente elementen in rekening worden genomen.
De pertinente elementen om in rekening te nemen zijn voornamelijk:
●
de fysieke aanwezigheid van de persoon,
●
de aanwezigheid van zijn familieleden,
●
de beschikking over een woonplaats,
●
de plaats van schoolgang van de kinderen,
●
de plaats van het uitoefenen van zijn professionele activiteiten,
●
de plaats van zijn financiële belangen,
●
de plaats van administratieve bindingen met de publieke overheden en sociale organisaties.
Dit in de mate waarin deze elementen de wil van de persoon vertalen om een zekere stabiliteit aan de plaats van aanhechting te geven om tot een continuïteit te komen die resulteert in een levensgewoonte en het verloop van normale sociale en professionele banden.
Echter, indien een globale appreciatie van al deze pertinente elementen het niet mogelijk maakt om het centrum van de banden van de betreffende persoon te bepalen moet voor het bepalen van deze plaats in de eerste plaats voorrang worden gegeven aan de persoonlijke banden. Indien het onmogelijk blijft om het permanent centrum van de banden van de betreffende persoon door zich te baseren op al deze hierboven opgesomde feitelijke elementen met inbegrip van de persoonlijke banden wordt de verblijfsduur van de betreffende persoon in het derde land weerhouden.
Bijgevolg, wanneer de persoon in een derde land zowel persoonlijke als professionele banden heeft en in een lidstaat persoonlijke banden zal het de verblijfsduur van de betreffende persoon in dit derde land zijn die het land van normale woonplaats bepaalt.
22. De bevoegde ambtenaren kunnen zich soepel opstellen wat het voor te leggen bewijsmateriaal betreft indien de verhuisde voorwerpen een kleine hoeveelheid en/of een geringe waarde vertegenwoordigen en duidelijk al gebruikt zijn geweest.
De voorwaarden betreffende de normale verblijfplaats en de gebruikstermijn moeten echter strikt worden nageleefd.
6.2.1. Werkelijke verplaatsing van de normale verblijfplaats naar België
6.2.1.1. Personen die hun normale verblijfplaats sedert ten minste twaalf opeenvolgende maanden, onmiddellijk voorafgaand aan de datum van de vestiging van de normale verblijfplaats, buiten het douanegebied van de EU hebben of hebben gehad (art. 5 van Verordening (EG) Nr. 1186/2009)
23. Gedurende de termijn van twaalf maanden kan de belanghebbende ononderbroken zijn normale verblijfplaats mogelijks in verschillende landen BUITEN de EU hebben gehad. Indien dat het geval is, mogen de verblijfsperioden in de verschillende betrokken landen gecumuleerd worden.
Is te beschouwen als datum van vestiging van de nieuwe normale verblijfplaats (= hoofdverblijfplaats) in België, de datum van de WERKELIJKE VESTIGING van de belanghebbende in het koninkrijk. De douane moet rekening houden met de datum die is vermeld op de volledige lijst die de belanghebbende moet voorleggen, behoudens ernstige twijfel over de authenticiteit ervan.
Deze datum moet om aanvaard te kunnen worden altijd door de douane nagekeken worden.
24. Die verificatie betreft (in aflopende volgorde):
1) de datum van inschrijving in de bevolkingsregisters of vreemdelingenregisters van België,
2) de datum van uitreiking van het eventuele “bewijs van verandering van woonplaats”,
3) de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het land van herkomst heeft verlaten,
4) de datum waarop de belanghebbende zijn beroepsactiviteiten in België heeft aangevat,
5) de datum van invoer van de persoonlijke goederen door de belanghebbende.
25. Om aan te tonen dat ze recent in België zijn gevestigd, moeten de personen met buitenlandse nationaliteit een attest voorleggen van het gemeentebestuur van de plaats waar hun nieuwe verblijfplaats gelegen is, waarop staat welke hun nationaliteit is, uit welk land hun woonplaats vandaan komt en op welke datum ze werden ingeschreven in de vreemdelingenregisters.
De voorlopige attesten die zijn uitgereikt door de gemeentebesturen en die aantonen dat de formaliteiten die nodig zijn voor de inschrijving in de vreemdelingenregisters vervuld zijn, kunnen aanvaard worden als bewijs dat gelijkwaardig is aan de inschrijving in de genoemde registers.
26. De houders van een “speciale verblijfsvergunning” of een “titel dienend als verblijfsvergunning”, andere dan de personen bedoeld in punt 5, mogen zich beperken tot het voorleggen van die stukken of een kopie ervan in plaats van het attest bedoeld in de eerste paragraaf te leveren. In dit geval kan ook de voorlegging van een attest van de FOD Buitenlandse Zaken volstaan, indien daaruit blijkt dat de belanghebbende de houder van één van de voornoemde stukken is of zal worden.
27. Het bewijs dat de belanghebbende zijn normale verblijfplaats altijd of sedert ten minste twaalf opeenvolgende maanden (onmiddellijk voorafgaand aan de datum waarop de nieuwe normale verblijfplaats werd gevestigd) buiten de EU heeft gehad, alsook het bewijs van de definitieve afstand van de normale verblijfplaats in het buitenland, kunnen worden geleverd door de voorlegging van stukken waaruit voldoende garanties blijken (attest van een diplomatieke, consulaire of andere autoriteit, arbeidsovereenkomsten of attesten van een werkgever - bij twijfel kan de douane de legalisering van de genoemde attesten eisen door een diplomatieke, consulaire of andere autoriteit, enz.).
6.2.1.2. Belgen die nooit in het land hebben verbleven
28. Om aan te tonen dat ze recent in België zijn gevestigd, moeten de belanghebbenden een attest voorleggen van het gemeentebestuur van de plaats waar zij zich gaan vestigen, waarop staat welke hun nationaliteit is, uit welk land hun woonplaats vandaan komt en op welke datum ze in de bevolkingsregisters werden ingeschreven.
De voorlopige attesten die zijn uitgereikt door de gemeentebesturen en getuigen van de vervulling van de formaliteiten die nodig zijn voor de inschrijving in de bevolkingsregisters, kunnen aanvaard worden als bewijs dat gelijkwaardig is aan de inschrijving in de genoemde registers.
Bovendien moet één van de andere stukken bedoeld in punt 6.2.1. worden voorgelegd.
6.2.1.3. Belgen of vreemdelingen die naar België terugkeren en waarvan de schrapping in de bevolkingsregisters of vreemdelingenregisters ten minste EEN jaar oud is
29. Om aan te tonen dat ze hun nieuwe verblijfplaats in België komen vestigen, moeten de belanghebbenden het volgende voorleggen:
- indien ze hun nieuwe verblijfplaats in dezelfde gemeente vestigen als die waarin ze verbleven voor hun vertrek naar het buitenland, een attest van die gemeente waarop staat welke hun nationaliteit is, op welke datum ze uit de bevolkingsregisters of vreemdelingenregisters van die gemeente werden geschrapt, uit welk land hun woonplaats vandaan komt en op welke datum ze in de voornoemde registers van die gemeente werden ingeschreven,
- of in het andere geval, een attest van het gemeentebestuur van hun nieuwe verblijfplaats, waarop staat welke hun nationaliteit is, uit welk land hun woonplaats vandaan komt, op welke datum ze in de bevolkingsregisters of vreemdelingenregisters van die gemeente werden ingeschreven, alsook op welke datum zij door het gemeentebestuur van hun vorige verblijfplaats geschrapt werden wegens vertrek naar het buitenland en op welke datum het bewijs van verblijfsverandering werd opgemaakt bij terugkeer uit het buitenland,
- of een attest van de gemeente waaruit naar het buitenland werd vertrokken, waarop staat vermeld op welke datum er werkelijk werd geschrapt, op welke datum het bewijs van verblijfsverandering werd opgemaakt bij terugkeer uit het buitenland, op welke datum de recente inschrijving in de bovengenoemde registers van de nieuwe verblijfplaats plaatsvond, wat de naam van die gemeente is, welke nationaliteit de belanghebbenden hebben en uit welk land ze hun woonplaats hebben verplaatst,
- of twee attesten, één van de gemeente van vertrek naar het buitenland waarop wordt vermeld op welke datum er werd geschrapt uit een van de bovengenoemde gemeenteregisters, op welke datum het bewijs van verblijfsverandering bij terugkeer uit het buitenland werd opgemaakt en wat de naam is van de gemeente waar werd verklaard dat zij er hun nieuwe verblijfplaats wilden vestigen; terwijl het andere attest moet afkomstig zijn van de gemeente waar de nieuwe verblijfplaats is en moet vermelden op welke datum in één van de genoemde registers werd ingeschreven, welke nationaliteit de belanghebbenden hebben en uit welk land zij hun verblijfplaats willen verplaatsen.
30. De voorlopige attesten uitgereikt door de gemeentebesturen en die getuigen van de vervulling van de formaliteiten die nodig zijn voor de inschrijving in de bevolkingsregisters of vreemdelingenregisters, kunnen aanvaard worden als bewijs dat gelijkwaardig is aan de inschrijving in de genoemde registers.
Bovendien moet één van de andere stukken bedoeld in punt 6.2.1.1 worden voorgelegd.
6.2.1.4. Belgen of vreemdelingen die naar België terugkeren en waarvan de schrapping in de bevolkingsregisters of vreemdelingenregisters MINDER DAN EEN jaar oud is of die NIET werden geschrapt
31. Om de werkelijkheid van de nieuwe woonplaats in België aan te tonen, moeten personen die niet uit de bevolkingsregisters of vreemdelingenregisters werden geschrapt of wiens schrapping minder dan een jaar oud is, het bewijs voorleggen dat zij gedurende minstens twaalf maanden buiten de Unie hebben verbleven of dat zij de bedoeling hadden om er gedurende die termijn te verblijven.
Zij moeten aantonen dat hun verblijf in het buitenland niet het gevolg is van een grotendeels tijdelijke omstandigheid (reizen, aanvullende studies, zendingen, stages, enz. van beperkte duur).
32. Voldoen aan deze voorwaarde:
ofwel
a) de personen die aantonen dat zij onmiddellijk vóór de datum van hun nieuwe vestiging in België ononderbroken hebben verbleven buiten de EU gedurende ten minste een jaar (korte verlofperiodes moeten niet in aanmerking worden genomen) (vb. door de overlegging van een stuk bedoeld in punt 6.2.1.1) en die tegelijk de attesten bedoeld in punt 6.3. voorleggen.
Indien de belanghebbenden bij hun vertrek uit België naar het buitenland niet werden geschrapt uit de bevolkingsregisters of vreemdelingenregisters, moeten zij een attest van de betrokken gemeente voorleggen dat, bovenop andere gegevens zoals nationaliteit, aantoont dat de belanghebbenden altijd ingeschreven zijn geweest in één van de genoemde registers en dit ononderbroken sinds ………………………………………………… (vermelding van de datum waarop de inschrijving plaatsvond). Dat attest moet ook aantonen dat de belanghebbenden hebben verklaard dat hun verblijfplaats opnieuw in die gemeente gevestigd is of dat zij hun nieuwe verblijfplaats in een andere gemeente vestigen (in dat laatste geval moet dat attest vermelden op welke datum er werd geschrapt, moet het bewijs van verblijfplaatswijziging en de inschrijving in de respectievelijke gemeenten betrokken bij de nieuwe vestiging in België worden geleverd).
ofwel
b) De personen die niet voldoen aan de verplichting uit het bovenstaande punt a) maar die wel aantonen dat:
- enerzijds, zij in het land van verblijf in het buitenland alle stappen hebben verricht die van immigranten worden gevraagd of dat zij er een permanente betrekking of een vrij beroep hebben uitgeoefend of er een onderneming hebben geëxploiteerd en er definitief van die activiteit hebben afgezien (vb. door overlegging van een attest van een diplomatieke, consulaire of andere autoriteit, enz.),
- anderzijds, zij geen werkelijke verblijfplaats in België meer hebben bij hun vertrek naar het buitenland (vb. afstand van hun woning in België, uitvoer, verkoop of stalling in een meubelbewaring van hun inboedel) (die laatste bewijzen worden niet gevraagd van personen die in de ouderlijke woonst gevestigd waren bij hun vertrek naar het buitenland).
De bovengenoemde bewijzen moeten bovendien vergezeld zijn van één van de attesten bedoeld in deze paragraaf.
6.3. Afwijkingen van de algemene regels (art. 5, 7, 9 en 10 van Verordening DV)
33. Artikel 4, a) van Verordening DV bepaalt specifieke gevallen, die door de omstandigheden zijn gerechtvaardigd, waarin kan worden afgeweken van de voorwaarde betreffende het gebruik van goederen op de plaats van de vroegere normale verblijfplaats gedurende ten minste zes maanden vóór de datum waarop de aanvrager zijn normale verblijfplaats in het derde land van herkomst heeft stopgezet.
34. Artikel 5, §2 van Verordening DV bepaalt dat van de voorwaarden van artikel 5, §1, afwijkingen mogen worden toegestaan (waarin wordt bepaald dat enkel de personen die hun normale verblijfplaats sedert minstens twaalf opeenvolgende maanden buiten het douanegebied van de EU hebben gehad van de vrijstelling kunnen gebruikmaken) mits het in het voornemen van de belanghebbende lag gedurende ten minste twaalf maanden buiten het douanegebied van de Unie te verblijven. Het bewijs moet dan geleverd worden door de aanvrager. Onder bijzondere omstandigheden wordt verstaan, omstandigheden los van de wil van de persoon (worden NIET beschouwd als dergelijke omstandigheden: nalatigheid of gebrek aan vooruitziendheid met vertraging als gevolg, bijvoorbeeld: de vertraging in de levering van een nieuwe wagen ertoe geleid dat de gebruiksperiode niet is nageleefd, dan is dat geen aanvaardbare verantwoording). Zo is wel een vervroegd einde van een beroepsmatige zending wel een ontvankelijke verantwoording.
35. Artikel 9 van Verordening DV bepaalt dat kan worden afgeweken van de bepalingen van artikel 7, eerste paragraaf (waarin staat dat de vrijstelling slechts wordt toegekend voor de persoonlijke goederen die voor het vrije verkeer werden aangegeven voordat een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum van de vestiging van de normale verblijfplaats in de EU is verstreken): de vrijstelling kan ook worden toegekend voor de persoonlijke goederen die zijn aangegeven voor het vrije verkeer voordat de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het douanegebied van de EU heeft gevestigd, op voorwaarde dat die belanghebbende zich ertoe verbindt zich er werkelijk te vestigen binnen een termijn van zes maanden. Deze verbintenis gaat gepaard met een zekerheidstelling waarvan de bevoegde autoriteiten de vorm en het bedrag vaststellen.
36. Artikel 10 van de Verordening DV bepaalt dat indien de belanghebbende het derde land waar hij zijn normale verblijfplaats had ingevolge beroepsverplichtingen verlaat zonder deze normale verblijfplaats tegelijkertijd in het douanegebied van de EU te vestigen maar wel met het voornemen om er zich later te vestigen, de douaneautoriteiten de vrijstelling kunnen toestaan voor persoonlijke goederen die in dit kader in de EU worden verplaatst.
Bijvoorbeeld: een persoon wiens terugkeer naar België was voorzien ingevolge het einde van een opdracht in de VSA, wordt door zijn werkgever rechtstreeks naar Argentinië gestuurd. In die omstandigheden kan die persoon, voor de goederen die in België worden ingevoerd, van een voorlopige vrijstelling (MET zekerheidstelling) genieten voordat de normale verblijfplaats effectief in België wordt gevestigd (dat gebeurt pas na afloop van de nieuwe beroepsmatige zending in Argentinië). Wanneer deze persoon zich in België vestigt wordt de vrijstelling definitief en wordt de borg terug vrijgegeven.
37. In het bijzonder voor de vervoermiddelen kan de douane altijd eisen dat de belanghebbende andere bewijsstukken voorlegt dan deze die uitdrukkelijk werden gevraagd zodat met zekerheid kan worden vastgesteld dat de voorwaarden van artikel 4 tot 7 volledig voldaan zijn en dat eventueel misbruik kan worden vermelden (vb. attest van de werkgever aan de hand waarvan wordt vastgesteld of de belanghebbende zich werkelijk in België heeft gevestigd).
Andere voorbeelden zijn:
- de te leveren bewijzen voor de toepassing van de bepalingen van artikel 10 van Verordening DV (verplaatsing van normale verblijfplaats wegens beroepsverplichtingen): arbeidsovereenkomst, attest van de werkgever ...,
- de te leveren bewijzen betreffende de samenstelling van de familie en de leeftijd van de leden ervan om onder andere vast te stellen of de eventueel ingevoerde voorwerpen kunnen worden beschouwd als een normale voorziening van het huishouden of dat de soort en de hoeveelheid van een of meerdere ingevoerde voorwerpen geen commerciële bedoeling laten blijken, alsook de voor te leggen bewijsstukken ter ondersteuning van de verklaring (zie volgend punt).
6.3.1. Verzoek om afwijking van de voorwaarden van de vrijstelling
38. Indien wordt afgeweken van de algemene voorwaarden (zie art. 4, a, art. 5 en art. 7 van Verordening DV) moet de belanghebbende een schriftelijk, gedateerd en ondertekend ATTEST voorleggen, waarin naargelang het geval of de gevallen, de bijzondere omstandigheden worden uiteengezet die de toekenning van de vrijstelling kunnen verantwoorden (zie ook de vermeldingen die op de goederenlijst moeten staan).
Indien de aangehaalde omstandigheden het vereisen, moeten de nodige bewijsstukken bij het attest worden gevoegd.
6.3.2. Gebrek aan bewijs van verplaatsing van de normale verblijfplaats
39. Indien de belanghebbende bij de EERSTE INVOER van goederen waarvoor de vrijstelling “verhuis” wordt gevraagd geen bewijs dat de normale verblijfplaats in België is gevestigd kan voorleggen, dan moet een schriftelijke, gedateerde en ondertekende VERBINTENIS worden ondertekend waarin, naargelang het geval, het volgende is opgenomen:
a) ofwel dat hij verklaart zijn normale verblijfplaats in België te hebben gevestigd met DEZE invoer (met aanduiding van de datum van vestiging volgens zijn verklaring) of dat DEZE invoer kan worden beschouwd als een verklaring dat hij het voornemen heeft om op dezelfde datum de normale verblijfplaats in België te vestigen en dat hij alle gevraagde stukken zo vlug mogelijk op het kantoor van invoer zal voorleggen (dit geval moet NIET worden beschouwd als een toepassing van art. 9 of 10 van de Verordening DV),
b) ofwel dat hij verklaart zijn normale verblijfplaats op het moment van de invoer van de goederen nog altijd in het land van herkomst te hebben en deze NOG NIET onmiddellijk wensen te verplaatsen naar België. Hij verbindt zich ertoe deze LATER te verplaatsen, dit ten laatste binnen een termijn van ZES maanden te rekenen vanaf de datum van invoer van alle goederen of, in voorkomend geval, vanaf de datum van invoer van het eerste deel van alle goederen, alsook zo vlug mogelijk alle gevraagde stukken op het kantoor van invoer voor te leggen (in dit geval wordt art. 9 van de Verordening DV toegepast),
c) ofwel dat hij verklaart het land buiten de EU waar hij zijn normale verblijfplaats had te hebben verlaten wegens beroepsverplichtingen op het moment van de invoer van de goederen, en zijn normale verblijfplaats nog niet onmiddellijk in België wenst te vestigen omdat hij ze naar een ander land buiten de EU heeft verplaatst, maar dat hij zich ertoe verbindt, gezien zijn huidige situatie, ze werkelijk in het koninkrijk te vestigen en dit ten laatste op . . . . . . . . . . . . . . . . . . (datum), alsook dat alle gevraagde stukken zo vlug mogelijk vanaf dit ogenblik laatste op het kantoor van invoer zullen worden voorgelegd (in dit geval wordt art. 10 van Verordening DV toegepast).
d) In het geval van politieke vluchtelingen kan krachtens art. 11 van de Verordening DV worden afgeweken van de bepalingen van artikel 4, punt a) en b), artikel 6, punt c) en d) en artikel 8 indien een persoon ertoe gebracht wordt zijn normale verblijfplaats van een derde land naar het douanegebied van de Unie te verplaatsen ten gevolge van uitzonderlijke politieke omstandigheden.
6.4. Formaliteiten voor de aanvraag tot vrijstelling
6.4.1. Aanvraag tot vrijstelling
40. De vrijstelling gebeurt nooit automatisch. Er is altijd een aanvraag van de belanghebbende vereist.
41. De aanvraag die ertoe strekt de toelating te verkrijgen om met een vrijstelling in te voeren, moet ten laatste op het ogenblik van de invoer van de goederen bij het plaatselijke hoofd van het douanekantoor van invoer worden ingediend.
Voor de personen bedoeld in punt 5. moet de aanvraag rechtstreeks bij de centrale administratie van de douane en accijnzen verplicht worden ingediend via de tussenkomst van de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, het Ministerie van Defensie of de Gemeenschappen en Gewesten.
42. Die aanvraag wordt bij voorkeur elektronisch ingediend bij de AAD middels elektronische ondertekening en (elektronisch) attest van de authentieke aard van de documenten.
6.4.2. Stukken bij de aanvraag
6.4.2.1. Lijst
43. De aanvrager moet een goederenlijst met een gedetailleerde beschrijving van de goederen, met hun gebruikelijke benaming, alsook de waarde van elk voorwerp en de totale waarde indienen. De diverse posten op de lijst worden voorafgegaan door een ononderbroken reeks van volgnummers. Na elke post wordt de witte ruimte doorgehaald zodat aanvullingen die achteraf worden aangebracht goed zichtbaar zijn. Deze lijst wordt in pdf-formaat opgemaakt en bij de aanvraag tot vrijstelling gevoegd.
44. De persoonlijke goederen die niet op de bedoelde goederenlijst staan, mogen in geen enkel geval in aanmerking komen om de vrijstelling “verhuisboedel” te verkrijgen. In gerechtvaardigde gevallen kan de gewestelijke directeur van de douane en accijnzen van de nieuwe plaats waar de belanghebbende is gevestigd een afwijking van dat principe toestaan. De goederen worden dan met voorlopige vrijstelling toegelaten (zie punt omtrent de voorwaardelijke vrijstelling).
45. De goederenlijst moet in de hoofding de volgende vermeldingen bevatten:
“VOLLEDIGE LIJST van de persoonlijke goederen welke ik ten minste ZES maanden in mijn bezit heb gehad in mijn laatste normale verblijfplaats in . . . . . . . . . . . .
. . . . . (land van herkomst en volledig adres in dat land) en, voor wat de niet-verbruikbare goederen betreft, door mij gedurende die periode in mijn vroegere normale verblijfplaats zijn gebruikt, en welke ik via het douanekantoor in . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . (benaming) als verhuisboedel wens in te voeren ter bestemming van . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . (volledig adres in België) waar ik mijn nieuwe normale verblijfplaats vestig (= hoofdverblijfplaats).
De betrokken goederen zullen voor hetzelfde doel worden gebruikt als in mijn vorige normale verblijfplaats.
Ik bevestig hierbij dat ik mijn laatste normale verblijfplaats in het aangeduide land van herkomst heb opgegeven op . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . (datum).
en dat ik vóór ik mijn nieuwe normale verblijfplaats in België heb gevestigd mijn normale verblijfplaats steeds of sedert (= onmiddellijk voorafgaand aan de datum van vestiging van mijn nieuwe normale verblijfplaats in België) ten minste twaalf opeenvolgende maanden buiten het grondgebied van de Europese Unie heb gehad.
De datum waarop ik verklaar mijn nieuwe normale verblijfplaats (= hoofdverblijfplaats) in België te hebben gevestigd, is . . . . . . . . . . . . . . . . . . . (datum).
Ik bevestig tevens kennis te hebben genomen van het feit dat alle betrokken goederen welke ik met vrijstelling wens in te voeren vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop ik mijn normale verblijfplaats in België heb gevestigd, hier te lande moeten worden ingevoerd en aangegeven.
Tot slot bevestig ik kennis te hebben genomen van de wettelijke bepalingen betreffende het feit dat de goederen tot het verstrijken van een termijn van 12 maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de aangifte daarvan voor het vrije verkeer door de douanediensten is aanvaard, niet mogen worden uitgeleend, verpand, verhuurd, noch onder bezwarende titel, noch gratis mogen worden overgedragen zonder dat ik de bevoegde douaneautoriteiten daarvan vooraf in kennis heb gesteld (in casus de controledienst van de douane over het gebied waar mijn normale verblijfplaats is gevestigd).
Het is mij bekend dat, indien ik binnen die termijn toch
één of meer van voornoemde bestemmingen aan de betrokken goederen zou geven, de daarop betrekking hebbende invoerbelastingen verschuldigd worden.
Ik verbind mij ertoe deze bepalingen na te leven en tevens alle faciliteiten te verlenen aan de betrokken douaneautoriteiten teneinde elke door hen nodig geachte controle ter zake mogelijk te maken.”
46. Indien de belanghebbende niet voldoet aan één of meer algemene regels waarvan wegens bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken (zie art. 4, a), art. 5 en art. 7 van de Verordening DV), dan moet de belanghebbende zijn verbintenis in de bovenstaande tekst in dat opzicht vervangen door de volgende vermelding:
“Aan de algemeen gestelde wettelijke voorwaarde voor het verkrijgen van de vrijstelling omtrent . . . . . . . . . . . . . . . . . . (aanvullen volgens het geval) is niet voldaan. Betreffende de bijzondere omstandigheden welke ik daaromtrent wil inroepen om mijn aanvraag tot vrijstelling vooralsnog te rechtvaardigen, zal ik een aparte schriftelijke en ondertekende verklaring aan de bevoegde douaneautoriteiten overleggen.”
Na de laatste post op de goederenlijst moet volgende verklaring voorkomen:
“Ik bevestig de echtheid van deze lijst welke . . . . . . . . . . . . . . . . . . (aantal voluit) posten omvat. Ik heb kennis genomen van het feit dat de vrijstelling niet kan worden verleend voor de persoonlijke goederen, met inbegrip
van motorvoertuigen, welke niet op deze lijst voorkomen.
De invoer van de op deze lijst voorkomende goederen zal in eenmaal (of in verscheidene malen) geschieden[5].”
47. Indien één of meer motorvoertuigen[6] deel uitmaken van de verhuisboedel, moeten de soort, het merk, het type en de waarde van die voertuigen vermeld worden onderaan de lijst (voor bromfietsen moet ook de cilinderinhoud duidelijk aangegeven worden).
Aangezien er een afzonderlijke beslissing is voor de toekenning van de vrijstelling aan motorvoertuigen, moeten de genoemde voertuigen ingevoerd worden met een afzonderlijke douaneaangifte.
48. De goederenlijst moet ondertekend worden door de persoon die zijn normale verblijfplaats verplaatst of, in voorkomend geval, zijn gemachtigde (met uitzondering van de vervoerder).
49. Het plaatselijke hoofd van het invoerkantoor moet de noodzakelijk geachte bewijsstukken te zien krijgen (identiteitsbewijs, paspoorten, volmachten, enz.) en overgaan tot een controle van de identiteit van de belanghebbende, de juistheid van het aangegeven adres en de echtheid van de handtekening(en) op de lijst. Om dergelijke verantwoordingen te vermijden, kan de aanvrager de handtekening(en) laten legaliseren door een plaatselijke buitenlandse autoriteit of een Belgische consulaire of diplomatieke autoriteit in het buitenland.
7. Bijzondere gevallen
7.1. Onmiddellijke beslissing tot toekenning of weigering van de vrijstelling bij de invoer
50. Indien het plaatselijke hoofd van het invoerkantoor bevoegd is en over alle elementen beschikt die nuttig zijn om te kunnen beslissen over het toekennen van de vrijstelling, vindt de invoer plaats onder dekking van een invoeraangifte (vak 37, regeling 40, code C01) met vrijstelling van de rechten en taksen.
51. Wanneer de verhuisboedel bestaat uit een groot aantal verschillende soorten goederen waarvan de indeling per tariefpost verhoudingsgewijs met de op het spel staande belangen te tijdrovend zou zijn, kan de aangever, indien hij dit wenst, in de daartoe bestemde vakken van de op te stellen aangifte de omschrijving van de goederen en de aanduiding van de desbetreffende tariefposten weglaten en vervangen door de vermelding: “Verhuisgoederen ingevoerd met definitieve vrijstelling - zie bijgevoegde lijst - toepassing van de circulaire Definitieve Vrijstellingen - Verhuisboedel 2018”.
52. Het betrokken plaatselijke hoofd moet zo nodig de aandacht van de controlediensten vestigen op bepaalde voorwaarden waaraan de goederen moeten voldoen en die eventueel uit de verificatie moeten blijken.
Bij twijfel vermelden de controlediensten hun bevindingen volgens de modaliteiten op de werkfiches en raadplegen ze het plaatselijke hoofd (de vrijstelling wordt toegekend indien, na eventuele controle, met zekerheid wordt vastgesteld dat aan alle vastgelegde voorwaarden is voldaan).
53. Voor de goederen waarvoor geen vrijstelling kan wordt verleend moeten de betrokken belastingen onmiddellijk worden betaald. De volgende vermelding komt op de invoeraangifte: “Verhuisgoederen ingevoerd met betaling van de verschuldigde invoerbelastingen - zie bijgaande lijst - toepassing van de circulaire Definitieve Vrijstellingen - Verhuisboedel ‑2018”.
De goederen waarvoor vrijstelling wordt verleend alsook deze waarvoor geen vrijstelling wordt verleend (en deze waarvoor de vrijstelling niet wordt gevraagd bij de invoer) moeten het voorwerp van verschillende aangiften uitmaken.
7.2. Uitstel van de beslissing
54. In de volgende gevallen verleent het plaatselijke hoofd van het invoerkantoor een voorwaardelijke vrijstelling voor de betrokken goederen onder dekking van een invoeraangifte die MITS ZEKERHEIDSTELLING voor een periode van zes maanden wordt gevalideerd:
- het bevoegde plaatselijke hoofd beschikt niet over alle elementen om een definitieve beslissing te nemen (vb. bewijzen),
- de gewestelijke diensten zijn bevoegd om de vrijstelling te verlenen,
- de centrale diensten zijn bevoegd om de vrijstelling te verlenen,
- de bevoegde autoriteit kan niet worden vastgesteld en sommige stukken ontbreken.
De toelating om de goederen onder voorwaardelijke vrijstelling in te voeren en de reden waarom die procedure wordt gevolgd, worden opgenomen in het vak ad hoc van de invoeraangifte.
55. Indien de verhuisboedel een groot aantal verschillende voorwerpen omvat, wordt als bijlage een goederenlijst toegevoegd. De volgende vermelding wordt dan op de invoeraangifte geplaatst (code “C01” in de 2de onderverdeling van vak 37): “Verhuisgoederen ingevoerd met voorwaardelijke vrijstelling - zie bijgaande lijst - toepassing van de circulaire Definitieve Vrijstellingen - Verhuisboedel 2018”.
Indien de aangever van de bovenstaande optie gebruikmaakt, wordt de ZEKERHEIDSTELLING voor de invoerrechten (en/of accijnzen) forfaitair berekend (behalve voor de vervoermiddelen zoals in deze circulaire gedefinieerd, zie punt 2) op basis van de waarde van alle andere goederen waarvoor de voorwaardelijke vrijstelling wordt verleend en overeenkomstig de modaliteiten op de werkfiches / circulaires ad hoc betreffende de zekerheidstelling en controle.
De ZEKERHEIDSTELLING voor de BTW wordt in dergelijke gevallen berekend, met uitzondering van de vervoermiddelen, tegen 21% van de totale waarde van de betrokken goederen, vermeerderd met het bedrag van de betrokken invoerrechten (en/of accijnzen).
56. Wanneer de verhuisboedel geen enkel vervoermiddel omvat (zoals gedefinieerd in deze circulaire, zie punt 2), kan de voorwaardelijke vrijstelling MET ONTHEFFING VAN ZEKERHEIDSTELLING worden toegestaan.
Naargelang dat de beslissing door de centrale of gewestelijke diensten moet worden genomen, wordt het dossier “verhuisboedel” door het plaatselijk hoofd naar de bevoegde dienst doorgestuurd.
In die bijzondere omstandigheden kan de geldigheidstermijn van de invoeraangifte voor de tijd die nodig is (op verzoek van de belanghebbende of ambtshalve) verlengd worden door de ambtenaar die over de aanvraag tot definitieve vrijstelling moet beslissen. Indien nog niet werd bepaald welke autoriteit bevoegd is op het ogenblik dat de geldigheid van de aangifte afloopt, kan het plaatselijk hoofd van het invoerkantoor beslissen om te verlengen.
57. De goederen in een verhuisboedel die niet in aanmerking komen voor de definitieve vrijstelling moeten worden onderworpen aan de betaling van de belastingen op het kantoor van geldig making van de invoeraangifte onverminderd de eventuele toepassing van een andere vrijstelling.
58. Een invoeraangifte met voorwaardelijke vrijstelling kan worden aangezuiverd:
- door het in het vrije verkeer brengen van een gedeelte van de goederen met definitieve vrijstelling,
- door het in het vrije verkeer brengen met inning van belastingen voor een andere gedeelte van de goederen.
Er moet per bestemming een aangifte worden opgemaakt.
Wanneer de invoeraangifte met voorwaardelijke vrijstelling niet regelmatig wordt aangezuiverd (geheel of gedeeltelijk) en de zekerheidstelling definitief is ontvangen (geheel of gedeeltelijk), wordt het bedrag van de belastingen berekend tegen hetzelfde tarief als het bedrag dat werd gebruikt om de zekerheidstelling te bepalen.
7.3. Invoer van persoonlijke goederen VOORDAT de verplaatsing van de normale verblijfplaats plaatsvindt
59. Er bestaan twee gevallen van voorwaardelijke vrijstelling: het eerste is gebaseerd op art. 9, het tweede op art. 10 van de Verordening DV.
- Voorwaardelijke vrijstelling (toepassing van art. 9 van de Verordening DV).
In afwijking van de algemene regel die is vastgelegd in art. 7, eerste lid van de Verordening DV waarin wordt bepaald dat de vrijstelling enkel kan worden toegekend voor de persoonlijke goederen die ten vroegste gelijk met de vestiging van de normale verblijfplaats in België worden ingevoerd, biedt artikel 9 van de voornoemde Verordening onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid om in België persoonlijke goederen in te voeren voordat de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in België heeft gevestigd.
De invoer van de goederen moet in dat geval altijd met voorwaardelijke vrijstelling plaatsvinden. In dit geval zijn de bepalingen van punt 8.2 mutatis mutandis van toepassing gezien de zekerheidstelling ALTIJD moet geleverd worden voor de vervoermiddelen zoals in deze circulaire gedefinieerd (zie punt 2) zodat de juiste heffing van de betrokken belastingen gegarandeerd wordt.
60. Volgens artikel 9, tweede lid van de Verordening DV moeten de goederen voorafgaand gedurende minstens zes maanden, te rekenen vanaf de datum van INVOER van de goederen in het douanegebied van de EU (behalve in geval van vermoeden van misbruik kan de datum van invoer in België in aanmerking worden genomen), in het bezit van de belanghebbende zijn geweest, en wanneer het niet-verbruikbare goederen betreft, door hem in zijn vroegere verblijfplaats in het land van herkomst gedurende die termijn gebruikt zijn geweest.
Voor de goederen waarvan de douane op het tijdstip van de invoer in België zeker is dat ze niet aan die voorwaarden voldoen, moet de vrijstelling (ook al is ze voorwaardelijk) geweigerd worden.
In het tegenovergestelde geval mag de voorwaardelijke vrijstelling worden toegestaan, maar moeten alle noodzakelijke maatregelen worden genomen gezien het onderzoek ter zake na de invoer nog moet plaatsvinden. Het onderzoek van de andere voorwaarden mag, zo nodig, na de invoer plaatsvinden.
De persoonlijke goederen die eventueel door de belanghebbende werden ingevoerd vanaf de dag waarop de normale verblijfplaats in België werd gevestigd, moeten als een “afzonderlijk geval” worden beschouwd ten aanzien van de goederen die voorafgaand aan de vestiging van de normale verblijfplaats in België werden ingevoerd. Ze moeten daarom onderworpen worden aan de voorwaarden en formaliteiten van de “normale” gevallen die onder de toepassing van art. 3 tot 8 van de Verordening DV vallen.
- Voorwaardelijke vrijstelling (toepassing van art. 10 van de Verordening DV).
61. In afwijking van de algemene regel biedt artikel 10 van de Verordening DV de mogelijkheid om in bepaalde omstandigheden persoonlijke goederen in België in te voeren zonder dat de belanghebbende tegelijk zijn normale verblijfplaats in het koninkrijk vestigt voor zover hij het DERDE land waar hij zijn normale verblijfplaats had WEGENS BEROEPSVERPLICHTINGEN verlaat en hij op dat moment zijn nieuwe normale verblijfplaats in een ander DERDE land vestigt en het voornemen heeft om zijn normale verblijfplaats later in België te vestigen. Hij moet zich hier eveneens toe verbinden.
De invoer van de aldus aangegeven goederen moet altijd met voorwaardelijke vrijstelling plaatsvinden. In dit geval zijn de bepalingen van punt 7.5.2. mutatis mutandis van toepassing aangezien de invoeraangifte met voorwaardelijke vrijstelling ten laatste kan gevalideerd worden op de datum waarop de belanghebbende zich ertoe verbindt zijn normale verblijfplaats in België te vestigen, maar de geldigheidstermijn mag NIET meer dan DRIE JAAR bedragen. Bovendien moet er ALTIJD ZEKERHEIDSTELLING WORDEN GESTELD voor de vervoermiddelen zoals gedefinieerd in deze circulaire (zie punt 2) zodat de juiste heffing van de betrokken belastingen gegarandeerd wordt. Wat betreft de vermeldingen op de aangiften die de beschrijving van de goederen en de aanduiding van de tariefposten vervangen, moet naar deze paragraaf worden verwezen.
62. Voor de berekening van de termijnen voorzien in artikel 10, tweede lid, a, van de Verordening DV zijn de algemene bepalingen van toepassing. Op het moment van de invoer of later moet de belanghebbende aantonen dat hij zijn normale verblijfplaats in het land van herkomst van de goederen heeft verlaten voordat de eerste of enige invoer plaatsvindt krachtens het hogergenoemde artikel 10 en dat hij zijn normale verblijfplaats (voorlopig) in een ander derde land heeft gevestigd wegens beroepsverplichtingen.
De termijn waarin de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in België moet vestigen, kan voor de tijd die nodig is wegens bijzondere omstandigheden worden verlengd door het plaatselijk hoofd van het invoerkantoor zonder dat de geldigheidstermijn van de invoeraangifte met voorwaardelijke vrijstelling meer dan drie jaar mag bedragen. De gevallen waarin de geldigheidsduur met meer dan drie jaar verlengd moet worden, moeten met het oog op een beslissing aan de centrale administratie worden voorgelegd.
De gebruikstermijn van 6 maanden op de plaats van de vroegere normale verblijfplaats (bepaald in artikel 4, punt a) van Verordening DV) en de invoertermijn van 12 maanden (bepaald in artikel 7, §1 van de Verordening DV) worden berekend vanaf de datum van invoer van de persoonlijke goederen in België.
De periode van 12 maanden waarin het goed niet mag worden uitgeleend, verpand, verhuurd, noch onder bezwarende titel, noch gratis mag worden overgedragen zonder dat de bevoegde douaneautoriteiten daarvan vooraf in kennis werden gesteld, wordt berekend vanaf de datum waarop de normale verblijfplaats werkelijk in België werd gevestigd.
7.4. Invoer van goederen in meerdere keren
63. De goederen die de volledige verhuisboedel vormen, kunnen in meerdere keren worden ingevoerd voor zover de verschillende invoerbewegingen via hetzelfde hulpkantoor van de Belgische douane plaatsvinden. De algemene beperkingen en formaliteiten zijn van toepassing voor de toekenning van de vrijstelling.
Indien de voorwaardelijke vrijstelling moet toegekend worden, dan moet dit mits inachtneming van de algemene bepalingen gebeuren, vooral wat betreft de termijnen waarin de verschillende invoerbewegingen moeten plaatsvinden. Bij een eventuele verlenging van de geldigheidstermijn van de aangiften moet erop toegezien worden dat ALLE aangiften betreffende dezelfde verhuisboedel tot dezelfde datum verlengd worden.
7.5. Bijzondere bepalingen betreffende motorvoertuigen en kampeerwagens
64. Voor motorvoertuigen en kampeerwagens is altijd een afzonderlijke invoeraangifte nodig.
Indien in de verschillende gevallen een invoeraangifte wordt gevalideerd voor een voertuig dat door de DIV (Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen) moet ingeschreven worden, moet de ambtenaar die bevoegd is voor het verlenen van de vrijstelling per voertuig een vignet 705 (elektronisch) uitreiken op naam van de btw-geadresseerde (zie Instructie internationaal verkeer). Indien de invoeraangifte een in te schrijven voertuig betreft, stuurt de ambtenaar ook het inlichtingenblad 48ter/Belastingen naar het adres dat op dat document is voorgedrukt.
8. Gebruik van goederen na invoer - controle achteraf
65. Er moeten maatregelen worden genomen om misbruik te voorkomen en de naleving van de toepasselijke voorwaarden betreffende het bezit van goederen na invoer op doeltreffende wijze te kunnen controleren (zie art. 8, eerste lid van Verordening DV). Het plaatselijk hoofd van het invoerkantoor moet de douane in het ambtsgebied waar de belanghebbende zijn normale verblijfplaats heeft gevestigd van de invoer op de hoogte brengen (hetzelfde geldt voor de controle van de aanzuivering van de invoeraangiften) voor een eventuele controle.
In de overige gevallen is het de controledienst bevoegd over de plaats van de betrokkene is gevestigd die beslist over de eventueel uit te voeren controle na de invoer.
66. Ook moet bij invoer voorafgaand aan de verhuis gecontroleerd worden of de betrokken goederen niet door DERDEN werden gebruikt tijdens de periode die begon op de datum van de invoer in België en afliep op het moment dat de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het koninkrijk vestigde.
In datzelfde opzicht mogen de betrokken goederen tijdens de vastgelegde termijn van 12 maanden na de invoer niet worden uitgeleend, verpand, verhuurd, noch onder bezwarende titel, noch gratis worden overgedragen voor zover de douanedienst in het ambtsgebied waar de belanghebbende zich heeft gevestigd VOORAF op de hoogte werd gebracht en de betrokken belastingen betaald zijn zoals bepaald in art. 8, tweede lid van de Verordening DV.
67. Na afloop van deze termijn van 12 maanden kunnen de goederen waarvoor vrijstelling werd verleend gelijk welke bestemming krijgen zonder voorafgaande kennisgeving en zonder dat een douaneschuld ontstaat.
Indien bij het onderzoek van de douane misbruik, onregelmatigheden of zware vermoedens aan het licht zijn gekomen of indien wordt vastgesteld dat de goederen werden uitgeleend, verpand, verhuurd, onder bezwarende titel of gratis werden overgedragen zonder dat daarover werd geïnformeerd en zonder dat de betrokken belastingen werden betaald, moet een dossier worden aangemaakt en via hiërarchische worden doorgestuurd naar de bevoegde dienst.
9. Bepalingen inzake btw
9.1. Persoonlijke goederen ingevoerd door een particulier die zijn normale verblijfplaats vanuit een derde land of een derde landsgebied naar België verplaatst
9.1.1. Algemeen
68. De EU-gebieden met een speciaal fiscaal statuut (Canarische eilanden ...) worden voor btw-doeleinden beschouwd als derde landen.
69. De persoonlijke goederen van een particulier die zijn normale verblijfplaats van een derde land naar België verplaatst, kunnen met volledige vrijstelling van de btw worden ingevoerd voor zover de beperkingen en voorwaarden van artikel 13 van het KB nr. 7 van 29 december 1992 zijn nageleefd.
De toepassingsmodaliteiten die inzake invoerrechten zijn voorzien, zijn “mutatis mutandis” van toepassing inzake btw, met uitzondering van de onderstaande bijzonderheden.
9.1.2. Herkomst van goederen
70. Inzake btw moeten de persoonlijke goederen die worden ingevoerd door een particulier die zijn normale verblijfplaats vanuit een derde land of een derde lands gebied naar België verplaatst niet noodzakelijk afkomstig zijn van dat derde land of derde lands gebied om de vrijstelling te genieten; ze mogen ingevoerd worden vanuit een ander derde land.
De centrale diensten van de douane en accijnzen zijn enkel bevoegd om de vrijstelling in die gevallen te verlenen.
9.1.3. Gebruik van de ingevoerde goederen gedurende zes maanden op de plaats van de vroegere verblijfplaats
71. Om aan de gebruiksvoorwaarde te voldoen, is het niet nodig dat het gebruik van de goederen gedurende 6 maanden door de belanghebbende onmiddellijk aan de verhuis naar de EU voorafgaat.
Indien de belanghebbende gedurende die zes maanden zijn normale verblijfplaats in verschillende derde landen of derde landsgebieden, buiten de EU heeft gehad, mogen die gebruiksperioden in die verschillende landen of gebieden gecumuleerd worden.
72. Overigens moet de gebruiksvoorwaarde als voldaan beschouwd worden ten aanzien van de goederen die werkelijk gedurende zes maanden door de belanghebbende werden gebruikt terwijl hij juridisch geen eigenaar ervan is maar die met name in bruikleen werden ontvangen of verworven in het kader van een leasing of leasing met aankoopoptie.
Om de vrijstelling van de btw te genieten, moeten die goederen op het tijdstip van de invoer in België eigendom zijn van de persoon die verhuist zodat ze op zijn naam ten verbruik worden aangegeven.
9.1.4. Gebruik van de goederen na invoer
73. Het uitlenen, verpanden, verhuren of overdragen
van ingevoerde goederen waarvoor een vrijstelling is verleend vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum van de aangifte met het oog op de definitieve invoer, leidt normaal tot de toepassing van de BTW op de betrokken goederen volgens de van kracht zijnde tarieven en op de bastbare basis vastgesteld op de datum van de uitlening, verpanding, verhuring of overdracht.
Indien het uitlenen, verpanden, verhuren of overdragen werd ontdekt tijdens een controle van de toekenningsvoorwaarden van de vrijstelling, wordt door de douane een relaas van de verantwoordingen op blad 424 gemaakt.
Die verklaring of dat relaas moet vergezeld zijn van de noodzakelijk geachte stukken.
Het hoofd van het betrokken plaatselijke kantoor maakt een dossier en stuurt het langs hiërarchische weg naar de CA.
9.1.5. Toebehoren die in een vervoermiddel zijn ingebouwd
74. De vervoermiddelen en de ingebouwde toebehoren moeten als een geheel worden beschouwd bij het verlenen van de vrijstelling. Bijgevolg wordt de vrijstelling voor die toebehoren verleend voor zover het vervoermiddel waarin ze zijn ingebouwd zelf voldoet aan de voorwaarden voor het verlenen van de vrijstelling.
9.2. Persoonlijke goederen binnengebracht door een particulier die zijn normale verblijfplaats van een lidstaat van de EU naar België overbrengt
75. Met uitzondering van de vervoermiddelen mogen de persoonlijke goederen binnengebracht door een particulier die zijn normale verblijfplaats van een lidstaat van de EU naar België overbrengt vrij circuleren op voorwaarde dat zij voldoen aan de voorwaarden van de interne markt van de EU.
Behalve de aan inschrijving onderworpen voertuigen en andere vervoermiddelen, die onderworpen blijven aan specifieke regels (zie de ad hoc circulaire), zijn de andere persoonlijke goederen niet onderworpen aan douaneformaliteiten bij de AAD
10. Accijnzen
76. Zowel voor de invoer uit niet-EU-landen als uit andere EU-lidstaten wordt geen vrijstelling van accijnsrechten verleend.
77. De enige vrijstelling die in aanmerking kan worden genomen, is deze voor de bagage van reizigers (zie circulaire 2017/C/41 betreffende bagage) voor zover de goederen worden vervoerd in die persoonlijke bagage van de persoon die zijn normale verblijfplaats verplaatst.
11. Samenvattende tabel
78. Toekenningsvoorwaarden van de vrijstelling | |
Natuurlijke personen | - Gedurende 12 maanden zijn normale verblijfplaats buiten de EU hebben gehad |
- Verplaatsing van de normale verblijfplaats naar België | |
Goederen | - 6 maanden bezit in het derde land van de vroegere normale verblijfplaats |
- 6 maanden gebruik in het derde land van de vroegere normale verblijfplaats | |
- Bestemd voor hetzelfde gebruik als in het derde land van de voormalige normale verblijfplaats | |
- Ingevoerd binnen 12 maanden na de verplaatsing van de normale verblijfplaats | |
- Behouden voor gebruik en bezit gedurende 12 maanden na het in het vrije verkeer brengen | |
Uitsluiting | - Alcoholische producten |
- Tabak en tabaksproducten | |
- Bedrijfsvoertuigen | |
- Materieel voor beroepsdoeleinden | |
12. Slotbepalingen
79. Deze circulaire vervangt de vroegere bepalingen in hoofdstuk I, titel I (Verhuisboedels van particulieren) van de Instructie Definitieve Vrijstellingen 1984 - D.I. 510.0 en heft de genoemde bepalingen op.
Voor de administrateur-generaal van de douane en accijnzen
Jo Lemaire
Adviseur-generaal
BIJLAGEN
BIJLAGE 1 - VERORDENING (EG) Nr. 1186/2009 VAN DE RAAD van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen
…
Titel II
Vrijstelling van rechten bij invoer
Hoofdstuk I
Persoonlijke goederen van natuurlijke personen die hun normale verblijfplaats van een derde land naar de EU overbrengen
Artikel 3
Behoudens de artikelen 4 tot en met 11, zijn van rechten bij invoer vrijgesteld de persoonlijke goederen, ingevoerd door natuurlijke personen die hun normale verblijfplaats naar het douanegebied van de EU overbrengen.
Artikel 4
De vrijstelling is beperkt tot persoonlijke goederen die:
a) behoudens in door de omstandigheden gerechtvaardigde bijzondere gevallen, ten minste zes maanden vóór de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het derde land van herkomst heeft opgegeven, in zijn bezit zijn geweest en, wanneer het niet-verbruikbare goederen betreft, door hem in zijn vroegere normale verblijfplaats zijn gebruikt;
b) bestemd zijn om voor hetzelfde doel te worden gebruikt in zijn nieuwe normale verblijfplaats.
De lidstaten mogen bovendien de vrijstelling afhankelijk stellen van de voorwaarde dat op de betrokken goederen, hetzij in het land van oorsprong, hetzij in het land van herkomst, de douanerechten en/of belastingen zijn geheven welke daar normaal op slaan.
Artikel 5
Voor de vrijstelling komen alleen personen in aanmerking
die hun normale verblijfplaats sedert ten minste twaalf opeenvolgende maanden buiten het douanegebied van de EU hebben gehad
De bevoegde autoriteiten kunnen van het bepaalde in lid 1 evenwel afwijkingen toestaan, mits het in het voornemen van de belanghebbende lag gedurende ten minste twaalf maanden buiten het douanegebied van de EU te verblijven.
Artikel 6
Van de vrijstelling zijn uitgesloten:
alcoholische producten;
tabak en tabaksproducten;
bedrijfsvoertuigen;
materieel voor beroepsdoeleinden, ander dan draagbare instrumenten voor kunsten en ambachten.
Artikel 7
Behoudens bijzondere omstandigheden, wordt vrijstelling slechts verleend voor persoonlijke goederen die vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het douanegebied van de EU heeft gevestigd, voor het vrije verkeer zijn aangegeven.
Het in het vrije verkeer brengen van de persoonlijke goederen mag binnen de in lid 1 bedoelde termijn in gedeelten plaatsvinden.
Artikel 8
Tot het verstrijken van een termijn van twaalf maanden, te
rekenen vanaf de datum waarop de aangifte daarvan voor het vrije verkeer is aanvaard, mogen de met vrijstelling ingevoerde persoonlijke goederen niet worden uitgeleend, verpand, verhuurd, noch onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen, zonder dat de bevoegde autoriteiten daarvan vooraf in kennis zijn gesteld.
Het uitlenen, verpanden, verhuren of overdragen vóór het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn leidt tot toepassing van de voor de betrokken goederen geldende rechten bij invoer, tegen het op de datum van het uitlenen, verpanden, verhuren of overdragen van kracht zijnde tarief, zulks naar de soort en op grondslag van de douanewaarde die op die datum door de bevoegde autoriteiten als juist zijn erkend of aanvaard.
Artikel 9
In afwijking van artikel 7, eerste alinea, kan de vrijstelling
worden verleend voor persoonlijke goederen die voor het vrije verkeer worden aangegeven voordat de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het douanegebied van de EU vestigt, mits laatstgenoemde er zich toe verbindt zijn normale verblijfplaats daar binnen een termijn van zes maanden daadwerkelijk te vestigen. Deze verbintenis gaat gepaard met een zekerheidstelling
waarvan de bevoegde autoriteiten de vorm en het bedrag vaststellen.
Indien gebruik wordt gemaakt van het bepaalde in lid 1,
wordt de in artikel 4, onder a), bedoelde termijn berekend vanaf de datum waarop de persoonlijke goederen in het douanegebied van de EU zijn binnengebracht.
Artikel 10
Indien de belanghebbende het derde land waar hij zijn normale verblijfplaats had, ingevolge beroepsverplichtingen verlaat zonder deze normale verblijfplaats tegelijkertijd in het douanegebied van de EU te vestigen, maar met de bedoeling deze daar later te vestigen, kunnen de bevoegde autoriteiten vergunning verlenen tot invoer met vrijstelling van de persoonlijke goederen die hij daartoe naar genoemd douanegebied overbrengt.
De invoer met vrijstelling van de in lid 1 bedoelde persoonlijke goederen is aan in de artikelen 3 tot en met 8 genoemde voorwaarden onderworpen, met dien verstande dat:
de in artikel 4, onder a), en in artikel 7, eerste alinea, genoemde termijnen worden berekend vanaf de datum
waarop de persoonlijke goederen in het douanegebied van de EU zijn binnengebracht;
de in artikel 8, lid 1, bedoelde termijn wordt berekend vanaf
de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats daadwerkelijk in het douanegebied van de EU vestigt.
Invoer met vrijstelling is bovendien onderworpen aan de
verbintenis van de belanghebbende om zijn normale verblijfplaats in het douanegebied van de EU te vestigen binnen een periode die naargelang van de omstandigheden wordt vastgesteld door de bevoegde autoriteiten. Deze kunnen eisen dat aan deze verbintenis een zekerheidstelling wordt verbonden, waarvan zij de vorm en het bedrag vaststellen.
Artikel 11
De bevoegde autoriteiten kunnen afwijken van artikel 4, onder a) en b), van artikel 6, onder c) en d), en van artikel 8, indien een persoon zijn normale verblijfplaats van een derde land naar het douanegebied van de EU overbrengt ten gevolge van uitzonderlijke politieke omstandigheden.
BIJLAGE 2 - RICHTLIJN 2009/55/EG VAN DE RAAD van 25 mei 2009 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitief binnenbrengen uit een lidstaat van persoonlijke goederen door particulieren (omgezet in Belgisch recht door het KB nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de btw)
Artikel 1
Werkingssfeer
1. De lidstaten verlenen, op de onderstaande voorwaarden en in de onderstaande gevallen, na definitief binnenbrengen door een particulier van persoonlijke goederen uit een andere lidstaat, vrijstelling van verbruiksbelastingen die normaliter op dergelijke goederen worden geheven.
2. Deze richtlijn heeft geen betrekking op:
a) de belasting over de toegevoegde waarde;
b) de accijnsrechten;
c) de specifieke en/of periodieke rechten en heffingen op het gebruik van de in lid 1 bedoelde goederen in het land zelf, zoals bijvoorbeeld rechten geheven bij de
registratie van motorvoertuigen, wegenbelasting en kijkgelden.
Artikel 2
Voorwaarden betreffende de goederen
1. Als „persoonlijke goederen” in de zin van deze richtlijn worden beschouwd de goederen die dienen voor het persoonlijk gebruik van de belanghebbenden of voor de behoeften van hun gezin. Uit de aard of hoeveelheid van deze goederen mag niet afgeleid kunnen worden dat aan het binnenbrengen commerciële overwegingen ten grondslag liggen, noch dat zij bestemd zijn voor een economische activiteit in de zin van artikel 9, lid 1, en de artikelen 10 tot en met 13 van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde. Werktuigen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening door de belanghebbende van een technisch of vrij beroep, moeten evenwel ook als persoonlijke goederen worden beschouwd.
2. De in artikel 1 bedoelde vrijstelling wordt verleend voor persoonlijke goederen die:
a) zijn verkregen onder toepassing van de algemene belastingregels voor de binnenlandse markt van een lidstaat en die uit hoofde van het vertrek uit de lidstaat van herkomst niet in aanmerking komen voor vrijstelling of teruggave van verbruiksbelastingen. Voor de toepassing van deze richtlijn worden geacht aan deze voorwaarden te voldoen, de goederen die zijn verkregen in omstandigheden als bedoeld in artikel 151 van Richtlijn 2006/112/EG, met uitzondering van lid 1, eerste alinea, onder e);
b) door de belanghebbende werkelijk zijn gebruikt vóór de verandering van verblijfplaats of de vestiging van een tweede verblijfplaats. De lidstaten kunnen verlangen dat motorvoertuigen (met inbegrip van hun aanhangwagens), caravans, verplaatsbare woningen, pleziervaartuigen en sportvliegtuigen ten minste gedurende zes maanden vóór de verandering van verblijfplaats door de belanghebbende zijn gebruikt.
Voor de onder a), tweede zin, bedoelde goederen kunnen de lidstaten verlangen:
i) voor wat betreft motorvoertuigen (met inbegrip van hun aanhangwagens), caravans, verplaatsbare woningen, pleziervaartuigen en sportvliegtuigen, dat deze ten minste gedurende twaalf maanden vóór de verandering van verblijfplaats door de belanghebbende zijn gebruikt;
ii) voor wat betreft andere goederen, dat deze ten minste gedurende zes maanden vóór de verandering van verblijfplaats door de belanghebbende zijn gebruikt.
3. De bevoegde autoriteiten verlangen een bewijs dat voor wat betreft motorvoertuigen (met inbegrip van hun aanhangwagens), caravans, verplaatsbare woningen, pleziervaartuigen en sportvliegtuigen voldaan is aan de voorwaarden van lid 2. Voor wat betreft de overige goederen verlangen zij een dergelijk bewijs slechts in geval van ernstige vermoedens van bedrog.
Artikel 3
Voorwaarden voor het binnenbrengen
Het binnenbrengen van persoonlijke goederen kan geschieden in een of meer zendingen binnen de termijnen die respectievelijk in de artikelen 7 tot en met 10 worden genoemd.
Artikel 4
Verplichtingen na het binnenbrengen
De binnengebrachte motorvoertuigen (met inbegrip van hun aanhangwagens), caravans, verplaatsbare woningen, pleziervaartuigen en sportvliegtuigen mogen gedurende twaalf maanden na het binnenbrengen met vrijstelling niet worden overgedragen, verhuurd of uitgeleend, behalve in gevallen die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming naar behoren zijn gemotiveerd.
Artikel 5
Specifieke voorwaarden voor bepaalde goederen
Voor rijpaarden, motorvoertuigen (met inbegrip van hun aanhangwagens), caravans, verplaatsbare woningen, pleziervaartuigen en sportvliegtuigen geldt slechts vrijstelling bij het binnenbrengen indien de particulier zijn gewone verblijfplaats overbrengt naar de lidstaat van bestemming.
Artikel 6
Algemene regels ter bepaling van de verblijfplaats
1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder „gewone verblijfplaats” verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen, of, voor personen zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden tussen hemzelf en de plaats waar hij woont blijken.
De normale verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats dan zijn persoonlijke bindingen heeft en daardoor afwisselend op verschillende plaatsen in twee of meer Staten verblijft, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats als zijn persoonlijke bindingen te bevinden, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. Deze laatste voorwaarde vervalt wanneer de belanghebbende in een lidstaat verblijft voor een opdracht van een bepaalde duur. Het feit dat college wordt gelopen of een school wordt bezocht, houdt niet in dat de gewone verblijfplaats wordt verplaatst.
2. Particulieren tonen met passende middelen, met name met hun identiteitskaart of enig ander legitimatiebewijs, aan waar hun gewone verblijfplaats is.
3. Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming de juistheid van de overeenkomstig lid 2 of met het oog op bepaalde specifieke controles afgelegde verklaring van de gewone verblijfplaats in twijfel trekken, kunnen zij om aanvullende inlichtingen of bewijsstukken verzoeken.
Hoofdstuk II
Binnenbrengen van persoonlijke goederen naar aanleiding van een verandering van de gewone verblijfplaats
Artikel 7
1. De in artikel 1 bedoelde vrijstelling wordt overeenkomstig de voorwaarden van de artikelen 2 tot en met 5 verleend voor het binnenbrengen van persoonlijke goederen door een particulier bij verandering van zijn gewone verblijfplaats.
Onverminderd de nadere regels die eventueel van toepassing zijn op het communautaire douanevervoer geldt als voorwaarde voor het verlenen van de vrijstelling het indienen van een op ongezegeld papier opgestelde inventaris, die, indien de staat dat verlangt, vergezeld gaat van een verklaring waarvan model en inhoud worden bepaald overeenkomstig de procedure van artikel 248 bis, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek. Er mag niet worden verlangd dat de waarde van de goederen op de inventaris wordt vermeld.
2. De laatste binnenbrenging moet uiterlijk twaalf maanden na de verandering van de gewone verblijfplaats geschieden. Indien het binnenbrengen overeenkomstig artikel 3 binnen bovengenoemde termijn in verschillende keren geschiedt, mogen de lidstaten slechts bij de eerste binnenbrenging verlangen dat een volledige inventaris wordt overgelegd, waarnaar dan ook kan worden verwezen bij de achtereenvolgende zendingen via een andere grenspost. Deze volledige inventaris kan in overleg met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming worden aangevuld.
BIJLAGE 3 - Artikel 13 van het KB nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de btw
Artikel 13
§ 1. Onder voorbehoud van het bepaalde in de paragrafen 2 tot en met 9, wordt vrijstelling van de belasting verleend voor de definitieve invoer van persoonlijke goederen door een natuurlijk persoon die zijn normale verblijfplaats van buiten de EU naar een lidstaat overbrengt.
§ 2. De vrijstelling is beperkt tot persoonlijke goederen die:
1° behoudens in de door omstandigheden gerechtvaardigde bijzondere gevallen, ten minste zes maanden vóór de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats buiten de Gemeenschap heeft opgegeven, in zijn bezit zijn geweest en, wanneer het niet-verbruikbare goederen betreft, door hem in zijn vroegere normale verblijfplaats zijn gebruikt;
2° bestemd zijn om voor hetzelfde doel te worden gebruikt in de nieuwe normale verblijfplaats van de belanghebbende.
§ 3. De vrijstelling wordt slechts verleend indien de belanghebbende zijn normale verblijfplaats sedert ten minste twaalf opeenvolgende maanden buiten de EU heeft gehad. Door de Minister van Financiën of zijn gemachtigde kunnen evenwel afwijkingen van het eerste lid worden toegestaan, mits het in het voornemen van de belanghebbende lag gedurende ten minste twaalf maanden buiten de Gemeenschap te verblijven.
§ 4. Van de vrijstelling zijn uitgesloten:
1° alcoholische producten;
2° tabak en tabaksproducten;
3° bedrijfsvoertuigen;
4° materieel voor beroepsdoeleinden, ander dan draagbare instrumenten voor kunsten en ambachten.
§ 5. Behoudens bijzondere omstandigheden, wordt de vrijstelling slechts verleend voor persoonlijke goederen die vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in de EU heeft gevestigd, voor de definitieve invoer zijn aangegeven. De invoer van de persoonlijke goederen mag binnen de in het eerste lid bedoelde termijn in gedeelten plaatsvinden.
§ 6. Tot het verstrijken van een termijn van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum van de aangifte voor de definitieve invoer, mogen de met vrijstelling ingevoerde persoonlijke goederen niet worden uitgeleend, verpand, verhuurd of overgedragen noch onder bezwarende titel noch om niet, zonder dat de administratie daarvan vooraf in kennis is gesteld. Het uitlenen, verpanden, verhuren of overdragen vóór het verstrijken van de termijn bedoeld in het eerste lid leidt tot toepassing van de voor de betrokken goederen geldende belasting, tegen het op de datum van het uitlenen, verpanden, verhuren of overdragen van kracht zijnde tarief en over de op diezelfde datum vastgestelde maatstaf van heffing.
§ 7. In afwijking van paragraaf 5 wordt de vrijstelling eveneens verleend voor de persoonlijke goederen die definitief zijn ingevoerd voordat de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in de EU vestigt, mits hij zich ertoe verbindt er zijn normale verblijfplaats binnen een termijn van zes maanden daadwerkelijk te vestigen. Wanneer gebruik wordt gemaakt van deze bepaling wordt de termijn bedoeld in paragraaf 2 berekend vanaf de datum van invoer in de EU.
§ 8. Indien de belanghebbende het derde land of derdelands gebied waar hij zijn normale verblijfplaats had ten gevolge van beroepsverplichtingen verlaat, zonder deze normale verblijfplaats tegelijkertijd op het grondgebied van een lidstaat te vestigen maar met de bedoeling deze daar later te vestigen, wordt vrijstelling verleend voor de invoer van de persoonlijke goederen die hij daartoe naar genoemd grondgebied overbrengt. Die vrijstelling is aan de in de paragrafen 2 tot en met 6 genoemde voorwaarden onderworpen, met dien verstande dat de in de paragrafen 2 en 5 genoemde termijnen worden berekend vanaf de datum van invoer en dat de in paragraaf 6 bedoelde termijn wordt berekend vanaf de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats daadwerkelijk op het grondgebied van de EU vestigt. De vrijstelling is bovendien onderworpen aan een verbintenis van de belanghebbende om zijn normale verblijfplaats op het grondgebied van de EU te vestigen binnen een periode die naargelang van de omstandigheden wordt vastgesteld door de Minister van Financiën of zijn gemachtigde.
§ 9. Door de Minister van Financiën of zijn gemachtigde kan worden afgeweken van het bepaalde in de paragrafen 2, 4, 3° en 4°, en 6, indien een persoon zijn normale verblijfplaats naar het grondgebied van een lidstaat overbrengt ten gevolge van uitzonderlijke politieke omstandigheden.
[1] Worden beschouwd als “automobielen voor particulier gebruik”: deze die niet worden beschouwd als “bedrijfsvoertuigen”. Bedrijfsvoertuigen worden uitgesloten van de vrijstelling krachtens artikel 6 c van Verordening DV.
“Rijdende woningen” (mobilhomes of motorhomes) worden in dat opzicht als “automobielen voor particulier gebruik” beschouwd.
[2] Onder “Belgische personeelsleden van diplomatieke missies of daarmee gelijkgesteld” moet worden verstaan:
- diplomatiek en consulair personeel,
- het personeel van permanente vertegenwoordigingen van België in internationale organisaties,
- de ambtenaren van de kanselarij
- het hulppersoneel met Belgische nationaliteit aangeworven door het FOD Buitenlandse Zaken,
- het personeel van de centrale administratie van Buitenlandse Zaken die mensen in het buitenland tewerkstelt,
- de financieel adviseurs, militaire en landbouwkundige attachés in diplomatieke of consulaire posten.,
- de externe attachés van de gewesten en gemeenschappen.
De aandacht wordt erop gevestigd dat de Belgische gewone coöperanten (noch ambtenaar noch contractueel van een FOD) niet zijn opgenomen in de bovenstaande opsomming. Bij de invoer van verhuisboedel door dergelijke ambtenaren wordt de vrijstelling volgens de normale regels toegekend. Er kan wel een attest worden aanvaard van de algemene directie van de administratie voor ontwikkelingssamenwerking waarin staat dat de betrokken ambtenaren hun normale verblijfplaats in een derde land hadden.
[3] De termijn die in aanmerking moet worden genomen bij de invoer van goederen krachtens art. 9 en 10 van de Verordening (EG) van de Raad.
[4] Huishoudelijke voorraden die overeenkomen met een normale gezinsbevoorrading
[5] Indien de invoer in één keer plaatsvindt, is de gebruikelijke procedure van toepassing voor de lijst, de bewijzen, enz. (zie de algemene bepalingen in de inleiding van deze instructie). Zie verder voor de procedure en de andere bepalingen die bij de invoer in meerdere keren moeten nageleefd worden.
[6] Moeten beschouwd worden als “motorvoertuigen”, alle vervoermiddelen die door een motor in beweging worden gezet (automobielen voor particulier gebruik, motorfietsen, pleziervaartuigen, sportvliegtuigen, enz.).
------
Interne ref.: D.I. 510.013 - OEO DD 013.966
