Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 26.07.1990 (19de afl.)
CIRC 26.07.90/2
Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 26.07.1990 (19de afl.)
Bull. Bel. 697, pag. 2231
HERVORMINGSWET 1988
Aftrekbare interesten
Erfpacht- en opstalvergoedingen
Onroerende inkomsten
INTERESTEN
Interesten van hypothecaire leningen voor het vernieuwen van een woning.
Interesten van schulden aangegaan om onroerende goederen, belastbaar in
de PB, te verkrijgen of te behouden.
ONROERENDE INKOMSTEN
Tijdelijke vrijstelling van de PB
RECHT VAN ERFPACHT
Erfpachtvergoedingen aftrekbaar van het totale inkomen.
RECHT VAN OPSTAL
Opstalvergoedingen aftrekbaar van het totale inkomen.
WONINGAFTREK
Berekening.
Weerslag van de hervormingswet op de van het totale inkomen aftrekbare uitgaven
INHOUDSTABEL Nrs. I. Wetteksten...................................... II/501 II. Algemene draagwijdte............................ II/502 tot 508 III. Gewijzigde draagwijdte van sommige wettelijke bepalingen........................... II/509 en 510 IV. Erfpacht- en opstalvergoedingen A. Algemeen..................................... II/511 B. Beperking van de aftrek...................... II/512 C. Regularisatie van de woningaftrek............. II/513 tot 516 D. Niet-toepassing van de tijdelijke vrijstelling van PB (art. 446, § 2, WIB)............ II/517 V. Bijkomende interestaftrek voor nieuwbouw of vernieuwbouw (art. 71, § 1, 11° en §§ 2 ter en 5, WIB) A. Algemeen..................................... II/518 B. Weerslag van de hervormingswet............... II/519 C. Tekst van art. 71, § 2ter, WIB na de hervorming................................... II/520 D. Begrenzing van de bijkomende interestaftrek.. II/521 E. Voorbeelden.................................. II/522 en 523 VI. Bijkomende aftrek van hypothecaire interesten... (art. 38, W. 28.12.1983) A. Algemeen..................................... II/524 B. Weerslag van de hervormingswet............... II/525 C. Toepassingsregels............................ II/526 D. Voorbeeld.................................... II/527 VII. Combinatie van de gewone en de bijkomende interestaftrekken A. Algemeen..................................... II/528 B. Volgorde van aanrekening van de bijkomende interesten op het totale inkomen............. II/529 C. Wijze waarop interesten van verschillende aard worden aangerekend op de onroerende inkomsten alvorens een of beide bijzondere aftrekregelingen toe te passen................................. II/530 D. Voorbeeld..................................... II/530.1 WEERSLAG VAN DE HERVORMINGSWET OP DE VAN HET TOTALE INKOMEN AFTREKBARE UITGAVEN. I. WETTEKSTEN
II/501 Art. 9, 3e lid
Het overeenkomstig artikel 71, § 2ter, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen aftrekbare interestgedeelte wordt bepaald nadat de in § 1, 11°, van dat artikel bedoelde interesten zijn verminderd met die bedoeld in het eerste lid.
Art. 35
§ 1. In het Wetboek van de inkomstenbelastingen worden opgeheven:
...
13° artikel 71, § 1. 1°, 2° en 8°, § 2, vierde lid, § 2bis, 6° en § 3bis;
...
Art. 39
Titel I van deze wet is van toepassing: 1° met betrekking tot de artikelen..., 9 tot 12, ... en 32 tot 35, ... met ingang van het aanslagjaar 1990; ...
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
II/502
Met betrekking tot de uitgaven die vroeger van het totale inkomen van het gezin konden worden afgetrokken (persoonlijke uitgaven als bedoeld in art.71 en 72, WIB) heeft de hervormingswet de volgende wijzigingen aangebracht:
1° verenging van het begrip "aftrekbare privé-interesten", die overigens voortaan rechtstreeks van de inkomsten van onroerende goederen worden afgetrokken (art. 9, eerste lid, van de hervormingswet; deze maatregel wordt besproken in de nrs. II/1 tot 37);
2° de aftrek van innings- en bewaringskosten en andere soortgelijke kosten of lasten wordt van het totale inkomen overgeheveld naar de roerende inkomsten die niet afzonderlijk belast worden (art. 25 van de hervormingswet; die bepaling wordt behandeld in de nrs. II/56 tot 58);
3° opheffing van de aftrek van interesten van schulden aangegaan om roerende inkomsten te verkrijgen of te behouden (art. 26, § 1, van de hervormingswet, besproken in de nrs. II/59 en 60);
4° de aftrek van de sommen besteed aan de inschrijving en de storting in geld op aandelen van de vennootschap-werkgeefster is van het totale beroepsinkomen overgeheveld (art. 13, § 3, van de hervormingswet, besproken in de nrs. II/406 tot 409);
5° wijziging van de aftrekregeling voor bezoldigingen van een huisbediende (art. 14 van de hervormingswet, behandeld in de nrs. II/531 tot 537).
Voorts wordt de regel bevestigd, dat de gewone interestaftrek (aftrek voortaan echter van de inkomsten van onroerende goederen) voorrang heeft op de bijkomende interestaftrek ingevolge art. 71, § 1, 11°, WIB, die verder van toepassing blijft (zie ter zake ook de nrs. II/24 en 25)
II/503
Daarnaast heeft de hervormingswet ook een nieuwe aftrek op het totale inkomen van het gezin ingevoerd, namelijk de aftrek van de kosten van kinderoppas (art. 15 van de hervormingswet); die maatregel wordt besproken in de nrs. II/538 tot 576.
II/504
Hieruit volgt dat voor het aj. 1990, nog de hiernavolgende uitgaven, ter uitvoering van bestendige bepalingen, van het totale gezinsinkomen kunnen worden afgetrokken:
II/505
Met betrekking tot uitgaven die krachtens tijdelijke maatregelen van het totale inkomen aftrekbaar zijn, wordt aangestipt dat:
1° de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid, bedoeld in de art. 60 tot 73, W. 28.12.1983, niet meer is verlengd voor het aj. 1990; de in 1989 voor vorige jaren betaalde bijdragen zijn wel nog aftrekbaar van het totale inkomen voor het aj. 1990.
2° de maatregel bedoeld in art. 38, W. 28.12.1983 (aftrek van interesten van hypothecaire leningen, aangegaan om in België gelegen woningen te bouwen of in nieuwe staat met heffing van de BTW te verkrijgen en die tijdens de periode van 1.7.1983 tot 30.4.1986 zijn gesloten), voor het laatst uitwerking heeft voor het aj. 1990, namelijk voor leningen die van 1.1.1986 tot uiterlijk 30.4.1986 gesloten zijn.
II/506
De sub II/502 vermelde wijzigingen hebben ook gevolgen op de draagwijdte van art. 71, § 2, eerste lid, tweede zinsnede, WIB dat de aftrek van de in § 1, 1°, 2° en 6° van datzelfde artikel bedoelde kosten, interesten, vergoedingen en lasten beperkt tot het totaal van de in het gezamenlijk belastbare inkomen begrepen onroerende en roerende inkomsten.
Hoewel die bepaling niet is opgeheven door de hervormingswet, moet worden aangenomen dat zij in feite nog uitsluitend op de in art. 71, § 1, 6°, WIB bedoelde vergoedingen en lasten slaat, daar art. 71, § 1, 1° en 2° WIB door art. 35, § 1, 13°, van de hervormingswet is opgeheven.
II/507
Tevens heeft de nieuwe draagwijdte van art. 71, § 2, eerste lid, tweede zinsnede, WIB een weerslag op andere bepalingen die ernaar verwijzen en met name betrekking hebben op:
Alle hierna besproken maatregelen zijn van toepassing met ingang van het aj. 1990 (cf. art. 39, eerste lid, 1°, van de hervormingswet).
III. GEWIJZIGDE DRAAGWIJDTE VAN SOMMIGE WETTELIJKE BEPALINGEN
II/509
De hervormingswet heeft art. 71, § 2, eerste lid, tweede zinsnede, WIB niet opgeheven. Ter zake moet echter rekening worden gehouden met de fundamentele wijzigingen die de art. 9, eerste lid, 25 en 26, § 1, van de hervormingswet hebben ingevoerd m.b.t. de regels voor de aftrek van interesten en innings- en bewaringskosten en de ermede samengaande opheffing van art. 71, § 1, 1° en 2°, WIB door art. 35, § 1, 13°, van de hervormingswet.
In afwachting van de coördinatie van de bepalingen van het WIB en van de hervormingswet (cf. art. 41 van diezelfde wet) vervalt in de praktijk de verwijzing in art. 71, § 2, eerste lid, tweede zinsnede, WIB naar § 1, 1° en 2°, van hetzelfde artikel, zodat die bepaling nog slechts inhoudt, dat de aftrek van erfpacht- en opstalvergoedingen en gelijkaardige vergoedingen als bedoeld in art. 71, § 1, 6°, WIB beperkt wordt tot het bedrag van de in het totale (gezamenlijk belastbare) inkomen begrepen:
Anderzijds zullen ook de artikelen van het WIB en van bijzondere wetsbepalingen waarin naar art. 71, § 2, eerste lid, tweede zinsnede, WIB wordt verwezen (namelijk de art. 10, § 2, laatste lid, 71, § 2ter, tweede lid, en 446, § 2, WIB en art. 38, § 1, w. 28.12.1983) worden aangepast bij de coördinatie van het WIB met de bepalingen van de hervormingswet.
In afwachting van die coördinatie, zouden die artikelen vanaf het aj. 1990 in feite als volgt moeten worden gelezen:
1° art. 10, § 2, laatste lid, WIB
"De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing in de mate dat zij een vermindering van de in art. 9, eerste lid, van de hervormingswet bedoelde aftrekbare interesten, en, overeenkomstig art. 71, § 2, eerste lid, van de in art. 71, § 1, 6°, bedoelde aftrekbare vergoedingen en lasten tot gevolg zouden hebben."
Art. 10, § 2, laatste lid, WIB houdt dus vanaf het aj. 1990 in, dat de woningaftrek niet wordt toegepast indien dit een vermindering tot gevolg zou hebben van:
"Paragraaf 1 is niet van toepassing in zover hij tot een vermindering van de in art. 9, eerste lid, van de hervormingswet bedoelde aftrekbare interesten en, door toepassing van art. 71, § 2, eerste lid, van de in art. 71, § 1, 6°, bedoelde aftrekbare vergoedingen en lasten zou leiden."
Art. 446, § 2, WIB strekt ertoe de tijdelijke vrijstelling van PB voor inkomsten van nieuwe woningen die in België zijn gelegen, vanaf het aj. 1990 niet toe te passen wanneer dit in het nadeel van de belastingplichtige zou uitvallen, namelijk wanneer hij de in art. 9, eerste lid, van de hervormingswet vermelde interesten (zie nr. II/9, in fine) en/of erfpacht en opstalvergoedingen en gelijkaardige vergoedingen (zie nr. II/157 hierna) niet zou kunnen aftrekken.
3° art. 38, § 1, W. 28.12.1983
"§ 1. de interesten van hypothecaire leningen die van 1 juli 1983 tot en met 30 april 1986 zijn gesloten om een in België gelegen woning te bouwen of in nieuwe staat te verkrijgen, worden, voor het gedeelte dat niet van de onroerende inkomsten kan worden afgetrokken bij toepassing van artikel 9, eerste lid, van de hervormingswet, afgetrokken van de gezamenlijke netto-inkomsten van de verschillende in artikel 6 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde categorieën, gedurende de drie jaren volgend op het jaar waarin het contract van lening is gesloten, voor een maximum van 100.000 F, 60.000 F en 40.000 F, respectievelijk voor het eerste jaar, het tweede en het derde jaar volgend op het jaar waarin het contract van lening is gesloten".
Art. 38, § 1, W.28.12.1983 betekent dus voor het aj. 1990 dat de interesten van de bedoelde leningen, overeenkomstig art. 9, eerste lid, van de hervormingswet eerst van de onroerende inkomsten moeten worden afgetrokken en dat het eventuele saldo beperkt aftrekbaar is van het totale inkomen (zie nrs. II/524 tot 527 hierna).
Voorts heeft de combinatie van art. 9, derde lid, van de hervormingswet met art. 71, § 2 ter, WIB bepaalde gevolgen die besproken worden in de nrs. II/519 tot 523.
IV. ERFPACHT- EN OPSTALVERGOEDINGEN
II/511 A. ALGEMEEN
In tegenstelling tot de aftrek van innings- en bewaringskosten en van interesten van schulden, die respectievelijk overgeheveld is van het totale inkomen naar de roerende inkomsten en de onroerende inkomsten, blijft de aftrek van erfpacht- en opstalvergoedingen gesitueerd in de aftrekken van het totale inkomen.
Derhalve moeten de bestaande wettelijke bepalingen die rechtstreeks of onrechtstreeks op de aftrek van erfpacht- en opstalvergoedingen en gelijkaardige vergoedingen betrekking hebben mutatis mutandis verder worden toegepast.
II/512 B. BEPERKING VAN DE AFTREK
Art. 71, § 2, eerste lid, tweede zinsnede, WIB, zoals het in feite van toepassing is voor het aj. 1990 (zie nr. II/509), houdt in dat de in art. 71, § 1, 6°, vermelde vergoedingen en lasten slechts van het totale inkomen mogen worden afgetrokken in de mate dat het totale bedrag ervan niet hoger is dan de in het totale inkomen begrepen inkomsten van onroerende goederen (d.w.z. na vermindering met de gewone interestaftrek en na toepassing van de woningaftrek) en van roerende goederen en kapitalen (d.w.z. na de aftrek van innings- en bewaringskosten).
Wanneer het echtgenoten betreft, wordt daarbij rekening gehouden met alle inkomsten van het gezin die krachtens art. 73, WIB worden samengevoegd.
II/513 C. REGULARISATIE VAN DE WONINGAFTREK
Ingevolge art. 10, § 1, van de hervormingswet is het K.I. of het gedeelte daarvan dat wegens de woningaftrek niet in het onroerend inkomen is begrepen, uitgesloten van de verrekening van O.V. (zie nrs. II/18 en II/32).
Daaruit volgt dat de systematische toepassing van de woningaftrek in sommige gevallen de belastingplichtige zou kunnen benadelen doordat de woningaftrek krachtens art. 10, § 2, laatste lid, WIB (zoals het in feite van toepassing is voor het aj. 1990 - zie nr. II/510, 1°) niet mag worden toegepast in de mate dat hij tot gevolg heeft het aftrekbare bedrag van de in art. 9, eerste lid, van de hervormingswet vermelde interesten en van de in art. 71, § 1, 6°, WIB vermelde vergoedingen en lasten te verminderen.
Met betrekking tot interesten van schulden die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verkrijgen of te behouden en die vanaf het aj. 1990 rechtstreeks en uitsluitend van de onroerende inkomsten kunnen worden afgetrokken, is het zo dat de aftrek steeds de toepassing van de woningaftrek voorafgaat en dat aldus wordt verhinderd dat de woningaftrek tot een vermindering van de aftrek van de interesten zou leiden (zie nr. II/18).
Wat de aftrek van erfpacht- en opstalvergoedingen en gelijkaardige vergoedingen betreft, moet de woningaftrek zodanig worden bijgestuurd dat die aftrek voor de belastingplichtige tenslotte niet nadelig is.
II/514
Om na te gaan of het bedrag van de woningaftrek al dan niet moet worden verminderd met het oog op de maximale aftrek van de erfpacht- en opstalvergoedingen, wordt in de praktijk als volgt gehandeld:
a) de onroerende inkomsten verminderen met de woningaftrek waarop de betrokkene in principe aanspraak heeft;
b) eventueel het sub a verkregen verschil en het nettobedrag van de roerende inkomsten samentellen;
c) de in principe aftrekbare vergoedingen in mindering brengen van het totaal b.
Wanneer het verschil c positief is of gelijk is aan nul, moet geen regularisatie van de woningaftrek plaatsvinden; het bedrag van die aftrek moet dus onverkort worden behouden.
Daarentegen moet dit verschil, wanneer het negatief is, aan het bedrag sub a worden toegevoegd om het belastbare nettobedrag van de onroerende inkomsten vast te stellen (het toe te voegen bedrag mag evenwel de toegepaste woningaftrek niet te boven gaan).
Voorbeelden
II/515 VOORBEELD 1
Gegevens:
Woning met een K.I. van 160.000 F
Gehuwd en 1 kind ten laste
Betaalde hypothecaire interesten: 15.000 F
Betaalde erfpachtvergoeding: 10.000 F
Oplossing: Onroerende inkomsten: 160.000 F Aftrekbare interesten: - 15.000 F ---------- Blijft: 145.000 F Woningaftrek: 140.000 F (120.000 F + 20.000 F) ---------- Netto onroerend inkomen: 5.000 F Regularisatie woningaftrek: 5.000 F ---------- Totaal: 10.000 F Erfpachtvergoeding: - 10.000 F ---------- Verschil 0 F II/516 VOORBEELD 2 Gegevens:
Woning met een K.I. van 90.000 F
Gehuwden
Nettobedrag van de inkomsten van aandelen: 14.847 F
Betaalde hypothecaire interesten: 10.500 F
Betaalde opstalvergoeding: 19.000 F
Oplossing: Onroerende inkomsten: 90.000 F Aftrekbare interesten: - 10.500 F ---------- Blijft: 79.500 F Woningaftrek (maximum) - 79.500 F ---------- Netto-onroerende inkomsten: 0 F Roerende inkomsten: 14.847 F Totaal: 14.847 F Regularisatie woningaftrek: + 4.153 F --------- Totaal: 19.000 F Aftrekbare opstalvergoeding: - 19.000 F --------- Verschil: 0 F II/517 D. NIET-TOEPASSING VAN DE TIJDELIJKE VRIJSTELLING VAN PB (art. 446, § 2, WIB) Krachtens art. 446, § 2, WIB (zoals dit artikel in feite van toepassing is voor het aj. 1990 - zie nr. II/510, 2°) wordt de tijdelijke vrijstelling van PB voor inkomsten van nieuwe woningen die in België gelegen zijn, niet toegepast voor zover die vrijstelling zou leiden tot een vermindering van de gewone interestaftrek of van de aftrekbare erfpacht- en opstalvergoedingen.
De systematische toepassing van die vrijstelling zou in het nadeel van de belastingplichtige kunnen uitvallen wanneer hij aftrekbare interesten en/of erfpacht- of opstalvergoedingen heeft betaald, daar hij het voordeel zou verliezen van de verrekening van de O.V. m.b.t. het K.I. van de nieuwe woning.
Praktisch is het voor de belastingplichtige voldoende dat hij de in art. 446, WIB bedoelde inkomsten van nieuwe woningen in de daartoe speciaal bestemde rubrieken van de aangifte in de PB vermeld. De administratie zal de in art. 446, § 2, WIB bedoelde afwijking van de vrijstellingsregeling in voorkomend geval toepassen wanneer dit, met het oog op de verrekening van O.V., voor de betrokkene voordeliger is.
V. BIJKOMENDE INTERESTAFTREK VOOR NIEUWBOUW OF VERNIEUWBOUW (art. 71, § 1, 11°, §§ 2ter en 5, WIB)
II/518 A. Algemeen
Overeenkomstig art. 71, § 1, 11°, en §§ 2ter en 5, WIB kan een gedeelte van de werkelijk betaalde interesten van hypothecaire leningen met een minimumlooptijd van 10 jaar die vanaf 1.5.1986 zijn afgesloten om in België een enige woning te bouwen of in nieuwe staat onder heffing van de BTW te verwerven, of om een enige en bij het sluiten van de leningovereenkomst sedert ten minste 20 jaar in gebruik genomen woning geheel of gedeeltelijk te vernieuwen, onder bepaalde voorwaarden en binnen zekere grenzen in mindering worden gebracht van het totale gezinsinkomen.
Deze bijkomende interestaftrek voor nieuwbouw of vernieuwbouw, die de gewone interestaftrek aanvult, wordt besproken in de circ. van 31.3.1987, nr. Ci.RH.26/380.438, (B. 661) en van 5.2.1988, nr. Ci.RH.26/389.149, (B. 670).
II/519 B. WEERSLAG VAN DE HERVORMINGSWET
De bijkomende interestaftrek i.v.m. hypothecaire leningen die zijn gesloten voor het bouwen, het in nieuwe staat verwerven of het vernieuwen van de enige woning, blijkt verder van toepassing en blijft zich ook na de hervorming situeren in de aftrekken van het totale inkomen, met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met:
1° de gewijzigde draagwijdte van art. 71, § 2, eerste lid, tweede zinsnede, WIB (zie nr. II/509);
2° art. 9, derde lid, van de hervormingswet, dat uitdrukkelijk bepaalt dat het overeenkomstig art. 71, § 2ter, WIB aftrekbare interestgedeelte wordt vastgesteld nadat de in art. 71, § 1, 11°, WIB vermelde interesten zijn verminderd met de interestaftrek ingevolge art. 9, eerste lid, van dezelfde wet.
Door de sub 2° hierboven vermelde bepalingen heeft de Wetgever, om dubbelzinnigheid uit te sluiten, gesteld dat de gewone interestaftrek (d.w.z. de aftrek van de in art. 9, eerste lid, van de hervormingswet vermelde interesten, te verrichten op de onroerende inkomsten) voorrang heeft op de bijkomende interestaftrek ingevolge art. 71, § 1, 11°, en § 2ter, WIB (zie Senaat, Verslag Senaatscommissie, zitting 1988-1989, Stuk 440-2, blz. 73).
Die bepaling brengt mede dat vanaf het aj. 1990, in vergelijking met de voorheen geldende regels (zie nrs. 18 en 31 van de voormelde circ. van 31.3.1987), een andere volgorde voor de berekening en begrenzing van de bijkomende interestaftrek moet worden toegepast (zie ter zake eveneens de Parl. Vr. nr. 367 van 8.11.1989 van Volksvertegenwoordiger KNOOPS, Bull. "Vragen en Antwoorden" Kamer, nr. 96, blz. 7.485 - B. 696).
II/520 C. TEKST VAN ART. 71, § 2ter, WIB NA DE HERVORMING
De huidige tekst van art. 71, § 2ter, WIB, die niet uitdrukkelijk door de hervormingswet is gewijzigd, moet samen met het bepaalde in art. 9, derde lid, van de hervormingswet gelezen worden (cf. art. 41 van dezelfde wet), waarbij tevens rekening moet worden gehouden met de nieuwe draagwijdte van art. 71, § 2, eerste lid, tweede zinsnede, WIB ingevolge de opheffing van art. 71, § 1, 1° en 2°, WIB (zie nr. II/509).
In feite zou de tekst van die wetsbepaling vanaf het aj. 1990 als volgt moeten worden gelezen:
Art. 71, § 2ter, WIB
"Het gedeelte van de in § 1, 11°, a, respectievelijk b, bedoelde interesten dat niet bij toepassing van art. 9, eerste lid, van de hervormingswet kan worden afgetrokken van de onroerende inkomsten, komt slechts voor aftrek in aanmerking voor zover die interesten betrekking hebben op de eerste schijf van 2 miljoen frank, respectievelijk 1 miljoen frank, van het aanvangsbedrag van de leningen, bedrag dat wordt verhoogd met 5, 10, 20 of 30 pct., al naargelang de belastingplichtige 1, 2, 3 of meer dan 3 kinderen ten laste heeft op 1 januari van het jaar volgend op dat waarin de leningovereenkomst is gesloten.
De aftrek van de overeenkomstig het eerste lid berekende interesten wordt verricht gedurende ten hoogste twaalf belastbare tijdperken, ten belope van 80, 70, 60, 50, 40, 30, 20 en 10 pct. van die interesten, al naargelang het respectievelijk de eerste vijf belastbare tijdperken of het zesde tot en met het twaalfde belastbaar tijdperk betreft, waarin het in artikel 7, paragrafen 1 en 3, bedoelde kadastraal inkomen in het belastbare inkomen is opgenomen."
II/521 D. BEGRENZING VAN DE BIJKOMENDE INTERESTAFTREK
De bijkomende interestaftrek (op het totale inkomen) vult dus de gewone interestaftrek op de onroerende inkomsten aan (zie nrs. II/6 tot 17).
Anderzijds kan de bijkomende interestaftrek slechts in de hierna volgende mate worden verkregen:
1° Het bedrag van de werkelijk betaalde interesten van hypothecaire leningen die voldoen aan de in art. 71, § 1, 11°, en §§ 2ter en 5, WIB gestelde criteria (zie nrs. 4 tot 16 en 25 tot 29 van de voormelde circ. van 31.3.1987), wordt eerst verminderd met het bedrag dat van de onroerende inkomsten is afgetrokken (gewone interestaftrek).
2° De overblijvende interesten worden slechts voor aftrek in aanmerking genomen voor zover zij betrekking hebben op de eerste schijf van:
4° Het sub 1° bedoelde verschil, in voorkomend geval verminderd tot de uitkomst van de sub 2° bedoelde breuk, wordt ten slotte vermenigvuldigd met:
II/522 Voorbeeld 1
Gegevens:
Gezin met 2 kinderen. Voor de aankoop van een nieuwe en enige woning wordt een hypothecaire lening aangegaan van 2.500.000 F op 28.6.1988, met een looptijd van 20 jaar.
De betaalde interest bedraagt: 200.000 F in 1989, 195.630 F in 1990 en 190.909 F in 1991. De woning is in februari 1989 in gebruik genomen. Het K.I. bedraagt 45.000 F.
De bijkomende interestaftrek wordt als volgt berekend: - Voor het aj. 1990: Werkelijk betaalde interesten: 200.000 F Gewone interestaftrek: 45.000 x 10/12 = - 37.500 F ---------- Blijft: 162.500 F 1e beperking: 162.500 x 2.200.000/2.500.000 = 143.000 F 2e beperking: 143.000 x 80 pct. = aftrekbaar 114.400 F - Voor het aj. 1991: Werkelijk betaalde interesten: 195.630 F Gewone interestaftrek: - 45.000 F ---------- Blijft: 150.630 F 1e beperking: 150.630 x 2.200.000/2.500.000 = 132.554 F 2e beperking: 132.554 x 80 pct. = aftrekbaar 106.043 F - Voor het aj. 1992: Werkelijk betaalde interesten: 190.909 F Gewone interestaftrek: - 45.000 F ---------- Blijft: 145.909 F 1e beperking: 145.909 x 2.200.000/2.500.000 = 128.400 F 2e beperking: 128.400 x 80 pct. = aftrekbaar 102.720 F II/523 Voorbeeld 2 Gegevens:
Gezin met 2 kinderen. Voor de verbouwing van hun 25 jaar oude enige woning wordt op 20.11.1988 een hypothecaire lening van 1.200.000 F afgesloten, met een looptijd van 12 jaar. De werken, uitgevoerd door een geregistreerd aannemer, hebben 1.400.000 F gekost en zijn voltooid op 8.4.1989.
Het K.I. van de woning bedraagt 32.000 F vóór en 46.000 F na de werken. De betaalde interesten bedragen in 1989 105.000 F, in 1990 98.000 F en in 1991 91.000 F.
De bijkomende interestaftrek wordt als volgt berekend: - Voor het aj. 1990: Werkelijk betaalde interesten: 105.000 F Gewone interestaftrek: (32.000 x 4/12 + 46.000 x 8/12) = - 41.333 F ---------- Blijft: 63.667 F 1e beperking: 63.667 x 1.100.000/1.200.000 = 58.361 F 2e beperking: 58.361 x 80 pct. = aftrekbaar 46.689 F - Voor het aj. 1991: Werkelijk betaalde interesten: 98.000 F Gewone interestaftrek: - 46.000 F ---------- Blijft: 52.000 F 1e beperking: 52.000 x 1.100.000/1.200.000 = 47.667 F 2e beperking: 47.667 x 80 pct. = aftrekbaar 38.134 F - Voor het aj. 1992: Werkelijk betaalde interesten: 91.000 F Gewone interestaftrek: - 46.000 F ---------- Blijft: 45.000 F 1e beperking: 45.000 x 1.100.000/1.200.000 = 41.250 F 2de beperking: 41.250 x 80 pct. = aftrekbaar 33.000 F VI. BIJKOMENDE AFTREK VAN HYPOTHECAIRE INTERESTEN (art. 38, W. 28.12.1983) II/524 A. ALGEMEEN
Een gedeelte van de interesten van hypothecaire leningen, die van 1.7.1983 tot en met 30.4.1986 zijn gesloten voor het bouwen of in nieuwe staat verkrijgen van een in België gelegen woning, is onder bepaalde voorwaarden en binnen zekere grenzen aftrekbaar van het totale gezinsinkomen (zie circulaire van 6.3.1986, nr. Ci.RH.26/366.882, B. 649).
II/525 B. WEERSLAG VAN DE HERVORMINGSWET
Ingevolge de nieuwe draagwijdte van art. 71, § 2, eerste lid, tweede zinsnede, WIB en de aftrek van de interesten van schulden die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verkrijgen of te behouden (art. 9, eerste lid, van de hervormingswet), had de tekst van art. 38, § 1, W. 28.12.1983 in feite moeten worden aangepast en gelezen zoals vermeld in nr. II/510, 3°.
II/526 C. TOEPASSINGSREGELS
Het aj. 1990 is het laatste waarvoor de voormelde maatregel uitwerking heeft; ter zake wordt de bijkomende aftrek als volgt berekend:
1° de interesten van hypothecaire leningen die voldoen aan de in art. 38, W. 28.12.1983 gestelde criteria (zie nrs. 3 tot 11, van de voormelde circ. van 6.3.1986), worden eerst, overeenkomstig art. 9, eerste lid, van de hervormingswet, afgetrokken van de onroerende inkomsten (tot ten hoogste tot totale bedrag van de gezamenlijk belastbare onroerende inkomsten);
2° het eventuele saldo van de interesten dat niet overeenkomstig de sub 1° bepaalde regel kon worden afgetrokken van de onroerende inkomsten, is tot ten hoogste 40.000 F aftrekbaar van het totale inkomen (d.i. als bijkomende aftrek).
II/527 D. VOORBEELD
Gegevens:
Een belastingplichtige sluit op 20.2.1986 een hypothecaire lening voor het bouwen van een woning. Die woning wordt voor het eerst in gebruik genomen op 30.4.1987. Het K.I. is vastgesteld op 54.000 F in 1989. betaalde interesten: 100.000 F. Berekening van bijkomende aftrek: Betaalde interesten: 100.000 F Gewone interestaftrek K.I. (54.000 F) - 54.000 F ---------- Blijft: 46.000 F Bijkomende aftrek: 40.000 F Daar het het derde jaar betreft na dat waarin het leningscontract is gesloten, is de aftrek tot 40.000 F beperkt. VII. COMBINATIE VAN DE GEWONE EN DE BIJKOMENDE INTERESTAFTREKKEN.
II/528 A. ALGEMEEN
In de praktijk komt het voor dat een belastingplichtige twee of zelfs drie "soorten" privé-interesten heeft betaald, waarvoor de aftrekregeling verschillend is.
De hierna volgende richtlijnen hebben betrekking op:
1° de volgorde waarin die interesten op de belastbare inkomsten worden aangerekend;
2° de samenstelling van het maximumbedrag van de interesten dat krachtens art. 9, eerste lid van de hervormingswet van de onroerende inkomsten aftrekbaar is wanneer interesten zijn betaald die in aanmerking komen voor een bijzondere aftrekregeling en de repercussie van de aanrekening van die interesten op de aftrekregelingen voor het totale inkomen.
Het betreft hier de actualisering - voor het aj. 1990 - van de richtlijnen van de circulaire van 5.2.1988, nr. Ci.RH.26/389.149 (B. 670).
Ter zake wordt eraan herinnerd dat vanaf het aj. 1990:
De aanrekening van de interesten (bijzondere aftrekregelingen) die van het totale inkomen aftrekbaar zijn, gebeurt in de hierna vermelde volgorde:
1° de interesten van hypothecaire leningen, als bedoeld in art. 38, W. 28.12.1983 (Zie circulaire van 6.3.1986, nr. Ci.RH.26/366.882, B. 649 en de nrs. II/524 tot 527), waarvan de bijkomende aftrek voor het aj. 1990 steeds beperkt is tot 40.000 F per woning;
2° de in art. 71, § 1, 11°, WIB vermelde interesten van hypothecaire leningen waarvan de aftrek bepaald is overeenkomstig § 2ter van hetzelfde artikel (zie circulaires van 31.3.1987, nr. Ci.RH.26/380.438, B. 661 en van 5.2.1988, nr. Ci.RH.26/389.149 en de nrs. II/518 tot 523).
II/530 C. WIJZE WAAROP INTERESTEN VAN VERSCHILLENDE AARD WORDEN AANGEREKEND OP DE ONROERENDE INKOMSTEN ALVORENS EEN OF BEIDE BIJZONDERE AFTREKREGELINGEN TOE TE PASSEN.
De gewone interestaftrek (aan te rekenen op de onroerende inkomsten) komt in elk geval vóór de bijzondere interestaftrekken (aftrekken van het totale inkomen) (zie nrs. II/521 en 526). Daarom wordt een bepaald bedrag aan interesten geacht op de belastbare onroerende inkomsten te zijn aangerekend om deze te neutraliseren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gewone interesten en interesten die zonder die aanwending in aanmerking zouden komen voor een bijzondere aftrekregeling.
De aanwending op de onroerende inkomsten gebeurt in de hierna vermelde volgorde:
1° de "gewone" interesten, nl. die welke niet voor een bijkomende aftrekregeling in aanmerking komen;
2° de interesten van leningen als bedoeld in art. 38, W. 28.12.1983 in de mate dat zij het toepasselijke maximumbedrag (40.000 F per woning voor het aj. 1990) overtreffen;
3° de interesten van de leningen bedoeld in art. 71, § 1, 11°, WIB (het totale bedrag, in voorkomend geval tot volledige opslorping van de overblijvende onroerende inkomsten);
4° het saldo van de interesten van de sub 2° bedoelde lening(en), (met een maximum van 40.000 F per woning voor het aj. 1990).
Het deel van de interesten dat wegens de in 3° en 4° hierboven bedoelde aanwendingen in feite gediend heeft voor de toepassing van de gewone aftrek (aftrek van de onroerende inkomsten) kan uiteraard niet meer in aanmerking worden genomen voor de bijzondere aftrekregelingen. Bijgevolg moet dat deel worden afgetrokken van de maximumbedragen, die zonder die aanwending aftrekbaar zouden zijn in de bijzondere regelingen.
II/530.1 D. VOORBEELD (aj. 1990)
Gegevens:
Nieuwe en enige woning gebouwd in 1986.
In 1989 betaalde interesten:
Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 26.07.1990 (19de afl.)
Bull. Bel. 697, pag. 2231
HERVORMINGSWET 1988
Aftrekbare interesten
Erfpacht- en opstalvergoedingen
Onroerende inkomsten
INTERESTEN
Interesten van hypothecaire leningen voor het vernieuwen van een woning.
Interesten van schulden aangegaan om onroerende goederen, belastbaar in
de PB, te verkrijgen of te behouden.
ONROERENDE INKOMSTEN
Tijdelijke vrijstelling van de PB
RECHT VAN ERFPACHT
Erfpachtvergoedingen aftrekbaar van het totale inkomen.
RECHT VAN OPSTAL
Opstalvergoedingen aftrekbaar van het totale inkomen.
WONINGAFTREK
Berekening.
Weerslag van de hervormingswet op de van het totale inkomen aftrekbare uitgaven
INHOUDSTABEL Nrs. I. Wetteksten...................................... II/501 II. Algemene draagwijdte............................ II/502 tot 508 III. Gewijzigde draagwijdte van sommige wettelijke bepalingen........................... II/509 en 510 IV. Erfpacht- en opstalvergoedingen A. Algemeen..................................... II/511 B. Beperking van de aftrek...................... II/512 C. Regularisatie van de woningaftrek............. II/513 tot 516 D. Niet-toepassing van de tijdelijke vrijstelling van PB (art. 446, § 2, WIB)............ II/517 V. Bijkomende interestaftrek voor nieuwbouw of vernieuwbouw (art. 71, § 1, 11° en §§ 2 ter en 5, WIB) A. Algemeen..................................... II/518 B. Weerslag van de hervormingswet............... II/519 C. Tekst van art. 71, § 2ter, WIB na de hervorming................................... II/520 D. Begrenzing van de bijkomende interestaftrek.. II/521 E. Voorbeelden.................................. II/522 en 523 VI. Bijkomende aftrek van hypothecaire interesten... (art. 38, W. 28.12.1983) A. Algemeen..................................... II/524 B. Weerslag van de hervormingswet............... II/525 C. Toepassingsregels............................ II/526 D. Voorbeeld.................................... II/527 VII. Combinatie van de gewone en de bijkomende interestaftrekken A. Algemeen..................................... II/528 B. Volgorde van aanrekening van de bijkomende interesten op het totale inkomen............. II/529 C. Wijze waarop interesten van verschillende aard worden aangerekend op de onroerende inkomsten alvorens een of beide bijzondere aftrekregelingen toe te passen................................. II/530 D. Voorbeeld..................................... II/530.1 WEERSLAG VAN DE HERVORMINGSWET OP DE VAN HET TOTALE INKOMEN AFTREKBARE UITGAVEN. I. WETTEKSTEN
II/501 Art. 9, 3e lid
Het overeenkomstig artikel 71, § 2ter, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen aftrekbare interestgedeelte wordt bepaald nadat de in § 1, 11°, van dat artikel bedoelde interesten zijn verminderd met die bedoeld in het eerste lid.
Art. 35
§ 1. In het Wetboek van de inkomstenbelastingen worden opgeheven:
...
13° artikel 71, § 1. 1°, 2° en 8°, § 2, vierde lid, § 2bis, 6° en § 3bis;
...
Art. 39
Titel I van deze wet is van toepassing: 1° met betrekking tot de artikelen..., 9 tot 12, ... en 32 tot 35, ... met ingang van het aanslagjaar 1990; ...
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
II/502
Met betrekking tot de uitgaven die vroeger van het totale inkomen van het gezin konden worden afgetrokken (persoonlijke uitgaven als bedoeld in art.71 en 72, WIB) heeft de hervormingswet de volgende wijzigingen aangebracht:
1° verenging van het begrip "aftrekbare privé-interesten", die overigens voortaan rechtstreeks van de inkomsten van onroerende goederen worden afgetrokken (art. 9, eerste lid, van de hervormingswet; deze maatregel wordt besproken in de nrs. II/1 tot 37);
2° de aftrek van innings- en bewaringskosten en andere soortgelijke kosten of lasten wordt van het totale inkomen overgeheveld naar de roerende inkomsten die niet afzonderlijk belast worden (art. 25 van de hervormingswet; die bepaling wordt behandeld in de nrs. II/56 tot 58);
3° opheffing van de aftrek van interesten van schulden aangegaan om roerende inkomsten te verkrijgen of te behouden (art. 26, § 1, van de hervormingswet, besproken in de nrs. II/59 en 60);
4° de aftrek van de sommen besteed aan de inschrijving en de storting in geld op aandelen van de vennootschap-werkgeefster is van het totale beroepsinkomen overgeheveld (art. 13, § 3, van de hervormingswet, besproken in de nrs. II/406 tot 409);
5° wijziging van de aftrekregeling voor bezoldigingen van een huisbediende (art. 14 van de hervormingswet, behandeld in de nrs. II/531 tot 537).
Voorts wordt de regel bevestigd, dat de gewone interestaftrek (aftrek voortaan echter van de inkomsten van onroerende goederen) voorrang heeft op de bijkomende interestaftrek ingevolge art. 71, § 1, 11°, WIB, die verder van toepassing blijft (zie ter zake ook de nrs. II/24 en 25)
II/503
Daarnaast heeft de hervormingswet ook een nieuwe aftrek op het totale inkomen van het gezin ingevoerd, namelijk de aftrek van de kosten van kinderoppas (art. 15 van de hervormingswet); die maatregel wordt besproken in de nrs. II/538 tot 576.
II/504
Hieruit volgt dat voor het aj. 1990, nog de hiernavolgende uitgaven, ter uitvoering van bestendige bepalingen, van het totale gezinsinkomen kunnen worden afgetrokken:
| 1° | onderhoudsuitkeringen (art. 71, § 1, 3°, WIB); |
| 2° | giften (art. 71, § 1, 4°, 5° en 10°, WIB); |
| 3° | erfpacht- en opstalvergoedingen en gelijkaardige vergoedingen (art. 71, § 1, 6°, WIB); |
| 4° | bezoldigingen van een huisbediende (art. 71, § 1, 7°, WIB en art. 14 van de hervormingswet); |
| 5° | uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde onroerende goederen (art. 71, § 1, 9°, WIB); |
| 6° | bijkomende interesten m.b.t. vanaf 1.5.1986 gesloten hypothecaire leningen (art. 71, § 1, 11° en § 2ter WIB en art. 9, derde lid, van de hervormingswet); |
| 7° | kosten van kinderoppas (art. 15 van de hervormingswet; |
| 8° | betalingen voor pensioensparen (art. 72, § 2, WIB). |
Met betrekking tot uitgaven die krachtens tijdelijke maatregelen van het totale inkomen aftrekbaar zijn, wordt aangestipt dat:
1° de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid, bedoeld in de art. 60 tot 73, W. 28.12.1983, niet meer is verlengd voor het aj. 1990; de in 1989 voor vorige jaren betaalde bijdragen zijn wel nog aftrekbaar van het totale inkomen voor het aj. 1990.
2° de maatregel bedoeld in art. 38, W. 28.12.1983 (aftrek van interesten van hypothecaire leningen, aangegaan om in België gelegen woningen te bouwen of in nieuwe staat met heffing van de BTW te verkrijgen en die tijdens de periode van 1.7.1983 tot 30.4.1986 zijn gesloten), voor het laatst uitwerking heeft voor het aj. 1990, namelijk voor leningen die van 1.1.1986 tot uiterlijk 30.4.1986 gesloten zijn.
II/506
De sub II/502 vermelde wijzigingen hebben ook gevolgen op de draagwijdte van art. 71, § 2, eerste lid, tweede zinsnede, WIB dat de aftrek van de in § 1, 1°, 2° en 6° van datzelfde artikel bedoelde kosten, interesten, vergoedingen en lasten beperkt tot het totaal van de in het gezamenlijk belastbare inkomen begrepen onroerende en roerende inkomsten.
Hoewel die bepaling niet is opgeheven door de hervormingswet, moet worden aangenomen dat zij in feite nog uitsluitend op de in art. 71, § 1, 6°, WIB bedoelde vergoedingen en lasten slaat, daar art. 71, § 1, 1° en 2° WIB door art. 35, § 1, 13°, van de hervormingswet is opgeheven.
II/507
Tevens heeft de nieuwe draagwijdte van art. 71, § 2, eerste lid, tweede zinsnede, WIB een weerslag op andere bepalingen die ernaar verwijzen en met name betrekking hebben op:
- de berekening van de bijkomende interestaftrek, (art. 71, § 2ter, tweede lid, WIB);
- de berekening van de aftrek van bijkomende hypothecaire interesten (art. 38, § 1, W. 28.12.1983);
- het niet toepassen of verminderen van de woningaftrek overeenkomstig art. 10, § 2, laatste lid, WIB, om te voorkomen dat de gewone interestaftrek en de aftrek van erfpacht- en opstalvergoedingen zou verminderen;
- het niet toepassen, om dezelfde reden van de tijdelijke vrijstelling van PB voor inkomsten van nieuwe woningen als bedoeld in art. 446, WIB.
Alle hierna besproken maatregelen zijn van toepassing met ingang van het aj. 1990 (cf. art. 39, eerste lid, 1°, van de hervormingswet).
III. GEWIJZIGDE DRAAGWIJDTE VAN SOMMIGE WETTELIJKE BEPALINGEN
II/509
De hervormingswet heeft art. 71, § 2, eerste lid, tweede zinsnede, WIB niet opgeheven. Ter zake moet echter rekening worden gehouden met de fundamentele wijzigingen die de art. 9, eerste lid, 25 en 26, § 1, van de hervormingswet hebben ingevoerd m.b.t. de regels voor de aftrek van interesten en innings- en bewaringskosten en de ermede samengaande opheffing van art. 71, § 1, 1° en 2°, WIB door art. 35, § 1, 13°, van de hervormingswet.
In afwachting van de coördinatie van de bepalingen van het WIB en van de hervormingswet (cf. art. 41 van diezelfde wet) vervalt in de praktijk de verwijzing in art. 71, § 2, eerste lid, tweede zinsnede, WIB naar § 1, 1° en 2°, van hetzelfde artikel, zodat die bepaling nog slechts inhoudt, dat de aftrek van erfpacht- en opstalvergoedingen en gelijkaardige vergoedingen als bedoeld in art. 71, § 1, 6°, WIB beperkt wordt tot het bedrag van de in het totale (gezamenlijk belastbare) inkomen begrepen:
- onroerende inkomsten na de aftrek van de interesten ingevolge art. 9, eerste lid, van de hervormingswet en na de woningaftrek ingevolge art. 10, § 1, WIB (zie evenwel nr. II/513 hierna);
- roerende inkomsten (na aftrek van innings- en bewaringskosten).
Anderzijds zullen ook de artikelen van het WIB en van bijzondere wetsbepalingen waarin naar art. 71, § 2, eerste lid, tweede zinsnede, WIB wordt verwezen (namelijk de art. 10, § 2, laatste lid, 71, § 2ter, tweede lid, en 446, § 2, WIB en art. 38, § 1, w. 28.12.1983) worden aangepast bij de coördinatie van het WIB met de bepalingen van de hervormingswet.
In afwachting van die coördinatie, zouden die artikelen vanaf het aj. 1990 in feite als volgt moeten worden gelezen:
1° art. 10, § 2, laatste lid, WIB
"De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing in de mate dat zij een vermindering van de in art. 9, eerste lid, van de hervormingswet bedoelde aftrekbare interesten, en, overeenkomstig art. 71, § 2, eerste lid, van de in art. 71, § 1, 6°, bedoelde aftrekbare vergoedingen en lasten tot gevolg zouden hebben."
Art. 10, § 2, laatste lid, WIB houdt dus vanaf het aj. 1990 in, dat de woningaftrek niet wordt toegepast indien dit een vermindering tot gevolg zou hebben van:
- de aftrek van interesten van schulden die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verkrijgen of te behouden (zie nrs. II/18 tot 23);
- de aftrek van erfpacht- en opstalvergoedingen en gelijkaardige vergoedingen; dit betekent dat de woningaftrek in bepaalde gevallen moet worden verminderd of weggelaten (zie nr. II/513 hierna).
"Paragraaf 1 is niet van toepassing in zover hij tot een vermindering van de in art. 9, eerste lid, van de hervormingswet bedoelde aftrekbare interesten en, door toepassing van art. 71, § 2, eerste lid, van de in art. 71, § 1, 6°, bedoelde aftrekbare vergoedingen en lasten zou leiden."
Art. 446, § 2, WIB strekt ertoe de tijdelijke vrijstelling van PB voor inkomsten van nieuwe woningen die in België zijn gelegen, vanaf het aj. 1990 niet toe te passen wanneer dit in het nadeel van de belastingplichtige zou uitvallen, namelijk wanneer hij de in art. 9, eerste lid, van de hervormingswet vermelde interesten (zie nr. II/9, in fine) en/of erfpacht en opstalvergoedingen en gelijkaardige vergoedingen (zie nr. II/157 hierna) niet zou kunnen aftrekken.
3° art. 38, § 1, W. 28.12.1983
"§ 1. de interesten van hypothecaire leningen die van 1 juli 1983 tot en met 30 april 1986 zijn gesloten om een in België gelegen woning te bouwen of in nieuwe staat te verkrijgen, worden, voor het gedeelte dat niet van de onroerende inkomsten kan worden afgetrokken bij toepassing van artikel 9, eerste lid, van de hervormingswet, afgetrokken van de gezamenlijke netto-inkomsten van de verschillende in artikel 6 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde categorieën, gedurende de drie jaren volgend op het jaar waarin het contract van lening is gesloten, voor een maximum van 100.000 F, 60.000 F en 40.000 F, respectievelijk voor het eerste jaar, het tweede en het derde jaar volgend op het jaar waarin het contract van lening is gesloten".
Art. 38, § 1, W.28.12.1983 betekent dus voor het aj. 1990 dat de interesten van de bedoelde leningen, overeenkomstig art. 9, eerste lid, van de hervormingswet eerst van de onroerende inkomsten moeten worden afgetrokken en dat het eventuele saldo beperkt aftrekbaar is van het totale inkomen (zie nrs. II/524 tot 527 hierna).
Voorts heeft de combinatie van art. 9, derde lid, van de hervormingswet met art. 71, § 2 ter, WIB bepaalde gevolgen die besproken worden in de nrs. II/519 tot 523.
IV. ERFPACHT- EN OPSTALVERGOEDINGEN
II/511 A. ALGEMEEN
In tegenstelling tot de aftrek van innings- en bewaringskosten en van interesten van schulden, die respectievelijk overgeheveld is van het totale inkomen naar de roerende inkomsten en de onroerende inkomsten, blijft de aftrek van erfpacht- en opstalvergoedingen gesitueerd in de aftrekken van het totale inkomen.
Derhalve moeten de bestaande wettelijke bepalingen die rechtstreeks of onrechtstreeks op de aftrek van erfpacht- en opstalvergoedingen en gelijkaardige vergoedingen betrekking hebben mutatis mutandis verder worden toegepast.
II/512 B. BEPERKING VAN DE AFTREK
Art. 71, § 2, eerste lid, tweede zinsnede, WIB, zoals het in feite van toepassing is voor het aj. 1990 (zie nr. II/509), houdt in dat de in art. 71, § 1, 6°, vermelde vergoedingen en lasten slechts van het totale inkomen mogen worden afgetrokken in de mate dat het totale bedrag ervan niet hoger is dan de in het totale inkomen begrepen inkomsten van onroerende goederen (d.w.z. na vermindering met de gewone interestaftrek en na toepassing van de woningaftrek) en van roerende goederen en kapitalen (d.w.z. na de aftrek van innings- en bewaringskosten).
Wanneer het echtgenoten betreft, wordt daarbij rekening gehouden met alle inkomsten van het gezin die krachtens art. 73, WIB worden samengevoegd.
II/513 C. REGULARISATIE VAN DE WONINGAFTREK
Ingevolge art. 10, § 1, van de hervormingswet is het K.I. of het gedeelte daarvan dat wegens de woningaftrek niet in het onroerend inkomen is begrepen, uitgesloten van de verrekening van O.V. (zie nrs. II/18 en II/32).
Daaruit volgt dat de systematische toepassing van de woningaftrek in sommige gevallen de belastingplichtige zou kunnen benadelen doordat de woningaftrek krachtens art. 10, § 2, laatste lid, WIB (zoals het in feite van toepassing is voor het aj. 1990 - zie nr. II/510, 1°) niet mag worden toegepast in de mate dat hij tot gevolg heeft het aftrekbare bedrag van de in art. 9, eerste lid, van de hervormingswet vermelde interesten en van de in art. 71, § 1, 6°, WIB vermelde vergoedingen en lasten te verminderen.
Met betrekking tot interesten van schulden die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verkrijgen of te behouden en die vanaf het aj. 1990 rechtstreeks en uitsluitend van de onroerende inkomsten kunnen worden afgetrokken, is het zo dat de aftrek steeds de toepassing van de woningaftrek voorafgaat en dat aldus wordt verhinderd dat de woningaftrek tot een vermindering van de aftrek van de interesten zou leiden (zie nr. II/18).
Wat de aftrek van erfpacht- en opstalvergoedingen en gelijkaardige vergoedingen betreft, moet de woningaftrek zodanig worden bijgestuurd dat die aftrek voor de belastingplichtige tenslotte niet nadelig is.
II/514
Om na te gaan of het bedrag van de woningaftrek al dan niet moet worden verminderd met het oog op de maximale aftrek van de erfpacht- en opstalvergoedingen, wordt in de praktijk als volgt gehandeld:
a) de onroerende inkomsten verminderen met de woningaftrek waarop de betrokkene in principe aanspraak heeft;
b) eventueel het sub a verkregen verschil en het nettobedrag van de roerende inkomsten samentellen;
c) de in principe aftrekbare vergoedingen in mindering brengen van het totaal b.
Wanneer het verschil c positief is of gelijk is aan nul, moet geen regularisatie van de woningaftrek plaatsvinden; het bedrag van die aftrek moet dus onverkort worden behouden.
Daarentegen moet dit verschil, wanneer het negatief is, aan het bedrag sub a worden toegevoegd om het belastbare nettobedrag van de onroerende inkomsten vast te stellen (het toe te voegen bedrag mag evenwel de toegepaste woningaftrek niet te boven gaan).
Voorbeelden
II/515 VOORBEELD 1
Gegevens:
Woning met een K.I. van 160.000 F
Gehuwd en 1 kind ten laste
Betaalde hypothecaire interesten: 15.000 F
Betaalde erfpachtvergoeding: 10.000 F
Oplossing: Onroerende inkomsten: 160.000 F Aftrekbare interesten: - 15.000 F ---------- Blijft: 145.000 F Woningaftrek: 140.000 F (120.000 F + 20.000 F) ---------- Netto onroerend inkomen: 5.000 F Regularisatie woningaftrek: 5.000 F ---------- Totaal: 10.000 F Erfpachtvergoeding: - 10.000 F ---------- Verschil 0 F II/516 VOORBEELD 2 Gegevens:
Woning met een K.I. van 90.000 F
Gehuwden
Nettobedrag van de inkomsten van aandelen: 14.847 F
Betaalde hypothecaire interesten: 10.500 F
Betaalde opstalvergoeding: 19.000 F
Oplossing: Onroerende inkomsten: 90.000 F Aftrekbare interesten: - 10.500 F ---------- Blijft: 79.500 F Woningaftrek (maximum) - 79.500 F ---------- Netto-onroerende inkomsten: 0 F Roerende inkomsten: 14.847 F Totaal: 14.847 F Regularisatie woningaftrek: + 4.153 F --------- Totaal: 19.000 F Aftrekbare opstalvergoeding: - 19.000 F --------- Verschil: 0 F II/517 D. NIET-TOEPASSING VAN DE TIJDELIJKE VRIJSTELLING VAN PB (art. 446, § 2, WIB) Krachtens art. 446, § 2, WIB (zoals dit artikel in feite van toepassing is voor het aj. 1990 - zie nr. II/510, 2°) wordt de tijdelijke vrijstelling van PB voor inkomsten van nieuwe woningen die in België gelegen zijn, niet toegepast voor zover die vrijstelling zou leiden tot een vermindering van de gewone interestaftrek of van de aftrekbare erfpacht- en opstalvergoedingen.
De systematische toepassing van die vrijstelling zou in het nadeel van de belastingplichtige kunnen uitvallen wanneer hij aftrekbare interesten en/of erfpacht- of opstalvergoedingen heeft betaald, daar hij het voordeel zou verliezen van de verrekening van de O.V. m.b.t. het K.I. van de nieuwe woning.
Praktisch is het voor de belastingplichtige voldoende dat hij de in art. 446, WIB bedoelde inkomsten van nieuwe woningen in de daartoe speciaal bestemde rubrieken van de aangifte in de PB vermeld. De administratie zal de in art. 446, § 2, WIB bedoelde afwijking van de vrijstellingsregeling in voorkomend geval toepassen wanneer dit, met het oog op de verrekening van O.V., voor de betrokkene voordeliger is.
V. BIJKOMENDE INTERESTAFTREK VOOR NIEUWBOUW OF VERNIEUWBOUW (art. 71, § 1, 11°, §§ 2ter en 5, WIB)
II/518 A. Algemeen
Overeenkomstig art. 71, § 1, 11°, en §§ 2ter en 5, WIB kan een gedeelte van de werkelijk betaalde interesten van hypothecaire leningen met een minimumlooptijd van 10 jaar die vanaf 1.5.1986 zijn afgesloten om in België een enige woning te bouwen of in nieuwe staat onder heffing van de BTW te verwerven, of om een enige en bij het sluiten van de leningovereenkomst sedert ten minste 20 jaar in gebruik genomen woning geheel of gedeeltelijk te vernieuwen, onder bepaalde voorwaarden en binnen zekere grenzen in mindering worden gebracht van het totale gezinsinkomen.
Deze bijkomende interestaftrek voor nieuwbouw of vernieuwbouw, die de gewone interestaftrek aanvult, wordt besproken in de circ. van 31.3.1987, nr. Ci.RH.26/380.438, (B. 661) en van 5.2.1988, nr. Ci.RH.26/389.149, (B. 670).
II/519 B. WEERSLAG VAN DE HERVORMINGSWET
De bijkomende interestaftrek i.v.m. hypothecaire leningen die zijn gesloten voor het bouwen, het in nieuwe staat verwerven of het vernieuwen van de enige woning, blijkt verder van toepassing en blijft zich ook na de hervorming situeren in de aftrekken van het totale inkomen, met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met:
1° de gewijzigde draagwijdte van art. 71, § 2, eerste lid, tweede zinsnede, WIB (zie nr. II/509);
2° art. 9, derde lid, van de hervormingswet, dat uitdrukkelijk bepaalt dat het overeenkomstig art. 71, § 2ter, WIB aftrekbare interestgedeelte wordt vastgesteld nadat de in art. 71, § 1, 11°, WIB vermelde interesten zijn verminderd met de interestaftrek ingevolge art. 9, eerste lid, van dezelfde wet.
Door de sub 2° hierboven vermelde bepalingen heeft de Wetgever, om dubbelzinnigheid uit te sluiten, gesteld dat de gewone interestaftrek (d.w.z. de aftrek van de in art. 9, eerste lid, van de hervormingswet vermelde interesten, te verrichten op de onroerende inkomsten) voorrang heeft op de bijkomende interestaftrek ingevolge art. 71, § 1, 11°, en § 2ter, WIB (zie Senaat, Verslag Senaatscommissie, zitting 1988-1989, Stuk 440-2, blz. 73).
Die bepaling brengt mede dat vanaf het aj. 1990, in vergelijking met de voorheen geldende regels (zie nrs. 18 en 31 van de voormelde circ. van 31.3.1987), een andere volgorde voor de berekening en begrenzing van de bijkomende interestaftrek moet worden toegepast (zie ter zake eveneens de Parl. Vr. nr. 367 van 8.11.1989 van Volksvertegenwoordiger KNOOPS, Bull. "Vragen en Antwoorden" Kamer, nr. 96, blz. 7.485 - B. 696).
II/520 C. TEKST VAN ART. 71, § 2ter, WIB NA DE HERVORMING
De huidige tekst van art. 71, § 2ter, WIB, die niet uitdrukkelijk door de hervormingswet is gewijzigd, moet samen met het bepaalde in art. 9, derde lid, van de hervormingswet gelezen worden (cf. art. 41 van dezelfde wet), waarbij tevens rekening moet worden gehouden met de nieuwe draagwijdte van art. 71, § 2, eerste lid, tweede zinsnede, WIB ingevolge de opheffing van art. 71, § 1, 1° en 2°, WIB (zie nr. II/509).
In feite zou de tekst van die wetsbepaling vanaf het aj. 1990 als volgt moeten worden gelezen:
Art. 71, § 2ter, WIB
"Het gedeelte van de in § 1, 11°, a, respectievelijk b, bedoelde interesten dat niet bij toepassing van art. 9, eerste lid, van de hervormingswet kan worden afgetrokken van de onroerende inkomsten, komt slechts voor aftrek in aanmerking voor zover die interesten betrekking hebben op de eerste schijf van 2 miljoen frank, respectievelijk 1 miljoen frank, van het aanvangsbedrag van de leningen, bedrag dat wordt verhoogd met 5, 10, 20 of 30 pct., al naargelang de belastingplichtige 1, 2, 3 of meer dan 3 kinderen ten laste heeft op 1 januari van het jaar volgend op dat waarin de leningovereenkomst is gesloten.
De aftrek van de overeenkomstig het eerste lid berekende interesten wordt verricht gedurende ten hoogste twaalf belastbare tijdperken, ten belope van 80, 70, 60, 50, 40, 30, 20 en 10 pct. van die interesten, al naargelang het respectievelijk de eerste vijf belastbare tijdperken of het zesde tot en met het twaalfde belastbaar tijdperk betreft, waarin het in artikel 7, paragrafen 1 en 3, bedoelde kadastraal inkomen in het belastbare inkomen is opgenomen."
II/521 D. BEGRENZING VAN DE BIJKOMENDE INTERESTAFTREK
De bijkomende interestaftrek (op het totale inkomen) vult dus de gewone interestaftrek op de onroerende inkomsten aan (zie nrs. II/6 tot 17).
Anderzijds kan de bijkomende interestaftrek slechts in de hierna volgende mate worden verkregen:
1° Het bedrag van de werkelijk betaalde interesten van hypothecaire leningen die voldoen aan de in art. 71, § 1, 11°, en §§ 2ter en 5, WIB gestelde criteria (zie nrs. 4 tot 16 en 25 tot 29 van de voormelde circ. van 31.3.1987), wordt eerst verminderd met het bedrag dat van de onroerende inkomsten is afgetrokken (gewone interestaftrek).
2° De overblijvende interesten worden slechts voor aftrek in aanmerking genomen voor zover zij betrekking hebben op de eerste schijf van:
- 2.000.000 F, 2.100.000 F, 2.200.000 F, 2.400.000 F of 2.600.000 F van het aanvangsbedrag van de hypothecaire leningen voor nieuwbouw, al naargelang de belastingplichtige 1, 2, 3 of meer dan 3 kinderen ten laste heeft op 1 januari van het jaar na dat waarin de leningovereenkomst is gesloten;
- 1.000.000 F, 1.050.000 F, 1.100.000 F, 1.200.000 F of 1.300.000 F van het aanvangsbedrag van de hypothecaire leningen voor vernieuwbouw, al naargelang de belastingplichtige 1, 2, 3 of meer dan 3 kinderen ten laste heeft op 1 januari van het jaar na dat waarin de leningsovereenkomst is gesloten. Praktisch wordt het sub 1° bedoelde verschil vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller het toepasselijke aanvangsbedrag is en de noemer het totale bedrag van de hypothecaire lening(en).
4° Het sub 1° bedoelde verschil, in voorkomend geval verminderd tot de uitkomst van de sub 2° bedoelde breuk, wordt ten slotte vermenigvuldigd met:
- 80 pct. in de eerste vijf belastbare tijdperken;
- 70 pct. in het 6de belastbare tijdperk;
- 60 pct. in het 7de belastbare tijdperk;
- 50 pct. in het 8ste belastbare tijdperk;
- 40 pct. in het 9de belastbare tijdperk;
- 30 pct. in het 10de belastbare tijdperk;
- 20 pct. in het 11de belastbare tijdperk;
- 10 pct. in het 12de belastbare tijdperk.
II/522 Voorbeeld 1
Gegevens:
Gezin met 2 kinderen. Voor de aankoop van een nieuwe en enige woning wordt een hypothecaire lening aangegaan van 2.500.000 F op 28.6.1988, met een looptijd van 20 jaar.
De betaalde interest bedraagt: 200.000 F in 1989, 195.630 F in 1990 en 190.909 F in 1991. De woning is in februari 1989 in gebruik genomen. Het K.I. bedraagt 45.000 F.
De bijkomende interestaftrek wordt als volgt berekend: - Voor het aj. 1990: Werkelijk betaalde interesten: 200.000 F Gewone interestaftrek: 45.000 x 10/12 = - 37.500 F ---------- Blijft: 162.500 F 1e beperking: 162.500 x 2.200.000/2.500.000 = 143.000 F 2e beperking: 143.000 x 80 pct. = aftrekbaar 114.400 F - Voor het aj. 1991: Werkelijk betaalde interesten: 195.630 F Gewone interestaftrek: - 45.000 F ---------- Blijft: 150.630 F 1e beperking: 150.630 x 2.200.000/2.500.000 = 132.554 F 2e beperking: 132.554 x 80 pct. = aftrekbaar 106.043 F - Voor het aj. 1992: Werkelijk betaalde interesten: 190.909 F Gewone interestaftrek: - 45.000 F ---------- Blijft: 145.909 F 1e beperking: 145.909 x 2.200.000/2.500.000 = 128.400 F 2e beperking: 128.400 x 80 pct. = aftrekbaar 102.720 F II/523 Voorbeeld 2 Gegevens:
Gezin met 2 kinderen. Voor de verbouwing van hun 25 jaar oude enige woning wordt op 20.11.1988 een hypothecaire lening van 1.200.000 F afgesloten, met een looptijd van 12 jaar. De werken, uitgevoerd door een geregistreerd aannemer, hebben 1.400.000 F gekost en zijn voltooid op 8.4.1989.
Het K.I. van de woning bedraagt 32.000 F vóór en 46.000 F na de werken. De betaalde interesten bedragen in 1989 105.000 F, in 1990 98.000 F en in 1991 91.000 F.
De bijkomende interestaftrek wordt als volgt berekend: - Voor het aj. 1990: Werkelijk betaalde interesten: 105.000 F Gewone interestaftrek: (32.000 x 4/12 + 46.000 x 8/12) = - 41.333 F ---------- Blijft: 63.667 F 1e beperking: 63.667 x 1.100.000/1.200.000 = 58.361 F 2e beperking: 58.361 x 80 pct. = aftrekbaar 46.689 F - Voor het aj. 1991: Werkelijk betaalde interesten: 98.000 F Gewone interestaftrek: - 46.000 F ---------- Blijft: 52.000 F 1e beperking: 52.000 x 1.100.000/1.200.000 = 47.667 F 2e beperking: 47.667 x 80 pct. = aftrekbaar 38.134 F - Voor het aj. 1992: Werkelijk betaalde interesten: 91.000 F Gewone interestaftrek: - 46.000 F ---------- Blijft: 45.000 F 1e beperking: 45.000 x 1.100.000/1.200.000 = 41.250 F 2de beperking: 41.250 x 80 pct. = aftrekbaar 33.000 F VI. BIJKOMENDE AFTREK VAN HYPOTHECAIRE INTERESTEN (art. 38, W. 28.12.1983) II/524 A. ALGEMEEN
Een gedeelte van de interesten van hypothecaire leningen, die van 1.7.1983 tot en met 30.4.1986 zijn gesloten voor het bouwen of in nieuwe staat verkrijgen van een in België gelegen woning, is onder bepaalde voorwaarden en binnen zekere grenzen aftrekbaar van het totale gezinsinkomen (zie circulaire van 6.3.1986, nr. Ci.RH.26/366.882, B. 649).
II/525 B. WEERSLAG VAN DE HERVORMINGSWET
Ingevolge de nieuwe draagwijdte van art. 71, § 2, eerste lid, tweede zinsnede, WIB en de aftrek van de interesten van schulden die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verkrijgen of te behouden (art. 9, eerste lid, van de hervormingswet), had de tekst van art. 38, § 1, W. 28.12.1983 in feite moeten worden aangepast en gelezen zoals vermeld in nr. II/510, 3°.
II/526 C. TOEPASSINGSREGELS
Het aj. 1990 is het laatste waarvoor de voormelde maatregel uitwerking heeft; ter zake wordt de bijkomende aftrek als volgt berekend:
1° de interesten van hypothecaire leningen die voldoen aan de in art. 38, W. 28.12.1983 gestelde criteria (zie nrs. 3 tot 11, van de voormelde circ. van 6.3.1986), worden eerst, overeenkomstig art. 9, eerste lid, van de hervormingswet, afgetrokken van de onroerende inkomsten (tot ten hoogste tot totale bedrag van de gezamenlijk belastbare onroerende inkomsten);
2° het eventuele saldo van de interesten dat niet overeenkomstig de sub 1° bepaalde regel kon worden afgetrokken van de onroerende inkomsten, is tot ten hoogste 40.000 F aftrekbaar van het totale inkomen (d.i. als bijkomende aftrek).
II/527 D. VOORBEELD
Gegevens:
Een belastingplichtige sluit op 20.2.1986 een hypothecaire lening voor het bouwen van een woning. Die woning wordt voor het eerst in gebruik genomen op 30.4.1987. Het K.I. is vastgesteld op 54.000 F in 1989. betaalde interesten: 100.000 F. Berekening van bijkomende aftrek: Betaalde interesten: 100.000 F Gewone interestaftrek K.I. (54.000 F) - 54.000 F ---------- Blijft: 46.000 F Bijkomende aftrek: 40.000 F Daar het het derde jaar betreft na dat waarin het leningscontract is gesloten, is de aftrek tot 40.000 F beperkt. VII. COMBINATIE VAN DE GEWONE EN DE BIJKOMENDE INTERESTAFTREKKEN.
II/528 A. ALGEMEEN
In de praktijk komt het voor dat een belastingplichtige twee of zelfs drie "soorten" privé-interesten heeft betaald, waarvoor de aftrekregeling verschillend is.
De hierna volgende richtlijnen hebben betrekking op:
1° de volgorde waarin die interesten op de belastbare inkomsten worden aangerekend;
2° de samenstelling van het maximumbedrag van de interesten dat krachtens art. 9, eerste lid van de hervormingswet van de onroerende inkomsten aftrekbaar is wanneer interesten zijn betaald die in aanmerking komen voor een bijzondere aftrekregeling en de repercussie van de aanrekening van die interesten op de aftrekregelingen voor het totale inkomen.
Het betreft hier de actualisering - voor het aj. 1990 - van de richtlijnen van de circulaire van 5.2.1988, nr. Ci.RH.26/389.149 (B. 670).
Ter zake wordt eraan herinnerd dat vanaf het aj. 1990:
- de interesten van schulden die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verkrijgen of te behouden (gewone interesten die alleen onder de algemene aftrekregeling vallen) uitsluitend van de onroerende inkomsten kunnen worden afgetrokken (beperkt tot het totaal van de onroerende inkomsten. Zie nrs. II/6 tot 17);
- de innings- en bewaringskosten en andere soortgelijke kosten of lasten uitsluitend van de gezamenlijk belastbare roerende inkomsten kunnen worden afgetrokken (zie nrs. II/56 tot 58);
- de interesten van schulden die zijn aangegaan om roerende inkomsten te verkrijgen of te behouden niet meer aftrekbaar zijn (zie nrs. II/59 en 60);
- de erfpacht- en opstalvergoedingen en gelijkaardige vergoedingen aftrekbaar blijven van het totale inkomen (zie nrs. II/511 tot 517).
De aanrekening van de interesten (bijzondere aftrekregelingen) die van het totale inkomen aftrekbaar zijn, gebeurt in de hierna vermelde volgorde:
1° de interesten van hypothecaire leningen, als bedoeld in art. 38, W. 28.12.1983 (Zie circulaire van 6.3.1986, nr. Ci.RH.26/366.882, B. 649 en de nrs. II/524 tot 527), waarvan de bijkomende aftrek voor het aj. 1990 steeds beperkt is tot 40.000 F per woning;
2° de in art. 71, § 1, 11°, WIB vermelde interesten van hypothecaire leningen waarvan de aftrek bepaald is overeenkomstig § 2ter van hetzelfde artikel (zie circulaires van 31.3.1987, nr. Ci.RH.26/380.438, B. 661 en van 5.2.1988, nr. Ci.RH.26/389.149 en de nrs. II/518 tot 523).
II/530 C. WIJZE WAAROP INTERESTEN VAN VERSCHILLENDE AARD WORDEN AANGEREKEND OP DE ONROERENDE INKOMSTEN ALVORENS EEN OF BEIDE BIJZONDERE AFTREKREGELINGEN TOE TE PASSEN.
De gewone interestaftrek (aan te rekenen op de onroerende inkomsten) komt in elk geval vóór de bijzondere interestaftrekken (aftrekken van het totale inkomen) (zie nrs. II/521 en 526). Daarom wordt een bepaald bedrag aan interesten geacht op de belastbare onroerende inkomsten te zijn aangerekend om deze te neutraliseren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gewone interesten en interesten die zonder die aanwending in aanmerking zouden komen voor een bijzondere aftrekregeling.
De aanwending op de onroerende inkomsten gebeurt in de hierna vermelde volgorde:
1° de "gewone" interesten, nl. die welke niet voor een bijkomende aftrekregeling in aanmerking komen;
2° de interesten van leningen als bedoeld in art. 38, W. 28.12.1983 in de mate dat zij het toepasselijke maximumbedrag (40.000 F per woning voor het aj. 1990) overtreffen;
3° de interesten van de leningen bedoeld in art. 71, § 1, 11°, WIB (het totale bedrag, in voorkomend geval tot volledige opslorping van de overblijvende onroerende inkomsten);
4° het saldo van de interesten van de sub 2° bedoelde lening(en), (met een maximum van 40.000 F per woning voor het aj. 1990).
Het deel van de interesten dat wegens de in 3° en 4° hierboven bedoelde aanwendingen in feite gediend heeft voor de toepassing van de gewone aftrek (aftrek van de onroerende inkomsten) kan uiteraard niet meer in aanmerking worden genomen voor de bijzondere aftrekregelingen. Bijgevolg moet dat deel worden afgetrokken van de maximumbedragen, die zonder die aanwending aftrekbaar zouden zijn in de bijzondere regelingen.
II/530.1 D. VOORBEELD (aj. 1990)
Gegevens:
Nieuwe en enige woning gebouwd in 1986.
In 1989 betaalde interesten:
- interesten van een hypothecaire lening van 600.000 F die aangegaan is op 6.3.1986 en aan de vrijstellingsvoorwaarden van art. 38, W. 28.12.1983 voldoet
(code 136): 55.000 F;
- interesten van een bijkomende hypothecaire lening van 315.000 F, die aangegaan is op 7.12.1986 en aan de vrijstellingsvoorwaarden van art. 71, § 1, 11°, WIB voldoet
(code 138): 25.000 F;
- interesten van een onderhandse lening van 100.000 F voor de installatie van centrale verwarming
(code 146): 10.000 F;
- 10.000 F interesten van de onderhandse lening van code 146 (totaal bedrag);
- 15.000 F interesten van code 136, nl. het deel dat het maximum van 40.000 F overtreft:
- 25.000 F interesten van code 138 (totaal bedrag);
- 4.000 F interesten, afgenomen van het maximum van de interesten van code 136 dat krachtens art. 38, W. 28.12.1983 aftrekbaar is.
Bron: FisconetPlus
