Circulaire nr. Ci.RH.243/569.664 (AOIF 14/2005) dd. 14.04.2005
AANGIFTE IN DE PB
Invulling van de aangifte
AANSLAG IN DE PB
Gemeenschappelijke aanslag voor echtgenoten
Gemeenschappelijke aanslag voor wettelijk samenwonenden
AFTREKBARE BESTEDING
Aftrekbaar bedrag
Voorwaarde van aftrekbaarheid
BEREKENING VAN DE PB
Aanrekening van de aftrekbare besteding
HERVORMINGSWET 2001
Hervorming van de PB
Wijziging van de betekenis van het woord "belastingplichtige". Individualisering van het recht van aftrek van de aftrekbare bestedingen.
Aan alle ambtenaren.
INHOUDSOPGAVE
I. INLEIDING
1. De tweede krachtlijn van de wet van 10.8.2001 (BS 20.9.2001 - V 2971 - Bull. 821, blz. 2728) houdende hervorming van de personenbelasting (hierna "de hervormingswet" genoemd) bestaat erin de fiscaliteit neutraal te maken ten opzichte van de levenskeuzen, daarin begrepen de geleidelijke afschaffing van discriminaties die gehuwden treffen.
Deze krachtlijn van de belastinghervorming wordt gerealiseerd op volgende vlakken :
a) gelijkschakeling van wettelijk samenwonenden met gehuwden;
b) gelijkschakeling van het basisbedrag van de van belasting vrijgestelde som, ongeacht de burgerlijke staat;
c) individualisering van de verminderingen voor pensioenen en voor sommige vervangingsinkomsten;
d) individualisering van de belastingvermindering voor inkomsten van buitenlandse oorsprong;
e) uitbreiding van de decumul tot onroerende en roerende inkomsten;
f) wijziging van de betekenis van het woord "belastingplichtige";
g) individualisering van het recht op aftrek van aftrekbare bestedingen.
Onderhavige circulaire beperkt zich tot de bespreking van de hiervoor geciteerde punten f en g.
II. VOORAF
2. De hiernavolgende richtlijnen handelen niet over de bijkomende aftrek van interesten van hypothecaire leningen als vermeld in de art. 104, 9°, 115 en 116 WIB 92.
Deze bijkomende interestaftrek wordt in een afzonderlijke circulaire besproken tezamen met de vaststelling van het netto-inkomen van onroerende goederen van elke belastingplichtige (zie circ. Ci.RH.221/569.663).
III. BETEKENIS VAN HET WOORD "BELASTINGPLICHTIGE"
Algemeen
3.1 Ingevolge de art. 19 en 65, laatste lid, van de hervormingswet wordt art. 126, WIB 92 vanaf aanslagjaar 2005 aangepast.
Deze aanpassing beoogt de realisatie van de decumul van de andere dan beroepsinkomsten van beide echtgenoten.
Het nieuwe art. 126, §1, WIB 92 luidt als volgt :
"§ 1. In geval van huwelijk of wettelijke samenwoning wordt een gemeenschappelijke aanslag op naam van de beide echtgenoten gevestigd. Deze gemeenschappelijke aanslag belet niet dat het belastbare inkomen van elke echtgenoot afzonderlijk wordt vastgesteld.".
Dit houdt in dat, aangezien de gemeenschappelijke aanslag gevestigd wordt op naam van beide echtgenoten, met de term "belastingplichtige" elke echtgenoot apart wordt bedoeld.
Er wordt bovendien uitdrukkelijk gesteld dat er voor elke "belastingplichtige" apart een belastbare basis wordt vastgesteld. Elke echtgenoot beschikt dus over een belastbaar inkomen dat gelijk is aan zijn totale netto-inkomen (apart bepaald), verminderd met de aftrekbare bestedingen die ook apart worden bepaald.
De art. 16 en 17 van de hervormingswet houden een aanpassing in van respectievelijk de art. 105 en 109 WIB 92 aan deze gewijzigde interpretatie van de begrippen "gemeenschappelijke aanslag" en "belastingplichtige".
De regels vermeld in art. 105, WIB 92 voor het effectief aanrekenen van het aftrekbare bedrag van de aftrekbare bestedingen wijzigen niet. De aanrekening gebeurt op basis van de totale netto-inkomens van de respectieve echtgenoten.
Voor meer bijzonderheden terzake wordt verwezen naar de circulaire nr. Ci.RH.331/569.662.
Gevolgen van de gewijzigde terminologie
3.2 De bedoeling van de wetgever is duidelijk. Voormelde aanpassingen houden ondubbelzinnig in dat de voorwaarden en grenzen vermeld in de art. 104, 1° tot 8°, en 107 tot 114, WIB 92, voortaan voor elke "belastingplichtige" afzonderlijk gelden.
Dit houdt een individualisering in op het vlak van
3.3 In geval van toepassing van het huwelijksquotiënt :
IV. AANREKENING VAN DE AFTREKBARE BEDRAGEN
4. Alvorens de aanrekeningregels vermeld in art. 105 WIB 92, te kunnen toepassen, moet allereerst het aftrekbare bedrag van de diverse aftrekbare bestedingen vermeld in art. 104, 1° tot 8°, WIB 92 worden vastgesteld.
Dit houdt in dat eerst alle voorwaarden en grenzen per belastingplichtige moeten worden beoordeeld (d.i. toepassing van de art. 104, 1° tot 8°, en 107 tot 114 WIB 92). Pas daarna kan krachtens art. 105, WIB 92 de evenredige aanrekening op de totale netto-inkomens van beide belastingplichtigen worden doorgevoerd.
Het is daarbij van geen belang dat het "werkelijk" bedrag dat ingevolge die aanrekening bij elke belastingplichtige door de grootheid van zijn netto-inkomen wordt afgetrokken in feite het oorspronkelijk in zijnen hoofde vastgesteld aftrekbaar bedrag niet bereikt of overtreft.
Eerst de evenredige aanrekening toepassen en pas daarna de begrenzingen, zou er immers toe kunnen leiden dat, in geval van gemeenschappelijke aanslag, belastingplichtigen niet volledig kunnen genieten van de aftrekken waar ze recht op hebben.
De hiernavolgende voorbeelden zullen per aftrekbare besteding de wijze van vaststelling van het aftrekbare bedrag en de wijze van aanrekening daarvan verduidelijken.
V. DE "AFTREKBARE BESTEDINGEN"
5. A. Onderhoudsuitkeringen
a) Aftrekbaar bedrag
5.1 De aftrek van de onderhoudsuitkeringen wordt bepaald door de art. 104, 1° en 2°, WIB 92.
De hervormingswet wijzigt niets aan de terzake geldende voorwaarden en toepassingsmodaliteiten.
Om het aftrekbare bedrag van de onderhoudsuitkeringen op correcte wijze te kunnen aanrekenen op de respectieve totale netto-inkomens van beide echtgenoten, is het van belang volgend onderscheid te maken :
5.2
c) Aanrekening
5.3 Art. 105 regelt de aanrekening van de aftrekbare onderhoudsuitkeringen als volgt :
"Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de aftrekken vermeld in art. 104, 3° tot 9°, WIB 92 eerst evenredig aangerekend op de totale netto-inkomens van beide belastingplichtigen. De in 1° en 2° van dat artikel vermelde aftrekken worden vervolgens bij voorrang aangerekend op het totale netto-inkomen van de belastingplichtige die de uitgaven verschuldigd is en het eventuele saldo wordt op het totale netto-inkomen van de andere belastingplichtige aangerekend.".
Concreet houdt dit in dat de onderhoudsuitkeringen praktisch als volgt in mindering worden gebracht :
5.4
In het kader van de invoering van de decumul rees onvermijdelijk de vraag naar de mogelijkheid tot, enerzijds, de aftrekbaarheid van onderhoudsuitkeringen verschuldigd tijdens het jaar van feitelijke scheiding door de ene echtgenoot ten behoeve van de andere echtgenoot en, anderzijds, de belastbaarheid van die uitkeringen in hoofde van de andere echtgenoot. Het probleem stelt zich uiteraard enkel in geval van vestiging van een gemeenschappelijke aanslag voor het jaar van de feitelijke scheiding.
In het antwoord op de mondelinge parlementaire vraag nr. 3230 van Volksvertegenwoordiger Jacques CHABOT, gesteld op 29.6.2004 (Beknopt Verslag, Kamercommissie voor de Financiën en de Begroting, CRABV 51 COM 313, blz. 3-4) werd in dat verband gesteld :
"De hervormingswet heeft de fiscale bepalingen terzake niet gewijzigd. De onderhoudsuitkeringen die werden uitbetaald in het jaar waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden, zijn noch aftrekbaar, noch belastbaar".
Concreet houdt dit in dat aftrekbaarheid en belastbaarheid van onderhoudsuitkeringen gestort tussen echtgenoten enkel mogelijk is in geval geen gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd én voor zover aan alle terzake geldende voorwaarden is voldaan.
Dit zal met andere woorden in de praktijk van toepassing zijn in de gevallen vermeld in art. 126, § 2, 2° en 3°, WIB 92 :
a) Aftrekbaar bedrag
6.1 De voorwaarden en de grenzen opdat giften, vermeld in art. 104, 3° tot 5°, WIB 92, in hoofde van elke belastingplichtige voor aftrek in aanmerking zouden komen, worden bepaald in de art. 107 tot 111, WIB 92.
Deze voorwaarden en grenzen kunnen in principe als volgt worden samengevat :
Er wordt aan herinnerd dat, alvorens tot de aanrekening over te gaan, alle voorwaarden en grenzen per belastingplichtige moeten worden beoordeeld. Pas daarna kan de evenredige aanrekening op de totale netto-inkomens van beide belastingplichtigen worden doorgevoerd (zie nr. 4).
Gelet op de doelstellingen van de wetgever kan de hervormingswet op het vlak van de vaststelling van het totale aftrekbare bedrag van de giften in geval van vestiging van een gemeenschappelijke aanslag en uiteraard mits alle andere voorwaarden zijn vervuld, in de praktijk als volgt worden toegepast :
6.2.1 Ingevolge de wet van 27.10.1997 houdende bepalingen in verband met de fiscale stimuli voor de uitvoer en het onderzoek worden belangrijke wijzigingen aangebracht, enerzijds, aan de vaststelling van het nettobedrag van de in art. 90, 2°, WIB 92 vermelde prijzen, subsidies, enz., aan geleerden, schrijvers of kunstenaars en, anderzijds, aan het aftrekbare bedrag van de giften dat krachtens art. 109, WIB 92 wordt bepaald en dat niet het bedrag van de giften mag bevatten dat overeenkomstig art. 98, eerste lid, WIB 92 werd afgetrokken en dat niet hoger mag zijn dan 10 % van het totale netto-inkomen.
De hier bedoelde giften zijn de giften, vermeld in art. 104, 3°, a en b, WIB 92, die aftrekbaar zijn van de prijzen, subsidies, enz.
Deze giften zijn, krachtens art. 98, eerste lid, WIB 92, bij voorrang aftrekbaar van de in art. 90, 2°, WIB 92 vermelde inkomsten, zijnde de "prijzen en gedurende twee jaar ontvangen subsidies, voor de schijf boven 2.500 EUR (3.050 EUR voor aj. 2005) en andere subsidies, renten of pensioenen die door Belgische of vreemde openbare machten of openbare instellingen zonder winstoogmerken zijn toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars, met uitzondering van de sommen die zijn betaald of toegekend als bezoldiging van bewezen diensten en beroepsinkomsten zijn.".
Voor de vaststelling van het nettobedrag van de prijzen, subsidies, enz., zijn de in art. 109, WIB 92, gestelde grenzen van 10 % en 250.000 EUR (304.550 EUR voor aj. 2005) niet van toepassing.
Het eventuele saldo van die giften dat bij ontstentenis of ontoereikendheid niet van de in art. 90, 2°, WIB 92 vermelde inkomsten kan worden afgetrokken, komt verder in aanmerking voor de toepassing van de art. 104, 3° tot 5°, en 107 tot 110, WIB 92.
Concreet kan worden gesteld dat :
6.2.2 Krachtens art. 98, eerste lid, WIB 92, worden de in art. 90, 2°, WIB 92 vermelde inkomsten "verlaagd met de door de verkrijger gestorte giften aan een in art. 104, 3°, a en b, vermelde instelling".
De administratie zal evenwel eenvoudigheidshalve de echtgenoten zelf de keuze laten om de giften aan bedoelde instellingen onderling vrij te verdelen over de codes 1393 en 2393 en dit ongeacht :
Onder het vak "andere" giften (code 1 394) moet het totale bedrag van alle door de echtgenoten in het kader van art. 104, 3°, c tot k, en 4° tot 5°, WIB 92 gestorte giften worden vermeld, ongeacht of die giften worden verantwoord door een attest op de persoonlijke naam van één van de echtgenoten dan wel op hun gezamenlijke naam.
d) Aanrekening
6.4 De voorwaarden en grenzen in hoofde van iedere echtgenoot zullen op geautomatiseerde wijze door de administratie worden berekend. Het totale aftrekbare bedrag zal vervolgens op dezelfde wijze door de administratie overeenkomstig art. 105, WIB 92 proportioneel op het netto-inkomen van ieder van hen worden aangerekend.
In geval van de vestiging van een gemeenschappelijke aanslag laat deze werkwijze toe dat, op de voor de echtgenoten meest eenvoudige manier (enkel vermelden van het totale bedrag van de gestorte giften in één code), in ieder geval de meest optimale aftrek (meest voordelige) in aanmerking wordt genomen.
e) Voorbeelden
6.5
Het totale netto-inkomen van Marc bedraagt 67.000,00 EUR.
Het totale netto-inkomen van Carine bedraagt 57.000,00 EUR.
Een kwijtschrift op naam van Marc uitgaande van een erkende instelling vermeldt een gestorte gift van 5.000,00 EUR.
Een ander kwijtschrift op naam van Carine uitgaande van een erkende instelling vermeldt een gestorte gift van 6.000,00 EUR.
Aangifte
4. Louis en Charlotte zijn in 1998 gehuwd.
Louis verkrijgt volgende inkomsten :
- Netto bezoldiging : 16.203,30 EUR.
- Diverse inkomsten art. 90, 2°, WIB 92 : 900,00 EUR.
Charlotte heeft een netto bezoldiging van 37.473,30 EUR.
Een kwijtschrift op naam van Louis uitgaande van een Belgische universiteit vermeldt een gestorte gift van 1.000,00 EUR.
Een kwijtschrift op naam van Louis en Charlotte uitgaande van een erkende instelling vermeldt een gestorte gift van 30,00 EUR.
Charlotte is voor het inkomstenjaar 2004 persoonlijk een onderhoudsuitkering verschuldigd van 4.800,00 EUR.
Samen zijn Louis en Charlotte nog een onderhoudsuitkering verschuldigd van 5.000,00 EUR voor hetzelfde jaar.
Alle terzake geldende voorwaarden zijn voldaan.
4.1. Aangifte[Wat de gift betreft aan de universiteit, hebben de echtgenoten de keuze om deze vrij om te delen over de codes 1393 en 2393 (zie nr. 6.2.2).]
a) Aftrekbaar bedrag
7.1 Uitgaven voor de oppas van één of meer kinderen ten laste van de belastingplichtige zijn, krachtens art. 104, 7°, WIB 92, van het totale netto-inkomen aftrekbaar.
De voorwaarden voor die aftrek worden bepaald in de art. 113 en 114, WIB 92.
De hervormingswet heeft deze bepalingen niet gewijzigd. De voorwaarden worden hierna toch nog even kort in herinnering gebracht.
b) Voorwaarden voor de aftrek
7.2 Krachtens art. 113, § 1, WIB 92 zijn in art. 104, 7°, WIB 92 vermelde uitgaven voor kinderoppas aftrekbaar onder volgende voorwaarden :
Paragraaf 2 van art. 113, WIB 92 handelt over het hoogst aftrekbare bedrag per oppasdag en per kind, welk bedrag niet lager dan 4 EUR mag zijn en door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit kan worden vastgesteld.
Art. 114, WIB 92 verbiedt de cumul van de aftrek voor kinderoppas met de bijkomende toeslag op de belastingvrije som voor kinderen jonger dan 3 jaar.
Krachtens art. 61 KB/WIB 92 bedraagt het maximumbedrag van de uitgaven voor kinderoppas per oppasdag en per kind : 11,20 EUR.
c) Voorwaarde met betrekking tot de beroepsinkomsten
7.3 Krachtens art. 113, § 1, 2°, WIB 92 moet belastingplichtige beroepsinkomsten verkrijgen, teneinde aanspraak te kunnen maken op de aftrek van de uitgaven voor kinderoppas.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, volstaat het dat de voorwaarde met betrekking tot de beroepsinkomsten bij één van de echtgenoten is vervuld.
Het feit dat slechts één van de echtgenoten over beroepsinkomsten beschikt en er, overeenkomstig art. 87, laatste zinsdeel, geen beroepsinkomsten aan de andere echtgenoot worden toegerekend, vormt bijgevolg geen bezwaar voor de toekenning van de aftrek van de uitgaven voor kinderoppas, voor zover uiteraard aan alle andere terzake geldende voorwaarden is voldaan.
d) Aangifte aanslagjaar 2005
7.4 Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, is het van geen belang op naam van welke echtgenoot het attest is opgemaakt.
Het maakt in principe niet uit wie van hen de uitgaven in de aangifte vermeldt. De uitgaven worden immers steeds samengevoegd om ze vervolgens proportioneel om te delen.
Eenvoudigheidshalve wordt er dan ook voor geopteerd om terzake maar 1 vak in de aangifte te voorzien. In dat vak moet dan ook het totale maximumbedrag van de aftrekbare uitgaven voor kinderoppas worden vermeld, ongeacht of het attest op naam van één van de echtgenoten dan wel op naam van beide echtgenoten is opgemaakt.
e) Aanrekening
7.5 Art. 105 bepaalt het volgende :
"Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de aftrekken vermeld in artikel 104, 3° tot 9°, eerst evenredig aangerekend op de totale netto-inkomens van beide belastingplichtigen."
Vooreerst wordt dus ook in dit geval het totale aftrekbare bedrag van de uitgaven voor kinderopvang vastgesteld. Dat bedrag wordt vervolgens proportioneel aangerekend op het totale netto-inkomen van elke echtgenoot afzonderlijk.
7.6 f) Voorbeelden
8. D. 50% van kosten onderhoud en restauratie beschermde monumenten
a) Voorwaarden voor de aftrek
8.1 Krachtens art. 104, 8°, WIB 92 is van het totale netto-inkomen aftrekbaar "de helft tot ten hoogste 25.000 EUR (aj. 2005 : 30.460 EUR) van het niet door subsidies gedekte gedeelte van de uitgaven die de eigenaar van niet verhuurde gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen die zijn beschermd overeenkomstig de wetgeving op het behoud van Monumenten en Landschappen, heeft gedaan voor het onderhoud en de restauratie ervan, voor zover die onroerende goederen, delen van onroerende goederen of landschappen, voor het publiek toegankelijk zijn ; de Koning bepaalt de wijze van uitvoering van deze bepaling en inzonderheid wat, voor de toepassing van de belastingwet, wordt verstaan onder "voor het publiek toegankelijk zijn".
Deze bepaling wordt geenszins door de hervormingswet gewijzigd. Aangezien beide echtgenoten gezamenlijk en/of afzonderlijk eigenaar kunnen zijn van de in aanmerking te nemen onroerende goederen, worden evenwel, gelet op de decumul, de voorwaarden en grenzen in hoofde van ieder van hen apart vastgesteld. In de aangifte wordt dan ook voor ieder van hen een in te vullen vak voorzien waarin het werkelijk door hen betaalde bedrag moet worden vermeld.
Wanneer beide echtgenoten gezamenlijk eigenaar zijn van het onroerend goed waarvoor de uitgaven worden gedaan, hebben ze de keuze de desbetreffende uitgaven vrij in de aangifte te verdelen.
Dit moet worden onderscheiden van de aangifte van het inkomen van het onroerend goed. Wanneer de echtgenoten bijvoorbeeld gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel maar één van hen slechts eigenaar is van het beschermd onroerend goed :
8.2 b) Aangifte aanslagjaar 2005
c) Aftrekbaar bedrag
8.3 Het van het totale netto-inkomen aftrekbare bedrag van de uitgaven voor landschappen en beschermde monumenten wordt voor aj. 2005, gelet op de hoger vermelde voorwaarden, bepaald als volgt :
9. E. Door ambtenaren uit hoofde van een cumulatie activiteit aan de schatkist betaalde sommen
a) Bedoelde sommen
9.1 Hiermede worden bedoeld de sommen berekend overeenkomstig art. 4 van het KB nr. 46 van 10.6.1982 betreffende de cumulaties van beroepsactiviteiten in sommige openbare diensten :
"Art. 4, § 1. Het personeelslid dat wegens een van rechtswege of krachtens een machtiging uitgeoefende cumulatieactiviteit, bedrijfsinkomsten als bedoeld in artikel 20 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen geniet, is aan de Schatkist verschuldigd, buiten de inkomstenbelasting, het gedeelte van het netto jaarinkomen uit die activiteit, dat tien percent van de bruto maximumwedde van secretaris-generaal van een ministerie overschrijdt.
Dit netto jaarinkomen is het bruto jaarinkomen, verminderd met :
1° het inzake inkomstenbelastingen aftrekbare bedrag van de sociale bijdragen betreffende de inkomsten uit de bij cumulatie uitgeoefende activiteit;
2° de andere bedrijfslasten die verband houden met dezelfde inkomsten en die inzake inkomstenbelastingen worden aanvaard, namelijk :
§ 2. Het personeelslid dat wegens een cumulatieactiviteit uitgeoefend buiten de in paragraaf 1 bedoelde gevallen, bedrijfsinkomsten als bedoeld in artikel 20 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen geniet, is aan de Schatkist verschuldigd, buiten de inkomstenbelasting, het totale bruto jaarinkomen uit die activiteit, verminderd met de in paragraaf 1, tweede lid 1° en 2°, bedoelde lasten.
§ 3. De krachtens dit artikel verschuldigde sommen worden, juist zoals de in artikel 71 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde lasten, afgetrokken van het totaal belastbaar netto-inkomen van het belastbaar tijdperk waarin zij werden betaald."
b) Opheffing van de maatregel
9.2 Het KB nr. 46 van 10.6.1982 betreffende de cumulaties van beroepsactiviteiten in sommige openbare diensten wordt opgeheven door art. 447 van de Programmawet I van 24.12.2002.
Krachtens art. 450, §1, tweede lid van voormelde wet treedt bedoeld art. 447 (inzake de opheffing) in werking op de datum bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Dit besluit werd tot op heden nog niet genomen zodat de bepalingen van het KB nr. 46 in principe nog steeds van toepassing zijn.
c) Aangifte aanslagjaar 2005
9.3 Ook deze betaalde sommen worden steeds samengevoegd alvorens proportioneel te worden omgedeeld. Eenvoudigheidshalve wordt dan ook hier geopteerd om maar één vak in de aangifte te voorzien.
9.4 d) Aanrekening
De aanrekening van de aftrekbare sommen gebeurt proportioneel krachtens art. 105, WIB 92.
10. F. Bijzondere bijdragen voor sociale zekerheid die, met betrekking tot de jaren 1982 tot 1988, in 2004 aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening zijn betaald
a) Toepassingsgebied
10.1 De bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid was voor de aanslagjaren 1983 tot 1989 verschuldigd door alle in de personenbelasting belastbare belastingplichtigen van wie het netto gezamenlijk belastbaar inkomen meer dan 3 miljoen BEF bedroeg en die aan om het even welk stelsel van sociale zekerheid onderworpen waren of die genoten van sociale prestaties.
De bijzondere bijdrage werd beschouwd als een persoonlijke bijdrage, die verschuldigd is in uitvoering van de sociale wetgeving.
De bijdrage moest bovendien het voorwerp uitmaken van een provisionele storting te verrichten vóór 1 december van het jaar dat het aanslagjaar voorafgaat.
Voor zover de bijzondere bijdrage en de provisionele storting niet hoger zijn dan het werkelijk verschuldigd bedrag, worden zij, voor het jaar waarin zij worden betaald, afgetrokken van het totale netto-inkomen. Daartoe werd jaarlijks door de RVA aan de bijdrageplichtige een attest uitgereikt met vermelding van :
10.2 Ook deze betaalde sommen worden steeds samengevoegd alvorens proportioneel te worden omgedeeld. Eenvoudigheidshalve wordt dan ook hier geopteerd om maar één vak in de aangifte te voorzien.
c) Aanrekening
10.3 De aanrekening van de aftrekbare sommen gebeurt eveneens proportioneel krachtens art. 105, WIB 92.
11. G. 50% van bezoldigingen betaald aan een huisbediende
a) Voorwaarden voor de aftrek
11.1 Bezoldigingen van een huisbediende zijn krachtens art. 112, WIB 92 aftrekbaar onder de volgende voorwaarden :
11.2 Krachtens art. 112, §1, 3°, WIB 92 moet belastingplichtige zich bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) als "werkgever van huispersoneel" inschrijven.
Om bij de RSZ als werkgever van dienstboden en ander huispersoneel te worden beschouwd, moet de betrokken werkgever, krachtens art. 1, § 2, van het KB nr. 483 van 22.12.1986, één natuurlijke persoon zijn.
Twee personen die een gezin vormen (hetzij door feitelijke samenwoning, hetzij door huwelijk of wettelijke samenwoning) kunnen dus nooit tegelijkertijd als "werkgever van dienstboden en ander huispersoneel" worden ingeschreven. De bedoelde personen bepalen zelf wie van hen de rol van werkgever op zich neemt.
Art. 2 van voormeld KB nr. 483 stelt bovendien dat de werknemer als huisbediende in dienst wordt genomen om "tegen loon, onder het gezag van een werkgever, (...) hoofd- of handarbeid uit te voeren binnen het onroerend goed, binnenshuis of buiten het huis, voor de privé-behoeften van de werkgever of van diens gezin.".
Krachtens art. 3 van voormeld KB nr. 483 blijft het (sociale) voordeel beperkt tot één werknemer.
Uit het voorgaande vloeit voort dat om voor de vermindering van sociale zekerheid te kunnen genieten :
11.3 Vooreerst wordt opgemerkt dat hier niets wordt gewijzigd aan de fiscale voorwaarden vermeld onder art. 112, §1, 2° en 3°, WIB 92.
Enkel wordt beoogd om na te gaan of het, gelet op de invoering van de decumul door de hervormingswet, mogelijk is dat beide echtgenoten recht kunnen hebben op de aftrek bedoeld in art. 104, 6°, WIB 92.
Gelet op de voorwaarden van toepassing om inzake sociale zekerheid als werkgever van huispersoneel te kunnen worden ingeschreven, kan fiscaal worden geconcludeerd dat :
11.4
e) Aftrekbaar bedrag
11.5 Het van het totale netto-inkomen aftrekbare bedrag van de bezoldigingen van een huisbediende wordt voor aj. 2005, gelet op de hoger vermelde voorwaarden, bepaald als volgt :
VI. BIJLAGE (schema's)
12. Als bijlage zijn schema's opgenomen waarin de belangrijkste aspecten van een aantal aftrekbare bestedingen beknopt zijn samengevat. Het betreft schema's inzake :
Voor de Administrateur-generaal van de
Belastingen en Invordering :
De Directeur,
Stany QUINTENS
Bijlage
Invulling van de aangifte
AANSLAG IN DE PB
Gemeenschappelijke aanslag voor echtgenoten
Gemeenschappelijke aanslag voor wettelijk samenwonenden
AFTREKBARE BESTEDING
Aftrekbaar bedrag
Voorwaarde van aftrekbaarheid
BEREKENING VAN DE PB
Aanrekening van de aftrekbare besteding
HERVORMINGSWET 2001
Hervorming van de PB
Wijziging van de betekenis van het woord "belastingplichtige". Individualisering van het recht van aftrek van de aftrekbare bestedingen.
Aan alle ambtenaren.
INHOUDSOPGAVE
I. INLEIDING
1. De tweede krachtlijn van de wet van 10.8.2001 (BS 20.9.2001 - V 2971 - Bull. 821, blz. 2728) houdende hervorming van de personenbelasting (hierna "de hervormingswet" genoemd) bestaat erin de fiscaliteit neutraal te maken ten opzichte van de levenskeuzen, daarin begrepen de geleidelijke afschaffing van discriminaties die gehuwden treffen.
Deze krachtlijn van de belastinghervorming wordt gerealiseerd op volgende vlakken :
a) gelijkschakeling van wettelijk samenwonenden met gehuwden;
b) gelijkschakeling van het basisbedrag van de van belasting vrijgestelde som, ongeacht de burgerlijke staat;
c) individualisering van de verminderingen voor pensioenen en voor sommige vervangingsinkomsten;
d) individualisering van de belastingvermindering voor inkomsten van buitenlandse oorsprong;
e) uitbreiding van de decumul tot onroerende en roerende inkomsten;
f) wijziging van de betekenis van het woord "belastingplichtige";
g) individualisering van het recht op aftrek van aftrekbare bestedingen.
Onderhavige circulaire beperkt zich tot de bespreking van de hiervoor geciteerde punten f en g.
II. VOORAF
2. De hiernavolgende richtlijnen handelen niet over de bijkomende aftrek van interesten van hypothecaire leningen als vermeld in de art. 104, 9°, 115 en 116 WIB 92.
Deze bijkomende interestaftrek wordt in een afzonderlijke circulaire besproken tezamen met de vaststelling van het netto-inkomen van onroerende goederen van elke belastingplichtige (zie circ. Ci.RH.221/569.663).
III. BETEKENIS VAN HET WOORD "BELASTINGPLICHTIGE"
Algemeen
3.1 Ingevolge de art. 19 en 65, laatste lid, van de hervormingswet wordt art. 126, WIB 92 vanaf aanslagjaar 2005 aangepast.
Deze aanpassing beoogt de realisatie van de decumul van de andere dan beroepsinkomsten van beide echtgenoten.
Het nieuwe art. 126, §1, WIB 92 luidt als volgt :
"§ 1. In geval van huwelijk of wettelijke samenwoning wordt een gemeenschappelijke aanslag op naam van de beide echtgenoten gevestigd. Deze gemeenschappelijke aanslag belet niet dat het belastbare inkomen van elke echtgenoot afzonderlijk wordt vastgesteld.".
Dit houdt in dat, aangezien de gemeenschappelijke aanslag gevestigd wordt op naam van beide echtgenoten, met de term "belastingplichtige" elke echtgenoot apart wordt bedoeld.
Er wordt bovendien uitdrukkelijk gesteld dat er voor elke "belastingplichtige" apart een belastbare basis wordt vastgesteld. Elke echtgenoot beschikt dus over een belastbaar inkomen dat gelijk is aan zijn totale netto-inkomen (apart bepaald), verminderd met de aftrekbare bestedingen die ook apart worden bepaald.
De art. 16 en 17 van de hervormingswet houden een aanpassing in van respectievelijk de art. 105 en 109 WIB 92 aan deze gewijzigde interpretatie van de begrippen "gemeenschappelijke aanslag" en "belastingplichtige".
De regels vermeld in art. 105, WIB 92 voor het effectief aanrekenen van het aftrekbare bedrag van de aftrekbare bestedingen wijzigen niet. De aanrekening gebeurt op basis van de totale netto-inkomens van de respectieve echtgenoten.
Voor meer bijzonderheden terzake wordt verwezen naar de circulaire nr. Ci.RH.331/569.662.
Gevolgen van de gewijzigde terminologie
3.2 De bedoeling van de wetgever is duidelijk. Voormelde aanpassingen houden ondubbelzinnig in dat de voorwaarden en grenzen vermeld in de art. 104, 1° tot 8°, en 107 tot 114, WIB 92, voortaan voor elke "belastingplichtige" afzonderlijk gelden.
Dit houdt een individualisering in op het vlak van
- de grenzen, en
- de voorwaarden.
- proportionele aftrek van de inkomsten van elke echtgenoot;
- saldo overdraagbaar aan de andere echtgenoot.
3.3 In geval van toepassing van het huwelijksquotiënt :
- blijft de oorspronkelijke kwalificatie van het toegerekende inkomen behouden;
- gebeurt de toerekening evenredig op het beroepsinkomen waarvan een deel wordt toegerekend.
IV. AANREKENING VAN DE AFTREKBARE BEDRAGEN
4. Alvorens de aanrekeningregels vermeld in art. 105 WIB 92, te kunnen toepassen, moet allereerst het aftrekbare bedrag van de diverse aftrekbare bestedingen vermeld in art. 104, 1° tot 8°, WIB 92 worden vastgesteld.
Dit houdt in dat eerst alle voorwaarden en grenzen per belastingplichtige moeten worden beoordeeld (d.i. toepassing van de art. 104, 1° tot 8°, en 107 tot 114 WIB 92). Pas daarna kan krachtens art. 105, WIB 92 de evenredige aanrekening op de totale netto-inkomens van beide belastingplichtigen worden doorgevoerd.
Het is daarbij van geen belang dat het "werkelijk" bedrag dat ingevolge die aanrekening bij elke belastingplichtige door de grootheid van zijn netto-inkomen wordt afgetrokken in feite het oorspronkelijk in zijnen hoofde vastgesteld aftrekbaar bedrag niet bereikt of overtreft.
Eerst de evenredige aanrekening toepassen en pas daarna de begrenzingen, zou er immers toe kunnen leiden dat, in geval van gemeenschappelijke aanslag, belastingplichtigen niet volledig kunnen genieten van de aftrekken waar ze recht op hebben.
De hiernavolgende voorbeelden zullen per aftrekbare besteding de wijze van vaststelling van het aftrekbare bedrag en de wijze van aanrekening daarvan verduidelijken.
V. DE "AFTREKBARE BESTEDINGEN"
5. A. Onderhoudsuitkeringen
a) Aftrekbaar bedrag
5.1 De aftrek van de onderhoudsuitkeringen wordt bepaald door de art. 104, 1° en 2°, WIB 92.
De hervormingswet wijzigt niets aan de terzake geldende voorwaarden en toepassingsmodaliteiten.
Om het aftrekbare bedrag van de onderhoudsuitkeringen op correcte wijze te kunnen aanrekenen op de respectieve totale netto-inkomens van beide echtgenoten, is het van belang volgend onderscheid te maken :
b) Aangifte aanslagjaar 2005
- onderhoudsuitkeringen verschuldigd door beide echtgenoten samen (code 1392);
- onderhoudsuitkeringen verschuldigd door elke echtgenoot afzonderlijk (respectievelijke codes 1390 en 2390).
5.2
| Onderhoudsuitkeringen (werkelijk betaald bedrag) | ||||
a) verschuldigd door uzelf | 1 | 390 | 2 | 390 |
| 1 | 392 |
5.3 Art. 105 regelt de aanrekening van de aftrekbare onderhoudsuitkeringen als volgt :
"Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de aftrekken vermeld in art. 104, 3° tot 9°, WIB 92 eerst evenredig aangerekend op de totale netto-inkomens van beide belastingplichtigen. De in 1° en 2° van dat artikel vermelde aftrekken worden vervolgens bij voorrang aangerekend op het totale netto-inkomen van de belastingplichtige die de uitgaven verschuldigd is en het eventuele saldo wordt op het totale netto-inkomen van de andere belastingplichtige aangerekend.".
Concreet houdt dit in dat de onderhoudsuitkeringen praktisch als volgt in mindering worden gebracht :
d) Voorbeelden
- vooreerst worden de onderhoudsuitkeringen verschuldigd door beide echtgenoten samen, proportioneel aangerekend op het totale netto-inkomen van beide echtgenoten;
- vervolgens worden de persoonlijk verschuldigde onderhoudsuitkeringen aangerekend op het totale netto-inkomen van diegene die de uitkeringen verschuldigd is;
- het saldo wordt op het inkomensdeel van de andere echtgenoot aangerekend.
5.4
1. Sarah en Fabian zijn gehuwd in 2002. Fabian heeft 2 kinderen uit een vorig huwelijk waarvoor hij voor het inkomstenjaar 2004 een totaal bedrag van 2.700,00 EUR als onderhoudsuitkering betaalt. Alle terzake geldende voorwaarden zijn voldaan.
Het totale netto-inkomen van Sarah bedraagt 32.128,00 EUR.
Het totale netto-inkomen van Fabian bedraagt 44.351,00 EUR.
Er zijn geen andere aftrekbare bestedingen.
Aangifte
| Onderhoudsuitkeringen (werkelijk betaald bedrag) | Fabian | Sarah | ||||
a) verschuldigd door uzelf | 1 | 390 | 2.700,00 | 2 | 390 | |
| 1 | 392 | |||||
Aftrekbaar bedrag
a) Gezamenlijk verschuldigd : 0
b) Persoonlijk verschuldigd :
Sarah : 0
Fabian : 2.700,00 x 80 % = 2.160,00 EUR
Aanrekening
| Fabian | Sarah | |
| Totale netto-inkomen : | 44.351,00 EUR | 32.128,00 EUR |
| Aftrekbare bestedingen : - persoonlijk verschuldigde onderhoudsuitkeringen : | - 2.160,00 EUR | |
| Belastbaar inkomen : | 42.191,00 EUR | 32.128,00 EUR |
2. Joni en Bertrand zijn gehuwd in 1987. Joni is voor inkomstenjaar 2004 een onderhoudsuitkering van 1.080,00 EUR verschuldigd aan haar moeder. Daarnaast betalen ze gezamenlijk voor hetzelfde jaar een onderhoudsuitkering van 4.800,00 EUR aan hun zoon.
Alle terzake geldende voorwaarden zijn vervuld.
Het totale netto-inkomen van Joni bedraagt : 17.473,30 EUR.
Het totale netto-inkomen van Bertrand bedraagt : 26.203,30 EUR.
Aangifte
Aftrekbaar bedrag
Onderhoudsuitkeringen (werkelijk betaald bedrag) Bertrand Joni a) verschuldigd door uzelf
b) verschuldigd door beide echtgenoten of wettelijk samenwonenden samen :1 390 2 390 1.080,00 1 392 4.800,00
a) Gezamenlijk verschuldigd : 4.800,00 x 80 % = 3.840,00 EUR
b) Persoonlijk verschuldigd :
Joni : 1.080,00 x 80 % = 864,00 EUR
Bertrand : 0
Aanrekening
Joni : gezamenlijk verschuldigd : 3.840,00 x (17.473,30/43.676,60) = 1.536,23 EUR
persoonlijk verschuldigd : 864,00 EUR
Bertrand : gezamenlijk verschuldigd : 3.840,00 x (26.203,30/43.676,60) = 2.303,77 EUR
Bertrand Joni Totale netto-inkomen : 26.203,30 EUR 17.473,30 EUR Aftrekbare bestedingen :
- gezamenlijk verschuldigde onderhoudsuitkeringen :- 2.303,77 EUR - 1.536,23 EUR - persoonlijk verschuldigde onderhoudsuitkeringen : - 0,00 EUR - 864,00 EUR Belastbaar inkomen : 23.899,53 EUR 15.073,07 EUR
3. Twee zussen, Samantha (geboren 29.02.1956) en Laurence (geboren 04.03.1960), hebben in 2003 een verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd. Laurence is voor inkomstenjaar 2004 een onderhoudsuitkering van 4.800,00 EUR verschuldigd aan haar zoon. Daarnaast betalen Samantha en Laurence voor hetzelfde jaar gezamenlijk een onderhoudsuitkering van 5.040,00 EUR aan hun moeder.
Alle terzake geldende voorwaarden zijn vervuld.
Samantha geniet een nettobezoldiging van 16.018,30 EUR
Laurence heeft geen inkomsten.
Aangifte[Wanneer twee personen van hetzelfde geslacht een huwelijk aangaan of een verklaring van wettelijke samenwoning afleggen, moeten de gegevens van de oudste persoon in de linkerkolom van de aan-gifte in de personenbelasting worden opgenomen.]
| Onderhoudsuitkeringen (werkelijk betaald bedrag) | Samantha | Laurence | ||||
a) verschuldigd door uzelf | 1 | 390 | 2 | 390 | 4.800,00 | |
| 1 | 392 | 5.040,00 | ||||
Aftrekbaar bedrag5.5 e) Speciaal geval (jaar van feitelijke scheiding)
a) Gezamenlijk verschuldigd : 5.040,00 x 80 % = 4.032,00 EUR
b) Persoonlijk verschuldigd :
Samantha : 0
Laurence : 4.800,00 x 80 % = 3.840,00 EUR
Aanrekening
Samantha : gezamenlijk verschuldigd : 4.032,00 x (11.212,81/16.018,30) [*] = 2.822,40 EUR
Laurence : gezamenlijk verschuldigd : 4.032,00 x (4.805,49/16.018,30) [*]
= 1.209,60 EUR
persoonlijk verschuldigd : 3.840,00 EUR
[*] Huwelijksquotiënt (toegerekend inkomen) : 16.018,30 x 30% = 4.805,49 EUR.
Resterend netto-inkomen: 16.018,30 - 4.805,49 = 11.212,81 EUR.
Aanrekening
Samantha Laurence Totale netto-inkomen : 11.212,81 EUR 4.805,49 EUR Aftrekbare bestedingen :
- Gezamenlijk verschuldigde onderhoudsuitkeringen :- 2.822,40 EUR - 1.209,60 EUR - persoonlijk verschuldigde onderhoudsuitkeringen : - 0,00 EUR - 3.840,00 EUR Saldo - 244,11 EUR - overdracht saldo : - 244,11 EUR Belastbaar inkomen : 8.146,30 EUR 0,00 EUR
In het kader van de invoering van de decumul rees onvermijdelijk de vraag naar de mogelijkheid tot, enerzijds, de aftrekbaarheid van onderhoudsuitkeringen verschuldigd tijdens het jaar van feitelijke scheiding door de ene echtgenoot ten behoeve van de andere echtgenoot en, anderzijds, de belastbaarheid van die uitkeringen in hoofde van de andere echtgenoot. Het probleem stelt zich uiteraard enkel in geval van vestiging van een gemeenschappelijke aanslag voor het jaar van de feitelijke scheiding.
In het antwoord op de mondelinge parlementaire vraag nr. 3230 van Volksvertegenwoordiger Jacques CHABOT, gesteld op 29.6.2004 (Beknopt Verslag, Kamercommissie voor de Financiën en de Begroting, CRABV 51 COM 313, blz. 3-4) werd in dat verband gesteld :
"De hervormingswet heeft de fiscale bepalingen terzake niet gewijzigd. De onderhoudsuitkeringen die werden uitbetaald in het jaar waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden, zijn noch aftrekbaar, noch belastbaar".
Concreet houdt dit in dat aftrekbaarheid en belastbaarheid van onderhoudsuitkeringen gestort tussen echtgenoten enkel mogelijk is in geval geen gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd én voor zover aan alle terzake geldende voorwaarden is voldaan.
Dit zal met andere woorden in de praktijk van toepassing zijn in de gevallen vermeld in art. 126, § 2, 2° en 3°, WIB 92 :
- vanaf het jaar nadat waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden, voor zover die scheiding in het belastbare tijdperk niet ongedaan is gemaakt;
- voor het jaar van de ontbinding van het huwelijk of van de scheiding van tafel en bed of van de beëindiging van de wettelijke samenwoning.
a) Aftrekbaar bedrag
6.1 De voorwaarden en de grenzen opdat giften, vermeld in art. 104, 3° tot 5°, WIB 92, in hoofde van elke belastingplichtige voor aftrek in aanmerking zouden komen, worden bepaald in de art. 107 tot 111, WIB 92.
Deze voorwaarden en grenzen kunnen in principe als volgt worden samengevat :
- De giften moeten ten minste 25 EUR (30 EUR voor aj. 2005) bedragen (art. 107, WIB 92).
- De storting moet blijken uit een kwijtschrift van de begiftigde (art. 107, WIB 92).
- "Het totale bedrag van de giften dat aftrekbaar is van het totale netto-inkomen" (van elke belastingplichtige - zie nr. 3.2) "mag het bedrag van de giften dat overeenkomstig art. 98, eerste lid, werd afgetrokken
niet bevatten (art. 109, WIB 92).
- Het totale bedrag van de giften dat aftrekbaar is van het totale netto-inkomen mag niet hoger zijn dan 10 % van het totale netto-inkomen" (van elke belastingplichtige, zie nr. 3.2 - art. 109, WIB 92).
- Het totale bedrag van de giften dat aftrekbaar is van het totale netto-inkomen mag niet "hoger zijn dan 250.000 EUR" (304.550 EUR voor aj. 2005 - per belastingplichtige, zie punt 3.2 - art. 109, WIB 92).
Er wordt aan herinnerd dat, alvorens tot de aanrekening over te gaan, alle voorwaarden en grenzen per belastingplichtige moeten worden beoordeeld. Pas daarna kan de evenredige aanrekening op de totale netto-inkomens van beide belastingplichtigen worden doorgevoerd (zie nr. 4).
Gelet op de doelstellingen van de wetgever kan de hervormingswet op het vlak van de vaststelling van het totale aftrekbare bedrag van de giften in geval van vestiging van een gemeenschappelijke aanslag en uiteraard mits alle andere voorwaarden zijn vervuld, in de praktijk als volgt worden toegepast :
- iedere storting moet worden gestaafd door een kwijtschrift (attest) van de begiftigde instelling.
Het is terzake van geen belang op naam van welke echtgenoot de uitgereikte attesten zijn opgemaakt. Zowel attesten op naam van één van beide echtgenoten als op naam van beiden tezamen komen dus in aanmerking.
- Voor het bepalen van de minimumgrens van 25 EUR bedoeld in art. 107, WIB 92 (30 EUR voor aj. 2005) wordt per instelling rekening gehouden met het totale bedrag van de door de echtgenoten (persoonlijk of gezamenlijk) gestorte giften en dit in afwijking van de algemene regel vermeld onder punt 3.2 hiervoor
- Bij het invullen van de aangifte moeten
alle giften die voor aftrek in aanmerking komen en die zijn gestort door één van de echtgenoten afzonderlijk of door beide echtgenoten samen, worden samengeteld.
- Voor het bepalen van de maximumgrens van 10 % van het totale netto-inkomen met een absoluut maximum van 250.000 EUR (304.550 EUR voor aj. 2005) bedoeld in art. 109, WIB 92 zal evenwel rekening gehouden worden met het totale netto-inkomen van iedere echtgenoot afzonderlijk.
Deze grenzen zullen door de administratie op geautomatiseerde wijze worden vastgesteld op het ogenblik van de verwerking van de aangifte en de berekening van de aanslag in de personenbelasting.
Concreet betekent dit dat het maximum van 10 % zal worden berekend op het totale netto-inkomen van elke echtgenoot afzonderlijk en per echtgenoot eventueel zal worden beperkt tot 250.000 EUR (304.550 EUR voor aj. 2005). De per echtgenoot verkregen resultaten worden vervolgens samengeteld. Die som vormt het totale maximum aftrekbare bedrag.
- Dat totale aftrekbare bedrag wordt proportioneel omgedeeld tussen beide echtgenoten (art. 105, WIB 92). Deze omdeling zal eveneens op geautomatiseerde wijze door de administratie worden doorgevoerd.
6.2.1 Ingevolge de wet van 27.10.1997 houdende bepalingen in verband met de fiscale stimuli voor de uitvoer en het onderzoek worden belangrijke wijzigingen aangebracht, enerzijds, aan de vaststelling van het nettobedrag van de in art. 90, 2°, WIB 92 vermelde prijzen, subsidies, enz., aan geleerden, schrijvers of kunstenaars en, anderzijds, aan het aftrekbare bedrag van de giften dat krachtens art. 109, WIB 92 wordt bepaald en dat niet het bedrag van de giften mag bevatten dat overeenkomstig art. 98, eerste lid, WIB 92 werd afgetrokken en dat niet hoger mag zijn dan 10 % van het totale netto-inkomen.
De hier bedoelde giften zijn de giften, vermeld in art. 104, 3°, a en b, WIB 92, die aftrekbaar zijn van de prijzen, subsidies, enz.
Deze giften zijn, krachtens art. 98, eerste lid, WIB 92, bij voorrang aftrekbaar van de in art. 90, 2°, WIB 92 vermelde inkomsten, zijnde de "prijzen en gedurende twee jaar ontvangen subsidies, voor de schijf boven 2.500 EUR (3.050 EUR voor aj. 2005) en andere subsidies, renten of pensioenen die door Belgische of vreemde openbare machten of openbare instellingen zonder winstoogmerken zijn toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars, met uitzondering van de sommen die zijn betaald of toegekend als bezoldiging van bewezen diensten en beroepsinkomsten zijn.".
Voor de vaststelling van het nettobedrag van de prijzen, subsidies, enz., zijn de in art. 109, WIB 92, gestelde grenzen van 10 % en 250.000 EUR (304.550 EUR voor aj. 2005) niet van toepassing.
Het eventuele saldo van die giften dat bij ontstentenis of ontoereikendheid niet van de in art. 90, 2°, WIB 92 vermelde inkomsten kan worden afgetrokken, komt verder in aanmerking voor de toepassing van de art. 104, 3° tot 5°, en 107 tot 110, WIB 92.
Concreet kan worden gesteld dat :
- de minimumgrens van 25 EUR (30 EUR voor aj. 2005) vermeld in art. 107, WIB 92 wel van toepassing is op deze giften;
- een kwijtschrift door de begiftigde instelling moet worden opgesteld overeenkomstig art. 107, WIB 92;
- de grenzen vermeld in art. 109, WIB 92 in eerste instantie niet van toepassing zijn;
- indien er, nà de toepassing van art. 98, eerste lid, WIB 92, nog giften aan universiteiten en erkende instellingen voor wetenschappelijk onderzoek overblijven, het saldo, samen met de andere giften vermeld in art. 104, 3°, c tot k, en 4° tot 5°, WIB 92 wordt afgetrokken en bovendien wel onderworpen is aan de grenzen vermeld in art. 109, WIB 92.
6.2.2 Krachtens art. 98, eerste lid, WIB 92, worden de in art. 90, 2°, WIB 92 vermelde inkomsten "verlaagd met de door de verkrijger gestorte giften aan een in art. 104, 3°, a en b, vermelde instelling".
De administratie zal evenwel eenvoudigheidshalve de echtgenoten zelf de keuze laten om de giften aan bedoelde instellingen onderling vrij te verdelen over de codes 1393 en 2393 en dit ongeacht :
- welke echtgenoot de in art. 90, 2°, WIB 92 vermelde inkomsten heeft verkregen;
- op naam van welke echtgenoot (persoonlijk of gezamenlijk) het attest met betrekking tot bedoelde aftrekbare giften werd uitgereikt.
- in de kolom van de echtgenoot die het art. 90, 2°, WIB 92 bedoelde inkomen heeft verkregen, wordt de gift of dat gedeelte eerst van die inkomsten afgetrokken en wordt het eventueel saldo als een "gewone" gift behandeld en van het totale netto-inkomen afgetrokken volgens de regels opgenomen in nr. 6.1;
- in de kolom van de echtgenoot die geen inkomen als bedoeld in art. 90, 2°, WIB 92 heeft verkregen, wordt de gift of dat gedeelte als een "gewone" gift behandeld en van het totale netto-inkomen afgetrokken volgens de regels opgenomen in nr. 6.1.
| Giften | ||||
a) aan erkende universiteiten en aan erkende instellingen voor wetenschappelijk onderzoek | 1 | 393 | 2 | 393 |
| 1 | 394 |
Onder het vak "andere" giften (code 1 394) moet het totale bedrag van alle door de echtgenoten in het kader van art. 104, 3°, c tot k, en 4° tot 5°, WIB 92 gestorte giften worden vermeld, ongeacht of die giften worden verantwoord door een attest op de persoonlijke naam van één van de echtgenoten dan wel op hun gezamenlijke naam.
d) Aanrekening
6.4 De voorwaarden en grenzen in hoofde van iedere echtgenoot zullen op geautomatiseerde wijze door de administratie worden berekend. Het totale aftrekbare bedrag zal vervolgens op dezelfde wijze door de administratie overeenkomstig art. 105, WIB 92 proportioneel op het netto-inkomen van ieder van hen worden aangerekend.
In geval van de vestiging van een gemeenschappelijke aanslag laat deze werkwijze toe dat, op de voor de echtgenoten meest eenvoudige manier (enkel vermelden van het totale bedrag van de gestorte giften in één code), in ieder geval de meest optimale aftrek (meest voordelige) in aanmerking wordt genomen.
e) Voorbeelden
6.5
1. Guy en Evelyn zijn gehuwd in 1982.
Het totale netto-inkomen (netto bezoldiging) van Guy bedraagt 27.400,00 EUR.
Evelyn heeft geen eigen inkomsten.
Uit een kwijtschrift op naam van Guy blijkt dat een gift van 30,00 EUR werd gestort aan een erkende instelling. Alle andere terzake geldende voorwaarden zijn voldaan.
Aangifte
Aftrekbaar bedrag : aangegeven 30 EUR
Giften Guy Evelyn a) aan erkende universiteiten en aan erkende instellingen voor wetenschappelijk onderzoek
b) andere1 393 2 393 1 394 30,00
Minimumgrens
Aangezien dit totaalbedrag voldoet aan de minimumgrens gesteld in art. 107, WIB 92 (basisbedrag 25 EUR, voor aj. 2005 na indexering 30 EUR) komen de giften in aanmerking voor de vaststelling van het aftrekbare bedrag van de totale netto-inkomens van de respectieve echtgenoten.
Maximumgrens
Guy :
- Maximum : 10 % x 19.240,00 [*] = 1.924,00 EUR
Evelyn :
- Maximum : 10 % x 8.160,00 [*] = 816,00 EUR
| [*] | Netto bezoldiging : 27.400,00 EUR. Huwelijksquotiënt (toegerekend inkomen) : 27.400,00 x 30 % = 8.220,00 EUR, te beperken tot 8.160,00 EUR (geïndexeerd bedrag voor aj. 2005). Resterend netto-inkomen : 27.400,00 - 8.160,00 = 19.240,00 EUR. |
2. Marc en Carine zijn gehuwd in 1961.
Totaal maximum aftrekbaar : 1.924,00 + 816,00 = 2.740,00 EUR
Gevolgen : het bedrag van de aangegeven giften, in casu 30,00 EUR, is aftrekbaar
Aanrekening
Guy : 30,00 x (19.240,00/27.400,00) = 21,07 EUR
Evelyn : 30,00 x (8.160,00/27.400,00) = 8,93 EUR
Guy Evelyn Totale netto-inkomen : 19.240,00 EUR 8.160,00 EUR Aftrekbare bestedingen :
- giften :- 21,07 EUR - 8,93 EUR Belastbaar inkomen : 19.218,93 EUR 8.151,07 EUR
Het totale netto-inkomen van Marc bedraagt 67.000,00 EUR.
Het totale netto-inkomen van Carine bedraagt 57.000,00 EUR.
Een kwijtschrift op naam van Marc uitgaande van een erkende instelling vermeldt een gestorte gift van 5.000,00 EUR.
Een ander kwijtschrift op naam van Carine uitgaande van een erkende instelling vermeldt een gestorte gift van 6.000,00 EUR.
Aangifte
| Giften | Marc | Carine | ||||
a) aan erkende universiteiten en aan erkende instellingen voor wetenschappelijk onderzoek | 1 | 393 | 2 | 393 | ||
| 1 | 394 | 11.000,00 | ||||
Aftrekbaar bedrag : aangegeven 11.000,00 EUR
Minimumgrens :
voor aj. 2005 : 30 EUR : voorwaarde is vervuld
Maximumgrens:
Marc :
- Maximum : 10 % x 67.000,00 = 6.700,00 EUR
Carine :
- Maximum : 10 % x 57.000,00 = 5.700,00 EUR
Totaal maximum aftrekbaar : 6.700,00 + 5.700,00 = 12.400,00 EUR
Gevolgen : het bedrag van de aangegeven giften, in casu 11.000,00 EUR, is aftrekbaar
Aanrekening
Marc : 11.000 x (67.000,00/124.000,00) = 5.943,55 EUR
Carine : 11.000 x (57.000,00/124.000,00) = 5.056,45 EUR
| Marc | Carine | |
| Totale netto-inkomen : | 67.000,00 EUR | 57.000,00 EUR |
| Aftrekbare bestedingen : - giften : | - 5.943,55 EUR | - 5.056,45 EUR |
| Belastbaar inkomen : | 61.056,45 EUR | 51.943,55 EUR |
3. Chris (geboren 10. 7.1949) en Christophe (geboren 28.12.1955) hebben in 2002 een verklaring van wettelijke samenwoning ondertekend.
Het totale netto-inkomen van Chris bedraagt 2.700.000,00 EUR.
Het totale netto-inkomen van Christophe bedraagt 3.200.000,00 EUR.
Een kwijtschrift op naam van Chris uitgaande van een erkende instelling vermeldt een gestorte gift van 150.000,00 EUR.
Een kwijtschrift op naam van Christophe uitgaande van een erkende instelling vermeldt een gestorte gift van 350.000,00 EUR.
Aangifte
Aftrekbaar bedrag : aangegeven 500.000,00 EUR
Giften Chris Christophe a) aan erkende universiteiten en aan erkende instellingen voor wetenschappelijk onderzoek
b) andere1 393 2 393 1 394 500.000,00
Minimumgrens
voor aj. 2005 : 30 EUR : voorwaarde is vervuld
Maximumgrens :
Chris :
- Maximum : 10 % x 2.700.000 = 270.000,00 EUR
Christophe :
- Maximum : 10 % x 3.200.000 = 320.000,00 EUR
---> absoluut maximum voor aj 2005 : 304.550,00 EUR
Totaal maximum aftrekbaar : 270.000,00 + 304.550,00 = 574.550,00 EUR
Gevolgen : het bedrag van de aangegeven giften, in casu 500.000,00 EUR, is aftrekbaar Aanrekening
Chris : 500.000,00 x (2.700.000,00/5.900.000,00) = 228.813,56 EUR
Christophe : 500.000,00 x (3.200.000,00/5.900.000,00) = 271.186,44 EUR
| Chris | Christophe | |
| Totale netto-inkomen : | 2.700.000,00 EUR | 3.200.000,00 EUR |
| Aftrekbare bestedingen : - giften : | - 228.813,56 EUR | - 271.186,44 EUR |
| Belastbaar inkomen : | 2.471.186,44 EUR | 2.928.813,56 EUR |
Louis verkrijgt volgende inkomsten :
- Netto bezoldiging : 16.203,30 EUR.
- Diverse inkomsten art. 90, 2°, WIB 92 : 900,00 EUR.
Charlotte heeft een netto bezoldiging van 37.473,30 EUR.
Een kwijtschrift op naam van Louis uitgaande van een Belgische universiteit vermeldt een gestorte gift van 1.000,00 EUR.
Een kwijtschrift op naam van Louis en Charlotte uitgaande van een erkende instelling vermeldt een gestorte gift van 30,00 EUR.
Charlotte is voor het inkomstenjaar 2004 persoonlijk een onderhoudsuitkering verschuldigd van 4.800,00 EUR.
Samen zijn Louis en Charlotte nog een onderhoudsuitkering verschuldigd van 5.000,00 EUR voor hetzelfde jaar.
Alle terzake geldende voorwaarden zijn voldaan.
4.1. Aangifte[Wat de gift betreft aan de universiteit, hebben de echtgenoten de keuze om deze vrij om te delen over de codes 1393 en 2393 (zie nr. 6.2.2).]
| Onderhoudsuitkeringen (werkelijk betaald bedrag) | Louis | Charlotte | ||||||
a) verschuldigd door uzelf | 1 | 390 | 2 | 390 | 4.800,00 | |||
| 1 | 392 | 5.000,00 | ||||||
| Giften | Louis | Charlotte | ||||||
a) aan erkende universiteiten en aan erkende instellingen voor wetenschappelijk onderzoek | 1 | 393 | 1.000,00 | 2 | 393 | |||
| 1 | 394 | 30,00 | ||||||
Aftrekbaar bedrag4.2. Aangifte[Wat de gift betreft aan de universiteit, hebben de echtgenoten de keuze om deze vrij om te delen over de codes 1393 en 2393 (zie nr. 6.2.2).]
a) Onderhoudsuitkeringen
- Gezamenlijk verschuldigd : 5.000,00 x 80 % = 4.000,00 EUR
- Persoonlijk verschuldigd :
Charlotte : 4.800,00 x 80% = 3.840,00 EUR
Louis : 0
b) Giften
- Giften aan universiteit
Louis :
aangegeven storting aan Belgische universiteit : 1.000,00 EUR
Let op ! : toepassing art. 98, eerste lid, WIB 92
- Minimum : (voor aj. 2005 : 30 EUR) : voorwaarde is vervuld
- Diverse inkomsten art. 90, 2°, WIB 92 : 900,00 EUR
- Aftrekbaar bij toepassing art. 98, eerste lid, WIB 92 : 900,00 EURSaldo aftrekbare giften na toepassing art. 98, eerste lid, WIB 92 : 1.000,00 - 900,00 = 100,00 EUR. Dit saldo zal in onderhavig geval tezamen met de "andere" giften aftrekbaar zijn van het totale netto-inkomen.
Totaal maximum aftrekbaar : 1.620,33 + 3.747,33 = 5.367,66 EUR
- Andere aangegeven giften : 30,00 EUR en saldo aftrekbare giften na toepassing van art. 98, eerste lid, WIB 92 : 100,00 EUR.
Minimumgrens
voor aj. 2005 : 30 EUR : voorwaarde is vervuld
Maximumgrens :
Louis : 10 % x 16.203,30 =1.620,33 EUR
Charlotte : 10 % x 37.473,30 = 3.747,33 EUR
Gevolgen : het bedrag van de aangegeven giften, in casu 100,00 + 30,00 = 130,00 EUR is aftrekbaar c) Totaal aftrekbaar :
Aanrekening
- proportioneel aan te rekenen :
Onderhoudsuitkeringen : 4.000,00 EUR
Giften : 130,00 EUR
Totaal : 4.130,00 EUR- persoonlijk aan te rekenen :
Onderhoudsuitkeringen Charlotte : 3.840,00 EUR
Louis Charlotte Netto divers inkomen : 900,00 EUR Art. 98, eerste lid, WIB 92 - 900,00 EUR Netto divers inkomen :
0,00 EUR
Netto bezoldiging :
16.203,30 EUR
37.473,30 EUR
Totale netto-inkomen : 16.203,30 EUR 37.473,30 EUR Aftrekbare bestedingen :
- proportioneel aan te rekenen :
4.130,00 x (16.203,30/53.676,60)- 1.246,72 EUR 4.130,00 x (37.473,30/53.676,60)
- 2.883,28 EUR
- persoonlijk aan te rekenen : - 0,00 EUR - 3.840,00 EUR Belastbaar inkomen : 14.956,58 EUR 30.750,02 EUR
| Onderhoudsuitkeringen (werkelijk betaald bedrag) | Louis | Charlotte | ||||||
a) verschuldigd door uzelf | 1 | 390 | 2 | 390 | 4.800,00 | |||
| 1 | 392 | 5.000,00 | ||||||
| Giften | Louis | Charlotte | ||||||
a) aan erkende universiteiten en aan erkende instellingen voor wetenschappelijk onderzoek | 1 | 393 | 2 | 393 | 1.000,00 | |||
| 1 | 394 | 30,00 | ||||||
Aftrekbaar bedrag
a) Onderhoudsuitkeringen
b) Giften
- Gezamenlijk verschuldigd : 5.000,00 x 80 % = 4.000,00 EUR
- Persoonlijk verschuldigd :
Charlotte : 4.800,00 x 80% = 3.840,00 EUR
Louis : 0
c) Totaal aftrekbaar :
- Giften aan universiteit
! Let op :
Charlotte beschikt zelf niet over diverse inkomsten. De toepassing van art. 98, eerste lid, WIB 92 is dan ook niet mogelijk. De giften zullen in onderhavig geval dan tezamen met de "andere" giften aftrekbaar zijn van het totale netto-inkomen.
- Andere aangegeven giften : 30,00 EUR en giften aangegeven bij Charlotte die niet aftrekbaar zijn bij toepassing van art. 98, eerste lid, WIB 92 : 1.000,00 EUR
Minimumgrens
voor aj. 2005 : 30 EUR : voorwaarde is vervuld
Maximumgrens :
Louis : 10 % x 16.203,30 = 1.620,33 EUR
Charlotte : 10% x 37.473,30 = 3.747,33 EUR
Totaal maximum aftrekbaar : 1.620,33 + 3.747,33 = 5.367,66 EUR
Gevolgen : het bedrag van de aangegeven giften, in casu 1.000,00 + 30,00 = 1.030,00 EUR is aftrekbaar
Aanrekening
- proportioneel aan te rekenen :
Onderhoudsuitkeringen : 4.000,00 EUR
Giften : 1.030,00 EUR
Totaal : 5.030,00 EUR- persoonlijk aan te rekenen :
Onderhoudsuitkeringen Charlotte : 3.840,00 EUR
| Louis | Charlotte |
| Netto divers inkomen : | 900,00 EUR | [*] |
| Netto bezoldiging : | 16.203,30 EUR | 37.473,30 EUR |
| Totale netto-inkomen : | 17.103,30 EUR | 37.473,30 EUR |
| Aftrekbare bestedingen : - proportioneel aan te rekenen : 5.030,00 x (17.103,30/54.576,60) | - 1.576,31 EUR |
| 5.030,00 x (37.473,30/54.576,60) | - 3.453,69 EUR | ||
| Subtotaal : | 15.526,99 EUR | 34.019,61 EUR | |
| Subtotaal : | 15.526,99 EUR | 34.019,61 EUR | |
| - persoonlijk aan te rekenen : | - 0,00 EUR | - 3.840,00 EUR | |
| Belastbaar inkomen : | 15.526,99 EUR | 30.179,61 EUR | |
| [*] In de veronderstelling dat de globalisatie voordeliger is. | |||
5. Dominique (geboren 11.9.1953) en Joseph (geboren 6.1.1957) hebben in 2001 een verklaring van wettelijke samenwoning ondertekend.
Dominique verkrijgt volgende inkomsten :
5.1 Aangifte [Wat de gift betreft aan de universiteit, hebben de echtgenoten de keuze om deze vrij om te delen over de codes 1393 en 2393 (zie nr. 6.2.2).]
- Netto bezoldiging : 100.000,00 EUR
- Diverse inkomsten art. 90, 2°, WIB 92 : 10.000,00 EUR
Joseph heeft geen aan te geven inkomsten.
Een kwijtschrift op naam van Joseph uitgaande van een Belgische universiteit vermeldt een gestorte gift van 15.000,00 EUR
Aftrekbaar bedrag
Giften Dominique Joseph a) aan erkende universiteiten en aan erkende instellingen voor wetenschappelijk onderzoek
b) andere1 393 15.000,00 2 393 1 394
Saldo aftrekbare giften na toepassing art. 98, eerste lid, WIB 92 : 5.000,00 EUR. Dit saldo zal in onderhavig geval tezamen met de "andere" giften aftrekbaar zijn van het totale netto-inkomen.
- Giften aan universiteit
Dominique :
aangegeven storting aan Belgische universiteit : 15.000,00 EUR
Let op ! : toepassing art. 98, eerste lid, WIB 92
- Minimum : (voor aj. 2005 : 30 EUR) : voorwaarde is vervuld
- Diverse inkomsten art. 90, 2°, WIB 92 : 10.000,00 EUR
- Aftrekbaar bij toepassing art. 98, eerste lid, WIB 92 : 10.000,00 EUR
Aanrekening
- Andere aangegeven giften : 00,00 EUR en saldo aftrekbare giften na toepassing van art. 98, eerste lid, WIB 92 : 5.000,00 EUR
Minimumgrens
reeds onderzocht voor de toepassing van art. 98, eerste lid, WIB 92 : in orde
Maximumgrens :
Dominique : 10 % x 91.840,00 [*] = 9.184,00 EUR
Joseph : 10 % x 8.160,00 [*] = 816,00 EUR
Totaal maximum aftrekbaar : 9.184,00 + 816,00 = 10.000,00 EUR
Gevolgen : het bedrag van de aangegeven giften, in casu het saldo van 5.000,00 EUR, is aftrekbaar
[*] Netto bezoldiging : 100.000,00 EUR
Joseph : huwelijksquotiënt (toegerekend inkomen) : maximum : 8.160,00 EUR
Dominique : resterend netto-beroepsinkomen : 100.000,00 - 8.160,00 = 91.840,00 EUR.
Totaal aftrekbaar bedrag giften : 5.000,00 EUR
Joseph : 5.000,00 x (8.160/100.000) = 408,00 EUR
Dominique : 5.000,00 x (91.840/100.000) = 4.592,00 EUR
| Dominique | Joseph | |
| Netto divers inkomen : | 10.000,00 EUR | |
| Art. 98, eerste lid, WIB 92 | - 10.000,00 EUR | |
| Netto divers inkomen : | 0,00 EUR | |
| Netto bezoldiging : | 91.840,00 EUR | 8.160,00 EUR |
| Totaal netto-inkomen : | 91.840,00 EUR | 8.160,00 EUR |
| - giften : | - 4.592,00 EUR | - 408,00 EUR |
| Belastbaar inkomen : | 87.248,00 EUR | 7.752,00 EUR |
5.2 Aangifte[Wat de gift betreft aan de universiteit, hebben de echtgenoten de keuze om deze vrij om te delen over de codes 1393 en 2393 (zie nr. 6.2.2).]
Dominique en Joseph opteren als volgt voor de aangifte van de giften
| Giften | Dominique | Joseph | ||||
a) aan erkende universiteiten en aan erkende instellingen voor wetenschappelijk onderzoek | 1 | 393 | 5.000,00 | 2 | 393 | 10.000,00 |
| 1 | 394 | |||||
Aftrekbaar bedrag7. C. Kinderopvang
- Giften aan universiteiten
Dominique : aangegeven storting aan Belgische universiteit : 5.000,00 EUR
Let op ! : toepassing art. 98, eerste lid, WIB 92
- Minimum : (voor aj. 2005 : 30 EUR) : voorwaarde is vervuld
- Diverse inkomsten art. 90, 2°, WIB 92 : 10.000,00 EUR
- Aftrekbaar bij toepassing art. 98, eerste lid, WIB 92 : 5.000,00 EUR (saldo giften 0,00)
! Let op :
Joseph beschikt zelf niet over diverse inkomsten. De toepassing van art. 98, eerste lid, WIB 92 is dan ook niet mogelijk. De giften zullen in onderhavig geval dan tezamen met eventuele "andere" giften aftrekbaar zijn.
- Andere aangegeven giften : 0,00 EUR en giften aangegeven bij Joseph die niet aftrekbaar zijn bij toepassing van art. 98, eerste lid, WIB 92 : 10.000,00 EUR
Minimumgrens
voor aj. 2005 : 30 EUR : voorwaarde is vervuld
Maximumgrens :
Dominique : 10 % x 91.840,00 () = 9.184,00 EUR
Joseph : 10 % x 8.160,00 (1) = 816,00 EUR
Totaal maximum aftrekbaar : 9.184,00 + 816,00 = 10.000,00 EUR
Gevolgen : het bedrag van de aangegeven giften, in casu 10.000,00 EUR is aftrekbaar Aanrekening
Joseph : 10.000,00 x (8.160,00/100.000,00) = 816,00 EUR
Dominique : 10.000,00 x (91.840/100.000,00) = 9.184,00 EUR
Dominique Joseph Netto divers inkomen : 10.000,00 EUR
Art. 98, eerste lid, WIB 92 - 5.000,00 EUR Netto divers inkomen : 5.000,00 EUR [*]
Netto bezoldiging : 91.840,00 EUR 8.160,00 EUR Totaal netto-inkomen : 96.840,00 EUR 8.160,00 EUR - giften : - 9.184,00 EUR - 816,00 EUR Belastbaar inkomen : 87.656,00 EUR 7.344,00 EUR
[*] In de veronderstelling dat de globalisatie voordeliger is.
a) Aftrekbaar bedrag
7.1 Uitgaven voor de oppas van één of meer kinderen ten laste van de belastingplichtige zijn, krachtens art. 104, 7°, WIB 92, van het totale netto-inkomen aftrekbaar.
De voorwaarden voor die aftrek worden bepaald in de art. 113 en 114, WIB 92.
De hervormingswet heeft deze bepalingen niet gewijzigd. De voorwaarden worden hierna toch nog even kort in herinnering gebracht.
b) Voorwaarden voor de aftrek
7.2 Krachtens art. 113, § 1, WIB 92 zijn in art. 104, 7°, WIB 92 vermelde uitgaven voor kinderoppas aftrekbaar onder volgende voorwaarden :
| 1° | de uitgaven zijn gedaan voor kinderen die de leeftijd van drie jaar niet hebben bereikt [Vanaf aj. 2006 wordt de aftrek verruimd tot kinderen die de leeftijd van 12 jaar niet hebben bereikt en voor oppaskosten betaald aan kleuter- of lagere scholen. Die wijziging wordt besproken in een afzon-derlijke circulaire nr. Ci.RH.241/569.821.] ; |
| 2° | de belastingplichtige verkrijgt beroepsinkomsten; |
| 3° | de uitgaven zijn betaald aan instellingen die erkend, gesubsidieerd of gecontroleerd worden door Kind en Gezin, door het Office de la naissance et de l'enfance of door de Executieve van de Duitstalige gemeenschap, of aan zelfstandige onthaalgezinnen of aan kinderdagverblijven die onder toezicht staan van de voormelde instellingen [Vanaf aj. 2006 wordt de aftrek verruimd tot kinderen die de leeftijd van 12 jaar niet hebben bereikt en voor oppaskosten betaald aan kleuter- of lagere scholen. Die wijziging wordt besproken in een afzon-derlijke circulaire nr. Ci.RH.241/569.821.]; |
| 4° | de echtheid en het bedrag van de uitgaven worden verantwoord door bewijsstukken die bij de aangifte zijn gevoegd. |
Art. 114, WIB 92 verbiedt de cumul van de aftrek voor kinderoppas met de bijkomende toeslag op de belastingvrije som voor kinderen jonger dan 3 jaar.
Krachtens art. 61 KB/WIB 92 bedraagt het maximumbedrag van de uitgaven voor kinderoppas per oppasdag en per kind : 11,20 EUR.
c) Voorwaarde met betrekking tot de beroepsinkomsten
7.3 Krachtens art. 113, § 1, 2°, WIB 92 moet belastingplichtige beroepsinkomsten verkrijgen, teneinde aanspraak te kunnen maken op de aftrek van de uitgaven voor kinderoppas.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, volstaat het dat de voorwaarde met betrekking tot de beroepsinkomsten bij één van de echtgenoten is vervuld.
Het feit dat slechts één van de echtgenoten over beroepsinkomsten beschikt en er, overeenkomstig art. 87, laatste zinsdeel, geen beroepsinkomsten aan de andere echtgenoot worden toegerekend, vormt bijgevolg geen bezwaar voor de toekenning van de aftrek van de uitgaven voor kinderoppas, voor zover uiteraard aan alle andere terzake geldende voorwaarden is voldaan.
d) Aangifte aanslagjaar 2005
7.4 Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, is het van geen belang op naam van welke echtgenoot het attest is opgemaakt.
Het maakt in principe niet uit wie van hen de uitgaven in de aangifte vermeldt. De uitgaven worden immers steeds samengevoegd om ze vervolgens proportioneel om te delen.
Eenvoudigheidshalve wordt er dan ook voor geopteerd om terzake maar 1 vak in de aangifte te voorzien. In dat vak moet dan ook het totale maximumbedrag van de aftrekbare uitgaven voor kinderoppas worden vermeld, ongeacht of het attest op naam van één van de echtgenoten dan wel op naam van beide echtgenoten is opgemaakt.
| Uitgaven voor kinderopvang | ||
| Aftrekbaar bedrag van de uitgaven voor opvang van kinderen jonger dan 3 jaar | 1 | 384 |
7.5 Art. 105 bepaalt het volgende :
"Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de aftrekken vermeld in artikel 104, 3° tot 9°, eerst evenredig aangerekend op de totale netto-inkomens van beide belastingplichtigen."
Vooreerst wordt dus ook in dit geval het totale aftrekbare bedrag van de uitgaven voor kinderopvang vastgesteld. Dat bedrag wordt vervolgens proportioneel aangerekend op het totale netto-inkomen van elke echtgenoot afzonderlijk.
7.6 f) Voorbeelden
1. Margriet en Steve hebben in 2002 een verklaring van wettelijke samenwoning ondertekend. Ze hebben 1 zoontje van 2 jaar ten laste.
Het totale netto-inkomen (netto bezoldiging) van Margriet bedraagt 25.000,00 EUR.
Het totale netto-inkomen (netto bezoldiging) van Steve bedraagt 30.000,00 EUR.
In 2004 betaalden ze 2.464,00 EUR (220 dagen tegen 11,20 EUR) aan een door Kind en Gezin erkende instelling voor de opvang van hun zoontje. Deze uitgaven worden gestaafd door een attest op naam van Steve. Alle andere terzake geldende voorwaarden zijn voldaan.
Aangifte
| Uitgaven voor kinderopvang | |||
| Aftrekbaar bedrag van de uitgaven voor opvang van kinderen jonger dan 3 jaar | 1 | 384 | 2.464,00 |
Aanrekening
Totaal aftrekbaar bedrag uitgaven voor kinderopvang : 2.464,00 EUR
Steve : 2.464,00 x (30.000,00/55.000,00) = 1.344,00 EUR
Margriet : 2.464,00 x (25.000,00/55.000,00) = 1.120,00 EUR
| Steve | Margriet | |
| Totaal netto-inkomen : | 30.000,00 EUR | 25.000,00 EUR |
| - Uitgaven voor kinderopvang | - 1.344,00 EUR | - 1.120,00 EUR |
| Belastbaar inkomen : | 28.656,00 EUR | 23.880,00 EUR |
2. Caroline en André zijn in 1965 gehuwd. Ze hebben hun 2 kleinkinderen, een tweeling van anderhalf jaar, ten laste.
Het totale netto-inkomen (netto pensioen) van André bedraagt 13.750,00 EUR.
Caroline heeft onroerende inkomsten voor een nettobedrag van 94.276,00 EUR.
Uit een attest op naam van Caroline blijkt dat in 2004 een bedrag van 560,00 EUR [(25 dagen x 11,20) x 2] werd betaald aan een door Kind en Gezin erkende instelling voor de opvang van de tweeling. Alle andere terzake geldende voorwaarden zijn voldaan.
Aangifte
| Uitgaven voor kinderopvang | |||
| Aftrekbaar bedrag van de uitgaven voor opvang van kinderen jonger dan 3 jaar | 1 | 384 | 560,00 |
Aanrekening
Let op! In onderhavig voorbeeld is het voordeliger geen huwelijksquotiënt toe te passen (art. 87 zoals gewijzigd door art. 11 van de hervormingswet).
Aangezien André wel over beroepsinkomsten beschikt (in casu pensioenen), is voldaan aan de voorwaarde.
Totaal aftrekbaar bedrag uitgaven voor kinderopvang : 560,00 EUR
André : 560,00 x (13.750,00/108.026,00) = 71,28 EUR
Caroline : 560,00 x (94.276,00/108.026,00) = 488,72 EUR
André Caroline Netto onroerend inkomen : 94.276,00 EUR Netto beroepsinkomen : 13.750,00 EUR Totaal netto-inkomen : 13.750,00 EUR 94.276,00 EUR - Uitgaven voor kinderopvang - 71,28 EUR - 488,72 EUR Belastbaar inkomen : 13.678,72 EUR 93.787,28 EUR
3. Huguette en Victor zijn in 1995 gehuwd. Ze hebben 5 kinderen ten laste. De jongste zijn een drieling van 2 jaar oud.
Het totale netto-inkomen (netto bezoldiging) van Victor bedraagt 15.000,00 EUR.
Huguette heeft roerende inkomsten waarop de bevrijdende roerende voorheffing werd ingehouden. Ze heeft geen andere inkomsten.
Uit een attest op naam van beiden blijkt dat in 2004 een bedrag van 5.000,00 EUR (160 dagen tegen 11,20 EUR voor het eerste, 10,45 EUR voor het tweede en 9,60 EUR voor het derde kind) werd betaald aan een door Kind en Gezin erkende instelling voor de opvang van de drieling. Alle andere terzake geldende voorwaarden zijn voldaan.
Aangifte
| Uitgaven voor kinderopvang | |||
| Aftrekbaar bedrag van de uitgaven voor opvang van kinderen jonger dan 3 jaar | 1 | 384 | 5.000,00 |
Aanrekening
Totaal aftrekbaar bedrag uitgaven voor kinderopvang : 5.000,00 EUR
Victor : 5.000,00 x (10.500,00 [*]/15.000,00) = 3.500,00 EUR
Huguette : 5.000,00 x (4.500,00 [*]/15.000,00) = 1.500,00 EUR
[*] Netto bezoldiging : 15.000,00 EUR
Huguette : huwelijksquotiënt (toegerekend inkomen) : 15.000,00 x 30% = 4.500,00 EUR
Victor : resterend netto-beroepsinkomen : 15.000,00 - 4.500,00 = 10.500,00 EUR
Victor Huguette Totaal netto-inkomen : 10.500,00 EUR 4.500,00 EUR - Uitgaven voor kinderopvang - 3.500,00 EUR - 1.500,00 EUR Belastbaar inkomen : 7.000,00 EUR 3.000,00 EUR
8. D. 50% van kosten onderhoud en restauratie beschermde monumenten
a) Voorwaarden voor de aftrek
8.1 Krachtens art. 104, 8°, WIB 92 is van het totale netto-inkomen aftrekbaar "de helft tot ten hoogste 25.000 EUR (aj. 2005 : 30.460 EUR) van het niet door subsidies gedekte gedeelte van de uitgaven die de eigenaar van niet verhuurde gebouwde onroerende goederen, delen van gebouwde onroerende goederen of landschappen die zijn beschermd overeenkomstig de wetgeving op het behoud van Monumenten en Landschappen, heeft gedaan voor het onderhoud en de restauratie ervan, voor zover die onroerende goederen, delen van onroerende goederen of landschappen, voor het publiek toegankelijk zijn ; de Koning bepaalt de wijze van uitvoering van deze bepaling en inzonderheid wat, voor de toepassing van de belastingwet, wordt verstaan onder "voor het publiek toegankelijk zijn".
Deze bepaling wordt geenszins door de hervormingswet gewijzigd. Aangezien beide echtgenoten gezamenlijk en/of afzonderlijk eigenaar kunnen zijn van de in aanmerking te nemen onroerende goederen, worden evenwel, gelet op de decumul, de voorwaarden en grenzen in hoofde van ieder van hen apart vastgesteld. In de aangifte wordt dan ook voor ieder van hen een in te vullen vak voorzien waarin het werkelijk door hen betaalde bedrag moet worden vermeld.
Wanneer beide echtgenoten gezamenlijk eigenaar zijn van het onroerend goed waarvoor de uitgaven worden gedaan, hebben ze de keuze de desbetreffende uitgaven vrij in de aangifte te verdelen.
Dit moet worden onderscheiden van de aangifte van het inkomen van het onroerend goed. Wanneer de echtgenoten bijvoorbeeld gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel maar één van hen slechts eigenaar is van het beschermd onroerend goed :
- zijn de echtgenoten elk voor 50 % belastbaar op het inkomen van dat onroerend goed (toepassing art. 127, 4°, WIB 92, voor meer bijzonderheden wordt verwezen naar de circulaire nr. Ci. RH. 331/569.662),
- maar kan alleen de echtgenoot die eigenaar is van het beschermd onroerend goed aanspraak maken op de aftrek van kosten voor onderhoud en restauratie van beschermde monumenten.
8.2 b) Aangifte aanslagjaar 2005
| Landschappen en beschermde monumenten | ||||
| (...) uitgaven voor het onderhoud en de restauratie van (...) eigendommen die beschermd zijn (...) en (...) erkend zijn als toegankelijk voor het publiek. | 1 | 385 | 2 | 385 |
8.3 Het van het totale netto-inkomen aftrekbare bedrag van de uitgaven voor landschappen en beschermde monumenten wordt voor aj. 2005, gelet op de hoger vermelde voorwaarden, bepaald als volgt :
- aftrekbaar 50 % van de uitgaven;
- maximumbedrag van de totale aftrek (d.i. eventueel de som van de uitgaven voor verschillende onroerende goederen) : 30.460,00 EUR
1. Laurent en Isabelle zijn gehuwd in 1985.
Ze zijn samen eigenaar van een kasteel (beschermd monument) met een niet-geïndexeerd KI van 5.000,00 EUR.
In 2004 werden aan dat kasteel onderhoudskosten ten bedrage van 80.000,00 EUR gedaan.
Het totale netto-inkomen van Laurent bedraagt 144.956,57 EUR.
Het totale netto-inkomen (netto bezoldiging) van Isabelle bedraagt 54.558,36 EUR.
Alle terzake geldende voorwaarden zijn voldaan.
Aangifte
Laurent en Isabelle (beiden eigenaar) opteren ervoor hun aangifte als volgt in te dienen :
| Landschappen en beschermde monumenten | Laurent | Isabelle | ||||
| (...) uitgaven voor het onderhoud en de restauratie van (...) eigendommen die beschermd zijn (...) en (...) erkend zijn als toegankelijk voor het publiek. | 1 | 385 | 60.920,00 | 2 | 385 | 19.080,00 |
Aftrekbaar bedrag
Laurent : aangegeven : 60.920,00 EUR
- Aftrek : 50% x 60.920,00 = 30.460,00 EUR
- Maximum : 30.460,00 EUR
- Gevolgen : 30.460,00 EUR is aftrekbaar
Isabelle : aangegeven : 19.080,00 EUR
- Aftrek : 50% x 19.080,00 = 9.540,00 EUR
- Maximum : 30.460,00 EUR
- Gevolgen : 9.540,00 EUR is aftrekbaar
Totaal aftrekbaar : 30.460,00 + 9.540,00 = 40.000,00 EUR
Aanrekening
Totaal aftrekbaar bedrag : 40.000,00 EUR
Laurent : 40.000,00 x (144.956,57/199.514,93) = 29.061,80 EUR
Isabelle : 40.000,00 x (54.558,36/199.514,93) = 10.938,20 EUR
Laurent Isabelle Totaal netto-inkomen : 144.956,57 EUR 54.558,36 EUR - beschermde monumenten - 29.061,80 EUR - 10.938,20 EUR Belastbaar inkomen : 115.894,77 EUR 43.620,16 EUR
2. Laurette en Luc zijn gehuwd in 2000.
Laurette is eigenaar van een beschermd monument met een niet-geïndexeerd KI van 3.000,00 EUR.
In 2004 werden aan dat monument onderhoudskosten ten bedrage van 80.000,00 EUR gedaan.
Het netto-inkomen (bezoldiging) van Luc bedraagt 75.000,00 EUR.
Het netto-inkomen van Laurette (onroerend) bedraagt 5.713,40 EUR.
Alle terzake geldende voorwaarden zijn voldaan.
Aangifte [Aangezien alleen Laurette eigenaar is van het beschermd onroerend goed, kan alleen zij aanspraak maken op de aftrek, zelfs indien betrokkenen gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel (zie nr. 8.1, vierde lid).]
| Landschappen en beschermde monumenten | Luc | Laurette | ||||
| (...) uitgaven voor het onderhoud en de restauratie van (...) eigendommen die beschermd zijn (...) en (...) erkend zijn als toegankelijk voor het publiek. | 1 | 385 | 2 | 385 | 80.000,00 | |
Aftrekbaar bedrag
Luc : geen eigenaar : aangegeven : 0,00 EUR
Laurette : aangegeven : 80.000,00 EUR
- Aftrek : 50% x 80.000,00 = 40.000,00 EUR
- Maximum : 30.460,00 EUR
- Gevolgen : slechts 30.460,00 EUR is aftrekbaar
Totaal aftrekbaar : 0,00 + 30.460,00 = 30.460,00 EUR
Aanrekening
Totaal aftrekbaar bedrag : 30.460,00 EUR
Luc : 30.460,00 x (66.840,00 [*]/80.713,40) = 25.224,39 EUR
Laurette : 30.460,00 x (13.873,40 [*]/80.713,40) = 5.235,61 EUR
[*] Netto bezoldiging : 75.000,00 EUR
Laurette : huwelijksquotiënt (toegerekend inkomen) : maximum = 8.160,00 EUR
Luc : resterend netto beroepsinkomen : 75.000,00 - 8.160,00 = 66.840,00 EUR
Laurette : totaal netto-inkomen : 5.713,40 + 8.160,00 = 13.873,40 EUR
| Luc | Laurette | |
| Netto onroerend inkomen | 5.713,40 EUR | |
| Netto beroepsinkomen | 66.840,00 EUR | 8.160,00 EUR |
| Totaal netto-inkomen : | 66.840,00 EUR | 13.873,40 EUR |
| - Uitgaven onderhoud monumenten | - 25.224,39 EUR | - 5.235,61 EUR |
| Belastbaar inkomen : | 41.615,61 EUR | 8.637,79 EUR |
9. E. Door ambtenaren uit hoofde van een cumulatie activiteit aan de schatkist betaalde sommen
a) Bedoelde sommen
9.1 Hiermede worden bedoeld de sommen berekend overeenkomstig art. 4 van het KB nr. 46 van 10.6.1982 betreffende de cumulaties van beroepsactiviteiten in sommige openbare diensten :
"Art. 4, § 1. Het personeelslid dat wegens een van rechtswege of krachtens een machtiging uitgeoefende cumulatieactiviteit, bedrijfsinkomsten als bedoeld in artikel 20 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen geniet, is aan de Schatkist verschuldigd, buiten de inkomstenbelasting, het gedeelte van het netto jaarinkomen uit die activiteit, dat tien percent van de bruto maximumwedde van secretaris-generaal van een ministerie overschrijdt.
Dit netto jaarinkomen is het bruto jaarinkomen, verminderd met :
1° het inzake inkomstenbelastingen aftrekbare bedrag van de sociale bijdragen betreffende de inkomsten uit de bij cumulatie uitgeoefende activiteit;
2° de andere bedrijfslasten die verband houden met dezelfde inkomsten en die inzake inkomstenbelastingen worden aanvaard, namelijk :
a) hetzij het bedrag van de werkelijke bedrijfslasten welke van die inkomsten aftrekbaar zijn voor het vaststellen van de netto bedrijfsinkomsten;3° een bedrag gelijk aan de bedrijfsvoorheffing die op 1 januari 1983 is ingehouden op extra vergoedingen en toelagen, andere dan het vakantiegeld, die een werkgever, buiten de normale bezoldiging van de genieter, aan leden van zijn personeel betaalt. De normale bezoldiging die voor de berekening van het aftrekbaar bedrag in aanmerking moet worden genomen is de bezoldiging die het personeelslid geniet voor de activiteit wegens welke hij onder de toepassing van dit besluit valt.
b) hetzij, indien het inkomsten zijn bedoeld in artikel 20, 2° en 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, een forfaitair bedrag, berekend volgens de regels bepaald in artikel 51, § 2, 1°, van hetzelfde Wetboek, waarbij de bedoelde inkomsten als de enige inkomsten van de belastingplichtige worden beschouwd;
§ 2. Het personeelslid dat wegens een cumulatieactiviteit uitgeoefend buiten de in paragraaf 1 bedoelde gevallen, bedrijfsinkomsten als bedoeld in artikel 20 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen geniet, is aan de Schatkist verschuldigd, buiten de inkomstenbelasting, het totale bruto jaarinkomen uit die activiteit, verminderd met de in paragraaf 1, tweede lid 1° en 2°, bedoelde lasten.
§ 3. De krachtens dit artikel verschuldigde sommen worden, juist zoals de in artikel 71 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde lasten, afgetrokken van het totaal belastbaar netto-inkomen van het belastbaar tijdperk waarin zij werden betaald."
b) Opheffing van de maatregel
9.2 Het KB nr. 46 van 10.6.1982 betreffende de cumulaties van beroepsactiviteiten in sommige openbare diensten wordt opgeheven door art. 447 van de Programmawet I van 24.12.2002.
Krachtens art. 450, §1, tweede lid van voormelde wet treedt bedoeld art. 447 (inzake de opheffing) in werking op de datum bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Dit besluit werd tot op heden nog niet genomen zodat de bepalingen van het KB nr. 46 in principe nog steeds van toepassing zijn.
c) Aangifte aanslagjaar 2005
9.3 Ook deze betaalde sommen worden steeds samengevoegd alvorens proportioneel te worden omgedeeld. Eenvoudigheidshalve wordt dan ook hier geopteerd om maar één vak in de aangifte te voorzien.
| Cumul | ||
| Door ambtenaren uit hoofde van een cumulatie-activiteit aan de Schatkist betaalde sommen. | 1 | 387 |
De aanrekening van de aftrekbare sommen gebeurt proportioneel krachtens art. 105, WIB 92.
10. F. Bijzondere bijdragen voor sociale zekerheid die, met betrekking tot de jaren 1982 tot 1988, in 2004 aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening zijn betaald
a) Toepassingsgebied
10.1 De bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid was voor de aanslagjaren 1983 tot 1989 verschuldigd door alle in de personenbelasting belastbare belastingplichtigen van wie het netto gezamenlijk belastbaar inkomen meer dan 3 miljoen BEF bedroeg en die aan om het even welk stelsel van sociale zekerheid onderworpen waren of die genoten van sociale prestaties.
De bijzondere bijdrage werd beschouwd als een persoonlijke bijdrage, die verschuldigd is in uitvoering van de sociale wetgeving.
De bijdrage moest bovendien het voorwerp uitmaken van een provisionele storting te verrichten vóór 1 december van het jaar dat het aanslagjaar voorafgaat.
Voor zover de bijzondere bijdrage en de provisionele storting niet hoger zijn dan het werkelijk verschuldigd bedrag, worden zij, voor het jaar waarin zij worden betaald, afgetrokken van het totale netto-inkomen. Daartoe werd jaarlijks door de RVA aan de bijdrageplichtige een attest uitgereikt met vermelding van :
- de tijdens het jaar verrichte provisionele stortingen;
- de gedurende het jaar betaalde bijzondere bijdrage met vermelding van het aftrekbare bedrag en, in voorkomend geval, de aangerekende nalatigheidsinteresten en het te veel betaalde bedrag.
- Ci.RH.26/340.227 van 18.10.1984 (Bull. nr. 634, pag. 3084 en volgende);
- Ci.RH.26/362.190 van 28.4.1986 (Bull. nr. 651, pag. 1116 en volgende);
- Ci.RH.26/380.927 van 16.12.1986 (Bull. nr. 658, pag. 309 en volgende);
- Ci.RH.26/380.927 van 10.6.1988 (Bull. nr. 674, pag. 1179 en volgende);
- Ci.RH.26/380.927 van 7.04.1989 (Bull. nr. 683, pag. 1081 en volgende);
10.2 Ook deze betaalde sommen worden steeds samengevoegd alvorens proportioneel te worden omgedeeld. Eenvoudigheidshalve wordt dan ook hier geopteerd om maar één vak in de aangifte te voorzien.
| Bijzondere bijdrage sociale zekerheid | ||
| Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid die, met betrekking tot de jaren 1982 tot 1988, in 2004 aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening zijn betaald : | 1 | 388 |
10.3 De aanrekening van de aftrekbare sommen gebeurt eveneens proportioneel krachtens art. 105, WIB 92.
11. G. 50% van bezoldigingen betaald aan een huisbediende
a) Voorwaarden voor de aftrek
11.1 Bezoldigingen van een huisbediende zijn krachtens art. 112, WIB 92 aftrekbaar onder de volgende voorwaarden :
b) Inschrijving als werkgever : Sociale zekerheid
- de bezoldigingen moeten tenminste 2.450 EUR (2.980 EUR voor aj. 2005) bedragen;
- bij zijn indiensttreding is de huisbediende sedert tenminste 6 maanden gerechtigd tot uitkering als volledig werkloze of tot het bestaansminimum;
- bij de indienstneming laat de belastingplichtige zich bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid als werkgever van huispersoneel inschrijven en de inschrijving is de eerste in die hoedanigheid sinds 1.01.1980;
- voor aftrek komen alleen de bezoldigingen van één huisbediende in aanmerking;
- het bedrag van de aftrek is per belastbaar tijdperk niet hoger dan 5.000 EUR (6.090 EUR voor aj. 2005).
11.2 Krachtens art. 112, §1, 3°, WIB 92 moet belastingplichtige zich bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) als "werkgever van huispersoneel" inschrijven.
Om bij de RSZ als werkgever van dienstboden en ander huispersoneel te worden beschouwd, moet de betrokken werkgever, krachtens art. 1, § 2, van het KB nr. 483 van 22.12.1986, één natuurlijke persoon zijn.
Twee personen die een gezin vormen (hetzij door feitelijke samenwoning, hetzij door huwelijk of wettelijke samenwoning) kunnen dus nooit tegelijkertijd als "werkgever van dienstboden en ander huispersoneel" worden ingeschreven. De bedoelde personen bepalen zelf wie van hen de rol van werkgever op zich neemt.
Art. 2 van voormeld KB nr. 483 stelt bovendien dat de werknemer als huisbediende in dienst wordt genomen om "tegen loon, onder het gezag van een werkgever, (...) hoofd- of handarbeid uit te voeren binnen het onroerend goed, binnenshuis of buiten het huis, voor de privé-behoeften van de werkgever of van diens gezin.".
Krachtens art. 3 van voormeld KB nr. 483 blijft het (sociale) voordeel beperkt tot één werknemer.
Uit het voorgaande vloeit voort dat om voor de vermindering van sociale zekerheid te kunnen genieten :
- slechts één natuurlijke persoon als werkgever kan worden aangemerkt (Het staat de echtgenoten vrij te bepalen wie hen als werkgever zal optreden);
- slechts één werknemer als dienstbode of ander huispersoneel in aanmerking kan komen;
- het niet mogelijk is dat zowel de éne echtgenoot als de andere als werkgever binnen de toepassing van KB nr. 483 van 22.12.1986 kan fungeren;
- het in een gezin en binnen de toepassing van KB nr. 483 van 22.12.1986 niet mogelijk is om twee werknemers als dienstbode of ander huispersoneel aan te werven.
11.3 Vooreerst wordt opgemerkt dat hier niets wordt gewijzigd aan de fiscale voorwaarden vermeld onder art. 112, §1, 2° en 3°, WIB 92.
Enkel wordt beoogd om na te gaan of het, gelet op de invoering van de decumul door de hervormingswet, mogelijk is dat beide echtgenoten recht kunnen hebben op de aftrek bedoeld in art. 104, 6°, WIB 92.
Gelet op de voorwaarden van toepassing om inzake sociale zekerheid als werkgever van huispersoneel te kunnen worden ingeschreven, kan fiscaal worden geconcludeerd dat :
- in principe beide echtgenoten als werkgever (natuurlijke persoon) in aanmerking kunnen worden genomen;
- zij bij hun inschrijving evenwel zullen moeten opteren wie van hen effectief de rol van werkgever zal vervullen;
- slechts één huisbediende per gezin in aanmerking kan komen;
- het bijgevolg niet mogelijk is dat beiden als werkgever fungeren en evenmin dat elk van hen afzonderlijk op de aftrek van 50 % van de bezoldigingen betaald aan een huisbediende aanspraak kan maken;
- de aftrek hoe dan ook proportioneel moet worden omgedeeld krachtens art. 105, WIB 92;
- éénvoudigheidshalve kan worden geopteerd voor één vak voor het invullen van de aangifte.
11.4
| Huisbediende | ||
| Bezoldigingen van een huisbediende | 1 | 389 |
11.5 Het van het totale netto-inkomen aftrekbare bedrag van de bezoldigingen van een huisbediende wordt voor aj. 2005, gelet op de hoger vermelde voorwaarden, bepaald als volgt :
11.6 f) Voorbeelden
- minimumbedrag van de bezoldigingen : 2.980,00 EUR
- aftrekbaar bedrag : 50 %
- maximumbedrag van de aftrek : 6.090,00 EUR
1. Fréderic (geboren 25.12.1957) en Kim (geboren 06.01.1965) zijn gehuwd in 2003.
Het totale netto-inkomen (netto bezoldiging) van Fréderic bedraagt 80.000,00 EUR
Het totale netto-inkomen (netto bezoldiging) van Kim bedraagt 50.000,00 EUR
In 2004 betaalden ze een bezoldiging van 12.000,00 EUR aan een huisbediende. Bij de inschrijving als werkgever bij de RSZ werd geopteerd om Fréderic die rol te laten vervullen. Alle terzake geldende voorwaarden zijn voldaan.
Aangifte
| Huisbediende | |||
| Bezoldigingen van een huisbediende | 1 | 389 | 12.000,00 |
Aftrekbaar bedrag : aangegeven :12.000,00 EUR
- Minimum : (voor aj. 2005 : 2.980,00 EUR) : voorwaarde is vervuld
- Aftrek : 50% x 12.000,00 = 6.000,00 EUR
- Maximum : 6.090,00 EUR
- Gevolgen : 6.000,00 EUR is aftrekbaar
Aanrekening
Totaal aftrekbaar bedrag bezoldigingen huisbediende : 6.000,00 EUR
Fréderic : 6.000,00 x (80.000,00/130.000,00) = 3.692,31 EUR
Kim : 6.000,00 x (50.000,00/130.000,00) = 2.307,69 EUR
Fréderic Kim Totaal netto-inkomen : 80.000,00 EUR 50.000,00 EUR - bezoldigingen van een huisbediende - 3.692,31 EUR - 2.307,69 EUR Belastbaar inkomen : 76.307,69 EUR 47.692,31 EUR
2. Claudine en Karel zijn gehuwd in 1975.
Het totale netto-inkomen (netto bezoldiging) van Karel bedraagt 100.000,00 EUR
Claudine heeft geen aan te geven inkomsten.
In 2004 betaalden ze een bezoldiging van 24.000,00 EUR aan een huisbediende. Bij de inschrijving als werkgever bij de RSZ werd geopteerd om Claudine die rol te laten vervullen. Alle terzake geldende voorwaarden zijn voldaan.
Aangifte
| Huisbediende | |||
| Bezoldigingen van een huisbediende | 1 | 389 | 24.000,00 |
Aftrekbaar bedrag : aangegeven : 24.000,00 EUR :
- Minimum : (voor aj. 2005 : 2.980,00 EUR) : voorwaarde is vervuld
- Aftrek : 50% x 24.000,00 = 12.000,00 EUR
- Maximum : 6.090,00 EUR
- Gevolgen : 6.090,00 EUR is aftrekbaar
Aanrekening
Totaal aftrekbaar bedrag bezoldigingen huisbediende : 6.090,00 EUR
Karel : 6.090,00 x (91.840,00 [*]/100.000,00) = 5.593,06 EUR
Claudine : 6.090,00 x (8.160,00 [*]/100.000,00) = 496,94 EUR
[*] Netto bezoldiging : 100.000,00 EUR
Claudine : huwelijksquotiënt (toegerekend inkomen) : maximum = 8.160,00 EUR
Karel : resterend netto-beroepsinkomen : 100.000,00 - 8.160,00 = 91.840,00 EUR
Karel Claudine Totaal netto-inkomen : 91.840,00 EUR 8.160,00 EUR - bezoldigingen van een huisbediende - 5.593,06 EUR - 496,94 EUR Belastbaar inkomen : 86.246,94 EUR 7.663,06 EUR
VI. BIJLAGE (schema's)
12. Als bijlage zijn schema's opgenomen waarin de belangrijkste aspecten van een aantal aftrekbare bestedingen beknopt zijn samengevat. Het betreft schema's inzake :
- onderhoudsuitkeringen;
- giften (algemeen);
- giften aan Belgische universiteiten en aan erkende instellingen voor wetenschappelijk onderzoek;
- uitgaven voor kinderopvang;
- kosten voor onderhoud en restauratie van beschermde monumenten;
- bezoldigingen betaald aan een huisbediende.
Voor de Administrateur-generaal van de
Belastingen en Invordering :
De Directeur,
Stany QUINTENS
Bijlage
Bron: FisconetPlus
