Circulaire nr. AFZ/99-0126 dd. 20.05.1999
Bull. nr. 794, pag. 1796
REGISTRATIE ALS AANNEMER
Administratieve boete.
Hoofdelijke aansprakelijkheid.
Registratiecommissie.
Registratievoorwaarde.
Schrapping van de registratie.
Werkingssfeer.
SOCIALE ZEKERHEID
Maatregel tegen koppelbazen.
Eerste commentaar op :
Aan al de ambtenaren.
Hierna volgt een eerste commentaar op de bepalingen van het KB 26.12.1998 houdende maatregelen met het oog op de aanpassing van de hoofdelijke aansprakelijkheidsregeling voor de sociale en fiscale schulden met toepassing van artikel 43 van de wet van 26 juli 1996 houdende de modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (BS 31.12.1998, Ed. 2; verder KB/wet) en het KB 26.12.1998 tot uitvoering van de artikelen 400, 401, 403, 404 en 406 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (BS 31.12.1998, Ed. 2; verder KB/uitvoering).
I. INLEIDING
1. De W 4.8.1978 tot economische heroriëntering (Bull. 566, blz. 1591 - art. 400 tot 404, WIB 92) en de Programmawet 6.7.1989 (Bull. 686, blz. 1704 - art. 405 tot 408, WIB 92) bevatten bepalingen ter bestrijding van de bedrieglijke praktijken van de koppelbazen. Die bepalingen behelsden zowel maatregelen inzake inkomstenbelastingen als inzake sociale zekerheidsbijdragen.
Voor een deel van die bepalingen (art. 405 tot 408, WIB 92) dienden werkgevers uit welbepaalde sectoren of deelsectoren ervoor te zorgen dat alle werknemers die op hun werven aanwezig waren, in het bezit waren van een individuele fiche, later sociale identiteitskaart genoemd. Indien dit het geval was en indien bovendien alle onderaannemers die voor de uitvoering van de werken tussenkomen, geregistreerd waren, genoot de hoofdaannemer vrijstelling van inhoudingsplicht bij betaling aan zijn geregistreerde onderaannemer (zie Com.IB 92, 406/12 tot 15). Die kaart is met ingang van 1 januari 1999 afgeschaft omdat ze in te grote mate dubbel gebruik zou uitmaken met de sociale zekerheidskaart (SIS-kaart - zie KB 18.12.1996, V 2495, Bull. 770).
Derhalve moesten nieuwe controlemaatregelen worden uitgewerkt om de strijd tegen de koppelbazen onverminderd te kunnen laten voortgaan. Tevens werd van de gelegenheid gebruik gemaakt om de bestaande wetgeving in zijn geheel te herwerken.
2. De nieuwe maatregelen zijn opgenomen in het KB/wet en treden op 1.1.1999 in werking. Zij vervangen de bepalingen van de art. 400 tot 408, WIB 92 door nieuwe bepalingen.
3. Tezelfdertijd zijn de uitvoeringsmaatregelen in overeenstemming gebracht met de gewijzigde wettelijke bepalingen. Die uitvoeringsmaatregelen zijn nu opgenomen in het KB/uitvoering dat eveneens op 1.1.1999 in werking treedt. Inzonderheid vervangt het KB/uitvoering de art. 207 tot 210 KB/WIB 92 door nieuwe bepalingen en worden het KB 5.10.1978 tot uitvoering van de artikelen 400 tot 404 en van artikel 408, § 2, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en van de artikelen 30bis en 30ter, § 9, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (KB 5.10.1978) en alle overige bestaande uitvoeringsbepalingen in beginsel opgeheven.
4. Evenwel moet rekening worden gehouden met het feit dat in bepaalde omstandigheden de vervangen of opgeheven bepalingen nog geldig blijven. Om die reden wordt in de bijlage een overzichtstabel gegeven van zowel de vroegere bepalingen als de nieuwe.
II. DEFINITIES
5. Art. 400, WIB 92 legt de definitie van een aantal begrippen vast werken - opdrachtgever - aannemer - onderaannemer - iemand die niet als aannemer is geregistreerd.
Inzonderheid wat het laatste begrip betreft, wordt gewezen op het feit dat tot 31.12.1998 de aannemer of onderaannemer die werken uitvoert die behoren tot categorieën waarvoor hij niet is geregistreerd, werd gelijkgesteld met iemand die niet als aannemer is geregistreerd (zie Com.IB 92, 400/28 wat die gelijkstelling betreft).
Aangezien vanaf 1. 1.1999 enkel nog categorieën worden toegekend met het oog op de controle van de te vervullen voorwaarden met betrekking tot de registratie als aannemer (zie art. 3 en 8, 9°, KB/uitvoering), vervalt die gelijkstelling.
(art. 4, KB/wet - art. 400, WIB 92).
III. DE REGISTRATIE ALS AANNEMER
A. Wettelijke bepalingen
6. De wettelijke bepalingen bevatten, benevens de voorheen reeds opgenomen regels (inzake de registratie als aannemer en de schrapping ervan, inzake de oprichting van de registratiecommissies en inzake de publicatie in het Belgisch Staatsblad), enkele bijkomende regels :
(art. 5, KB/wet - art. 401, WIB 92).
B. Uitvoeringsbepalingen
7. Wat de registratie als aannemer betreft, wordt de aandacht gevestigd op de volgende belangrijke wijzigingen in het KB/uitvoering ten opzichte van het vorige uitvoeringsbesluit (KB 5.10.1978) :
= de wijze waarop die stuurgroep zijn opdracht moet vervullen, toelichten; = de samenstelling van de stuurgroep vastleggen; = de bekendmaking van de adviezen van die stuurgroep regelen.
(art. 2, 8 tot 11 en 13 tot 19, KB/uitvoering).
IV. DE HOOFDELIJKE AANSPRAKELIJKHEID
A. Ten name van de opdrachtgever
8. Wat de opdrachtgever betreft, blijft de hoofdelijke aansprakelijkheid, zoals voorheen, beperkt tot de belastingschulden van de niet geregistreerde medecontractant waarop hij een beroep heeft gedaan voor de uitvoering van de in art. 1, § 1, KB/uitvoering vermelde werken. Die hoofdelijke aansprakelijkheid beloopt nog steeds 35 % van de totale prijs van de werken toevertrouwd aan de niet geregistreerde aannemer, exclusief belasting over de toegevoegde waarde. De bepaling inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid bevat bovendien een opsomming van de belastingschulden waarvoor die aansprakelijkheid kan worden aangewend.
(art. 6, partim, KB/wet - art. 402, § 1 en § 5, WIB 92; art. 1, § 1, KB/uitvoering).
B. Tussen aannemers onderling
9. Tussen aannemers onderling kan de hoofdelijke aansprakelijkheid op twee manieren ontstaan :
a) een aannemer die, voor de in art. 1, § 1, KB/uitvoering vermelde
werken een beroep doet op een onderaannemer die niet geregistreerd
is op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst, is hoofdelijk
aansprakelijk voor de betaling van de belastingschulden van zijn
medecontractant ten belope van 35 % van de totale prijs van de
werken toevertrouwd aan de niet geregistreerde onderaannemer,
exclusief belasting over de toegevoegde waarde;
b) wanneer voor de uitvoering van in art. 1, § 2, KB/uitvoering vermelde
werken een beroep is gedaan op een of meerdere onderaannemers
die niet geregistreerd zijn op het ogenblik van het afsluiten van de hen
betreffende overeenkomst, is elke aannemer, hoofdelijk aansprakelijk
voor de betaling van de belastingschulden van elke niet geregistreerde
onderaannemer die tussenkomt in de uitvoering van de werken die
aan die aannemer zijn toevertrouwd.
De in 8 bedoelde opsomming van de belastingschulden waarvoor de aansprakelijkheid kan worden aangewend, is van overeenkomstige toepassing op de beide vormen van hoofdelijke aansprakelijkheid.
10. Het eerste geval komt volledig overeen met dat van de opdrachtgever.
Wat het tweede geval betreft, verduidelijkt de wet op welke manier die bijkomende aansprakelijkheid wordt uitgevoerd. Wanneer meerdere onderaannemers tussenkomen in de uitvoering van werken die aan een aannemer zijn toevertrouwd, en een van die onderaannemers is niet geregistreerd, dan wordt de hoofdelijke aansprakelijkheid eerst toegepast in hoofde van de aannemer die een beroep heeft gedaan op de niet geregistreerde onderaannemer. Vervolgens wordt ze in chronologische volgorde toegepast ten opzichte van de in een voorafgaand stadium tussenkomende aannemers. Dit laatste gebeurt slechts wanneer de aannemer die een beroep heeft gedaan op de niet geregistreerde onderaannemer, heeft nagelaten binnen 30 dagen na de betekening van een dwangbevel de schulden te vereffenen.
11. De toepassing in chronologische volgorde ten opzichte van de in een voorafgaand stadium tussenkomende aannemers waarvan sprake is, betekent in feite dat, na het aanspreken van de aannemer (A) (= degene die een beroep heeft gedaan op de niet geregistreerde onderaannemer) tot betaling van de belastingschulden van die onderaannemer, eerst de aannemer (B) wordt aangesproken die zelf een beroep heeft gedaan op de aannemer (A), vervolgens de aannemer (C) die een beroep heeft gedaan op aannemer (B), enzovoort.
12. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de in 9, 1e lid, b) vermelde aansprakelijkheid momenteel enkel van toepassing is wanneer een beroep wordt gedaan op onderaannemers voor de uitvoering van werken die onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het bouwbedrijf vallen. Een overzicht van die bedoelde werken is toegevoegd als bijlage 2.
(art. 6, partim, KB/wet - art. 402, §§ 2 tot 5, WIB 92; art. 1, KB/uitvoering).
C. Tijdelijke verenigingen en verenigingen in deel
13. De nieuwe bepalingen leggen bovendien inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid twee beginselen vast die specifiek betrekking hebben op tijdelijke verenigingen en verenigingen in deelneming :
(art. 6, partim, en art. 9, partim, KB/wet - art. 402, § 6 en art. 405, WIB 92).
V. DE INHOUDINGSPLICHT
A. De opdrachtgever
14. De opdrachtgever die een niet geregistreerde aannemer een deel of het geheel van de prijs betaalt, is verplicht bij die betaling 15 % van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten bij de door de Koning aan te wijzen ambtenaar ( = de ontvanger van het Ontvangkantoor "Brussel 3 en Bijzondere ontvangsten", Paleizenstraat 48, 1210 Brussel) volgens de door Hem te bepalen modaliteiten. Die modaliteiten zijn :
In voorkomend geval worden de aldus gestorte bedragen in mindering gebracht van het bedrag waarvoor de opdrachtgever bij toepassing van art. 402, WIB 92 aansprakelijk wordt gesteld.
(art. 7, partim, KB/wet - art. 403, §§ 1 en 3, WIB 92; art. 21, KB/uitvoering - art. 207, KB/WIB 92).
B. Aannemers onderling
15. De aannemer die een onderaannemer (ongeacht of die al dan niet geregistreerd is) een deel of het geheel van de prijs betaalt, is verplicht bij die betaling 15 % van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten bij de in nr 14 vermelde ambtenaar volgens de in hetzelfde nummer vermelde modaliteiten.
De aannemer is evenwel vrijgesteld van de verplichting tot inhouding en storting als vermeld in het eerste lid, indien de onderaannemer op het ogenblik van de betaling :
In voorkomend geval worden de aldus gestorte bedragen in mindering gebracht van het bedrag waarvoor de aannemer bij toepassing van art. 402, WIB 92 aansprakelijk wordt gesteld.
16. De bijzondere aandacht wordt gevestigd op de overgangsbepaling die in art. 13, KB/wet is opgenomen. Ingevolge die overgangsbepaling treedt art. 403, § 2, WIB 92 voor zover de werken niet onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het bouwbedrijf vallen, slechts in werking op een door de Koning te bepalen datum. Tot die datum blijven de bepalingen van art. 402, WIB 92, zoals die tot 31.12.1998 geldig waren, van kracht.
Concreet betekent dit dat een aannemer die door een onderaannemer werken laat uitvoeren die niet onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het bouwbedrijf vallen, bij iedere betaling aan die onderaannemer enkel gehouden is tot inhouding van 15 % van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, indien de onderaannemer niet geregistreerd is op het ogenblik van de betaling.
(art. 7, partim, en 13, KB/wet - art. 403, §§ 2 en 3, WIB 92; art. 21, 22 en 27, KB/uitvoering - art. 207 en 208, KB/WIB 92).
C. Tijdelijke verenigingen en verenigingen in deelneming
17. De nieuwe bepalingen leggen ook inzake de inhoudingsplicht een bijkomende regel vast die specifiek betrekking heeft op tijdelijke verenigingen en verenigingen in deelneming, namelijk dat de vennoten van een tijdelijke vereniging of een vereniging in deelneming onderling hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van de sommen die in uitvoering van artikel 403, WIB 92 door de tijdelijke vereniging of de vereniging in deelneming verschuldigd zijn.
(art. 9, partim, KB/wet - art. 405, WIB 92).
D. Aanwending of teruggaaf van de gestorte bedragen
18. Wat de aanwending van de gestorte bedragen betreft, wordt een duidelijke volgorde vastgelegd :
De teruggaaf geschiedt nog steeds op schriftelijke aanvraag van de aannemer op wiens schuldvordering het gestorte bedrag werd ingehouden. Daartoe moet een speciaal daartoe ontworpen formulier worden gebruikt waarop een aantal noodzakelijke vermeldingen moeten worden ingevuld. De teruggaaf geschiedt ten spoedigste en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van de regelmatig ingediende aanvraag, ongeacht of de rechthebbende een Belgische onderneming of een buitenlandse onderneming is.
(art. 10, KB/wet - art. 406, WIB 92; art. 23, KB/uitvoering art. 209, KB/WIB 92).
VI. SANCTIES
A. Aard van de sancties
19. Wanneer de opdrachtgever de wettelijk opgelegde storting niet heeft verricht, wordt het verschuldigde bedrag verdubbeld en binnen de in artikel 354 bedoelde termijn als administratieve boete ten name van de opdrachtgever ingekohierd.
Wanneer de aannemer de wettelijk opgelegde storting niet heeft verricht en wanneer de onderaannemer op het ogenblik van het afsluiten v an de overeenkomst niet geregistreerd was, wordt het verschuldigde bedrag eveneens verdubbeld en binnen de in artikel 354 bedoelde termijn als administratieve boete ten name van de aannemer ingekohierd.
Evenwel is de sanctie de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de belastingschulden van de onderaannemer binnen de grenzen en voor de schulden vermeld in art. 402, § 5, WIB 92, wanneer de aannemer de wettelijk opgelegde storting niet heeft verricht en wanneer de onderaannemer op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst wel geregistreerd was. Ook hier geldt de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de belastingschulden van de vennoten van een tijdelijke vereniging of van een vereniging in deelneming die optreedt als onderaannemer.
(art. 8, partim, KB/wet - art. 404, § 1, 1 e en 2e lid en § 2, WIB 92).
B. Vermindering van de administratieve boete
20. Wanneer de sanctie een administratieve boete is, wordt voorzien in een mogelijkheid tot vermindering ervan.
De vermindering wordt verleend voor ten hoogste drie overtredingen en op voorwaarde dat de opgelegde storting op verzoek van de administratie en binnen de door haar opgelegde termijn alsnog wordt verricht en wanneer het bewijs van de storting wordt voorgelegd. De boete wordt dan verminderd tot :
(art. 8, partim, KB/wet - art. 404, § 1, 3e lid; art. 28, KB/uitvoering - art. 210, KB/WIB 92).
VII. UITZONDERING
21. De nieuwe bepalingen kennen maar één uitzondering meer : de opdrachtgever-natuurlijke persoon die voor louter privé-doeleinden werken laat uitvoeren. Dit houdt in dat :
(art. 11, KB/wet - art. 407, WIB 92).
VIII. SAMENLOOP MET ANDERE SCHULDEISERS
22. De bepalingen inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid en de verplichting tot inhouding en storting blijven hun volle uitwerking behouden in geval van faillissement of elke andere samenloop van schuldeisers alsook bij cessie, beslag onder derden, inpandgeving, inbetalinggeving of in artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtstreekse vordering.
(art. 12, KB/wet - art. 408, WIB 92).
IX. KB/UITVOERING - OVERGANGSBEPALINGEN
23. De aandacht wordt nog gevestigd op twee overgangsbepalingen in het KB/uitvoering :
(art. 33 en 34, KB/uitvoering).
REGISTRATIE ALS AANNEMER
Administratieve boete.
Hoofdelijke aansprakelijkheid.
Registratiecommissie.
Registratievoorwaarde.
Schrapping van de registratie.
Werkingssfeer.
SOCIALE ZEKERHEID
Maatregel tegen koppelbazen.
Eerste commentaar op :
- het KB 26.12.1998 houdende maatregelen met het oog op de aanpassing van de hoofdelijke aansprakelijkheidsregeling voor de sociale en fiscale schulden met toepassing van artikel 43 van de wet van 26 juli 1996 houdende de modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;
- het KB 26.12.1998 tot uitvoering van de artikelen 400, 401, 403, 404 en 406 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Aan al de ambtenaren.
Hierna volgt een eerste commentaar op de bepalingen van het KB 26.12.1998 houdende maatregelen met het oog op de aanpassing van de hoofdelijke aansprakelijkheidsregeling voor de sociale en fiscale schulden met toepassing van artikel 43 van de wet van 26 juli 1996 houdende de modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (BS 31.12.1998, Ed. 2; verder KB/wet) en het KB 26.12.1998 tot uitvoering van de artikelen 400, 401, 403, 404 en 406 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (BS 31.12.1998, Ed. 2; verder KB/uitvoering).
I. INLEIDING
1. De W 4.8.1978 tot economische heroriëntering (Bull. 566, blz. 1591 - art. 400 tot 404, WIB 92) en de Programmawet 6.7.1989 (Bull. 686, blz. 1704 - art. 405 tot 408, WIB 92) bevatten bepalingen ter bestrijding van de bedrieglijke praktijken van de koppelbazen. Die bepalingen behelsden zowel maatregelen inzake inkomstenbelastingen als inzake sociale zekerheidsbijdragen.
Voor een deel van die bepalingen (art. 405 tot 408, WIB 92) dienden werkgevers uit welbepaalde sectoren of deelsectoren ervoor te zorgen dat alle werknemers die op hun werven aanwezig waren, in het bezit waren van een individuele fiche, later sociale identiteitskaart genoemd. Indien dit het geval was en indien bovendien alle onderaannemers die voor de uitvoering van de werken tussenkomen, geregistreerd waren, genoot de hoofdaannemer vrijstelling van inhoudingsplicht bij betaling aan zijn geregistreerde onderaannemer (zie Com.IB 92, 406/12 tot 15). Die kaart is met ingang van 1 januari 1999 afgeschaft omdat ze in te grote mate dubbel gebruik zou uitmaken met de sociale zekerheidskaart (SIS-kaart - zie KB 18.12.1996, V 2495, Bull. 770).
Derhalve moesten nieuwe controlemaatregelen worden uitgewerkt om de strijd tegen de koppelbazen onverminderd te kunnen laten voortgaan. Tevens werd van de gelegenheid gebruik gemaakt om de bestaande wetgeving in zijn geheel te herwerken.
2. De nieuwe maatregelen zijn opgenomen in het KB/wet en treden op 1.1.1999 in werking. Zij vervangen de bepalingen van de art. 400 tot 408, WIB 92 door nieuwe bepalingen.
3. Tezelfdertijd zijn de uitvoeringsmaatregelen in overeenstemming gebracht met de gewijzigde wettelijke bepalingen. Die uitvoeringsmaatregelen zijn nu opgenomen in het KB/uitvoering dat eveneens op 1.1.1999 in werking treedt. Inzonderheid vervangt het KB/uitvoering de art. 207 tot 210 KB/WIB 92 door nieuwe bepalingen en worden het KB 5.10.1978 tot uitvoering van de artikelen 400 tot 404 en van artikel 408, § 2, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en van de artikelen 30bis en 30ter, § 9, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (KB 5.10.1978) en alle overige bestaande uitvoeringsbepalingen in beginsel opgeheven.
4. Evenwel moet rekening worden gehouden met het feit dat in bepaalde omstandigheden de vervangen of opgeheven bepalingen nog geldig blijven. Om die reden wordt in de bijlage een overzichtstabel gegeven van zowel de vroegere bepalingen als de nieuwe.
II. DEFINITIES
5. Art. 400, WIB 92 legt de definitie van een aantal begrippen vast werken - opdrachtgever - aannemer - onderaannemer - iemand die niet als aannemer is geregistreerd.
Inzonderheid wat het laatste begrip betreft, wordt gewezen op het feit dat tot 31.12.1998 de aannemer of onderaannemer die werken uitvoert die behoren tot categorieën waarvoor hij niet is geregistreerd, werd gelijkgesteld met iemand die niet als aannemer is geregistreerd (zie Com.IB 92, 400/28 wat die gelijkstelling betreft).
Aangezien vanaf 1. 1.1999 enkel nog categorieën worden toegekend met het oog op de controle van de te vervullen voorwaarden met betrekking tot de registratie als aannemer (zie art. 3 en 8, 9°, KB/uitvoering), vervalt die gelijkstelling.
(art. 4, KB/wet - art. 400, WIB 92).
III. DE REGISTRATIE ALS AANNEMER
A. Wettelijke bepalingen
6. De wettelijke bepalingen bevatten, benevens de voorheen reeds opgenomen regels (inzake de registratie als aannemer en de schrapping ervan, inzake de oprichting van de registratiecommissies en inzake de publicatie in het Belgisch Staatsblad), enkele bijkomende regels :
- er wordt voorzien in een stuurgroep die als opdracht heeft de eenvormigheid van de door de commissies getroffen beslissingen te waarborgen, de goede werking van de secretariaten van de commissies te regelen en de commissies bij te staan in geval van verhaal tegen een beslissing. De commissies behouden niettemin het recht de adviezen van de stuurgroep die betrekking hebben op algemene beginselen, te toetsen aan de feitelijke omstandigheden van elk individueel dossier;
- de verhaalprocedure wordt volledig in de wet vastgelegd. Inzonderheid wordt de verhaaltermijn tegen de beslissing van de registratiecommissie van 10 op 20 dagen gebracht. Tevens worden duidelijke regels vastgelegd met betrekking tot de vraag van de betrokken aannemer om te worden gehoord door de commissie.
(art. 5, KB/wet - art. 401, WIB 92).
B. Uitvoeringsbepalingen
7. Wat de registratie als aannemer betreft, wordt de aandacht gevestigd op de volgende belangrijke wijzigingen in het KB/uitvoering ten opzichte van het vorige uitvoeringsbesluit (KB 5.10.1978) :
- de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om te kunnen worden geregistreerd, moeten vanaf 1.1.1999 vervuld zijn op het ogenblik van de beslissing van de registratiecommissie in plaats van op het ogenblik van de aanvraag;
- betreffende de bestuurders, zaakvoerders of personen die bevoegd zijn om de vennootschap te verbinden, is een nieuwe voorwaarde toegevoegd;
- de gevallen waarin de registratiecommissie kan beslissen dat de registratie als aannemer wordt of kan worden geschrapt, zijn beter omschreven of aangevuld;
- de opdracht van de registratiecommissies en hun onderzoeksmacht wordt duidelijk vastgelegd;
- de beslissingsmogelijkheden van de registratiecommissies zijn aangepast aan de gewijzigde bepalingen inzake de voorwaarden tot registratie, inzake de schrapping en inzake de onderzoeksmacht van de commissies;
- betreffende de stuurgroep zijn nieuwe bepalingen opgenomen die :
= de wijze waarop die stuurgroep zijn opdracht moet vervullen, toelichten; = de samenstelling van de stuurgroep vastleggen; = de bekendmaking van de adviezen van die stuurgroep regelen.
(art. 2, 8 tot 11 en 13 tot 19, KB/uitvoering).
IV. DE HOOFDELIJKE AANSPRAKELIJKHEID
A. Ten name van de opdrachtgever
8. Wat de opdrachtgever betreft, blijft de hoofdelijke aansprakelijkheid, zoals voorheen, beperkt tot de belastingschulden van de niet geregistreerde medecontractant waarop hij een beroep heeft gedaan voor de uitvoering van de in art. 1, § 1, KB/uitvoering vermelde werken. Die hoofdelijke aansprakelijkheid beloopt nog steeds 35 % van de totale prijs van de werken toevertrouwd aan de niet geregistreerde aannemer, exclusief belasting over de toegevoegde waarde. De bepaling inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid bevat bovendien een opsomming van de belastingschulden waarvoor die aansprakelijkheid kan worden aangewend.
(art. 6, partim, KB/wet - art. 402, § 1 en § 5, WIB 92; art. 1, § 1, KB/uitvoering).
B. Tussen aannemers onderling
9. Tussen aannemers onderling kan de hoofdelijke aansprakelijkheid op twee manieren ontstaan :
a) een aannemer die, voor de in art. 1, § 1, KB/uitvoering vermelde
werken een beroep doet op een onderaannemer die niet geregistreerd
is op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst, is hoofdelijk
aansprakelijk voor de betaling van de belastingschulden van zijn
medecontractant ten belope van 35 % van de totale prijs van de
werken toevertrouwd aan de niet geregistreerde onderaannemer,
exclusief belasting over de toegevoegde waarde;
b) wanneer voor de uitvoering van in art. 1, § 2, KB/uitvoering vermelde
werken een beroep is gedaan op een of meerdere onderaannemers
die niet geregistreerd zijn op het ogenblik van het afsluiten van de hen
betreffende overeenkomst, is elke aannemer, hoofdelijk aansprakelijk
voor de betaling van de belastingschulden van elke niet geregistreerde
onderaannemer die tussenkomt in de uitvoering van de werken die
aan die aannemer zijn toevertrouwd.
De in 8 bedoelde opsomming van de belastingschulden waarvoor de aansprakelijkheid kan worden aangewend, is van overeenkomstige toepassing op de beide vormen van hoofdelijke aansprakelijkheid.
10. Het eerste geval komt volledig overeen met dat van de opdrachtgever.
Wat het tweede geval betreft, verduidelijkt de wet op welke manier die bijkomende aansprakelijkheid wordt uitgevoerd. Wanneer meerdere onderaannemers tussenkomen in de uitvoering van werken die aan een aannemer zijn toevertrouwd, en een van die onderaannemers is niet geregistreerd, dan wordt de hoofdelijke aansprakelijkheid eerst toegepast in hoofde van de aannemer die een beroep heeft gedaan op de niet geregistreerde onderaannemer. Vervolgens wordt ze in chronologische volgorde toegepast ten opzichte van de in een voorafgaand stadium tussenkomende aannemers. Dit laatste gebeurt slechts wanneer de aannemer die een beroep heeft gedaan op de niet geregistreerde onderaannemer, heeft nagelaten binnen 30 dagen na de betekening van een dwangbevel de schulden te vereffenen.
11. De toepassing in chronologische volgorde ten opzichte van de in een voorafgaand stadium tussenkomende aannemers waarvan sprake is, betekent in feite dat, na het aanspreken van de aannemer (A) (= degene die een beroep heeft gedaan op de niet geregistreerde onderaannemer) tot betaling van de belastingschulden van die onderaannemer, eerst de aannemer (B) wordt aangesproken die zelf een beroep heeft gedaan op de aannemer (A), vervolgens de aannemer (C) die een beroep heeft gedaan op aannemer (B), enzovoort.
12. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de in 9, 1e lid, b) vermelde aansprakelijkheid momenteel enkel van toepassing is wanneer een beroep wordt gedaan op onderaannemers voor de uitvoering van werken die onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het bouwbedrijf vallen. Een overzicht van die bedoelde werken is toegevoegd als bijlage 2.
(art. 6, partim, KB/wet - art. 402, §§ 2 tot 5, WIB 92; art. 1, KB/uitvoering).
C. Tijdelijke verenigingen en verenigingen in deel
13. De nieuwe bepalingen leggen bovendien inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid twee beginselen vast die specifiek betrekking hebben op tijdelijke verenigingen en verenigingen in deelneming :
- de vennoten van een tijdelijke vereniging of een vereniging in deelneming zijn onderling hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sommen die in uitvoering van artikel 402, WIB 92 door de tijdelijke vereniging of de vereniging in deelneming verschuldigd zijn;
- de in art. 402, WIB 92 vermelde hoofdelijke aansprakelijkheid geldt ook voor de belastingschulden van de niet geregistreerde vennoten van een tijdelijke vereniging of vereniging in deelneming die optreedt als aannemer of onderaannemer.
(art. 6, partim, en art. 9, partim, KB/wet - art. 402, § 6 en art. 405, WIB 92).
V. DE INHOUDINGSPLICHT
A. De opdrachtgever
14. De opdrachtgever die een niet geregistreerde aannemer een deel of het geheel van de prijs betaalt, is verplicht bij die betaling 15 % van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten bij de door de Koning aan te wijzen ambtenaar ( = de ontvanger van het Ontvangkantoor "Brussel 3 en Bijzondere ontvangsten", Paleizenstraat 48, 1210 Brussel) volgens de door Hem te bepalen modaliteiten. Die modaliteiten zijn :
- op het stortings- of overschrijvingsbewijs moet naast de naam, het adres en het BTW-nummer van de niet geregistreerde aannemer, de vermelding "Art. 403 WIB 92", voorkomen, zomede de verwijzing naar de factuur waarop de betaling betrekking heeft;
- gelijktijdig met de vermelde storting of overschrijving, zendt degene die de storting moet verrichten, aan de ontvanger een afschrift van de facturen waarop de betaling betrekking heeft.
In voorkomend geval worden de aldus gestorte bedragen in mindering gebracht van het bedrag waarvoor de opdrachtgever bij toepassing van art. 402, WIB 92 aansprakelijk wordt gesteld.
(art. 7, partim, KB/wet - art. 403, §§ 1 en 3, WIB 92; art. 21, KB/uitvoering - art. 207, KB/WIB 92).
B. Aannemers onderling
15. De aannemer die een onderaannemer (ongeacht of die al dan niet geregistreerd is) een deel of het geheel van de prijs betaalt, is verplicht bij die betaling 15 % van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten bij de in nr 14 vermelde ambtenaar volgens de in hetzelfde nummer vermelde modaliteiten.
De aannemer is evenwel vrijgesteld van de verplichting tot inhouding en storting als vermeld in het eerste lid, indien de onderaannemer op het ogenblik van de betaling :
- als aannemer is geregistreerd;
- geen schuldenaar is bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of bij een Fonds voor bestaanszekerheid of voor de verschuldigde bedragen uitstel van betaling heeft gekregen zonder gerechtelijke procedure of bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing en de opgelegde termijnen strikt naleeft. Het KB/uitvoering bevat de definitie van de begrippen "schuldenaar bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of bij een Fonds voor bestaanszekerheid". De Rijksdienst voor sociale zekerheid stelt te dien einde een publiek toegankelijke gegevensbank in die voor de toepassing van dit lid bewijskracht heeft (website: www.rsz.fgov.be).
In voorkomend geval worden de aldus gestorte bedragen in mindering gebracht van het bedrag waarvoor de aannemer bij toepassing van art. 402, WIB 92 aansprakelijk wordt gesteld.
16. De bijzondere aandacht wordt gevestigd op de overgangsbepaling die in art. 13, KB/wet is opgenomen. Ingevolge die overgangsbepaling treedt art. 403, § 2, WIB 92 voor zover de werken niet onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het bouwbedrijf vallen, slechts in werking op een door de Koning te bepalen datum. Tot die datum blijven de bepalingen van art. 402, WIB 92, zoals die tot 31.12.1998 geldig waren, van kracht.
Concreet betekent dit dat een aannemer die door een onderaannemer werken laat uitvoeren die niet onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het bouwbedrijf vallen, bij iedere betaling aan die onderaannemer enkel gehouden is tot inhouding van 15 % van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, indien de onderaannemer niet geregistreerd is op het ogenblik van de betaling.
(art. 7, partim, en 13, KB/wet - art. 403, §§ 2 en 3, WIB 92; art. 21, 22 en 27, KB/uitvoering - art. 207 en 208, KB/WIB 92).
C. Tijdelijke verenigingen en verenigingen in deelneming
17. De nieuwe bepalingen leggen ook inzake de inhoudingsplicht een bijkomende regel vast die specifiek betrekking heeft op tijdelijke verenigingen en verenigingen in deelneming, namelijk dat de vennoten van een tijdelijke vereniging of een vereniging in deelneming onderling hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van de sommen die in uitvoering van artikel 403, WIB 92 door de tijdelijke vereniging of de vereniging in deelneming verschuldigd zijn.
(art. 9, partim, KB/wet - art. 405, WIB 92).
D. Aanwending of teruggaaf van de gestorte bedragen
18. Wat de aanwending van de gestorte bedragen betreft, wordt een duidelijke volgorde vastgelegd :
- van de aan te zuiveren schulden (eerst de in art. 402, WIB 92 vermelde schulden, vervolgens de boeten en tenslotte de BTW);
- van de hoofdsom en de bijhorigheden.
De teruggaaf geschiedt nog steeds op schriftelijke aanvraag van de aannemer op wiens schuldvordering het gestorte bedrag werd ingehouden. Daartoe moet een speciaal daartoe ontworpen formulier worden gebruikt waarop een aantal noodzakelijke vermeldingen moeten worden ingevuld. De teruggaaf geschiedt ten spoedigste en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van de regelmatig ingediende aanvraag, ongeacht of de rechthebbende een Belgische onderneming of een buitenlandse onderneming is.
(art. 10, KB/wet - art. 406, WIB 92; art. 23, KB/uitvoering art. 209, KB/WIB 92).
VI. SANCTIES
A. Aard van de sancties
19. Wanneer de opdrachtgever de wettelijk opgelegde storting niet heeft verricht, wordt het verschuldigde bedrag verdubbeld en binnen de in artikel 354 bedoelde termijn als administratieve boete ten name van de opdrachtgever ingekohierd.
Wanneer de aannemer de wettelijk opgelegde storting niet heeft verricht en wanneer de onderaannemer op het ogenblik van het afsluiten v an de overeenkomst niet geregistreerd was, wordt het verschuldigde bedrag eveneens verdubbeld en binnen de in artikel 354 bedoelde termijn als administratieve boete ten name van de aannemer ingekohierd.
Evenwel is de sanctie de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de belastingschulden van de onderaannemer binnen de grenzen en voor de schulden vermeld in art. 402, § 5, WIB 92, wanneer de aannemer de wettelijk opgelegde storting niet heeft verricht en wanneer de onderaannemer op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst wel geregistreerd was. Ook hier geldt de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de belastingschulden van de vennoten van een tijdelijke vereniging of van een vereniging in deelneming die optreedt als onderaannemer.
(art. 8, partim, KB/wet - art. 404, § 1, 1 e en 2e lid en § 2, WIB 92).
B. Vermindering van de administratieve boete
20. Wanneer de sanctie een administratieve boete is, wordt voorzien in een mogelijkheid tot vermindering ervan.
De vermindering wordt verleend voor ten hoogste drie overtredingen en op voorwaarde dat de opgelegde storting op verzoek van de administratie en binnen de door haar opgelegde termijn alsnog wordt verricht en wanneer het bewijs van de storting wordt voorgelegd. De boete wordt dan verminderd tot :
- een achtste (1/8e) voor de eerste overtreding;
- een vierde (1/4) voor de tweede overtreding;
- de helft (1/2) voor de derde overtreding.
(art. 8, partim, KB/wet - art. 404, § 1, 3e lid; art. 28, KB/uitvoering - art. 210, KB/WIB 92).
VII. UITZONDERING
21. De nieuwe bepalingen kennen maar één uitzondering meer : de opdrachtgever-natuurlijke persoon die voor louter privé-doeleinden werken laat uitvoeren. Dit houdt in dat :
- een natuurlijke persoon die werken laat uitvoeren die deels privé en deels beroepsmatig zijn (bijvoorbeeld een beoefenaar van een vrij beroep die werken laat uitvoeren aan zijn woning waarin hij ook zijn beroep uitoefent), enkel voor de werken die uitsluitend betrekking hebben op de woongedeelten, onder de uitzondering valt. Werkzaamheden die zowel op de privégedeelten als op de beroepsgedeelten betrekking hebben, vallen derhalve niet onder de uitzondering;
- de uitzondering nooit geldt in de relatie aannemer - onderaannemer.
(art. 11, KB/wet - art. 407, WIB 92).
VIII. SAMENLOOP MET ANDERE SCHULDEISERS
22. De bepalingen inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid en de verplichting tot inhouding en storting blijven hun volle uitwerking behouden in geval van faillissement of elke andere samenloop van schuldeisers alsook bij cessie, beslag onder derden, inpandgeving, inbetalinggeving of in artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtstreekse vordering.
(art. 12, KB/wet - art. 408, WIB 92).
IX. KB/UITVOERING - OVERGANGSBEPALINGEN
23. De aandacht wordt nog gevestigd op twee overgangsbepalingen in het KB/uitvoering :
- de beslissingen die zijn genomen in uitvoering van KB 5.10.1978 blijven geldig. Dit geldt zowel voor de beslissingen tot registratie als voor de beslissingen tot schrapping of tot weigering;
- tenzij de nieuwe regels voordeliger zijn voor de betrokken aannemer, worden de aanvragen tot registratie en de verzoekschriften tot schrapping waarover op de datum van inwerkingtreding van het KB/uitvoering (= 1.1.1999) nog geen definitieve beslissing is getroffen, verder behandeld volgens de regels die zijn opgenomen in het KB 5.10.1978.
(art. 33 en 34, KB/uitvoering).
NAMENS DE MINISTER
De Adjunct-administrateur-generaal van de belastingen,
J.-M. DELPORTE
Bron: FisconetPlus
