Circulaire nr. Ci.RH.242/599.141 (AOIF Nr. 42/2009) d.d. 26.08.2009

Personenbelasting.

Beroepsinkomen.

Vrijgesteld inkomen.

Kunstenaar.

Vrijgestelde vergoeding.

Forfaitaire onkostenvergoeding aan een kunstenaar.

Vrijstellingsvoorwaarde.

Vrijgestelde forfaitaire onkostenvergoedingen voor kunstenaars. - Ontbreken kunstenaarskaart. - Praktische oplossing.

Aan alle ambtenaren.

I. INLEIDING

In het kader van de vrijgestelde forfaitaire onkostenvergoedingen die vanaf 1 januari 2007 worden toegekend aan kunstenaars wegens het leveren van artistieke prestaties en/of het produceren van artistieke werken voor rekening van een opdrachtgever voor een maximumbedrag van 2.000 EUR (niet-geïndexeerd bedrag, geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2009 : 2.138,70 EUR, aanslagjaar 2010 : 2.248,78 EUR) per kalenderjaar, rijzen problemen wegens het ontbreken van het bestaan van de zogenaamde "kunstenaarskaart".

De wettelijke bepalingen van de vrijgestelde forfaitaire onkostenvergoedingen toegekend aan kunstenaars zijn opgenomen in de wet van 25 april 2007 (BS 10.5.2007) tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de vergoedingen toegekend aan kunstenaars.

Voor een eerste commentaar op deze wettelijke bepalingen wordt verwezen naar bijlage 3 van Circulaire nr. AFZ/2007-0438-1 (AFZ 11/2007) dd. 11.7.2007.

II. PROBLEMATIEK

De voorwaarden opdat de beoogde onkostenvergoedingen aan kunstenaars vrijgesteld kunnen worden overeenkomstig art. 38, § 1, eerste lid, 23°, of art. 97, § 2, WIB 92, zijn opgenomen in art. 38, § 4, WIB 92.

Eén van deze voorwaarden is dat de betrokken belastingplichtige in het bezit moet zijn van een behoorlijk ingevulde kunstenaarskaart.

De invoering van de kunstenaarskaart is vastgelegd door het koninklijk besluit van 3 juli 2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en houdende uitvoering van artikel 12ter van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en tot wijziging van artikel 4, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit van 26 juni 2003 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten met betrekking tot de zelfstandigheidsverklaring aangevraagd door bepaalde kunstenaars.

Deze kunstenaarskaart bestaat tot op heden niet wegens het ontbreken van de uitvoeringsbepalingen die door de Minister bevoegd voor sociale zaken dienen te worden genomen.

Bijgevolg is de in art. 38, § 4, tweede lid, 1°, WIB 92, vastgelegde voorwaarde, nl. in het bezit zijn van een behoorlijk ingevulde kunstenaarskaart, in de praktijk onuitvoerbaar.

III. OPLOSSING

Om een antwoord te bieden op dit probleem kan in de huidige stand van zaken ermee worden ingestemd dat de belastingvrijstelling alsnog kan worden toegekend indien alle wettelijke voorwaarden voldaan zijn, met uitzondering van de voorwaarde gesteld in art. 38, § 4 tweede lid, 1°, WIB 92, nl. in het bezit zijn van een behoorlijk ingevulde kunstenaarskaart.

Gelet op het streven naar een parallellisme tussen de fiscale en de sociale wetgeving op het gebied van dergelijke onkostenvergoeding voor artistieke prestaties en/of het produceren van artistieke werken, werden, met betrekking tot het ontbreken van de kunstenaarskaart, inlichtingen ingewonnen bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ).

Aangezien de wettelijke bepalingen voorzien in een kunstenaarskaart en deze tot op heden niet bestaat, stemt de RSZ ermee in dat er geen specifieke documenten moeten worden bijgehouden. Het is derhalve aan de opdrachtgever en aan de kunstenaar om het nodige te doen om bij een eventuele controle aan te kunnen tonen dat de wettelijke voorwaarden werden gerespecteerd. De RSZ stelt dat een verklaring op eer eventueel van belang kan zijn in de relatie tussen opdrachtgever en kunstenaar, maar dat zij van geen waarde is bij een controle door een inspectiedienst.

IV. INVULLING VAN DE BEWIJSLAST

Gelet op het ontbreken van de kunstenaarskaart kan het standpunt van de RSZ worden bijgetreden. Aldus kunnen de betrokkenen zich beroepen op alle middelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed, om aan te tonen dat de overige wettelijke voorwaarden ter zake voldaan werden.

Inzonderheid kunnen de belastingplichtigen aan de hand van facturen, contracten, ontvangstbewijzen, bankafschriften of eventuele briefwisseling aantonen dat ter zake aan de overige voorwaarden is voldaan opdat de toegekende forfaitaire onkostenvergoedingen kunnen worden vrijgesteld.

Voor de Administrateur

Kleine en Middelgrote Ondernemingen :

De Directeur,

S. QUINTENS