Circulaire nr. AFZ/99-0390 van 16.08.1999
Bull. nr. 797, pag. 3055
DIVERSE FISCALE MAATREGELEN
Beknopt overzicht.
Diverse fiscale bepalingen commentaar.
Aan al de ambtenaren van de niveaus 1, 2+ en 2 van de Administratie van fiscale zaken, van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, van de Administratie van de directe belastingen, van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie en van de Administratie van de invordering.
Hierna volgt een eerste commentaar op de voornaamste fiscale bepalingen van:
1° W 4.6.1997 tot wijziging van artikel 104, 8°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, met het oog op de bescherming van het onroerend erfgoed (BS 30.7.1997 - V 2517 - Bull. 775, blz. 2034);
2° W 6.7.1997 tot wijziging van artikel 180 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (BS 23.10.1997 - V 2530 - Bull. 777, blz. 2713);
3° W 14.7.1997 tot wijziging van artikel 110 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 met het oog op de uitvoering van artikel 104, 3°, i, van hetzelfde Wetboek (BS 3.9.1997 - V 2526 - Bull. 776, blz. 2399);
4° Programmawet 10.2.1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap (BS 21.2.1998 - V 2559 - Bull. 782, blz. 875);
5° W 12.6.1998 tot wijziging van artikel 104, 3°, b), van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (BS 26.9.1998, Ed. 2 - V 2605 - Bull. 787, blz. 2405);
6° W 17.11.1998 tot wijziging van artikel 145^1 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, betreffende de belastingvermindering voor afbetalingen van hypotheekleningen (BS 16.1.1999, erratum BS 10.2.1999 - V 2641 - Bull. 791);
7° W 21.12.1998 tot oprichting van de "Belgische Technische Coöperatie" in de vorm van een vennootschap van publiek recht (BS 30.12.1998, Ed. 3 - V 2658 - Bull. 792);
8° W 22.12.1998 houdende fiscale en andere bepalingen (BS 15.1.1999 - V 2648 - Bull. 791);
9° W 1.3.1999 tot toekenning van fiscale aftrekbaarheid voor giften aan het Europees Centrum voor Vermiste en Seksueel Uitgebuite Kinderen -België- Stichting naar Belgisch recht en tot vrijstelling van de belasting voor aanplakking (BS 14.4.1999, Ed. 2 - V 2679 - Bull. 793);
10° W 26.3.1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen (BS 1.4.1999 - V 2676 - Bull. 793);
11° W 21.4.1999 tot wijziging van artikel 104 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 teneinde de giften in geld aan erkende dierenasielen fiscaal aftrekbaar te maken (BS 11.5.1999, Ed. 2 - V 2689 - Bull. 794).
De bepalingen betreffende het begrip "gestort kapitaal", de inbreng van één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen, fusies, splitsingen en daarmee gelijkgestelde verrichtingen van vennootschappen (W 22.12.1998) en betreffende de aandelenopties (W 26.3.1999) worden in een aparte circulaire besproken.
NAMENS DE MINISTERDe Adjunct-administrateur-generaalvan de belastingen,
BIJLAGE INHOUDSTAFEL I. INKOMEN VAN ROERENDE GOEDEREN EN KAPITALEN - Definitie...........................................................1 - Definitie van dividenden............................................2 - Niet-belastbare roerende inkomsten..................................3 - Schuldenaars van de roerende voorheffing............................9 - Aanslagvoet van de roerende voorheffing............................11 - Vrijstelling van aangifte..........................................13 II. VERENIGINGEN VAN MEDE-EIGENAARS..................................14 III.GESPREIDE BELASTING VAN MEERWAARDEN - Nieuwe toepassingsgevallen met betrekking tot het stelsel van de gespreide belasting...........................................15 - Gelijkstelling met materiële vaste activa........................16IV. VRIJSTELLING VOOR BIJKOMEND PERSONEEL...............................17 V. VERPLICHTE ZIEKTEVERZEKERING.........................................18 VI. AANPASSING AAN DE WETGEVING OP HET BANK- EN FINANCIEWEZEN - Inkomsten van spaardeposito's.....................................19 - Interest van leningen.............................................20 - Verplichtingen na te leven bij vervreemding of hypothecaire aanwending van onroerende goederen................................23 VII. NETTOBEDRAG VAN DE BESTAANSMIDDELEN................................24 VIII. GIFTEN - Ontbinding van het IWONL..............................................25 - Giften aan politieke partijen of lijsten..............................26 - Culturele instellingen................................................27 - Het behoud of de zorg voor monumenten en landschappen.................28 - Natuurbehoud, bescherming van het leefmilieu en hulpverlening aan slachtoffers van zeer grote industriële ongevallen................29 - Europees Centrum voor Vermiste en Seksueel Uitgebuite Kinderen........30 - Erkende dierenasielen.................................................31 - Voorwaarden en formaliteiten die moeten worden vervuld door de instellingen die bevoegd zijn om fiscaal aftrekbare giften te ontvangen...32IX. UITGAVEN VOOR ONDERHOUD EN RESTAURATIE VAN BESCHERMDE ONROERENDE GOEDEREN OF LANDSCHAPPEN......................33 X. AFBETALING VAN HYPOTHEEKLENING.......................................34 XI. ONVOORWAARDELIJKE ONDERWORPENHEID AAN DE RECHTSPERSONENBELASTING....35 XII. VRIJSTELLING VAN DE WINST DIE IN HET VERMOGEN VAN SOMMIGE INSCHAKELINGSBEDRIJVEN WORDT GEHOUDEN..............................39 XIII. TARIEF VAN DE VENNOOTSCHAPSBELASTING - Begrip deelneming.....................................................40 - De regel van één miljoen..............................................41 XIV. VENNOOTSCHAPPEN VOOR HUISVESTING...................................42 XV. VERMINDERD BASISTARIEF VAN DE BELASTING VAN NIET-INWONERS (VENNOOTSCHAPPEN)...................................................44XVI. BEDRIJFSVOORHEFFING................................................45XVII. NALATIGHEIDSINTEREST EN MORATORIUMINTEREST........................46 XVIII. OVERDRACHT VAN EEN HANDELSZAAK-Toepassingsgebied..............................................47 -Tegenstelbaarheid van de overeenkomst..........................49 - iet-beoogde verrichtingen.....................................50 XIX. BIJZONDERE INVORDERINGSREGELS......................................52J.-M. DELPORTE
Definitie
1. Door de toevoeging van de woorden "aangewend uit welken hoofde ook" in de inleidende zin van artikel 17, § 1, WIB 92, wordt vermeden dat de definitie van roerende inkomsten in een ruimere zin kan worden geïnterpreteerd dan vóór de coördinatie van het Wetboek in 1992. De ten onrechte bij de coördinatie weggelaten uitdrukking houdt in dat de opbrengsten die moeten worden belast, het voorwerp moeten uitmaken van een overeenkomst over de beschikking van het roerend goed. Die inkomsten zijn derhalve de door de schuldenaar betaalde prijs voor het genot van het kapitaal, zoals is overeengekomen met degene die het kapitaal heeft belegd of geïnvesteerd.
Dientengevolge mogen bijvoorbeeld gerechtelijke of moratoriuminteresten niet worden aangemerkt als inkomsten uit roerende goederen omdat ze niet voortvloeien uit de belegging van een kapitaal bij een derde om er inkomsten uit te halen; terzake gaat het om een schadeloosstelling.
Inwerkingtreding: vanaf het aj. 1992, (inwerkingtreding van het gecoördineerd Wetboek).
(art. 2 en 80, § 1, W 22.12.1998 - art. 17, § 1, WIB 92).
Definitie van dividenden
2. In art. 18, 1e lid, 1°, WIB 92, worden de woorden "voordelen van aandelen" vervangen door de woorden "voordelen toegekend aan aandelen".
De uitdrukking "voordelen van aandelen" die voorkwam in de definitie die bij de coördinatie van het Wetboek aan dividenden werd gegeven, stemde niet overeen met de opvatting van het begrip dividenden vóór de coördinatie.
Het principe is het volgende: de inkomsten uit kapitaal dat in een vennootschap wordt ingebracht, mogen alleen voortvloeien uit een omzetting van het vermogen van de vennootschap in dat van haar aandeelhouders of vennoten, zoals tot uiting komt door de uitdrukking "voordelen toegekend aan aandelen". De woorden "voordelen van aandelen" deden echter uitschijnen dat ook de winst die de aandeelhouder behaalde op zijn aandeel (dus de band tussen de vennootschap en de aandeelhouders) belastbaar was. Dit kon leiden tot het belasten van bepaalde niet belastbare verrichtingen, zoals de uitreiking van bonusaandelen (naar aanleiding van de opneming van reserves in het kapitaal) of de toekenning van een gedeelte van de inschrijvingsrechten van bestaande aandelen. Dat was niet de bedoeling van de wetgever van 1992 aangezien de coördinatie niet tot doel had om inzake inkomstenbelastingen de belastinggrondslag uit te breiden of in te krimpen.
Inwerkingtreding: vanaf het aj. 1992, (inwerkingtreding van het gecoördineerd Wetboek).
(art. 3, 1° en 80, § 1, W 22.12.1998 - artikel 18, 1e lid, 1°, WIB 92).
Niet-belastbare roerende inkomsten
3. De wijziging aan art. 21, 2°, WIB 92 heeft enkel tot doel alle "liquidatieboni", andere dan die vermeld in artikel 19, § 1, 4°, WIB 92, bij de niet-belastbare roerende inkomsten op te nemen. Tot nog toe werden slechts bepaalde liquidatieboni, die voortkomen van buitenlandse vennootschappen, van BEVAK, BEVEK en VBS, in artikel 21, 2°, WIB 92 als niet-belastbaar aangemerkt.
Inwerkingtreding: vanaf het aj. 1998.
(art. 4, 1° en 80, § 7, W 22.12.1998 - art. 21, 2°, WIB 92).
4. Art. 21, 10°, nieuw, WIB 92 breidt de lijst van niet-belastbare roerende inkomsten uit tot de eerste schijf van 5.000 BEF van interesten of dividenden verleend of toegekend door erkende vennootschappen met een sociaal oogmerk die actief zijn in sectoren met werkgelegenheidsvooruitzichten (bijstand aan personen, bescherming van het leefmilieu, vorming, enz.).
Inwerkingtreding: inkomsten verleend of toegekend vanaf 1.1.1999.
(art. 62 en 66, W 26.3.1999 - art. 21, 10°, WIB 92).
5. De vrijstelling ten gunste van de natuurlijke personen, voorzien in art. 21, 5° en 6°, WIB 92 voor de eerste schijf van 50.000 BEF van de inkomsten uit spaardeposito's en van 5.000 frank van dividenden van de door de Nationale Raad van de Coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen is niet van toepassing in de vennootschapsbelasting. Dit was voorzien in het oude art. 109, 4°, WIB. De formulering van deze tijdens de coördinatie van het wetboek onhandig opgestelde bepaling werd derwijze herzien zodat elke onduidelijkheid werd weggenomen.
Inwerkingtreding: vanaf het aj 1992 (inwerkingtreding van het gecoördineerd Wetboek).
(art. 23, 1°, 24 en 80, § 1, W 22.12.1998 - art. 198, 1e lid, 5° en 199, WIB 92).
6. De nieuwe redactie van art. 199, WIB 92 wordt voortaan uitgebreid tot de inkomsten voorzien in art. 21, 10°, WIB 92 (zie nr 4 hiervoor).
Inwerkingtreding: inkomsten verleend of toegekend vanaf 1.1.1999.
(art. 63 en 66, W 26.3.1999 - art. 199, WIB 92).
7. Deze vrijstelling van de eerste schijf van 50.000 BEF van de inkomsten uit spaardeposito's en van 5.000 BEF van dividenden van de door de Nationale Raad van de Coöperatieve erkende coöperatieve vennootschappen, is eveneens niet van toepassing in de rechtspersonenbelasting.
Art. 33, W 22.12.1998 bepaalt expliciet dat de belastingplichtigen onderworpen aan deze belasting belastbaar zijn terzake van de inkomsten van kapitalen en roerende goederen, met inbegrip van de eerste schijf voorzien in art. 21, 5° en 6°, WIB 92.
Inwerkingtreding: vanaf het aj 1998.
(art. 33 en 80, § 7, W 22.12.1998 - art. 221, 2°, WIB 92).
8. De inkomsten bedoeld in art. 21, 10°, WIB 92 (zie nr 4 hiervoor) volgen eveneens hetzelfde belastingstelsel (nr 7) en maken eveneens deel uit van de belastbare grondslag in de rechtspersonenbelasting.
Inwerkingtreding: inkomsten verleend of toegekend vanaf 1.1.1999.
(art. 64 en 66, W 26.3.1999 - art. 221, 2°, WIB 92).
Schuldenaars van de roerende voorheffiing
9. De bepalingen van art. 261, 2°, WIB 92 werden beperkt tot de buitenlandse inkomsten daar de Belgische inkomsten opgenomen zijn in art. 261, 1°, WIB 92. Volgens de nieuwe tekst, wordt de opgelegde verplichting ten aanzien van de in België gevestigde tussenpersonen om roerende voorheffing in te houden slechts toegepast wanneer deze tussenpersonen betrokken zijn bij de uitbetaling van inkomsten van kapitalen en roerende goederen of loten van effecten van leningen van buitenlandse oorsprong. Zodoende komt men terug op het beginsel opgenomen in het oude art. 167, WIB.
Inwerkingtreding: vanaf het aj. 1992 (inwerkingtreding van het gecoördineerd Wetboek).
(art. 40 en 80, § 1, W 22.12.1998 - art. 261, 2°, WIB 92).
10. Sinds de wijzigingen aangebracht door de W 20.3.1996 houdende fiscale bepalingen inzake roerende inkomsten (BS 7.5.1996 - V 2450 Bull. 762) worden, luidens art. 19, § 1, 4°, WIB 92 aangemerkt als interest en niet als dividenden, de inkomsten uit aandelen betaald door beleggingsvennootschappen, en gehaald uit de gehele of gedeeltelijke verdeling van hun maatschappelijk vermogen of bij de verkrijging van hun eigen aandelen, wanneer bij openbaar aanbod in België van de aandelen verbintenissen werden aangegaan die, wat het terugbetalingsbedrag of de rendementsvoet ervan betreft, bepaald waren en wanneer die verbintenissen betrekking hebben op een periode kleiner dan of gelijk aan acht jaar.
Art. 262, 5°, WIB 92 verzekert de inning van de RV over deze inkomsten, wanneer zij van buitenlandse oorsprong zijn. Gelet op het feit dat de herkwalificatie slechts betrekking heeft op de inkomsten waarvan de aandelen het voorwerp hebben uitgemaakt van een openbaar aanbod in België, paste het de woorden "zelfs indien ze niet betrokken waren bij een openbaar aanbod in België" in deze bepaling in te trekken.
Inwerkingtreding: aandelen uitgegeven en contracten onderschreven vanaf 7.4.1995.
(art. 41 en 80, § 24, W 22.12.1998 - art. 262, 5°, WIB 92).
Aanslagvoet van de roerende voorheffing
11. De vermelding van de uitsluiting in art. 269, 3e lid, c, WIB 92, het artikel dat de aanslagvoet van de RV regelt, van de liquidatieboni als vermeld in art. 21, 2°, WIB 92, lijkt niet nodig aangezien deze inkomsten niet tot de roerende inkomsten behoren; de toepassing van een aanslagvoet inzake RV betreffende die inkomsten is derhalve overbodig.
Inwerkingtreding: inkomsten verleend of toegekend vanaf 1.1.1994.
(art. 42 en 80, § 25, W 22.12.1998 - art. 269, 3e lid, c, WIB 92).
12. De aanslagvoet van de RV werd teruggebracht tot 15% voor de dividenden van aandelen uitgekeerd door KMO die genoteerd zijn op een beurs voor roerende waarden of waarvan een deel van het kapitaal is ingebracht door een PRIVAK.
Voor het begrip van KMO, moeten de vennootschappen in aanmerking worden genomen die, overeenkomstig art. 201, 1e lid, 1°, WIB 92, de investeringsaftrek kunnen genieten.
Inwerkingtreding: dividenden toegekend of betaalbaargesteld vanaf 1.7.1997.
(art. 33 en 34, W 10.2.1998 - art. 269, 3e lid, d, WIB 92).
Vrijstelling vanaf aangifte
13. In navolging van de in art. 21, 5° en 6°, WIB 92, vermelde inkomsten genieten de in art. 21, 10°, WIB 92 (zie nr 4, hiervoor), vermelde interesten en dividenden die zijn verleend of toegekend door bepaalde vennootschappen met een sociaal oogmerk niet de vrijstelling van aangifte en moeten zij worden aangegeven in de mate waarin zij de grens van de eerste vrijgestelde schijf van 5.000 BEF overschrijden en voor zover geen enkele voorheffing werd ingehouden op dit meerdere.
Inwerkingtreding: inkomsten verleend of toegekend vanaf 1.1.1999.
(art. 65 en 66, W 26.3.1999 - art. 313, le lid, 5°, WIB 92).
II. VERENIGINGEN VAN MEDE-EIGENAARS
14. De W 30.6.1994 tot wijziging en aanvulling van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de mede-eigendom (BS 26.7.1994) heeft, vanaf 1.8.1995, onder bepaalde voorwaarden, aan de verenigingen van mede-eigenaars rechtspersoonlijkheid toegekend (art. 577-5, § 1 BW).
Op het fiscale vlak blijven deze verenigingen verder behandeld als verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid.
De maatregel inzake fiscale transparantie is evenwel niet van toepassing op de verenigingen van mede-eigenaars die rechtspersoonlijkheid bezitten op grond van een andere bepaling dan die opgenomen in voormelde W 30.6.1994. Deze uitsluiting beoogt bijvoorbeeld de verenigingen zonder winstoogmerk.
Inwerkingtreding: op de verenigingen van mede-eigenaars die vanaf 1.8.1995 rechtspersoonlijkheid bezitten.
(art. 5, 34 en 80, § 4, W 22.12.1998 - art. 29, § 2, en 228, § 2, 3°, e, WIB 92).
III. GESPREIDE BELASTING VAN MEERWAARDEN
Nieuwe toepassingsgevallen met betrekking tot het stelsel van de gespreide belasting
15. Het stelsel van de gespreide belasting van de meerwaarden op materiële en immateriële vaste activa, was tot nog toe onder bepaalde voorwaarden slechts van toepassing op de meerwaarden die werden verwezenlijkt ingeval van :
- schade, onteigening, opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis;
- verkoop.
Het nieuwe stelsel strekt ertoe de gespreide belasting van de meerwaarden uit te breiden tot de meerwaarden verwezenlijkt naar aanleiding van een vervreemding, namelijk inzonderheid bij verkoop, maar ook bij ruil of inbreng in vennootschap.
Het is in die zin dat:
- in art. 47, § 1, 1e lid, WIB 92, het begrip "de verkoopprijs" wordt vervangen door "de verkoopwaarde";
- in art. 47, § 1, 1e lid, 2°, WIB 92, de woorden "verkoop" en "verkochte" worden vervangen door de woorden "vervreemding" en "vervreemde".
Inwerkingtreding : op de met ingang van het aj. 1998 verwezenlijkte meerwaarden.
(art. 8, 1° en 2° en art. 80, § 7, W 22.12.1998 - art. 47, § 1, 1e lid, en 47, § 1, le lid, 2°, WIB 92).
Gelijkstelling met materiële vaste activa
16. Art. 47, § 1, 2e lid, WIB 92 is in overeenstemming gebracht met de nieuwe bepalingen op het stuk van de jaarrekening van verzekeringsondernemingen. Terzake wordt verduidelijkt dat de terreinen en gebouwen die voorkomen onder de actiefpost beleggingen, overeenkomstig de wetgeving betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen, met materiële vaste activa worden gelijkgesteld.
Inwerkingtreding: voor het eerst van toepassing op de jaarrekening afgesloten op het einde van het boekjaar dat ingaat na 31.12.1994.
(art. 8, 3° en art. 80, § 8, W 22.12.1998 - art. 47, § 1, 2e lid, WIB 92).
IV. VRIJSTELLING VOOR BIJKOMEND PERSONEEL
17. Om de tewerkstelling van laaggeschoold personeel te bevorderen, heeft de wetgever voor de jaren 1998, 1999 en 2000 voor de winsten en baten een tijdelijke belastingvrijstelling ingesteld die gelijkaardig is aan die welke door art. 185, Programmawet van 30.12.1988 (BS 5.1.1989 - V 1961 - Bull. 694) aan KMO's en aan beoefenaars van vrije beroepen werd toegekend voor het tewerkstellen van bijkomend personeel.
Voor de belastingplichtigen die anders dan per kalenderjaar boekhouden, wordt de vrijstelling verleend voor het eerste boekjaar dat respectievelijk na 31 december 1998, 1999 en 2000 wordt afgesloten.
Nijverheids-, handels- of landbouwbedrijven die op 31 december 1997 of op het einde van het jaar waarin de exploitatie is aangevangen, als die aanvang op een latere datum valt, minder dan elf werknemers tewerkstellen, alsmede de beoefenaars van vrije beroepen, ambten of posten en van elke andere winstgevende bezigheid die baten oplevert, kunnen deze vrijstelling verkrijgen.
Het bedrag van de vrijstelling bedraagt 150.000 BEF (geïndexeerd voor het aj.1999 : 165.000 BEF - 4.900,24 EUR) per jaar en per in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheid waarvan het brutodagloon niet hoger is dan 3.220 BEF of het bruto-uurloon niet hoger is dan 424 BEF.
Voor de berekening van het aantal in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheden moet een vergelijking worden gemaakt van het gemiddelde van de in België tewerkgestelde werknemers tijdens respectievelijk de jaren 1998, 1999 en 2000 met dat van respectievelijk de jaren 1997, 1998 en 1999.
Er wordt geen rekening gehouden met de personeelsaangroei die het gevolg is van een overname van werknemers aangeworven vóór 1.1.1998 door een onderneming waarmee de belastingplichtige zich rechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt of door een belastingplichtige waarvan hij de beroepswerkzaamheid geheel of gedeeltelijk voortzet (tenzij de voortzetting het gevolg is van verrichtingen als bedoeld in de art. 46 of 211, WIB 92).
Er is overigens voorzien in een terugname van de vrijstelling die voorheen werd verleend in de mate waarin voor het volgende jaar het personeelsbestand is verminderd.
De vrijstelling is niet van toepassing op de bijkomende personeelseenheden die op grond van artikel 67, WIB 92, een vrijstelling genieten voor bijkomend personeel dat is tewerkgesteld voor het wetenschappelijk onderzoek of voor de uitvoer.
Inwerkingtreding: 1.1.1998.
(art. 29, W 10.2.1998 en KB 19.3.1998 tot uitvoering van art. 29 van de Programmawet van 10.2.1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap - BS 25.4.1998 - V 2574 - Bull. 784).
V. VERPLICHTE ZIEKTEVERZEKERING
18. De wijzigingen aan art. 52, 8° en 135, 1e lid, 1°, 3e streepje, WIB 92, hebben de verwijzingen naar andere wetten aangepast en de terminologie van die artikelen werd in overeenstemming gebracht met die van de W 6.8.1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.
Inwerkingtreding: vanaf 25.1.1999.
(art. 9 en 14, W 22.12.1998 - art. 52, 8° en 135, 1e lid, 1°, 3e streepje, WIB 92).
VI. AANPASSING AAN DE WETGEVING OP HET BANK- EN FINANCIEWEZEN
Inkomsten van spaardeposito's
19. De W 22.3.1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen (BS 19.4.1993) heeft de bepalingen van titel 1 van het KB nr 185 van 9.7.1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten opgeheven.
Artikel 4, 2°, W 22.12.1998 heeft in art. 21, 5°, 1e streepje, WIB 92 de verwijzing naar voormeld KB geschrapt aangezien de organisatie van het toezicht op de kredietinstellingen voortaan wordt geregeld door de hierboven vermelde W 22.3.1993.
Inwerkingtreding: 19.4.1993.
(art. 4, 2° en 80, § 3, W 22.12.1998 - art. 21, 5°, le streepje, WIB 92).
Interest van leningen
20. De beperking van de aftrek van interest van leningen als beroepskosten voorzien in art. 55, WIB 92 is niet van toepassing op interest betaald door of aan bepaalde instellingen. De lijst van deze instellingen werd aangepast op dusdanige wijze om ze in overeenstemming te brengen met de wijzigingen aangebracht in de wetgeving op het bank- en financiewezen.
De opsomming van banken, openbare kredietinstellingen en privéspaarkassen wordt vervangen door een bepaling die alle instellingen onderworpen aan de W 22.3.1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen bijeenbrengt (BS 19.4.1993). Aan deze instellingen worden toegevoegd de Nationale Bank van België en het Herdisconterings- en Waarborginstituut.
Het begrip financiële ondernemingen werd vervangen door dat van portefeuillemaatschappijen als vermeld in art. 1, KB nr 64 van 10.11.1967 vervangen bij art. 7, W 20.1.1978 (BS 10.2.1978) tot organisatie van de associatie der holdings bij de economische planning en tot wijziging van het statuut der portefeuillemaatschappijen. Onder portefeuillemaatschappijen moet worden verstaan, de vennootschappen naar Belgisch recht die participaties bezitten in één of meer Belgische of buitenlandse filialen waardoor ze, in rechte of in feite, de macht hebben om de activiteit van deze filialen te leiden.
Inwerkingtreding: 19.4.1993 met uitzondering van de gemeentespaarkassen waarvoor de maatregel uitwerking heeft vanaf 1.1.1995.
(art. 10, 1° en 2° en 80, § 3, W 22.12.1998 - art. 56, §§ 1 en 2, 2°, b, WIB 92).
21. Art. 56, § 2, 2° d, WIB 92 werd bijgewerkt teneinde onder de ondernemingen van hypothecaire leningen, ook de ondernemingen als vermeld in de W 4.8.1992 op het hypothecair krediet (BS 19.8.1992) te begrijpen.
Inwerkingtreding: 1.1.1993.
(art. 10, 3°, en 80, § 9, W 22.12.1998 - art. 56, § 2, 2°, d, WIB 92).
22. Aangezien de kredietverenigingen die zijn toegetreden tot het net van het beroepskrediet niet meer onderworpen zijn aan de toezichtsbevoegdheid van het prudentiële type van de NV Beroepskrediet, en deze bevoegdheid voortaan uitsluitend zal worden uitgeoefend door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen, is art. 56, § 2, 2° f, WIB 92 overbodig.
Hetzelfde geldt voor art. 56, § 2, 2°, g, WIB 92 vermits, bij toepassing van art. 61bi van voormelde W 22.3.1993, de door de NV Landbouwkrediet erkende kredietkassen met haar een federatie van kredietinstellingen vormen in de zin van art. 61, W 22.3.1993.
Deze kredietverenigingen of kredietkassen, oorspronkelijk opgenomen in art. 56, § 2, 2°, f en g, WIB 92, zijn voortaan begrepen onder het begrip kredietinstellingen in de zin van art. 56, § 1, WIB 92.
Inwerkingtreding: vanaf het aj. 1998.
(art. 10, 4°, 16 en 80, § 7, W 22.12.1998 - art. 56, § 2, 2°, f en g, en 145^15, 1e lid, WIB 92).
Verplichtingen na te leven bij vervreemding of hypothecaire aanwending van onroerende goederen
23. Art. 440, 1e lid, WIB 92 werd eveneens aangepast om het in overeenstemming te brengen met de wijzigingen aangebracht op het vlak van de wetgeving op het bank- en financiewezen. De W 22.3.1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen heeft onder meer de bepalingen van titel 1 van het KB nr 185 van 9.7.1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten opgeheven. De verwijzing naar dat KB in art. 440, 1e lid, WIB 92 wordt vervangen door een verwijzing naar voormelde W 22.3.1993.
Tevens is erin voorzien dat ook de hypotheekondernemingen die onderworpen zijn aan de W 4.8.1992 op het hypothecair krediet gemachtigd zijn het in art. 433, WIB 92 bedoelde bericht toe te sturen en bekwaam zijn om de in art. 434 van hetzelfde wetboek bedoelde kennisgeving te ontvangen.
Inwerkingtreding :
- 19.4.1993 wat de aan de W 22.3.1993 onderworpen kredietinstellingen betreft;
- 1.1.1993 wat de aan de W 4.8.1992 onderworpen hypotheekondernemingen betreft.
(art. 49 en 80, §§ 3 en 9, W 22.12.1998 - art. 440, 1e lid, WIB 92).
VII. NETTOBEDRAG VAN DE BESTAANSMIDDELEN
24. Artikel 143, 3°, WIB 92 bepaalde dat, voor het vaststellen van het bedrag van de bestaansmiddelen dat in aanmerking moest worden genomen om te weten of een persoon al dan niet ten laste was van een belastingplichtige, geen rekening werd gehouden met de beroepsinkomsten die deze persoon had verkregen in het jaar waarin hij zijn militaire dienst of een dienst als gewetensbezwaarde had aangevangen. Ingevolge de opschorting van de militaire dienstplicht wordt die bepaling opgeheven.
Inwerkingtreding : vanaf het aj. 1997.
(art. 15 en 80, § 14, W 22.12.1998 - art. 143, 3°, WIB 92).
VIII. GIFTEN
Ontbinding van het IWONL
25. Het instituut tot Aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw (IWONL) werd ontbonden bij KB 19.12.1995. Derhalve wordt die instelling geschrapt uit de lijst van de instellingen die overeenkomstig art. 104, 3°, b, WIB 92 fiscaal aftrekbare giften mogen ontvangen.
Inwerkingtreding : vanaf 1.1.1995.
(art. 11, 1° en 80, § 10, W 22.12.1998 - art. 104, 3°, b, WIB 92).
Giften aan politieke partijen
26. Onder de in art. 104, 3° b, WIB 92 bedoelde instellingen voor wetenschappelijk onderzoek bevinden zich ook wetenschappelijke organismen en studiediensten die verbonden zijn met een politieke partij.
De W 18.6.1993 heeft de fiscale aftrekbaarheid van giften aan VZW die financieel een politieke partij steunen, opgeheven.
Dientengevolge mogen de in geld gedane giften aan de instellingen die rechtstreeks verbonden zijn met een politieke partij of lijst, ook niet meer worden afgetrokken van het totale netto-inkomen.
Inwerkingtreding: vanaf het aj. 1999.
(art. 2 en 3, W 12.6.1998 - art. 104, 3°, b, WIB 92).
Culturele instellingen
27. Voortaan moeten de KB tot erkenning van culturele instellingen voor de toepassing van art. 104, 3°, d, WIB 92 niet meer in de Ministerraad worden beraadslaagd.
Inwerkingtreding: vanaf het aj. 1999.
(art. 11, 2° en 80, § 12, W 22.12.1998 - art. 104, 3°, d, WIB 92).
Het behoud of de zorg voor monumenten en landschappen
28. Aangezien de bevoegdheid inzake monumenten en landschappen is overgedragen van de gemeenschappen naar de gewesten en om iedere dubbelzinnigheid uit de weg te ruimen over de vraag of een instelling die het behoud of de zorg voor monumenten en landschappen ten doel heeft, op grond van art. 104, 3°, d, WIB 92, nog kan worden erkend als een instelling die fiscaal aftrekbare giften mag ontvangen, wordt art. 104, 3°, aangevuld met een letter j, die dat soort instellingen specifiek op het oog heeft.
Deze instellingen zullen door de Koning worden erkend volgens dezelfde voorwaarden en op dezelfde wijze als de in artikel 104, 3°, d, WIB 92 vermelde culturele instellingen.
Inwerkingtreding: vanaf 1.1.1997 - aj. 1998 wat de uitsluiting van de begunstigde instellingen uit de toepassingssfeer van de Ven.B betreft.
(art. 11, 3°, 13, 18, 37 en 80, § § 7 en 11, W 22.12.1998 - art. 104, 3°, j, 110, 181, 7° en 241, 2°, WIB 92).
Natuurbehoud, bescherming van het leefmilieu en hulpverlenning aan slachtoffers van zeer grote industriële ongevallen
29. De W 14.7.1997 tot wijziging van art. 110, WIB 92, met het oog op de uitvoering van art. 104, 3°, i, van hetzelfde Wetboek heeft tot doel de leemten op te vullen in de opstelling van de W 22.2.1995 en de W 2.4.1996 waarbij de aftrek wordt toegestaan van giften aan verenigingen die hulp verlenen aan slachtoffers van zeer grote industriële ongevallen (art. 104, 4°bi, WIB 92) en aan instellingen voor natuurbehoud of tot bescherming van het leefmilieu (art. 104, 3° i, WIB 92).
Aangezien die wetten respectievelijk toepasselijk zijn op giften gedaan vanaf 10.4.1995 en 14.6.1996, bepaalt de W 22.12.1998 dat de aanvullende bepalingen aan die wetten uitwerking hebben op dezelfde data of met ingang van de overeenstemmende aanslagjaren.
De inwerkingtreding wordt dus als volgt bepaald:
a) wat de in art. 104, 3°, i, WIB 92 vermelde giften (natuurbehoud en bescherming van het leefmilieu) betreft :
- heeft de W 14.7.1997 uitwerking vanaf het aj. 1997 inzake de aanpassing aan :
- art. 110, WIB 92 (erkenningsvoorwaarden);
- art. 181, 7°, WIB 92 (uitsluiting van de begunstigde instellingen uit de toepassingssfeer van de Ven.B);
- is de W 14.7.1997 van toepassing op de giften gedaan vanaf 14.6.1996 inzake de aanpassing aan art. 241, 2°, WIB 92 (aftrek in de BNI);
b) wat de in art. 104, 4°bi, WIB 92 vermelde giften (verlenen van hulp aan slachtoffers van zeer grote industriële ongevallen) betreft :
- heeft de W 14.7.1997 uitwerking vanaf het aj. 1996 inzake de aanpassing aan art. 181, 7°, WIB 92 (uitsluiting van de begunstigde instellingen uit de toepassingssfeer van de Ven.B);
- is de W 14.7.1997 van toepassing op de giften gedaan vanaf 10.4.1995 inzake de aanpassing aan art. 241, 2°, WIB 92 (aftrek in de BNI).
(art. 2 tot 4, W 14.7.1997 - art. 81, W 22.12.1998 - art. 110, 181, 7° en 241, 2°, WIB 92).
Europees Centrum voor Vermiste en Seksueel Uitgebuite Kinderen
30. De giften in geld aan het Europees Centrum voor Vermiste en Seksueel Uitgebuite Kinderen -België- stichting, naar Belgisch recht kunnen eveneens van een fiscale aftrek genieten.
Inwerkingtreding: giften die zijn gedaan vanaf 1.1.1999.
(art. 2 en 4, W 1.3.1999 - art. 104, 3°, f, WIB 92).
Erkende dierenasielen
31. De giften in geld aan VZW waarvan het doel erin bestaat dierenasielen te beheren, die de erkenning hebben gekregen bedoeld in art. 5, W 14.8.1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren en die voldoen aan de voorwaarden door de Koning vastgesteld op voorstel van de Minister van Financiën, zullen ook van een fiscale aftrek kunnen genieten.
Inwerkingtreding giften gestort vanaf 1.1.2000.
(art. 2 en 3, W 21.4.1999 - art. 104, 3°, j, WIB 92).
Voorwaarden en formaliteiten die moeten worden vervuld door de instellingen die bevoegd zijn om fiscaal aftrekbare giften te ontvangen
32. De Koning is voortaan gemachtigd om te bepalen aan welke verplichtingen en formaliteiten de instellingen die fiscaal aftrekbare giften mogen ontvangen, moeten voldoen. Ingevolge die wetswijziging zijn de instellingen die niet aan een erkenning zijn onderworpen ertoe gehouden de administratie op de hoogte te brengen van de afgeleverde attesten overeenkomstig dezelfde verplichtingen die momenteel zijn opgelegd aan instellingen die wel aan een erkenning zijn onderworpen.
Inwerkingtreding: vanaf het aj. 1999.
(art. 12 en 80, § 12, W 22.12.1998 - art. 108, WIB 92).
IX. UITGAVEN VOOR ONDERHOUD EN RESTAURATIE VAN BESCHERMDE ONROERENDE GOEDEREN OF LANDSCHAPPEN
33. Met het oog op de bescherming van het onroerend cultureel erfgoed wordt het aftrekbaar maximumbedrag van de uitgaven gedaan voor het onderhoud en de restauratie van beschermde onroerende goederen of landschappen van 250.000 BEF naar 1.000.000 BEF verhoogd.
Inwerkingtreding: vanaf 9.8.1997; om redenen van praktische aard, legt art. 48, § 12, W 4.5.1999 (BS 12.6.1999) houdende diverse fiscale bepalingen de inwerkingtreding van die bepaling evenwel vast met ingang van het aj. 1998.
(art. 2, W 4.6.1997 - art. 48, § 12, W 4.5.1999 - art. 104, 8°, WIB 92).
X. AFBETALING VAN HYPOTHEEKLENING
34. Krachtens art. 145^1, 3° WIB 92, wordt een belastingvermindering verleend die wordt berekend op uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald als betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening die is aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen en gewaarborgd is door een tijdelijke verzekering bij overlijden met afnemend kapitaal (schuldsaldoverzekering). Opdat de kapitaalsaflossingen recht zouden geven op belastingvermindering, heeft de Administratie der directe belastingen steeds voorgehouden dat zowel het leningcontract als het erop betrekking hebbende verzekeringscontract bij Belgische instellingen of bij Belgische vestigingen van buitenlandse instellingen moeten zijn gesloten (Com.IB 92, 145^5/30).
De W 17.11.1998 tot wijziging van artikel 145^1 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, betreffende de belastingvermindering voor afbetalingen van hypotheekleningen (BS 16.1.1999, erratum in BS 10.2.1999), heeft die bepaling aangepast om ze in overeenstemming te brengen met het beginsel van vrij verkeer van diensten en kapitaal binnen de Europese Unie.
Daardoor is het voortaan mogelijk om een leningcontract af te sluiten bij om het even welke instelling die binnen de Europese Unie gevestigd is. Het verzekeringscontract( daarentegen moet, naar analogie van de regels betreffende de individuele levensverzekering, nog steeds definitief in België gesloten zijn.
Inwerkingtreding : met ingang van het aj. 1999 en dit zowel voor de nieuw afgesloten contracten als voor bestaande contracten die zijn afgesloten met een instelling die binnen de Europese Unie is gevestigd.
(art. 2 en 3, W 17.11.1998 - art. 145^1, 3°, WIB 92).
XI. ONVOORWAARDELIJKE ONDERWORPENHEID AAN DE RECHTSPERSONENBELASTING
35. Aan de lijst van vennootschappen die niet onderworpen zijn aan de Ven.B werden de volgende wijzigingen aangebracht.
36. Het gemeentelijk havenbedrijf Antwerpen en het gemeentebedrijf haven Oostende welke respectievelijk vanaf 24.6.1996 en 30.8.1996 autonome rechtspersonen zijn geworden, werden toegevoegd aan de lijst van verenigingen opgericht tot de exploitatie van de havens.
Inwerkingtreding: vanaf het aj. 1998.
(art. 2 en 3, W 6.7.1997 - art. 180, 2°, WIB 92).
37. De "Naamloze Vennootschap Zeekanaal en Watergebonden Grondbeheer Vlaanderen" ontstaan uit de ontbinding-splitsing van de Naamloze Vennootschap Zeekanaal en Haveninrichtingen van Brussel vervangt, wat het Vlaams Gewest betreft, deze laatste in dezelfde lijst van verenigingen opgericht tot de exploitatie van de havens.
Inwerkingtreding: vanaf het aj. 1996.
(art. 17 en 80, § 15, W 22.12.1998 - art. 180, 2°, WIB 92).
38. De vennootschap van publiek recht met sociaal oogmerk Belgische Technische Coöperatie, ontstaan uit de reorganisatie van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking en meer in het bijzonder van het Algemeen Bestuur van de Ontwikkelingssamenwerking (A.B.O.S.), vervolledigt de lijst van vennootschappen die onvoorwaardelijk zijn uitgesloten van de Ven.B. Deze vennootschap, die als een openbare instelling wordt aangemerkt, is belast met de uitvoering van het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking, zoals bepaald door het regeringslid bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking, en van ontwikkelingsopdrachten in partnerlanden, krachtens de overeenkomsten gesloten met een rechtspersoon van Belgisch, buitenlands of internationaal publiek recht.
Inwerkingtreding: 10.2.1999.
(art. 32, § 1 en 41, § 1, W 21.12.1998 - KB 10.2.1999 tot uitvoering van art. 3, W21.12.1998 tot oprichting van de "Belgische Technische Coöperatie" in de vorm van een vennootschap van publiek recht - art. 180, 11°, WIB 92).
XII. VRIJSTELLING VAN DE WINST DIE IN HET VERMOGEN VAN SOMMIGE INSCHAKELINGSBEDRIJVEN WORDT GEHOUDEN
39. De gereserveerde winsten van inschakelingsbedrijven kunnen vrijstelling genieten van Ven.B, op voorwaarde dat de onaantastbaarheidsvoorwaarde als vermeld in art. 190, WIB 92 wordt nageleefd, voor het of de belastbare tijdperken die zijn afgesloten in de loop van het tijdperk waarvoor deze bedrijven erkend zijn door de minister van Tewerkstelling en Arbeid om te kunnen genieten van de vrijstellingen van werkgeversbijdragen inzake sociale zekerheid.
De bedoelde bedrijven moeten door de overheid van het Gewest of de Gemeenschap erkend en gesubsidieerd zijn als inschakelingsbedrijven en hebben als sociaal doel de socio-professionele inschakeling te bewerkstelligen van bijzonder moeilijk te plaatsen werkzoekenden via een activiteit van productie van goederen of diensten.
De inschakelingsbedrijven die erkend zijn voor het jaar 1998 hebben het voorwerp uitgemaakt van het MB 25.2.1998 (BS 5.3.1998) en de inschakelingsbedrijven erkend vanaf 1.1.1999 hebben het voorwerp uitgemaakt van het MB. 3.5.1999 (BS 9.6.1999).
Inwerkingtreding: vanaf het aj. 1999.
(art. 67, W 26.3.1999).
XIII. TARIEF VAN DE VENNOOTSCHAPSBELASTING
Begrip deelneming
40. In art. 215, 3e lid, 1°, WIB 92, werd het woord "deelnemingen" telkens vervangen door het woord "aandelen" teneinde elke twijfel weg te nemen die ingevolge het arrest van het Hof van beroep te Antwerpen van 12,6.1995 is ontstaan.
Het Hof van beroep te Antwerpen heeft geoordeeld dat om het begrip "deelneming" te beoordelen, het aangewezen was te verwijzen naar het boekhoudrecht. Wat betreft het boekhoudrecht heeft het begrip deelneming alleen betrekking op de aandelen die aan te merken zijn als financiële vaste activa en niet die welke onder de rubriek "Geldbeleggingen" voorkomen.
Voor de toepassing van voormeld art. 215, 3e lid, 1°, moet echter geen enkel onderscheid worden gemaakt tussen de aandelen die op het boekhoudkundige vlak onder de rubriek "Financiële vaste activa" zijn opgenomen en deze die onder de rubriek "Geldbeleggingen" voorkomen.
Derhalve werden, opdat in het kader van art. 215, WIB 92 de aandelen opgenomen onder de rubriek "Geldbeleggingen" eveneens in aanmerking zouden worden genomen, de begrippen "deelnemingen" en "actieve en vaste deelnemingen" vervangen door deze van "aandelen".
Inwerkingtreding : vanaf het aj. 1999. Elke wijziging die vanaf 1.7.1997 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van art. 31, 1°, W 22.12.1998.
(art. 31, 1° en 80, § 12, W 22.12.1998 - art. 215, 3e lid, 1°, WIB 92).
De regel van één miljoen
41. De regel van één miljoen werd opnieuw geformuleerd om deze af te stemmen op het arrest nr 44/94 van het Arbitragehof van 1.6.1994, die deze gedeeltelijk heeft vernietigd in geval van toepassing bij vennootschappen die een belastbaar inkomen hebben van minder dan 1.000.000 BEF.
Art. 215, 4e lid, WIB 92, ingevoegd vanaf het aj. 1994 door art. 10, W 28.12.1992, werd ingetrokken en art. 215, 3e lid, 4°, WIB 92 bepaalt voortaan dat zijn uitgesloten van de verminderde basistarieven, de vennootschappen, andere dan de door de Nationale Raad van de Coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen, die ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk niet aan ten minste één van hun bedrijfsleiders een bezoldiging hebben toegekend die gelijk is aan of hoger is dan het belastbare inkomen van de vennootschap wanneer die bezoldiging minder bedraagt dan 1.000.000 BEF.
Inwerkingtreding: vanaf het aj. 1994. Elke wijziging die vanaf 4.8.1992 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van art. 31, 2°, W 22.12.1998.
(art. 31, 2° en 3° en 80, § 13, W 22.12.1998 - art. 215, 3e lid, 4° en 4e lid, WIB 92).
XIV. VENNOOTSCHAPPEN VOOR HUISVESTING
42. De vennootschappen voor huisvesting opgesomd in de lijst van instellingen als vermeld in art. 56, WIB 92 ten aanzien van dewelke de beperking van de aftrek van interesten van beroepsmatige leningen niet van toepassing is, werden geschrapt van deze lijst. De wetgever heeft geacht dat de beperking van de aftrek van deze interest betreffende vennootschappen voor huisvesting overbodig was, aangezien de tarieven die door deze vennootschappen worden toegepast, gevoelig lager zijn dan de tarieven op de markt.
Overigens werd, aangezien deze vennootschappen nog steeds een belastingheffing aan het tarief van 5 pct in de Ven. B kunnen genieten, de opsomming van de vennootschappen voor huisvesting als vermeld in art. 56, § 2, 2°, j, WIB 92 overgebracht naar art. 216, 2°, b, WIB 92.
Inwerkingtreding: vanaf het aj. 1998.
(art. 10, 5°, 21, 2°, 32 en 80, § 7, W 22.12.1998 - art. 56, § 2, 2°, j, 191 en 216, 2°, b, WIB 92).
43. Daarenboven werd, in navolging van wat werd gedaan door de artikelen 10, 2° en 29, W 6.7.1994, de terminologie van art. 191, WIB 92 gelijkvormig gemaakt door de woorden "vennootschappen voor huisvestingskrediet" te vervangen door de woorden "vennootschappen voor huisvesting".
Inwerkingtreding: vanaf het aj. 1992.
(art. 21, 1°, en 80, § 1, W 22.12.1998 - art. 191, WIB 92).
XV. VERMINDERD BASISTARIEF VAN DE BELASTING VAN NIET-INWONERS (VENNOOTSCHAPPEN)
44. Vanaf het aj. 1996 is het verminderd basistarief van de Ven.B eveneens van toepassing in de BNI/ven. Het nieuwe art. 246, le lid, 1°, WIB 92 verduidelijkt de toepassingsmodaliteiten van deze bepaling.
Voor de toepassing van de voorwaarde als vermeld in art. 215, 2e lid, WIB 92 (belastbaar inkomen van niet meer dan 13.000.000 BEF) en voor deze van de regel van één miljoen als beoogd in art. 215, 3e lid, 4°, WIB 92, moet de beoordeling gebeuren door uitsluitend rekening te houden met de winst als vermeld in art. 233, 1e lid, WIB 92, d.w.z. de winst opgebracht door bemiddeling van Belgische inrichtingen alsmede bepaalde te globaliseren winst opgebracht zonder bemiddeling van zulke inrichtingen.
Wat de andere voorwaarden aangaande de toekenning van het verminderde basistarief betreft, d.w.z. die welke voorkomen in art. 215, 3e lid, 1°, 2°, 3° en 5°, WIB 92, moet de beoordeling gebeuren gelet op de buitenlandse vennootschap in haar geheel beschouwd.
Inwerkingtreding: aj. 1996. Deze bepaling is eveneens van toepassing op de belastingen betreffende de vorige aanslagjaren waartegen hetzij een bezwaar is ingediend in de vormen en binnen de termijnen vermeld in art. 371, WIB 92, hetzij een voorziening in beroep of in Cassatie is ingesteld, waarover op 10.4.1996 nog geen uitspraak werd gedaan.
(art. 38 en 80, § 22, W 22.12.1998 - art. 246, 1e lid, 1°, WIB 92).
XVI. BEDRIJFSVOORHEFFING
45. Art. 270, 1°, WIB 92, ingevoegd door art. 1, KB 12.12.1996, bevatte meerdere gebreken die zeer nadelig waren voor de Schatkist. Zo was de inhouding van de BV bijvoorbeeld inzonderheid niet verplicht op:
- de pensioenen gestort in het buitenland door Belgische organismen of door de Staat;
- de bezoldigingen gestort in het buitenland aan niet-inwoners tewerkgesteld in België door Belgische werkgevers of buitenlandse ondernemingen die werken via Belgische inrichtingen.
Art. 270, 1°, WIB 92 werd derhalve herwerkt teneinde de inhouding van de BV te verzekeren in het grootst mogelijk aantal gevallen waarin dit redelijkerwijs mogelijk blijkt. De in art. 270, 1°, WIB 92 beoogde schuldenaars van de BV zijn derhalve:
1° alle natuurlijke personen of rechtspersonen die inwoner zijn van België
(d.w.z. de in de artikelen 3, 179 of 220, WIB 92 vermelde
belastingplichtigen) die als schuldenaar, bewaarder, mandataris of
tussenpersoon in België of in het buitenland bezoldigingen, pensioenen,
renten en toelagen betalen of toekennen;
2° alle niet-inwoners (vermeld in art. 227, WIB 92) die in België of in het
buitenland bezoldigingen, pensioenen renten en toelagen betalen
toekennen die in hun hoefde beroepskosten zijn die aftrekbaar zijn
van hun in België belastbare inkomsten (in de zin van art. 237, WIB 92).
Inwerkingtreding: van toepassing op de vanaf 1.2.1999 betaalde of toegekende inkomsten.
(art. 43 en 80, § 26, W 22.12.1998 - art. 270, 1°, WIB 92).
XVII. NALATIGHEIDSINTEREST EN MORATORIUMINTEREST
46. Bij wanbetaling binnen de in de art. 412 en 413, WIB 92 gestelde termijnen, was in de vorige versie van art. 414, WIB 92 voorzien dat een NI verschuldigd was van 0,8 % per kalendermaand en dat de Koning dat tarief kon aanpassen wanneer zulks verantwoord was op grond van de op geldmarkt toegepaste rentevoeten.
Voortaan zal de verschuldigde NI, per kalendermaand, berekend worden tegen de wettelijke rentevoet. De delegatie aan de Koning om de rentevoet aan te passen, wordt opgeheven.
Naar analogie met de wijziging inzake de NI, wordt voortaan ook de door de Staat verschuldigde MI, per kalendermaand, berekend tegen de wettelijke rentevoet.
Inwerkingtreding: vanaf 1.1.1999.
(art. 47, 48 en 80, § 30, W 22.12.1998 - art. 414 en 418, WIB 92).
XVIII. OVERDRACHT VAN EEN "HANDELSZAAK"
47. Het art. 50, W 22.12.1998 wijzigt de bepalingen van art. 442bi, WIB 92, ten einde te verhelpen aan bepaalde onvolmaaktheden van het systeem dat thans van toepassing is.
Toepassingsgebied
48. De verwijzing naar de bepalingen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is weggelaten.
Het toepassingsgebied van de maatregel is opnieuw gedefinieerd door verwijzing naar het begrip "een geheel van goederen, samengesteld uit onder meer elementen die het behoud van de clientèle mogelijk maken, die voor de uitoefening van een vrij beroep, ambt of post of een industrieel, handels- of landbouwbedrijf worden aangewend".
Worden beoogd, alle overdrachten onder de levenden, ten bezwarende titel of gratis, welke ook de rechtsvorm weze (verkoop, gift, inbreng in vennootschap), met uitzondering van de verdeling.
De overdracht kan slaan op de volle eigendom of op het vruchtgebruik van de overgedragen goederen. Ook de vestiging van een vruchtgebruik op die goederen is eveneens beoogd.
Tegenstelbaarheid van de overeenkomst
49. De verplichting tot registratie is vervangen door een meldingsplicht aan de bevoegde ontv. van de Adm. DB.
De tegenstelbaarheid van de overdracht is afhankelijk van de voorwaarde dat de geschreven overeenkomst hem ter kennis is gebracht.
Na verloop van de maand die volgt op de kennisgeving, erkent de ontv. de eigendomsoverdracht van de activa (evenals de overdracht of de vestiging van een vruchtgebruik).
Niet-beoogde verrichtingen
50. Worden uitdrukkelijk uit de toepassing van de maatregel uitgesloten:
- de overdrachten verwezenlijkt door tussenkomst van een curator of van een commissaris inzake opschorting;
- de fusie- en splitsingsverrichtingen, gereglementeerd door de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen;
- de inbreng van een algemeenheid van goederen of van een tak van werkzaamheid verricht in het kader van het optiestelsel ingesteld door de W 13.4.1994 tot wijziging van vermelde gecoördineerde wetten.
51. inwerkingtreding: vanaf 1.4.1999.
(art, 50 en 80, § 31, W 22.12.1998 - art. 442bi, WIB 92).
XIX. BIJZONDERE INVORDERINGSREGELS
52. De ontvangsten die de Adm. DB voor rekening van de provincies, de gemeenten en de agglomeraties van gemeenten int, worden aan die overheden uitbetaald ten laste van orderekeningen van de Thesaurie. Krachtens art. 144, KB 17.7.1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, mogen de uitgaven op deze rekeningen de daarop ingeschreven ontvangsten, niet overschrijden.
De ontheffingen die de Gew.dir. van de Adm. DB verlenen en die worden uitbetaald op het einde van de tweede maand die volgt op de maand waarin de ontheffingen worden verleend, vormen uitgaven voor orde en ze moeten verrekend worden met de ontvangsten die voor rekening van de bedoelde overheden worden verwezenlijkt. In sommige maanden kan het evenwel gebeuren dat de ontheffingen, voor de een of andere belastingsoort of voor de een of andere betrokken overheid, groter zijn dan de overeenkomstige ontvangsten die geïnd werden tijdens de maand waarin de ontheffingen worden verrekend.
Dat excedent is voor de Adm. DB een schuldvordering die moet worden teruggevorderd van de betrokken provincie, gemeente of agglomeratie van gemeenten.
De schuldvordering zal evenwel slechts ambtshalve worden ingehouden op de ontvangsten van de maand die volgt op die van de verrekening van de ontheffingen.
Het invorderingsuitstel van 1 maand wordt gefinancierd door de administratie van de Thesaurie.
Art. 470bis, WIB 92 machtigt de administratie van de Thesaurie om over te gaan tot de voorfinanciering van het tekort, omdat zulks in feite een afwijking is van het vermelde art. 144, KB 17.7.1991.
De Adm. DB moet aan de betrokken overheid het bedrag meedelen dat zal worden teruggevorderd op de toegekende tegoeden van de volgende maand. Indien ook het bedrag van de voor de volgende maand toe te kennen ontvangsten ontoereikend is, zal de schuldvordering worden aangezuiverd door een ambtshalve debitering van de financiële rekening waarop de voor rekening van de betrokken overheid geïnde ontvangsten worden gestort.
De wijze en het tijdstip waarop de Adm. DB de betrokken overheid en, in voorkomend geval, de kredietinstelling op de hoogte moet brengen, worden door de Koning vastgelegd (KB 10.3.1999, BS 17.4.1999).
Dit nieuwe artikel is ook van toepassing inzake de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. In art. 2, WGB wordt voortaan immers ook verwezen naar art. 470bis, WIB 92.
Inwerkingtreding: op de toekenningen die gebeuren vanaf 1.2.1999.
(art. 52, 55, 80, § 27, W 22.12.1998 - art. 470bis, WIB 92 en art. 2, WGB).
