Circulaire nr. Ci.RH.233/437.131 dd. 16.07.1992
CIRC 16.07.92/1
Circulaire nr. Ci.RH.233/437.131 dd. 16.07.1992
Bull. nr. 719, pag. 2166
DRUKWERKEN
273 A
Aangifte in de R.V.
273 V
Afrekening R.V.
346 M
Statistieken R.V.
ROERENDE VOORHEFFING
Vermindering
Vrijstelling
Commentaar op de art. 1 en 2, 1° KB 14.10.1991 tot wijziging, op het stuk van de R.V., van het KB/WIB
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 en 3.
I. INLEIDING
1. De art. 1 en 2, 1°, KB 14.10.1991 (B.S. 23.10.1991 - V.2137 - B.711) hebben de art. 88 en 97, KB/WIB aangevuld met nieuwe bepalingen inzake R.V. (1).
Die bepalingen, waarvan de tekst is opgenomen als bijlage 1, voorzien in de volledige verzaking van de inning van R.V. m.b.t. inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen, ingeval :
(1) De andere bepalingen van dat KB 14.10.1991 zullen afzonderlijk worden gecommentariëerd.
II. COMMENTAAR
A. Verzaking van de inning van R.V. op inkomsten uitgekeerd door een Belgische dochteronderneming aan een moedermaatschappij van een andere Lid-Staat van de EEG
1. Bedoelde inkomsten
2. Het betreft inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen, bedoeld in de art. 11,1° en 3°, a, 12 en 15, WIB (cfr. art. 88, § 5 - nieuw- KB/WIB).
Voor meer bijzonderheden ter zake wordt verwezen naar de desbetreffende onderrichtingen in de Com.I.B.
a) Algemeen
3. Er wordt afgezien van de inning van R.V. op de voormelde inkomsten indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, zowel ten aanzien van de schuldenaar als ten aanzien van de genieter van de inkomsten (cfr. art. 88, § 5 -nieuw- KB/WIB).
b) Voorwaarden
4. De schuldenaar van de inkomsten moet een Belgische dochteronderneming zijn in de zin van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23.07.1990 (90/435/EEG) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten (afgekort : "Richtlijn van de Raad van 23.07.1990") (zie bijlage 2).
M.a.w., het moet gaan om een vennootschap :
5. Hieruit volgt inzonderheid dat de vrijstelling van R.V. niet kan worden verleend wanneer de schuldenaar van de inkomsten een vennootschap is die de rechtsvorm heeft aangenomen van een C.V., een G.C.V. of een V.O.F. of nog die werd opgericht volgens buitenlands recht.
6. Daarentegen kan de vrijstelling wel worden verleend wanneer de schuldenaar van de inkomsten een aan de Ven.B onderworpen openbare instelling of instelling van openbaar nut is, die in België is opgericht, en die voor de toepassing van de voormelde belasting wordt gelijkgesteld met Belgische aandelenvennootschappen (zie ter zake Com.I.B. 94/3, 3°).
8. De verzaking van de inning van R.V. waarvan sprake is sub 2 tot 7 wordt trouwens slechts toegestaan indien de schuldenaar van de inkomsten in het bezit wordt gesteld van een attest opgesteld door de genieter van de inkomsten of zijn gevolmachtigde, waarbij wordt bevestigd dat die genieter :
Dat attest dient door de schuldenaar van de inkomsten te worden toegevoegd aan de aangifte in de R.V. (de vrijgestelde inkomsten zijn op te nemen in vak I van die aangifte, in de kolom waarvoor een nultarief van toepassing is).
B. Verzaking van de inning van R.V. op inkomsten uitgekeerd door een Belgische vennootschap aan een andere Belgische vennootschap
1. Bedoelde inkomsten
9. Het betreft dezelfde inkomsten als die vermeld sub 2 (cfr. art. 88, § 6 -nieuw-KB/WIB).
2. Voorwaarden voor de vrijstelling van R.V.
a) zowel de schuldenaar als de genieter van de inkomsten, vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen zijn die volgens de art. 98 tot 102, WIB, aan de Ven.B onderworpen zijn;
b) de genieter van de inkomsten, op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten, gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar een deelneming heeft behouden van ten minste 25 % in het kapitaal van de vennootschap-schuldenares van de inkomsten
(cfr. art. 88, § 6 -nieuw- KB/WIB).
11. Dit betekent inzonderheid dat in het onderhavige geval en in tegenstelling met wat bepaald is inzake verzaking van de inning van R.V. op inkomsten uitgekeerd door een Belgische dochteronderneming aan een moedermaatschappij van een andere Lid-Staat van de EEG (zie sub 2 tot 8) :
12. Daarentegen wordt ook in dit geval de voorwaarde gesteld m.b.t. de omvang en de bezitsduur van de deelneming van de genieter van de inkomsten in het kapitaal van de schuldenaar van de inkomsten (zie sub 10). Ter zake wordt eveneens verwezen naar sub 7, laatste gedachtenstreepje.
13. De verzaking van de inning van R.V. waarvan sprake is sub 9 tot 12 wordt slechts toegestaan indien de schuldenaar van de inkomsten in het bezit wordt gesteld van een attest opgesteld door de genieter van de inkomsten of zijn gevolmachtigde, waarbij wordt bevestigd dat de genieter :
Dat attest dient door de schuldenaar van de inkomsten te worden toegevoegd aan de aangifte in de R.V. (zie eveneens nr. 8, in fine).
III. OPNEMINGEN VAN RESERVES
14. Tot al wat dienen kan wordt eraan herinnerd dat de R.V. niet verschuldigd is op het gedeelte van de inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen, dat voortkomt van een opneming van gereserveerde winsten als bedoeld in art. 169, 3°, WIB, d.w.z. :
a) hetzij van "definitief belaste reserves", aangelegd tijdens de aanslagjaren 1973 en vorige;
b) hetzij van "ten name van de vennoten belaste reserves".
De ter zake geldende richtlijnen welke in Com.I.B. 164/110 e.v. worden uiteengezet moeten eveneens in de in deze circulaire beoogde gevallen worden toegepast.
IV. CONTROLEMAATREGELEN
15. Om zich te verzekeren van de juiste inning van de R.V. en de terechte verlening van de vrijstelling ervan, dient men zich te schikken naar de hierna uiteengezette richtlijnen, wanneer een aangifte 273 A inkomsten bevat waarvoor wordt afgezien van de inning van de R.V. overeenkomstig de hiervoor besproken bepalingen.
A. Taak van de Ontvangers
1. Statistiek 346 M
16. De desbetreffende aangiften 273 A zijn op de gewone manier op te nemen op het fiche 346 M2 (cf. Code Compt., Stat. R.V./bron, nrs. 30 e.v.).
De vrijgestelde inkomsten worden voor elke aangifte afzonderlijk opgenomen in kolom 8 van het fiche 346 M2.
2. Afrekening 273 V
17. Voor de bedoelde aangiften 273 A zijn de regels, vermeld in het Handboek van de periodieke werkzaamheden, Deel IV - Bronbelastingen, Titel V : Afrekening 273 V, nrs 4 tot 31 (afgek. "Afrekening 273 V") toe te passen, met dien verstande evenwel, dat min het onderhavige geval :
B. Taak van de Comptabiliteitsinspecteurs
18. De in nrs. 32 e.v. van de "Afrekening 273 V" vermelde richtlijnen zijn mutatis mutandis van toepassing, rekening houdend met de in nr. 17, hiervoor, vermelde bijzonderheden.
De Compt.insp. staan in voor de stipte uitvoering van de aan de Ontv. gegeven controleopdracht. Bij wijze van steekproef gaan zij na of voor de aangiften 273 A, waarvoor de Ontv. in kolom 8 van het fiche 346 M2 een vermelding heeft aangebracht, voormelde richtlijnen in acht werden genomen.
C. Taak van de Taxatiediensten
19. Onder voorbehoud van wat volgt, moeten de richtlijnen opgenomen onder de nrs. 47 e.v. van de "Afrekening 273 V" mutatis mutandis worden toegepast.
20. Rekening houdend met de voorschriften waarvan sprake is sub 1, moeten de taxatiediensten van zowel de schuldenaar als de genieter van de inkomsten, in het bezit zijn niet alleen van de aangifte 273 A, maar eveneens van het origineel of een afschrift, naargelang het geval, van de sub 8 en 13 bedoelde attesten.
Ter zake wordt de aandacht er in het bijzonder op gevestigd dat men er zich dient van te vergewissen dat alle op deze attesten vermelde gegevens correct zijn en dat voldaan is aan alle ter zake gestelde voorwaarden zowel ten aanzien van de schuldenaar als van de genieter van de inkomsten, inzonderheid wat betreft (zie sub 4 tot 8 en 10 tot 13, naargelang het geval) :
D. Opmerking
21. De Code Compt., Stat. R.V./bron, en het Handb. Per. Werkz., R.V. - A.R.V. -Afrekening 273 V, zullen binnenkort worden aangepast in de zin van wat voorafgaat.
V. INWERKINGTREDING
22. De in de onderhavige circulaire besproken bepalingen zijn van toepassing op de vanaf 15.10.1991 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten (cfr. art. 3, 1°, KB 14.10.1991).
NAMENS DE MINISTER :
Voor de Directeurgeneraal :
De Inspecteurgeneraal,
M. PORRE.
Bijlage1 Bepalingen KB/WIB
Art. 88
(...)
«§ 5. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen waarvan de schuldenaar een Belgische dochteronderneming is en waarvan de genieter een moedermaatschappij is van een andere Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap.»«De verzaking is evenwel niet van toepassing indien de moedermaatschappij, op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten, niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar een deelneming behouden heeft van ten minste 25% in het kapitaal van de dochteronderneming.»«Voor de toepassing van de voorgaande leden verstaat men onder dochteronderneming en moedermaatschappij de dochterondernemingen en moedermaatschappijen zoals ze zijn omschreven in de richtlijn van 23 juli 1990 (90/435/EEG) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten.»«§ 6. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen waarvan de schuldenaar en de genieter vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen zijn die belastingplichtig zijn volgens de artikelen 98 tot 102 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.»«De verzaking is evenwel niet van toepassing indien de genieter, op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten, niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar een deelneming behouden heeft van ten minste 25% in het kapitaal van de vennootschap-schuldenares van de inkomsten.» Art. 97
(...)
«§ 2 ter . De in artikel 88, § 5, gestelde verzaking van de heffing van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat de genieter:»
«§ 2 quater . De in artikel 88, § 6, gestelde verzaking van de heffing van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat de genieter:»
Bijlage2 Richtlijn van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten (90/435/EEG)
De Raad van de Europese Gemeenschappen,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100,
Gezien het voorstel van de Commissie (2),
Gezien het advies van het Europese Parlement (3),
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (4),
Overwegende dat hergroeperingen van vennootschappen uit verschillende Lid-Staten noodzakelijk kunnen zijn ten einde in de Gemeenschap soortgelijke voorwaarden te scheppen als op een binnenlandse markt en daardoor de instelling en de goede werking van de gemeenschappelijke markt te verzekeren; dat deze transacties niet moeten worden belemmerd door uit de fiscale voorschriften der Lid-Staten voortvloeiende bijzondere beperkingen, nadelen of distorsies; dat er bijgevolg voor deze hergroeperingen concurrentie-neutrale belastingvoorschriften tot stand moeten komen om de ondernemingen in staat te stellen zich aan te passen aan de eisen van de gemeenschappelijke markt, hun produktiviteit te vergroten en hun concurrentiepositie op de internationale markt te versterken;
Overwegende dat deze hergroeperingen kunnen leiden tot de vorming van groepen van moeder- en dochtermaatschappijen;
Overwegende dat de huidige fiscale voorschriften voor de betrekkingen tussen moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten van land tot land aanzienlijke verschillen vertonen en in het algemeen minder gunstig zijn dan de voorschriften voor de betrekkingen tussen moedermaatschappijen en dochterondernemingen van dezelfde Lid-Staat; dat de samenwerking tussen vennootschappen van verschillende Lid-Staten hierdoor benadeeld wordt ten opzichte van de samenwerking tussen vennootschappen van dezelfde Lid-Staat; dat deze benadeling moet worden opgeheven door invoering van een gemeenschappelijke regeling en dat hergroeperingen van vennootschappen op communautair niveau aldus vergemakkelijkt moeten worden;
Overwegende dat, wanneer een moedermaatschappij als deelgerechtigde van haar dochteronderneming uitgekeerde winst ontvangt, de Lid-Staat van de moedermaatschappij:
Overwegende dat voorts de winst, die een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij uitkeert, behoudens in enkele speciale gevallen, van inhouding van een belasting aan de bron moet worden vrijgesteld ten einde de belastingneutraliteit te verzekeren; dat evenwel de Bondsrepubliek Duitsland en de Helleense Republiek, wegens hun specifieke vennootschapsbelasting, en de Portugese Republiek, om budgettaire redenen, gemachtigd moeten worden om tijdelijk een bronbelasting te blijven heffen,
Heeft de volgende richtlijn vastgesteld:
(2)
PB nr. C 39 van 22.3.1969, blz. 7, en wijziging toegezonden op 5 juli 1985.
(4)
PB nr. C 100 van 1.8.1969, blz. 7.
Artikel1
Artikel2
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder de term vennootschap van een Lid-Staat verstaan iedere vennootschap:
of aan enige andere belasting die in de plaats zou treden van een van bovengenoemde belastingen. Artikel3
Artikel4
De Raad stelt te zijner tijd de vanaf de in de eerste alinea bedoelde datum geldende bepalingen vast. Artikel5
Behoudens de bepalingen van bestaande bilaterale overeenkomsten tussen Portugal en een Lid-Staat mag deze heffing ten hoogste 15% bedragen gedurende de eerste vijf jaar van de in de eerste alinea bedoelde periode en 10% gedurende de laatste drie jaar.Vóór het einde van het achtste jaar neemt de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen een besluit over een eventuele verlenging van de bepalingen van dit lid. Artikel6
Artikel7
Artikel8
Artikel9
Deze richtlijn is gericht tot de Lid-staten.
Gedaan te Brussel, 23 juli 1990.
Voor de Raad
De Voorzitter
G. CARLI
Bijlage aan de Richtlijn van de Raad van 23 juli 1990
Lijst van de in artikel 2, onder a), bedoelde vennootschappen:
Circulaire nr. Ci.RH.233/437.131 dd. 16.07.1992
Bull. nr. 719, pag. 2166
DRUKWERKEN
273 A
Aangifte in de R.V.
273 V
Afrekening R.V.
346 M
Statistieken R.V.
ROERENDE VOORHEFFING
Vermindering
Vrijstelling
Commentaar op de art. 1 en 2, 1° KB 14.10.1991 tot wijziging, op het stuk van de R.V., van het KB/WIB
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 en 3.
I. INLEIDING
1. De art. 1 en 2, 1°, KB 14.10.1991 (B.S. 23.10.1991 - V.2137 - B.711) hebben de art. 88 en 97, KB/WIB aangevuld met nieuwe bepalingen inzake R.V. (1).
Die bepalingen, waarvan de tekst is opgenomen als bijlage 1, voorzien in de volledige verzaking van de inning van R.V. m.b.t. inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen, ingeval :
| 1° | ofwel de schuldenaar een Belgische dochteronderneming is en de genieter een moedermaatschappij is van een andere Lidstaat van de EEG (art. 88, § 5 en 97, § 2ter -nieuw- KB/WIB); |
| 2° | ofwel zowel de schuldenaar als de genieter in België aan de Ven.B onderworpen zijn (art. 88, § 6 en 97, § 2quater -nieuw- KB/WIB). |
A. Verzaking van de inning van R.V. op inkomsten uitgekeerd door een Belgische dochteronderneming aan een moedermaatschappij van een andere Lid-Staat van de EEG
1. Bedoelde inkomsten
2. Het betreft inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen, bedoeld in de art. 11,1° en 3°, a, 12 en 15, WIB (cfr. art. 88, § 5 - nieuw- KB/WIB).
Voor meer bijzonderheden ter zake wordt verwezen naar de desbetreffende onderrichtingen in de Com.I.B.
| 2. | Voorwaarden voor de vrijstelling van R.V. |
3. Er wordt afgezien van de inning van R.V. op de voormelde inkomsten indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, zowel ten aanzien van de schuldenaar als ten aanzien van de genieter van de inkomsten (cfr. art. 88, § 5 -nieuw- KB/WIB).
b) Voorwaarden
| 1° | Ten aanzien van de schuldenaar van de inkomsten : |
M.a.w., het moet gaan om een vennootschap :
- die op grond van het Belgische recht, de rechtsvorm heeft van een N.V., een C.V.A. of een B.V.B.A. of om een publiekrechtelijk lichaam dat privaatrechtelijk werkzaam is;
- die haar fiscale woonplaats in België heeft (zie ter zake Com.I.B. 94/2 e.v.);
- die zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld, onderworpen is aan de Ven.B krachtens de art. 98 en 100, WIB;
- in wiens kapitaal een moedermaatschappij van een andere Lid-Staat van de EEG dan België, zoals omschreven in nr. 7, een deelneming bezit van ten minste 25 %.
5. Hieruit volgt inzonderheid dat de vrijstelling van R.V. niet kan worden verleend wanneer de schuldenaar van de inkomsten een vennootschap is die de rechtsvorm heeft aangenomen van een C.V., een G.C.V. of een V.O.F. of nog die werd opgericht volgens buitenlands recht.
6. Daarentegen kan de vrijstelling wel worden verleend wanneer de schuldenaar van de inkomsten een aan de Ven.B onderworpen openbare instelling of instelling van openbaar nut is, die in België is opgericht, en die voor de toepassing van de voormelde belasting wordt gelijkgesteld met Belgische aandelenvennootschappen (zie ter zake Com.I.B. 94/3, 3°).
| 2° | Ten aanzien van de genieter van de inkomsten : |
| 7. | De genieter van de inkomsten moet : |
- eensdeels, een moedermaatschappij zijn van een andere Lid-Staat van de EEG dan België, in de zin van de Richtlijn van de Raad van 23.07.1990, d.w.z. een vennootschap :
- die één van de in de bijlage bij de Richtlijn van de Raad van 23.07.1990 opgesomde rechtsvormen heeft;
- die volgens de fiscale wetgeving van de Staat waar zij gevestigd is, beschouwd wordt haar fiscale woonplaats in die Staat te hebben en die, volgens een met een derde Staat gesloten verdrag op het gebied van dubbele belasting, niet wordt beschouwd als fiscaal buiten de Gemeenschap te zijn gevestigd;
- die zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld, onderworpen is aan één van de in art. 2, c, van de Richtlijn van 23.07.1990 vermelde belastingen;
- die een deelneming bezit van ten minste 25 % in het kapitaal van de Belgische dochteronderneming-schuldenares van de inkomsten.
- anderdeels, de onder het laatste gedachtenstreepje hiervoor bedoelde deelneming van ten minste 25 % behouden hebben gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten (zie art. 88, § 5, 2e lid -nieuw- KB/WIB); hieruit volgt dat, wanneer de deelneming die door de genieter van de inkomsten wordt aangehouden in het kapitaal van de Belgische dochteronderneming-schuldenares van de inkomsten, gedurende gans de voormelde periode het vereiste minimum van 25 % bereikt, die genieter aanspraak kan maken op de vrijstelling van de R.V. die in principe verschuldigd is op de inkomsten die betrekking hebben op de totale deelneming die hij op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten in de gezegde vennootschap aanhoudt, d.w.z., in voorkomend geval met inbegrip van de inkomsten die voortkomen van het gedeelte van de deelneming dat 25 % te boven gaat en dit ongeacht de bezitsduur van dat gedeelte.
| 3. | Formaliteiten |
| 1° | een moedermaatschappij is van een andere Lid-Staat van de EEG dan België, in de zin van de Richtlijn van de Raad van 23.07.1990, bedoeld in art. 88, § 5 -nieuw- KB/WIB; |
| 2° | op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten, gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar een deelneming heeft behouden van ten minste 25 % in het kapitaal van de Belgische dochteronderneming (zie sub 7 en art. 97, § 2ter -nieuw- KB/WIB). |
B. Verzaking van de inning van R.V. op inkomsten uitgekeerd door een Belgische vennootschap aan een andere Belgische vennootschap
1. Bedoelde inkomsten
9. Het betreft dezelfde inkomsten als die vermeld sub 2 (cfr. art. 88, § 6 -nieuw-KB/WIB).
2. Voorwaarden voor de vrijstelling van R.V.
| 10. | De vrijstelling van de R.V. wordt verleend wanneer : |
b) de genieter van de inkomsten, op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten, gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar een deelneming heeft behouden van ten minste 25 % in het kapitaal van de vennootschap-schuldenares van de inkomsten
(cfr. art. 88, § 6 -nieuw- KB/WIB).
11. Dit betekent inzonderheid dat in het onderhavige geval en in tegenstelling met wat bepaald is inzake verzaking van de inning van R.V. op inkomsten uitgekeerd door een Belgische dochteronderneming aan een moedermaatschappij van een andere Lid-Staat van de EEG (zie sub 2 tot 8) :
| 1° | de vrijstelling eveneens van toepassing is wanneer de schuldenaar van de inkomsten : |
- een C.V., een G.C.V. of een V.O.F. is,
- of een met een vennootschap op aandelen gelijkgestelde rechtspersoon naar Belgisch recht is (zie o.a. Com.I.B. 94/3, 2°),
- of een vennootschap is naar buitenlands recht;
12. Daarentegen wordt ook in dit geval de voorwaarde gesteld m.b.t. de omvang en de bezitsduur van de deelneming van de genieter van de inkomsten in het kapitaal van de schuldenaar van de inkomsten (zie sub 10). Ter zake wordt eveneens verwezen naar sub 7, laatste gedachtenstreepje.
| 3. | Formaliteiten |
- een vennootschap, vereniging, inrichting of instelling is die volgens de artikelen 98 tot 102, WIB, aan de Ven.B onderworpen is;
- op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten, gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar, een deelneming heeft behouden van ten minste 25 % in het kapitaal van de vennootschap- schuldenares van de inkomsten
Dat attest dient door de schuldenaar van de inkomsten te worden toegevoegd aan de aangifte in de R.V. (zie eveneens nr. 8, in fine).
III. OPNEMINGEN VAN RESERVES
14. Tot al wat dienen kan wordt eraan herinnerd dat de R.V. niet verschuldigd is op het gedeelte van de inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen, dat voortkomt van een opneming van gereserveerde winsten als bedoeld in art. 169, 3°, WIB, d.w.z. :
a) hetzij van "definitief belaste reserves", aangelegd tijdens de aanslagjaren 1973 en vorige;
b) hetzij van "ten name van de vennoten belaste reserves".
De ter zake geldende richtlijnen welke in Com.I.B. 164/110 e.v. worden uiteengezet moeten eveneens in de in deze circulaire beoogde gevallen worden toegepast.
IV. CONTROLEMAATREGELEN
15. Om zich te verzekeren van de juiste inning van de R.V. en de terechte verlening van de vrijstelling ervan, dient men zich te schikken naar de hierna uiteengezette richtlijnen, wanneer een aangifte 273 A inkomsten bevat waarvoor wordt afgezien van de inning van de R.V. overeenkomstig de hiervoor besproken bepalingen.
A. Taak van de Ontvangers
1. Statistiek 346 M
16. De desbetreffende aangiften 273 A zijn op de gewone manier op te nemen op het fiche 346 M2 (cf. Code Compt., Stat. R.V./bron, nrs. 30 e.v.).
De vrijgestelde inkomsten worden voor elke aangifte afzonderlijk opgenomen in kolom 8 van het fiche 346 M2.
2. Afrekening 273 V
17. Voor de bedoelde aangiften 273 A zijn de regels, vermeld in het Handboek van de periodieke werkzaamheden, Deel IV - Bronbelastingen, Titel V : Afrekening 273 V, nrs 4 tot 31 (afgek. "Afrekening 273 V") toe te passen, met dien verstande evenwel, dat min het onderhavige geval :
| 1° | een afschrift van de aangifte 273 A moet worden toegezonden aan de taxatiedienst van de schuldenaar van de inkomsten en van die van de in nr. 10 bedoelde genieters (vgl. nrs. 13 en 14, Afrekening 273 V); |
| 2° | de vereiste vrijstellingsattesten (zie sub 8 en 13) -of een afschrift hiervan- onmiddellijk moeten worden toegezonden, aan de taxatiediensten van zowel de in nr. 10 bedoelde genieters (zie nr. 4, derde gedachtenstreepje, Afrekening 273 V) als van de schuldenaars van de inkomsten; |
| 3° | rekening moet worden gehouden met de voormelde bijzonderheden voor de naderhand, in het kader van de "Afrekening 273 V" (zie meer bepaald de nrs. 17, 19, 20, 22 en 29) uit te voeren werkzaamheden. |
18. De in nrs. 32 e.v. van de "Afrekening 273 V" vermelde richtlijnen zijn mutatis mutandis van toepassing, rekening houdend met de in nr. 17, hiervoor, vermelde bijzonderheden.
De Compt.insp. staan in voor de stipte uitvoering van de aan de Ontv. gegeven controleopdracht. Bij wijze van steekproef gaan zij na of voor de aangiften 273 A, waarvoor de Ontv. in kolom 8 van het fiche 346 M2 een vermelding heeft aangebracht, voormelde richtlijnen in acht werden genomen.
C. Taak van de Taxatiediensten
19. Onder voorbehoud van wat volgt, moeten de richtlijnen opgenomen onder de nrs. 47 e.v. van de "Afrekening 273 V" mutatis mutandis worden toegepast.
20. Rekening houdend met de voorschriften waarvan sprake is sub 1, moeten de taxatiediensten van zowel de schuldenaar als de genieter van de inkomsten, in het bezit zijn niet alleen van de aangifte 273 A, maar eveneens van het origineel of een afschrift, naargelang het geval, van de sub 8 en 13 bedoelde attesten.
Ter zake wordt de aandacht er in het bijzonder op gevestigd dat men er zich dient van te vergewissen dat alle op deze attesten vermelde gegevens correct zijn en dat voldaan is aan alle ter zake gestelde voorwaarden zowel ten aanzien van de schuldenaar als van de genieter van de inkomsten, inzonderheid wat betreft (zie sub 4 tot 8 en 10 tot 13, naargelang het geval) :
- de rechtsvorm van de betrokken vennootschappen;
- het land waar de werkelijke fiscale woonplaats is gelegen en waar de belasting wordt gevestigd;
- de aard van de belasting waaraan de vennootschap is onderworpen;
- het werkelijk toegepaste belastingstelsel : gewone taxatie, verlaagde taxatie, vrijstelling, enz.;
- de omvang en de bezitsduur van de deelnemingen waarvan de uitgekeerde inkomsten voortkomen.
D. Opmerking
21. De Code Compt., Stat. R.V./bron, en het Handb. Per. Werkz., R.V. - A.R.V. -Afrekening 273 V, zullen binnenkort worden aangepast in de zin van wat voorafgaat.
V. INWERKINGTREDING
22. De in de onderhavige circulaire besproken bepalingen zijn van toepassing op de vanaf 15.10.1991 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten (cfr. art. 3, 1°, KB 14.10.1991).
NAMENS DE MINISTER :
Voor de Directeurgeneraal :
De Inspecteurgeneraal,
M. PORRE.
Bijlage1 Bepalingen KB/WIB
Art. 88
(...)
«§ 5. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen waarvan de schuldenaar een Belgische dochteronderneming is en waarvan de genieter een moedermaatschappij is van een andere Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap.»«De verzaking is evenwel niet van toepassing indien de moedermaatschappij, op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten, niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar een deelneming behouden heeft van ten minste 25% in het kapitaal van de dochteronderneming.»«Voor de toepassing van de voorgaande leden verstaat men onder dochteronderneming en moedermaatschappij de dochterondernemingen en moedermaatschappijen zoals ze zijn omschreven in de richtlijn van 23 juli 1990 (90/435/EEG) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten.»«§ 6. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen waarvan de schuldenaar en de genieter vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen zijn die belastingplichtig zijn volgens de artikelen 98 tot 102 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.»«De verzaking is evenwel niet van toepassing indien de genieter, op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten, niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar een deelneming behouden heeft van ten minste 25% in het kapitaal van de vennootschap-schuldenares van de inkomsten.» Art. 97
(...)
«§ 2 ter . De in artikel 88, § 5, gestelde verzaking van de heffing van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat de genieter:»
| a) | «in de zin van de Europese richtlijn bedoeld in artikel 88, § 5, een moedermaatschappij is van een andere Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap dan België;» |
| b) | «op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten, gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar een deelneming behouden heeft van ten minste 25% in het kapitaal van de Belgische dochteronderneming.» |
| a) | «een vennootschap, vereniging, inrichting of instelling is die belastingplichtig is volgens de artikelen 98 tot 102 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen;» |
| b) | «op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten, gedurende ten minste een ononderbroken periode van ten minste één jaar een deelneming van ten minste 25% heeft behouden in het kapitaal van de vennootschap-schuldenares van de inkomsten. » |
De Raad van de Europese Gemeenschappen,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100,
Gezien het voorstel van de Commissie (2),
Gezien het advies van het Europese Parlement (3),
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (4),
Overwegende dat hergroeperingen van vennootschappen uit verschillende Lid-Staten noodzakelijk kunnen zijn ten einde in de Gemeenschap soortgelijke voorwaarden te scheppen als op een binnenlandse markt en daardoor de instelling en de goede werking van de gemeenschappelijke markt te verzekeren; dat deze transacties niet moeten worden belemmerd door uit de fiscale voorschriften der Lid-Staten voortvloeiende bijzondere beperkingen, nadelen of distorsies; dat er bijgevolg voor deze hergroeperingen concurrentie-neutrale belastingvoorschriften tot stand moeten komen om de ondernemingen in staat te stellen zich aan te passen aan de eisen van de gemeenschappelijke markt, hun produktiviteit te vergroten en hun concurrentiepositie op de internationale markt te versterken;
Overwegende dat deze hergroeperingen kunnen leiden tot de vorming van groepen van moeder- en dochtermaatschappijen;
Overwegende dat de huidige fiscale voorschriften voor de betrekkingen tussen moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten van land tot land aanzienlijke verschillen vertonen en in het algemeen minder gunstig zijn dan de voorschriften voor de betrekkingen tussen moedermaatschappijen en dochterondernemingen van dezelfde Lid-Staat; dat de samenwerking tussen vennootschappen van verschillende Lid-Staten hierdoor benadeeld wordt ten opzichte van de samenwerking tussen vennootschappen van dezelfde Lid-Staat; dat deze benadeling moet worden opgeheven door invoering van een gemeenschappelijke regeling en dat hergroeperingen van vennootschappen op communautair niveau aldus vergemakkelijkt moeten worden;
Overwegende dat, wanneer een moedermaatschappij als deelgerechtigde van haar dochteronderneming uitgekeerde winst ontvangt, de Lid-Staat van de moedermaatschappij:
| - | zich moet onthouden van het belasten van deze winst, of |
| - | die winst moet belasten, maar in dat geval de moedermaatschappij moet toestaan het gedeelte van de belasting van de dochteronderneming dat op deze winst betrekking heeft van haar eigen belasting af te trekken; |
Overwegende dat voorts de winst, die een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij uitkeert, behoudens in enkele speciale gevallen, van inhouding van een belasting aan de bron moet worden vrijgesteld ten einde de belastingneutraliteit te verzekeren; dat evenwel de Bondsrepubliek Duitsland en de Helleense Republiek, wegens hun specifieke vennootschapsbelasting, en de Portugese Republiek, om budgettaire redenen, gemachtigd moeten worden om tijdelijk een bronbelasting te blijven heffen,
Heeft de volgende richtlijn vastgesteld:
(2)
PB nr. C 39 van 22.3.1969, blz. 7, en wijziging toegezonden op 5 juli 1985.
(4)
PB nr. C 100 van 1.8.1969, blz. 7.
Artikel1
| 1. | Elke Lid-Staat past deze richtlijn toe:
| ||||
| 2. | Deze richtlijn vormt geen beletsel voor de toepassing van nationale of verdragsrechtelijke voorschriften ter bestrijding van fraude en misbruiken. |
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder de term vennootschap van een Lid-Staat verstaan iedere vennootschap:
| a) | die een van de in de bijlage genoemde rechtsvormen heeft; | ||||||||||||||||||||||||
| b) | die volgens de fiscale wetgeving van een Lid-Staat wordt beschouwd in deze Staat haar fiscale woonplaats te hebben en die, volgens een met een derde Staat gesloten verdrag op het gebied van dubbele belastingheffing, niet wordt beschouwd als fiscaal buiten de Gemeenschap te zijn gevestigd; | ||||||||||||||||||||||||
| c) | die bovendien, zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld, onderworpen is aan een van de volgende belastingen:
|
| 1. | Voor de toepassing van deze richtlijn:
| ||||
| 2. | In afwijking van lid 1 staat het de Lid-Staten vrij om:
|
| 1. | Wanneer een moedermaatschappij als deelgerechtigde van haar dochteronderneming uitgekeerde winst ontvangt, anders dan bij de liquidatie van de dochteronderneming, moet de Lid-Staat van de moedermaatschappij:
| ||||
| 2. | Iedere Lid-Staat blijft evenwel bevoegd om te bepalen dat lasten die betrekking hebben op de deelneming en waardeverminderingen die voortvloeien uit de uitkering van de winst van de dochteronderneming, niet aftrekbaar zijn van de belastbare winst van de moedermaatschappij. Indien in dit geval de kosten van beheer met betrekking tot de deelneming forfaitair worden vastgesteld, mag het forfaitaire bedrag niet meer dan 5% bedragen van de door de dochteronderneming uitgekeerde winst. | ||||
| 3. | Lid 1 is van toepassing tot de datum van daadwerkelijke toepassing van een gemeenschappelijk stelsel van vennootschapsbelasting. |
| 1. | De door een dochteronderneming aan de moedermaatschappij uitgekeerde winst wordt, althans wanneer laatstgenoemde een minimumdeelneming van 25% bezit in het kapitaal van de dochteronderneming, van bronbelasting vrijgesteld. |
| 2. | In afwijking van lid 1 mag de Helleense Republiek, zolang zij geen vennootschapsbelasting heft op de uitgekeerde winst, een bronbelasting heffen op winst die aan moedermaatschappijen van andere Lid-Staten wordt uitgekeerd. Het tarief van deze bronbelasting mag evenwel het tarief dat in de verdragen ter voorkoming van dubbele belasting is vastgesteld, niet overtreffen. |
| 3. | In afwijking van lid 1 mag de Bondsrepubliek Duitsland, zolang zij uitgekeerde winst onderwerpt aan een vennootschapsbelasting waarvan het tarief minstens 11 punten lager is dan het tarief op niet-uitgekeerde winst, uiterlijk tot medio 1996 bij wijze van compenserende belasting een bronbelasting van 5% heffen op de winst die door haar dochterondernemingen wordt uitgekeerd. |
| 4. | In afwijking van lid 1 mag de Portugese Republiek op de winst die door haar dochterondernemingen aan moedermaatschappijen van andere Lid-Staten wordt uitgekeerd, een inhouding aan de bron toepassen tot uiterlijk het einde van het achtste jaar volgend op de datum waarop de onderhavige richtlijn van toepassing wordt. |
| De Lid-Staat onder wiens wetgeving de moedermaatschappij ressorteert, mag geen belasting aan de bron inhouden op de winst die deze maatschappij van haar dochteronderneming ontvangt. |
| 1. | Bronbelasting in de zin van deze richtlijn omvat niet de vervroegde betaling of vooruitbetaling (voorheffing) van de vennootschapsbelasting aan de Lid-Staat waarin de dochteronderneming is gevestigd, die in samenhang met een uitkering van winst aan de moedermaatschappij wordt verricht. |
| 2. | Deze richtlijn laat onverlet de toepassing van nationale of verdragsbepalingen, die gericht zijn op de afschaffing of vermindering van dubbele economische belasting van dividenden, in het bijzonder van de bepalingen betreffende de betaling van belastingkredieten aan de gerechtigde tot de dividenden. |
| 1. | De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór 1 januari 1992 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. |
| 2. | De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van alle belangrijke bepalingen van intern recht mede, die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. |
Deze richtlijn is gericht tot de Lid-staten.
Gedaan te Brussel, 23 juli 1990.
Voor de Raad
De Voorzitter
G. CARLI
Bijlage aan de Richtlijn van de Raad van 23 juli 1990
Lijst van de in artikel 2, onder a), bedoelde vennootschappen:
| a) | De vennootschappen naar Belgisch recht, geheten naamloze vennootschap/société anonyme, commanditaire vennootschap op aandelen/société en commandite par actions, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid/société privée à responsabilité limitée, alsmede de publiekrechtelijke lichamen die privaatrechtelijk werkzaam zijn. |
| b) | De vennootschappen naar Deens recht, geheten aktieselskab, anpartsselskab. |
| c) | De vennootschappen naar Duits recht, geheten Aktiengesellschaft, Kommanditgesellschaft auf Aktien, Gesellschaft mit beschränkter Haftung, bergrechtliche Gewerkschaft. |
| d) | De vennootschappen naar Grieks recht, geheten anwnumh etairia. |
| e) | De vennootschappen naar Spaans recht, geheten sociedad anonima, sociedad comanditaria por acciones, sociedad de responsabilidad limitada, alsmede de publiekrechtelijke lichamen die privaatrechtelijk werkzaam zijn. |
| f) | De vennootschappen naar Frans recht, geheten société anonyme, société en commandite par actions, société à responsabilité limitée, alsook openbare instellingen en ondernemingen met een industrieel of commercieel karakter. |
| g) | De vennootschappen naar Iers recht, geheten public companies limited by shares or by guarantee, private companies limited by shares or by guarantee, lichamen die zijn geregistreerd krachtens de Industrial and Provident Societies Acts of building societies die zijn geregistreerd krachtens de Building Societies Acts. |
| h) | De vennootschappen naar Italiaans recht, geheten società per azioni, società in accomandita per azioni, società a responsabilità limitata, alsook overheids- en particuliere lichamen met industriële en commerciële werkzaamheden. |
| i) | De vennootschappen naar Luxemburgs recht, geheten société anonyme, société en commandite par actions, société à responsabilité limitée. |
| j) | De vennootschappen naar Nederlands recht, geheten naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. |
| k) | Handelsvennootschappen of burgerlijke vennootschappen met handelsvorm, alsmede andere naar Portugees recht opgerichte rechtspersonen die commerciële of industriële activiteiten uitoefenen. |
| l) | De vennootschappen naar Brits recht. |
Bron: FisconetPlus
