Circulaire nr. Ci.RH.241/524.237 dd. 04.10.1999

CIRC 04.10.99/1

Circulaire nr. Ci.RH.241/524.237 dd. 04.10.1999


Bull. nr. 798, pag. 3379

SCHIPPER
Bedrijfsbeëindigingspremie.

STOPZETTING VAN DE BEROEPSWERKZAAMHEID
Vergoeding voor stopzetting van de beroepswerkzaamheid.

VERGOEDING
Herstel van een tijdelijke derving van winst.
Stopzetting van de beroepswerkzaamheid.

VERVANGINGSINKOMEN
Herstel van een tijdelijke derving van winst.


Belastingstelsel van de premies die worden toegekend in het kader van het KB 26.1.1999 betreffende de toekenning van een bedrijfsbeëindigingspremie aan bepaalde zelfstandige binnenschippers.

Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2+ en 2.

Onderstaand afschrift van brief wordt, ter kennisgeving, aan alle voormelde ambtenaren toegezonden.

Een afschrift van het KB 26.1.1999 betreffende de toekenning van een bedrijfsbeëindigingspremie aan bepaalde zelfstandige binnenschippers is als bijlage toegevoegd.

NAMENS DE MINISTER:
Voor de Directeur-generaal:
De Auditeur-generaal van financiën:


V. KINDT.


Brussel, 29 september 1999

Ministerie van Verkeer en Infrastructuur
Dienst voor Regeling der Binnenvaart


Frankrijklei 8, bus 3


2000 ANTWERPEN


Mijnheer de Commissaris,

In antwoord op uw bovenvermelde brief, gericht aan de Gewestelijke directeur te ANTWERPEN I, kan ik U mededelen dat de bedrijfsbeëindigingspremies die in het kader van het Koninklijk besluit van 26 januari 1999 betreffende de toekenning van een bedrijfsbeëindigingspremie aan bepaalde zelfstandige binnenschippers (Belgisch Staatsblad van 13 februari 1999), worden toegekend aan zelfstandige binnenschippers die hun beroepsactiviteiten stopzetten, voor de toepassing van de personenbelasting moeten worden aangemerkt als in artikel 28, eerste lid, 3°, b, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) bedoelde vergoedingen die na de stopzetting zijn verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke winstderving.

Het bedrag van de bedrijfsbeëindigingspremie dat in beginsel aan de belasting is onderworpen wordt, per belastbaar tijdperk, gevormd door de som van:

  • de bedragen die tijdens dat belastbare tijdperk maandelijks aan de rechthebbende van de premie worden uitbetaald,


en

  • de bedragen die voor elk kwartaal van datzelfde tijdperk, op voorlegging van het kwartaalvervaldagbericht dat de rechthebbende van de premie heeft ontvangen van een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen of van de Nationale Hulpkas voor de Sociale Verzekering van Zelfstandigen, door de Dienst voor Regeling der Binnenvaart rechtstreeks aan de betrokken kas worden betaald.


Op fiscaal vlak worden de beoogde beëindigingspremies behandeld als vervangingsinkomsten in de zin van artikel 146, 5°, WIB 92, d.w.z. dat zij tegen het normale, progressieve, tarief belastbaar zijn, met toekenning evenwel van de specifieke belastingverminderingen die gelden inzake vervangingsinkomsten (cf. de artikelen 146 tot 154 WIB 92). Zij geven nooit aanleiding tot een vermeerdering van de belasting wegens gebrek aan voorafbetalingen.

Dergelijke premies moeten op een individuele loonfiche nr. 281.10, tegenover de kenletter "G" en op de ermee overeenstemmende samenvattende opgave 325.10 worden vermeld en zijn aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 11,33 % overeenkomstig de regel opgenomen in het nar 19, B, van de Bijlage III van het Koninklijk Besluit tot uitvoering van het voormelde Wetboek (KB/WIB 92), zoals laatst vervangen door het Koninklijk Besluit van 30 maart 1999 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing (Belgisch Staatsblad van 17 april 1999, eerste editie).

Een afschrift van deze brief zal aan alle taxatiediensten worden toegezonden.

Met de meeste hoogachting,

NAMENS DE MINISTER:
Voor de Directeur-generaal:
De Auditeur-generaal van financiën,


V. KINDT.


BIJLAGE

MINISTERIE VAN VERKEER
EN INFRASTRUCTUUR


26 JANUARI 1999. - Koninklijk besluit betreffende de toekenning van een bedrijfsbeëindigingspremie aan bepaalde zelfstandige binnenschippers

ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 15 januari 1999 houdende budgettaire en diverse bepalingen inzonderheid op artikel 15;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën van 21 december 1998;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen door de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid gemotiveerd door het tijdschema van de uitvoeringsmaatregelen van de verordeningen van de Europese Gemeenschappen betreffende de structurele sanering van de binnenvaart, in het kader van de sloopactie 1996-1998;

Overwegende dat elke bijkomende vertraging van aard zou zijn om het belang van de betrokken particulieren en van de sector van de binnenvaart in het algemeen in gevaar te brengen;

Overwegende dat de beslissing van de Ministerraad van 18 juli 1997 de machtiging inhoudt tot het toekennen van een bedrijfsbeëindigingspremie aan bepaalde zelfstandige binnenschippers;


Op de voordracht van Onze Minister van Vervoer,


Hebben Wij besloten en besluiten Wij:


Artikel 1. Een bedrijfsbeëindigingspremie wordt toegekend aan zelfstandige binnenschippers die op 1 januari 1998 de ouderdom van 58 jaar hebben bereikt, die niet ouder zijn dan 65 jaar en die aan volgende voorwaarden voldoen :



de Belgische nationaliteit hebben of onderdaan zijn van één van de lidstaten van de Europese Unie;
op het ogenblik van de indiening van de aanvraag onderworpen zijn aan het Belgisch sociaal statuut der zelfstandigen in de hoedanigheid van zelfstandig schipper, dit ook geweest zijn gedurende ten minste 5 jaar van de tien voorafgaande jaren en op het ogenblik van de aanvraag in regel zijn met de bijdragen aan een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen of aan de Nationale Hulpkas voor de Sociale Verzekering van Zelfstandigen. Indien de aanvrager niet kan bewijzen dat hij gedurende 5 jaar aan dit statuut onderworpen is geweest als gevolg van overmacht (zware ziekte, invaliditeit enz.) worden de jaren dat de echtgeno(o)t(e) of samenwonende onderworpen geweest is aan het sociaal statuut der zelfstandigen in de hoedanigheid van zelfstandig schipper in aanmerking genomen, voor zover deze de jaren van onderworpenheid van de aanvrager niet overlappen;
op het ogenblik van de indiening van de aanvraag voor ten minste 50 % eigenaar zijn van een schip dat hetzij het onderwerp is van een aanvraag om sloopuitkering die werd goedgekeurd in het kader van de saneringsmaatregelen van de Europese Unie, hetzij verkocht werd aan een andere eigenaar die voor zijn schip een aanvraag om sloopuitkering heeft ingediend die werd goedgekeurd in het kader van de saneringsmaatregelen van de Europese Unie;
zich ertoe verbinden alle beroepsactiviteiten stop te zetten, zich te onderwerpen aan het stelsel van de voortgezette verzekering inzake sociale zekerheid voor zelfstandigen en in regel te zijn met de bijdragen met betrekking tot de verzekering inzake pensioen en ziekte en invaliditeit.
Art. 2. Het basisbedrag van de bedrijfsbeëindigingspremie bestaat uit de som van volgende elementen:



328.100 BEF per jaar in geval de rechthebbende gezinshoofd is en 246.076 BEF per jaar in het geval hij alleenstaande is. Deze bedragen worden geïndexeerd volgens de modaliteiten en op de tijdstippen die gelden voor de pensioenen van zelfstandigen;
een jaarlijks bedrag dat overeenstemt met de werkelijk door de rechthebbende te betalen sociale bijdragen in het kader van de voorgezette verzekering inzake sociale zekerheid voor zelfstandigen voor het gedeelte dat betrekking heeft op de verzekering inzake pensioen en ziekte en invaliditeit, doch met een maximum van 113.628 BEF per jaar.
Art. 3. § 1 . Het basisbedrag van de bedrijfsbeëindigingspremie wordt als volgt aangepast in functie van de andere inkomsten dan beroepsinkomsten als zelfstandig binnenschipper:

1° Vermindering met de jaarlijkse beleggingsopbrengst van de netto sloopuitkering of de netto opbrengst van verkoop van het schip.

De netto sloopuitkering en de netto verkoopprijs worden bekomen door de bruto bedragen te verminderen met het bedrag van de aflossing van het uitstaand saldo van een eventuele hypothecaire lening op het schip, en vervolgens door toepassing van een belasting op het saldo tegen de gemiddelde aanslagvoet die voorkomt op het meest recente aanslagbiljet van de directe belastingen.

In geval van verkoop van het schip wordt de verkoopprijs die voorkomt op de factuur in aanmerking genomen voor de berekening met evenwel als minimum de sloopuitkering die voor het schip zou kunnen worden bekomen.

De jaarlijkse beleggingsopbrengst wordt berekend tegen de interestvoet van een kasbon op 5 jaar uitgegeven door het Gemeentekrediet op het ogenblik van de indiening van de aanvraag tot het bekomen van een bedrijfsbeëindigingspremie, verminderd met de roerende voorheffing, op de bedragen van de netto sloopuitkering of de netto verkoopprijs die 1 miljoen BEF overschrijden.

Deze opbrengst, eens vastgesteld, wordt verder in aanmerking genomen als vaste verminderingsfactor gedurende de ganse periode van uitkeringsgerechtigdheid van de aanvrager.

Bovendien geldt dat voor de eerste schijf van 1 miljoen BEF de beleggingsopbrengst wordt vermenigvuldigd met coëfficiënt 1, voor de tweede schijf van 1 miljoen BEF met coëfficiënt 1,5 en voor de daaropvolgende schijven met coëfficiënt 2.

De totale berekende beleggingsopbrengst wordt afgetrokken van het basisbedrag van de bedrijfsbeëindigingspremie.


2° Vermindering met het kadastraal inkomen.


Aan de hand van de gegevens van het meest recente aanslagbiljet van de directe belastingen wordt jaarlijks een totaal kadastraal inkomen berekend dat wordt afgetrokken van het basisbedrag van de bedrijfsbeëindigingspremie. De berekening gebeurt volgens de volgende regels:



a)voor het onroerend goed dat gebruikt wordt als persoonlijke woonst wordt het gedeelte van het geïndexeerde kadastraal inkomen dat hoger is dan 30.000 BEF in aanmerking genomen voor de vermindering.
Dit gedeelte wordt gedeeld met de coëfficiënt 1,1 indien er 3 personen ten laste zijn. Deze coëfficiënt wordt met 0,1 verhoogd per bijkomende persoon ten laste.



b)voor andere onroerende goederen wordt het in mindering te brengen bedrag bepaald door het geïndexeerde kadastraal inkomen met de coëfficiënt 2 te vermenigvuldigen.



3° Vermindering met andere inkomsten dan bedoeld onder 1° en 2°.


De andere netto inkomsten waarover wordt beschikt volgens het meest recente aanslagbiljet van de directe belastingen worden volledig van het basisbedrag van de bedrijfsbeëindigingspremie afgetrokken.

§ 2. De in mindering te brengen bedragen bedoeld in § 1, 2° en 3°, worden jaarlijks herzien vanaf 1 januari in functie van de gegevens van het meest recente aanslagbiljet van de directe belastingen.

§ 3. Gelet op het feit dat de berekening van de bedrijfsbeëindigingspremie voor een deel is gebaseerd op gegevens van het meest recente aanslagbiljet van de directe belastingen, is het mogelijk dat naderhand jaarlijks bepaalde correcties aan de berekening dienen te worden doorgevoerd teneinde een correcte bepaling en uitkering van het bedrag van de premie te realiseren. Enkel het aanslagbiljet wordt in aanmerking genomen voor het berekenen van deze correcties.

Art. 4. De aanvragen tot het bekomen van de bedrijfsbeëindigingspremie worden ingediend bij de Dienst voor Regeling der Binnenvaart, hierna de Dienst genoemd, in de periode van 1 november 1997 tot en met 31 december 1998.

Volgende bewijsstukken worden bij de aanvraag gevoegd:



een attest uitgereikt door het gemeentebestuur van de woonplaats van de aanvrager aan de hand waarvan de nationaliteit, de geboortedatum en de samenstelling van het gezin van de betrokkene kan worden vastgesteld;
een attest uitgereikt door een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen of door de Nationale Hulpkas voor de Sociale Verzekering voor Zelfstandigen waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden vermeld in artikel 1, 2°;
een door het gemeentebestuur voor eensluidend verklaard afschrift van het meest recente aanslagbiljet van de directe belastingen.
Art. 5. § 1. Het gedeelte van de bedrijfsbeëindigingspremie bedoeld in artikel 2, 1° wordt maandelijks uitbetaald op het einde van de maand. Het is de eerste maal verschuldigd voor de maand volgend op die waarin aan volgende voorwaarden wordt voldaan, doch ten vroegste voor de maand januari 1998 :



het schip dient hetzij gesloopt te zijn, hetzij stilgelegd te zijn in afwachting van de sloop, hetzij verkocht te zijn;
de rechthebbende dient al zijn beroepsactiviteiten definitief te hebben stopgezet en verder geen beroepsactiviteiten meer uit te oefenen.
Bovendien dient de rechthebbende zich in regel te hebben gesteld met het stelsel van de voortgezette verzekering inzake de sociale verzekering voor zelfstandigen. Daartoe legt hij een attest van een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen of van de Nationale Hulpkas voor de Sociale Verzekering voor Zelfstandigen voor waaruit blijkt dat hij aanvaard werd onder het stelsel van de voortgezette verzekering inzake sociale zekerheid voor zelfstandigen, zoals bedoeld in artikel 1, 4°.

§ 2. Het gedeelte van de bedrijfsbeëindigingspremie bedoeld in artikel 2, 2° wordt elk kwartaal, op voorlegging van het kwartaalvervaldagbericht dat de rechthebbende heeft ontvangen van een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen of van de Nationale Hulpkas voor de Sociale Verzekering van Zelfstandigen, door de Dienst rechtstreeks betaald aan de betrokken kas.

§ 3. Het recht op de bedrijfsbeëindigingspremie vervalt bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en in het geval van overlijden van de rechthebbende.

Art. 6. De Dienst kan zich alle documenten laten voorleggen en inlichtingen laten verstrekken die nodig zijn om de berekening van de premie te kunnen verrichten en om te kunnen beoordelen of alle voorwaarden om te kunnen genieten van de bedrijfsbeëindigingspremie vervuld zijn of blijven.

In geval de rechthebbende in gebreke blijft het gedeelte van de sociale bijdragen dat het maximumbedrag bedoeld in artikel 2, 2° overschrijdt, te betalen binnen de voorgeschreven termijnen, kan de Dienst dit gedeelte afhouden van het gedeelte van de bedrijfsbeëindigingspremie bedoeld in artikel 2, 1°, en het rechtstreeks storten aan de betrokken verzekeringskas.

Art. 7. De Dienst wordt belast met de volledige administratieve afhandeling van de aanvragen tot het bekomen van de bedrijfsbeëindigingspremie vanaf de indiening van de aanvraag tot en met de uitbetaling van de premie.

Art. 8. De Dienst deelt aan de Staat vóór het begin van elk kwartaal mee welke financiële middelen nodig zijn voor de uitbetaling van de bedrijfsbeëindigingspremie.

Art. 9. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 november 1997 en houdt op van kracht te zijn de dag waarop de wet houdende bekrachtiging van het samenwerkingsakkoord, ondertekend op 9 april 1998, tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot de toekenning van een bedrijfsbeëindigingspremie aan zelfstandige binnenschippers, in werking treedt.

Art. 10. Onze Minister van Vervoer is belast met de uitvoering van dit besluit.




Gegeven te Brussel, 26 januari 1999.


ALBERT

Van Koningswege:

De Minister van Vervoer, M. DAERDEN.