Circulaire nr. 8/2009 (AFZ nr. 5/2009) d.d. 07.04.2009
Vlaams Gewest - Successierechten - Decreet van 21 november 2008:
- wijziging artikel 60bis Vl.W.Succ.
- wijziging artikel 135 Vl.W.Succ.
Federale Overheidsdienst FINANCIEN
PATRIMONIUM DOCUMENTATIE
Kadaster, Registratie en Domeinen
Dienst VI
Dossier nr. E.E./L. 186V
Administratie van Fiscale Zaken
4de dienst - 3de directie
Dossier nr. 295
2 bijlagen
In het Belgisch Staatsblad van 27 januari 2009 werd het decreet van 21 november 2008 van het Vlaams Gewest "houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2008" bekendgemaakt.
Bij dat decreet werden aan artikel 60bis W. Succ. VL. (artikel 24 van het decreet), enkele aanpassingen doorgevoerd, en dit op verzoek van de Vlaamse Belastingdienst die instaat voor de controle van het vervuld zijn en blijven van de toepassingsvoorwaarden van het betreffende fiscaal voordeel. Vermits dit een andere overheidsdienst dan de Federale Overheidsdienst Financiën aanbelangt, wordt het verstrekken van de administratieve commentaar bij deze wijzigingen aan de Vlaamse Belastingdienst overgelaten. Voorts werd in artikel 135 W. Succ. VL. een 10° ingevoegd (artikel 25 van het decreet), zodat de rechtverkrijgenden van de overledene toch nog kunnen genieten van de vrijstelling voor bossen hoewel ze dat niet konden op het ogenblik van de heffing van de rechten op de oorspronkelijke aangifte, mits later maar uiterlijk binnen de twee jaar na het overlijden, aan alle in artikel 55quater W. Succ. VL. gestelde voorwaarden voldaan wordt.
Artikel 24 van het decreet (wijziging artikel 60bis W. Succ. VL.) heeft uitwerking gekregen met ingang van 1 november 2007; artikel 25 van het decreet (wijziging artikel 135 W. Succ. VL. ) is in werking getreden op 1 januari 2009.
In deze circulaire wordt enkel een eerste commentaar verstrekt bij de wijzigingen die door dit decreet zijn aangebracht aan artikel 135 W. Succ. VL. Voor een commentaar bij de wijziging aan artikel 60bis W. Succ. VL. wordt verwezen naar de omzendbrief die de Vlaamse Administratie daarover zal opstellen.
Commentaar
1. Ratio legis van de wijziging van artikel 135 W. Succ. VL.
In de memorie van toelichting (1) wordt de ratio legis van de invoering van een nieuw 10° in artikel 135 W. Succ. VL. als volgt verwoord:
"Artikel 55quater van het Wetboek van successierechten voorziet een vrijstelling van het recht van successie en van het recht van overgang bij overlijden voor de waarde van de onroerende goederen die te beschouwen zijn als bos, zoals bedoeld in artikel 3 van het bosdecreet van 13 juni 1990.
Voorwaarde is dat voor dat bos een beheersplan werd opgemaakt dat voldoet aan de criteria voor duurzaam bosbeheer.
Deze vrijstelling is een stimulans voor eigenaars van bossen om deze ook effectief als bos in stand te houden volgens de modaliteiten en voorwaarden bepaald in een bosbeheersplan. Deze fiscale vrijstelling draagt aldus bij tot het behoud van het bestaande bosareaal dat vandaag eigendom is van particuliere personen.
Volgens de actueel geldende voorwaarden moet een dergelijk bosbeheersplan bestaan ten dage van het overlijden. In de aangifte van nalatenschap moeten de verkrijgers uitdrukkelijk om de toepassing van de vrijstelling verzoeken en bij de aangifte moet een attest gevoegd worden waaruit blijkt dat voldaan is aan de vereiste van de opmaak van het beheersplan.
Deze vereiste kan tot gevolg hebben dat in situaties waarbij het doel van de vrijstelling, het behoud van het bosareaal, duidelijk gerealiseerd wordt, maar de vrijstelling toch niet kan worden toegekend omdat het beheersplan pas na het overlijden kan worden gefinaliseerd.
In het geval er bijvoorbeeld gestreefd wordt naar een samenhangend en uitgebreid bosbeheersplan dat opgemaakt is voor meerdere, naburige eigenaars tegelijk, kan de voorwaarde van het bestaan van het beheersplan ten dage van het overlijden ondoelmatig blijken. De procedure voor opmaak en goedkeuring van uitgebreide bosbeheerplannen voor boscomplexen met meerdere eigenaars duurt immers vaak meerdere jaren. In de huidige regeling wordt de private boseigenaar die in het systeem wil instappen, er dus toe gedwongen om snel tot een bosbeheerplan te komen, i.e. zonder af te wachten of er geen meerdere naburige eigenaars zijn die in het project wensen mee te stappen.
Om aan deze situaties tegemoet te komen wordt met voorliggende bepaling voorzien dat een bosbeheersplan nog kan worden opgemaakt tot uiterlijk twee jaar na de datum van het overlijden, om alsnog de vrijstelling - die de vorm van een teruggave van successierechten zal aannemen - te kunnen inroepen.
Er wordt voorzien dat de voorwaarden en modaliteiten vermeld in artikel 55quater W. Succ. moeten worden gevolgd. Dit betekent dat in de aangifte die wordt ingeleverd om de teruggave te bekomen om toepassing van artikel 55quater moet worden verzocht, en dat een teruggave enkel kan verleend worden na voorlegging van het vereiste attest waaruit blijkt dat voldaan is aan de vereiste van de opmaak van het bosbeheersplan.
Het spreekt voor zich dat wanneer het bosbeheersplan werd gefinaliseerd na het overlijden, doch vóór het indienen van de aangifte van nalatenschap, de vrijstelling overeenkomstig artikel 55quater W. Succ. onmiddellijk bij de berekening van de successierechten kan worden toegekend."
----------
[(1) Vlaams Parlement Stuk 1824 (2007-2008) - Nr.1, toelichting bij artikel 20, blz. 9 - 10.]
2. Opvangnet voor het geval de voorwaarden bepaald in artikel 55quater W. Succ. bij de heffing van de rechten op de oorspronkelijke aangifte niet zijn vervuld.
In de artikelsgewijze toelichting bij het ontwerp van decreet wordt de functie van artikel 135, 10° W. Reg. VL. vooral in verband gebracht met situaties waarin de (laat)tijdige totstandkoming van het bosbeheersplan een obstakel vormt voor de toepassing van artikel 55quater.
Uit de algemene bewoordingen waarin het 10° van artikel 135 W. Reg.VL. is gesteld, moet echter worden afgeleid dat teruggave mogelijk is wat ook de reden is geweest waarom het belastingvoordeel niet dadelijk op grond van artikel 55quater werd gevraagd of waarom dat voordeel niet dadelijk kon worden bekomen.
Voorbeelden: teruggave is ook mogelijk wanneer
-
de toepassing van artikel 55quater W. Succ. VL. niet werd gevraagd in de aangifte van nalatenschap, hoewel op het ogenblik van het overlijden al een bosbeheersplan bestond;
-
er al een bosbeheersplan bestond en de toepassing van artikel 55 quater W. Succ. wel werd gevraagd, maar in de aangifte van nalatenschap ontbreekt de in § 2, 2° van dat artikel bedoelde verplichte verklaring van kennis van het bepaalde in artikel 13bis van het bosdecreet van 13 juni 1990;
-
er al een bosbeheersplan bestond en de toepassing van artikel 55quater W. Succ. VL. wel werd gevraagd, maar het in §2, 2° van dat artikel bedoelde attest niet bij de aangifte was gevoegd.
In die zin is het nieuwe artikel 135, 10°, een echt opvangnet dat toelaat het voordeel nog achteraf, d.w.z. na de vereffening van de rechten op zicht van de oorspronkelijke aangifte van nalatenschap, te genieten en wel ongeacht de oorzaak van niet-toepasselijkheid in het kader van de oorspronkelijke aangifte van artikel 55quater W. Succ. VL.
3. Voorwaarden om de teruggave te verkrijgen
3.1. De voorwaarden met betrekking tot de aard en de ligging van de onroerende goederen om voor het belastingvoordeel voor bossen door middel van een teruggave in aanmerking te komen, zijn vanzelfsprekend dezelfde als die gesteld om het belastingvoordeel bij de vereffening van de rechten op de oorspronkelijke aangifte van nalatenschap te genieten. Wat betreft die voorwaarden, wordt verwezen naar punt 2 (2) van de commentaar verstrekt in circulaire 4/2006 van 26 januari 2006.
----------
[(2) Inzonderheid punt 2.a.2. en 2.b. van circulaire nr. 4/2006 van 26 januari 2006.]
3.2. De formele voorwaarden die bij een onmiddellijke toepassing van de vrijstelling moeten vervuld zijn in de aangifte van nalatenschap moeten, in geval het voordeel onder de vorm van een teruggave wordt gevraagd, uiteraard mutatis mutandis vervuld worden in de bijvoeglijke aangifte bedoeld in artikel 135 W. Succ VL. waarbij die teruggave wordt gevraagd.
Aldus moet:
1) in die (bijvoeglijke) aangifte (3) waarin de teruggave wordt gevraagd
1.1) uitdrukkelijk verzocht worden om de toepassing van artikel 55quater onder de vorm van een teruggave;
1.2) de verklaring met betrekking tot de kennis van de inhoud artikel 13bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 voorkomen;
1.3.) indien niet in de oorspronkelijke aangifte van de nalatenschap opgegeven, de verkoopwaarde van de voor de vrijstelling in aanmerking komende goederen worden opgegeven.
2) het door het Vlaams Gewest uitgereikt attest (4) betreffende het bestaan van een door het bosbeheer goedgekeurd beheersplan als bedoeld in art. 55quater, § 2, 1° W. Reg. VL., gevoegd zijn bij die (bijvoeglijke) aangifte.
----------
[(3) Vergelijk punt 5.1., 5.3. en 5.4. van circulaire nr. 4/2006 van 26 januari 2006.
(4) Zie punt 5.2. van circulaire nr. 4/2006 van 26 januari 2006.]
3.3. De teruggave moet ten slotte gevraagd worden binnen een termijn van 2 jaar na het overlijden. Het betreft hier een vervaltermijn.
4. Omzetting belastingvoordeel in subsidie - praktische gevolgen
Het spreekt voor zich dat ook wanneer het belastingvoordeel wordt verkregen onder de vorm van een teruggave, dat voordeel geacht wordt als een subsidie te zijn verleend. Voor de daaruit voortvloeiende praktische gevolgen wordt verwezen naar wat daarover gezegd wordt in punt 6 van de circulaire nr. 4/2006 van 26 januari 2006.
5. Inwerkingtreding.
Het nieuwe artikel 135, 10° W. Succ. VL. is krachtens artikel 86 van het decreet in werking getreden op 1 januari 2009.
Uiteraard geldt de nieuwe regeling in het kader van de vereffening van de successierechten verschuldigd op vanaf 1 januari 2009 opengevallen nalatenschappen.
Vermits het hier echter gaat om een bepaling die een nieuwe teruggave mogelijk maakt, geldt die mogelijkheid ook in het kader van de vereffening van de successierechten verschuldigd ingevolge overlijdens die zich vóór 1 januari 2009 hebben voorgedaan, op voorwaarde dat de mogelijkheid van teruggave op diezelfde datum nog niet is verjaard (5) en dat de termijn van 2 jaar na het overlijden gesteld in de nieuwe bepaling nog niet is verstreken. Vermits laatstgenoemde termijn korter is dan de verjaringstermijn van de teruggave, is de termijn van 2 jaar hier doorslaggevend.
Voorbeeld: overlijden 1 juli 2007
-
bijvoeglijke aangifte toepassing art. 135, 10° W. Succ. VL. : 1 juni 2009
teruggave is mogelijk -
bijvoeglijke aangifte toepassing art. 135, 10° W. Succ. VL.: 1 augustus 2009
teruggave is niet meer mogelijk
----------
[(5) Verjaringstermijn van vijf jaar - zie artikel 138 W. Succ.]
NAMENS DE MINISTER :
De adjunct-administrateur-generaal,
Paul NECKEBROECK.
BIJLAGE 1
UITTREKSEL UIT HET BELGISCH STAATSBLAD VAN 27 JANUARI 2009
VLAAMSE OVERHEID
21 NOVEMBER 2008. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2008.
Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2008.
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
…
HOOFDSTUK III. - Fiscaliteit
…
Afdeling III. - Successierechten
Art. 24. § 1. In artikel 60bis, § 3, van het Wetboek der Successierechten worden de woorden « Europese Unie » vervangen door de woorden « Europese Economische Ruimte ».
§ 2. In artikel 60bis, § 5, vierde lid, van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden « de onderneming » en de woorden « in de twintig kwartalen » de woorden « of de vennootschap » ingevoegd.
§ 3. In artikel 60bis, § 5, van hetzelfde Wetboek wordt het laatste lid vervangen door wat volgt :
« De in het eerste, tweede en zesde lid vermelde bedragen worden vermenigvuldigd met een coëfficiënt, die wordt verkregen door het gemiddelde van de gezondheidsindexcijfers van hetzij de drie kalenderjaren voorafgaand aan dat waarin het overlijden plaatsheeft, hetzij de vijf kalenderjaren te beginnen met het jaar waarin het overlijden plaatsheeft, te delen door het gezondheidsindexcijfer van de maand december 2007. Met het gezondheidsindexcijfer wordt bedoeld, het indexcijfer zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.».
Art. 25. Aan artikel 135 van het Wetboek der Successierechten wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 10° wanneer aan de voorwaarden voor de toepassing van de in artikel 55quater bepaalde vrijstelling wordt voldaan binnen een termijn van 2 jaar na het overlijden.».
…
HOOFDSTUK XXV. - Slotbepalingen
Art. 86. Dit decreet treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van :
…
- artikel 24, dat uitwerking heeft met ingang van 1 november 2007;
- artikel 25, dat in werking treedt op 1 januari 2009;
…
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 19 december 2008.
(volgen de namen van de betrokken ministers van de Vlaamse Regering).
BIJLAGE 2
Gecoördineerde teksten van de gewijzigde artikelen van het Wetboek der successierechten.
Art. 60bis W. Succ. VL.
§ 1. In afwijking van artikelen 48 en 482 wordt van het successierecht vrijgesteld, de nettowaarde van :
a) de activa die door de erflater of zijn echtgenoot beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming; en
b) de aandelen in een familiale vennootschap of vorderingen op een dergelijke vennootschap, op voorwaarde dat de onderneming of de aandelen van de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden ononderbroken voor ten minste 50 procent toebehoorden aan de overledene en/of zijn echtgenoot, en dat deze spontaan in de aangifte van nalatenschap worden vermeld.
Voor de berekening van de 50 procent wordt tevens rekening gehouden met de activa of de aandelen :
- die in het bezit zijn of waren van ascendenten of descendenten en hun echtgenoten, of van zijverwanten van de overledene tot en met de tweede graad en hun echtgenoten;
- die in het bezit zijn van kinderen van vooroverleden broers en zusters van de overledene.
Fusie, splitsing, inbreng van aandelen, of andere verrichtingen in de drie jaar vóór het overlijden, waarbij de betrokkene rechtstreeks of onrechtstreeks aandeelhouder werd of blijft, belet de vrijstelling niet, op voorwaarde dat de betrokkene vóór en na de verrichting aan de voorwaarden voldoet.
Voor aandelen in vennootschappen met een sociaal oogmerk (VSO) geldt de 50% eigendomsvoorwaarde niet.
§ 2. Onder familiale onderneming wordt verstaan : een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf of een vrij beroep, dat door de erflater en/of zijn echtgenoot, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd of uitgeoefend.
§ 3. Onder familiale vennootschap wordt verstaan : de vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, die :
- ofwel zelf beantwoordt aan de voorwaarden van §§ 1, 5 en 8;
- ofwel, die aandelen en desgevallend vorderingen houdt van dochtervennootschappen die aan deze voorwaarden beantwoorden.
In dit laatste geval wordt de participatievoorwaarde op geconsolideerde basis berekend; de tewerkstellingsvoorwaarde, bedoeld in § 5, wordt echter per vennootschap berekend.
§ 4. Onder aandelen wordt tevens begrepen :
- maatschappelijke rechten in vennootschappen;
- de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder.
Onder vorderingen wordt tevens begrepen : de certificaten van vorderingen, uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van vorderingen op familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de intresten en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder.
§ 5. De vrijstelling wordt slechts toegestaan op voorwaarde dat de onderneming of de vennootschap in de twaalf kwartalen voorafgaand aan het overlijden, minstens 500.000 euro aan loonlasten heeft uitbetaald aan werknemers die in de Europese Economische Ruimte tewerkgesteld zijn.
In afwijking van het eerste lid, wordt, indien de onderneming of de vennootschap in de drie jaren voorafgaand aan het overlijden minder dan 500.000 euro aan loonlasten heeft uitbetaald aan werknemers die in de Europese Economische Ruimte tewerkgesteld zijn, de vrijstelling slechts proportioneel toegepast.
De uitbetaalde loonlasten worden beoordeeld op basis van de aangiften vereist voor de sociale wetgeving, of bij ontstentenis aan dergelijke aangiften, voor de fiscale wetgeving. Onder loonlasten wordt verstaan : het gewone basis- of minimumloon of -salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt, alsmede alle sociale zekerheidsbijdragen die op dit loon drukken.
De vrijstelling wordt slechts behouden indien de onderneming of de vennootschap in de twintig kwartalen na het overlijden een bedrag minstens gelijk aan 5/3e van de loonlasten, betaald in de twaalf kwartalen vóór het overlijden, heeft uitbetaald. Indien en in de mate dat deze loonlasten, betaald na het overlijden, lager zouden zijn, is de belasting tegen het normale tarief evenredig verschuldigd.
Komen niet in aanmerking loonlasten in verband met werknemers die in hoofdzaak huishoudelijke handarbeid verrichten in verband met de huishouding van de werkgever of van zijn gezin of van een bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of van een persoon met een gelijkaardige functie van de vennootschap.
Komen evenmin in aanmerking loonlasten betaald ten voordele van de erflater zelf, diens echtgenoot, en zijn verwanten in rechte lijn, in de mate waarin deze loonlasten 300.000 euro overtreffen voor wat betreft de periode vóór het overlijden, en 500.000 euro voor wat betreft de periode na het overlijden.
De in het eerste, tweede en zesde lid vermelde bedragen worden vermenigvuldigd met een coëfficiënt, die wordt verkregen door het gemiddelde van de gezondheidsindexcijfers van hetzij de drie kalenderjaren voorafgaand aan dat waarin het overlijden plaatsheeft, hetzij de vijf kalenderjaren te beginnen met het jaar waarin het overlijden plaatsheeft, te delen door het gezondheidsindexcijfer van de maand december 2007. Met het gezondheidsindexcijfer wordt bedoeld, het indexcijfer zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.
§ 6. De activa die bijkomend belegd werden in de onderneming in de laatste drie jaar voor het overlijden, komen voor de vrijstelling niet in aanmerking, tenzij de bijkomende belegging van deze activa beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften.
Kapitaalverhogingen of bijkomende leningen, die in de laatste drie jaar voor het overlijden werden volgestort of toegestaan, komen voor de vrijstelling niet in aanmerking, tenzij deze beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften.
§ 7. Indien het belegd vermogen of het kapitaal en de vorderingen bedoeld in § 1 dalen door uitkeringen of terugbetalingen in de vijf jaar na het overlijden wordt het normaal tarief evenredig verschuldigd.
§ 8. De onderneming of de vennootschap komt slechts voor de vrijstelling in aanmerking voor zover de onderneming of de vennootschap een jaarrekening opmaakt overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van ondernemingen, welke tevens aangewend werd ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting, gedurende een periode van drie jaar voor en vijf jaar na het overlijden.
Ondernemingen of vennootschappen waarvan de maatschappelijke zetel gelegen is buiten het Vlaamse Gewest moeten een jaarrekening opmaken overeenkomstig de geldende wetgeving van de plaats waar de maatschappelijke zetel gevestigd is.
§ 9. Onder nettowaarde wordt verstaan de waarde van de activa of aandelen verminderd met de schulden, behalve die welke specifiek werden aangegaan om andere goederen te verwerven of te behouden.
Ingeval een vennootschap overeenkomstig § 3 als een familiale vennootschap wordt beschouwd op grond van het feit dat zij aandelen en desgevallend vorderingen houdt van een of meer dochtervennootschappen die aan de voorwaarden van §§ 1, 5 en 8 beantwoorden, wordt de nettowaarde van de aandelen van en de vorderingen op de vennootschap beperkt tot de som van de waarden van de aandelen van en desgevallend vorderingen op de dochtervennootschappen die aan de voornoemde voorwaarden beantwoorden.
In de mate dat de waarden van de aandelen van en desgevallend vorderingen op deze dochtervennootschappen slechts gedeeltelijk in aanmerking kunnen worden genomen volgens § 5, tweede lid, van dit artikel, wordt de nettowaarde overeenkomstig beperkt.
§ 10. Op straffe van verval is artikel 60bis slechts toepasselijk voorzover de volgende voorwaarden zijn vervuld :
| 1° | in de aangifte wordt uitdrukkelijk om de toepassing van artikel 60bis verzocht; |
| 2° | het door het Vlaamse Gewest uitgereikte attest waaruit blijkt dat aan de door dit artikel gestelde voorwaarden, op het vlak van tewerkstelling en kapitaal, is voldaan, is bij de aangifte gevoegd. |
| 3° | in de aangifte wordt in een afzonderlijke rubriek vermeld voor welke activa of aandelen de toepassing van artikel 60bis wordt gevraagd. |
§ 11. De erfgenamen die wensen het voordeel te genieten van artikel 60bis richten bij aangetekend schrijven een verzoek tot het bekomen van het in § 10 bedoelde attest aan de Vlaamse regering. Dit verzoek is vergezeld van alle bewijskrachtige gegevens waaruit blijkt dat voldaan is aan die gestelde voorwaarden. De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en modaliteiten waaronder een attest, bedoeld in § 10, aangevraagd en verstrekt wordt.
Indien bijkomende rechten verschuldigd worden, tengevolge van het niet langer vervullen van de voorwaarden vermeld in dit artikel, dienen de erfgenamen, legatarissen of begiftigden dit te melden bij wijze van aanvullende aangifte, binnen de vijf maanden nadat de verschuldigdheid definitief is komen vast te staan.
Zij die de vrijstelling als bedoeld in dit artikel genoten hebben moeten, na verloop van een termijn van vijf jaar na het overlijden, aantonen dat de voorwaarden gesteld voor het behoud van het voordeel, vervuld zijn.
De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en modaliteiten met betrekking tot deze meldingsplicht.
Bij niet-naleving van de meldingsplicht zoals bedoeld hiervoor worden de rechten geacht verschuldigd te zijn berekend tegen het gewoon tarief, zonder toepassing van dit artikel.
§ 12. Het Vlaamse Gewest levert aan de bevoegde ontvanger, in de periode van vijf jaar na het overlijden, een nieuw attest af, elke keer dat de voorwaarden waaronder de vrijstelling werd bekomen wijzigingen ondergaan waardoor de vrijstelling geheel of gedeeltelijk vervalt.
§ 13. Tegen de beslissing waarbij de aflevering van een attest, als bedoeld in de §§ 10 of 12 van dit artikel, geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, kunnen de aanvragers van het attest bezwaar aantekenen bij de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst. Dat gemotiveerd bezwaar moet worden ingediend bij ter post aangetekende brief uiterlijk één maand na de kennisgeving bij ter post aangetekende brief van de administratieve beslissing waarbij de attestaanvraag geheel of gedeeltelijk werd afgewezen.
De bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst bevestigen bij ter post aangetekende brief en uiterlijk vijf werkdagen na de datum ervan, de ontvangst van het bezwaarschrift aan de indieners en sturen tezelfdertijd, eveneens bij ter post aangetekende brief, een kopie van het bezwaarschrift aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap moet worden of werd ingediend.
Uiterlijk drie maanden na de in het vorige lid bedoelde datum van de betekening van de ontvangst van het bezwaarschrift, zenden de bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst bij aangetekende brief hun gemotiveerde beslissing over het bezwaarschrift aan de verzoekers en tezelfdertijd aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap moet worden of werd ingediend. Bij gebreke van kennisgeving van de gemotiveerde beslissing binnen de gestelde termijn wordt het bezwaarschrift geacht te zijn ingewilligd.
Art. 135 W. Succ. VL.
Tegen inlevering van een aangifte, die het feit aanduidt dat aanleiding geeft tot teruggave, kunnen de rechten, interesten en boeten teruggegeven worden:
1° wanneer in het geval van artikel 3, het bestaan van de afwezige wettelijk bewezen komt te worden;
2° wanneer, in het geval van artikel 17, de bewijsstukken, die erin voorzien zijn, neergelegd werden bij de ontvanger binnen twee jaar na de betaling van de belasting in het Rijk;
3° wanneer er bewezen wordt dat een individueel aangeduid roerend of onroerend goed bij missing op het actief der aangifte gebracht werd;
4° wanneer, na het openvallen der nalatenschap, de samenstelling ervan verminderd wordt, hetzij door het intreden van een voorwaarde of van enig ander voorval, hetzij door de oplossing van een geschil ingevolge een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of een transactie, tenzij de vermindering van actief het gevolg weze van een ontbinding voortkomende van het niet-uitvoeren door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden van de voorwaarden van een contract;
5° wanneer er een verandering in de devolutie der erfenis intreedt die van aard is het aanvankelijk verevend bedrag der belasting te verminderen;
6° wanneer er uitgemaakt wordt dat een missing in de aangifte begaan werd:
a) aangaande de graad van verwantschap bestaande tussen de overledene en dezes erfgenamen, legatarissen of begiftigden;
b) aangaande de wettelijke of testamentaire devolutie der nalatenschap;
c) aangaande de hoedanigheid van Rijksinwoner in hoofde van de overledene;
7° wanneer, in de gevallen voorzien onder artikel 49, de belanghebbende erin slaagt de werkelijke toestand vast te stellen en er daaruit een vermindering van belasting voortspruit.
8° wanneer, in het geval van artikel 60bis, het attest bedoeld in § 10 van dat artikel neergelegd wordt bij de ontvanger binnen 2 jaar na de betaling van de belasting.
9° wanneer het voor de toepassing van de in artikel 54 bepaalde vrijstelling vereiste attest wordt neergelegd bij de ontvanger binnen 2 jaar na betaling van de belasting.
10° wanneer aan de voorwaarden voor de toepassing van de in artikel 55quater bepaalde vrijstelling wordt voldaan binnen een termijn van 2 jaar na het overlijden.
