Circulaire 2019/C/116 met bespreking van het Waals decreet van 26 april 2018, het besluit van de Waalse Regering van 20 december 2018 en het ministerieel besluit van 21 december 2018 wat betreft de successierechten
Administratieve commentaar betreffende het Waals decreet van 26 april 2018 tot wijziging van het Wetboek der Successierechten en van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten met het oog op het vrijstellen van de als monument beschermde onroerende goederen van verdeelrechten, schenkbelastingen en successierechten, betreffende het besluit van de Waalse Regering van 20 december 2018 tot uitvoering van het decreet en betreffende het ministerieel besluit van 21 december 2018 inzake het decreet – Waals Gewest – Successierechten – Vrijstelling van de als monument beschermde onroerende goederen
beschermde onroerende goederen ; successierecht ; vrijstelling
FOD Financiën,
22.10.2019
Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie
Inhoud
II. Nieuwe vrijstelling van het nettoaandeel in de als monument beschermde onroerende goederen
2.1. Doelstellingen van de Waalse decreetgever
2.2. Begunstigden en personen uitgesloten van de vrijstelling
2.3. Voorwaarden voor de toekenning
2.3.1.1. Onroerend goed van de nalatenschap
2.3.1.2. Beschermd onroerend goed
2.3.1.3. Onroerend goed gelegen in het Waals Gewest
2.3.1.4. Nettoaandeel in eigendom of in vruchtgebruik
2.3.1.5. Nettoaandeel – aanrekening van de schulden
2.3.2.1. Vermelding van de specifieke schulden – geen sanctie
2.3.2.2. Aanvraag tot vrijstelling
2.3.2.3. Geen aanvraag tot vrijstelling
2.4. Voorwaarden voor het behoud
2.4.1. Herinvestering van het vrijgesteld bedrag
2.4.2. Afleveren van een attest van beëindiging van de werken
2.4.3. Behoud van de vrijgestelde zakelijke rechten
2.5. Gevolg van de vrijstelling
2.6. Verlies van de vrijstelling
2.7. Gedeeltelijke investering
2.8. Intrekking van de vrijstelling
2.9. Vooruitbetaling van het gewoon recht
I. Inleiding
Het Belgisch Staatsblad van 17 mei 2018 heeft het Waals decreet van 26 april 2018 tot wijziging van het Wetboek der successierechten (W.Succ.W.) en van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten (W.Reg.W.) met het oog op het vrijstellen van de als monument beschermde onroerende goederen van verdeelrechten, schenkbelastingen en successierechten (hierna, decreet) gepubliceerd.
Dit decreet wijzigt onder andere het Wetboek der Successierechten (W.Succ.W.) en het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten (W. Reg. W.). Deze circulaire gaat in op de wijzigingen inzake successierechten.
Overeenkomstig de regionale beleidsverklaring van 2014-2019 voorziet het decreet in een vrijstelling van successierechten en van het recht van overgang bij overlijden op het nettoaandeel dat een echtgenoot of wettelijk samenwonende, een rechtsopvolger in de rechte lijn of in de zijlijn tot de derde graad ontvangt in een als monument beschermd onroerend goed. Daartoe heeft het decreet:
- een nieuwe bepaling ingevoerd waarin de voorwaarden en nadere regels voor de toepassing van de vrijstelling worden vastgesteld (nieuw art. 55sexies, W.Succ.W.);
- voorwaarden bepaald voor het behoud van deze vrijstelling en de gehele of gedeeltelijk intrekking van deze vrijstelling die in dat laatste geval gedeeltelijk wordt;
- een nieuw geval van teruggaaf van rechten ingevoerd wanneer de daartoe bestemde documenten worden ingediend binnen de twee jaar na de betaling van de belasting (nieuw art. 135, 10°, W.Succ.W.);
- de indiening van een nieuwe aangifte opgelegd bij intrekking van de vrijstelling (nieuw art. 37, 8°, W.Succ.W.), de plaats van indiening van deze nieuwe aangifte bepaald (nieuw art. 38, 9°, W.Succ.W.) en de termijn waarbinnen deze aangifte moet worden ingediend (nieuw art. 40, achtste lid, W.Succ.W.).
Bij besluit van 20 december 2018 heeft de Waalse Regering de nadere regels vastgesteld voor de aanvraag en voor het behoud van de vrijstelling, met name de bevoegde dienst, de bij te voegen listing, de nadere regels voor de aanvraag en de aflevering van de listing van de werken, van de opgave, en het attest van de werken evenals de bijhorende stukken. Het besluit van de Waalse Regering van 20 december 2018 (hierna: B.W.R.) werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 25 februari 2019.
Het ministerieel besluit van 21 december 2018 betreffende het decreet van 26 april 2018, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 9 mei 2019, omvat de formulieren voor de aanvraag van de listing van de werken (bedoeld in artikel 3 B.W.R.) en voor de aanvraag van de attesten (bedoeld in art. 6 B.W.R.) evenals het model van attest gestuurd door de Administratie (art. 7 B.W.R.).
De geconsolideerde tekst van de gewijzigde artikelen wordt opgenomen in het W.Succ.W.
De wijzigingen van het W.Succ.W. zijn in werking getreden op 1 januari 2019 (art. 8, eerste lid decreet). Het decreet voorzag de mogelijkheid voor de Waalse Regering om een vervroegde datum van inwerkingtreding vast te leggen (art. 8, tweede lid, decreet), maar deze mogelijkheid is niet benut.
Het B.W.R. dat de nadere toepassingsregels van het decreet vaststelt en het ministerieel besluit zijn op 1 januari 2019 in werking getreden (art. 18, B.W.R.; art. 8, ministerieel besluit).
II. Nieuwe vrijstelling van het nettoaandeel in de als monument beschermde onroerende goederen
2.1. Doelstellingen van de Waalse decreetgever
In het kader van haar regionale beleidsverklaring 2014-2019 (p. 78), heeft de vorige Waalse Regering zich ertoe verbonden het belang te onderzoeken van een belastingregeling die is afgestemd op de restauratiewerken[EMO(1] van beschermde goederen.
Door dit decreet, streeft de Waalse wetgever verschillende doelstellingen na:
- de eigenaars aanmoedigen om hun goederen in goede staat te houden, hen meer responsabiliseren met betrekking tot de noodzaak om hun goederen te onderhouden en zelfs te restaureren;
- het vermijden van moeilijkheden bij de betaling van het verdelingsrecht, van het schenkingsrecht of van de successierechten gelijktijdig met noodzakelijke onderhouds- of restauratiewerken;
- bijdragen tot het behoud van de eigendommen in de familiekring, eigenaars te helpen bij de prioritering van onderhoudswerkzaamheden en de werkgelegenheid in de restauratiesector te stimuleren (Ontwerp van decreet tot wijziging van het Wetboek der Successierechten en van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten met het oog op het vrijstellen van de als monument beschermde onroerende goederen van verdeelrechten, schenkbelastingen en successierechten, verslag, Doc., Parl. w., 2017-2018, n° 1042/3, uiteenzetting door minister COLLIN, p. 3.).
Artikel 6 van het decreet stelt het nettoaandeel van de echtgenoot of wettelijk samenwonende, van de rechtsopvolger in rechte lijn of in zijlijn tot in de derde graad, in het als monument beschermd onroerend goed, onder bepaalde voorwaarden, vrij van het successierecht en van het recht van overgang bij overlijden (art. 55sexies, nieuw, W.Succ.W.).
2.2. Begunstigden en personen uitgesloten van de vrijstelling
De fiscale vrijstelling is voorbehouden aan bepaalde natuurlijke personen binnen de strikte familiekring, om zo het goed binnen de naaste familie te houden, versnippering te vermijden en het uitgangspunt van het decreet te bewaren. Ze geldt niet voor rechtspersonen (Ontwerp van decreet, verslag, Doc., Parl. w., 2017-2018, n° 1042/3, uiteenzetting door minister COLLIN, p. 4.).
Kunnen de vrijstelling genieten:
- de langstlevende echtgenoot in de zin van artikel 3 W.Succ.W., met name de persoon die op het tijdstip van overlijden een huwelijksband met de overledene had;
- de langstlevende wettelijk samenwonende, ongeacht zijn verwantschap met de overledene, zoals gedefinieerd in voormeld artikel 3, als de persoon die op het moment van het overlijden woonachtig was bij de overledene en zich met hem in een relatie van wettelijke samenwoning of in een relatie van samenleven bevond overeenkomstig de bepalingen van Boek III, titel Vbis BW of in de zin van artikel 4 WIPR en overeenkomstig hoofdstuk IV van hetzelfde Wetboek;
- een rechtsopvolger in rechte lijn (kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen);
- een rechtsopvolger in de zijlijn tot in de derde graad (ooms en tantes, neven en nichten).
Zijn uitgesloten van de vrijstelling:
- de uit de echt of van tafel en bed gescheiden echtgenoot;
- de wettelijk samenwonende wanneer er een verklaring van beëindiging van de wettelijke samenwoning is en zij geen gemeenschappelijke nakomelingen hebben;
- de feitelijke samenwonende, d.w.z. de persoon die samenwoont met de overledene, maar zonder verklaring voorzien in artikel 1476 BW;
- een rechtsopvolger in de zijlijn verder dan de derde graad (volle neven, enz.).
2.3. Voorwaarden voor de toekenning
2.3.1. Grondvoorwaarden
2.3.1.1. Onroerend goed van de nalatenschap
Het onroerend goed moet deel uitmaken van de nalatenschap van de overledene.
Het decreet bepaalt dat de vrijstelling zowel van toepassing is inzake successierecht (rijksinwoner) als inzake het recht van overgang bij overlijden (niet-rijksinwoner) (art. 55sexies, § 1, eerste lid, nieuw, W.Succ.W.).
Het mag daadwerkelijk verkregen of fictief gelegateerd zijn aan de langstlevende echtgenoot of de langstlevende wettelijk samenwonende, aan een rechtsopvolger in rechte lijn of in zijlijn tot in de derde graad, krachtens de fictieve legaten bedoeld in de artikelen 5, 9, 10 of 11 W.Succ.W.
Op basis van de artikelen 1, 15, 19 en 42, VI W.Succ.W. moet de verkoopwaarde van het beschermd onroerend goed in de aangifte worden vermeld, zelfs indien het geheel van dit onroerend goed wordt toegewezen aan de langstlevende echtgenoot/wettelijke samenwonende of aan een rechtsopvolger overeenkomstig artikel 55sexies W.Succ.W.
2.3.1.2. Beschermd onroerend goed
Het onroerend goed moet beschermd zijn als monument in de zin van Boek III van het Waals Erfgoedwetboek. De bescherming moet van kracht zijn op de dag van het overlijden, in die zin dat het beschermingsbesluit moet gepubliceerd zijn vóór de datum van het overlijden. Het is niet van belang dat er op de dag van het overlijden een procedure tot intrekking van de bescherming hangende is, voor zover het besluit tot intrekking van de beschermingsmaatregel op die datum nog niet was gepubliceerd.
Voor de toepassing van bovenvermeld wetboek wordt onder «beschermd goed» verstaan: elk goed dat beschermd wordt op grond van zijn erfgoedwaarde en dat, geheel of gedeeltelijk, als monument, elke unieke en opmerkelijke architecturale verwezenlijking, sculptuur of vegetatie omvat, met inbegrip van de elementen die onroerend zijn door incorporatie of bestemming en de culturele goederen die er integraal deel van uitmaken, in het bijzonder de aanvullende uitrusting en de decoratieve elementen (artikel 3, 7°, a) Waals Erfgoedwetboek).
2.3.1.3. Onroerend goed gelegen in het Waals Gewest
Dit beschermd onroerend goed moet zich in het Waals Gewest bevinden.
Het decreet vermeldt dit inderdaad niet uitdrukkelijk, maar uit de verklaringen van de minister van Erfgoed[EMO(2], die inschat dat het project betrekking heeft op «bijna 1035 goederen» toebehorend aan particuliere eigenaars van de 4.200 beschermde goederen in Wallonië, de verwijzingen naar het Waals Erfgoedwetboek (het begrip monument, de lijst van subsidieerbare werken en de fiche met de gezondheidstoestand) en de rol van het Waals Agentschap voor Erfgoed (belast met het opstellen van de listing van uit te voeren werken, het verstrekken van het vereiste attest en de controle van de investering van de vastgestelde bedragen in het onroerend goed), volgt de facto dat het decreet alleen toepasselijk is op de als monument beschermde onroerende goederen die in het Waals Gewest gelegen zijn, met uitsluiting van de andere onroerende goederen.
2.3.1.4. Nettoaandeel in eigendom of in vruchtgebruik
De vrijstelling van het nettoaandeel in het als monument beschermd onroerend goed is toepasselijk wanneer de overledene eigenaar was van het geheel of van een deel van het beschermd onroerend goed, ongeacht de aard van het overgedragen recht (volle eigendom, blote eigendom, vruchtgebruik).
2.3.1.5. Nettoaandeel – aanrekening van de schulden
De vrijstelling slaat op het nettoaandeel dat verkregen wordt door de echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de rechtsopvolger (in rechte lijn of in zijlijn tot in de derde graad) in het beschermd onroerend goed.
Onder “nettoaandeel” wordt verstaan, de waarde van het deel dat de erfgenaam, de legataris of de begiftigde in het goed verkrijgt, na aftrek van zijn aandeel in de schulden van de nalatenschap die specifiek zijn aangegaan om het beschermd onroerend goed te verwerven of te behouden (nieuw artikel 55sexies, § 1, tweede lid, W.Succ.W.).
In het decreet wordt onderscheid gemaakt tussen schulden die specifiek zijn aangegaan om het betreffende onroerend goed te verwerven of te behouden en andere schulden. De specifieke schulden worden bij voorrang aangerekend op het aandeel van de begunstigde rechtsopvolger in dat onroerend goed. Naar analogie met artikel 55quinquies § 2 W.Succ.W., worden niet-specifieke schulden in de volgende volgorde aangerekend:
- in de eerste plaats op de waarde van de bedrijfsactiva bedoeld in artikel 60bis,
- vervolgens op de waarde van de overige goederen van de nalatenschap,
- ten slotte, wat overblijft, op de waarde van het deel in het beschermd onroerend goed in de zin van artikel 55sexies.
2.3.2. Vormvoorwaarden
2.3.2.1. Vermelding van de specifieke schulden – geen sanctie
De vermelding van de hierboven vermelde specifieke schulden moet in de aangifte worden opgenomen wanneer de vrijstelling van toepassing is. Om de waarde van het nettoaandeel te bepalen, moeten in de aangifte van de nalatenschap de schulden worden geïdentificeerd en vermeld die specifiek zijn aangegaan om het als monument beschermd onroerend goed te verwerven of te behouden.
Merk op dat in geval deze vermelding ontbreekt, er geen enkele sanctie is voorzien.
2.3.2.2. Aanvraag tot vrijstelling
De vrijstelling “beschermd monument” is niet van rechtswege van toepassing. Ze wordt niet ambtshalve toegekend en moet uitdrukkelijk worden aangevraagd.
De rechtsopvolgers dienen verschillende vormvoorwaarden na te leven (art. 55sexies, § 2, tweede lid, nieuw, W.Succ.W.). Aldus, moeten de erfgenamen, legatarissen en begiftigden die de vrijstelling aanvragen:
- de vrijstellingsaanvraag vermelden in de aangifte van nalatenschap; de vrijstelling stelt niet vrij van het indienen van de aangifte (art. 55sexies, § 2, eerste lid, nieuw, W.Succ.W.);
- in de aangifte de datum en het opschrift vermelden van het besluit waarbij het onroerend goed waarvoor de vrijstelling aangevraagd wordt, beschermd wordt;
- bij de aangifte een afschrift van het beschermingsbesluit[EMO(3] voegen;
- bij de aangifte ook een listing van de instandhoudingsverrichtingen, de voorafgaande onderzoeken en de herstelwerken in de zin van Boek V, Titel III, Hoofdstuk III/2 van het Waals Erfgoedwetboek voegen;
- De listing wordt gevraagd aan de inspecteur-generaal van het Waals Agentschap voor Erfgoed of aan de door hem afgevaardigde ambtenaar door middel van het formulier opgesteld door de minister van Erfgoed (art. 3, eerste lid B.W.R.). Dit formulier gaat als bijlage 1a bij het ministerieel besluit.
Het verzoek om de listing moet de volgende vermeldingen bevatten (art. 3, tweede lid B.W.R.):
- de namen en voornamen, geboortedatum, datum van overlijden van de overledene en zijn laatste woonplaats;
- de namen en voornamen, woonplaatsen en geboortedata van elke erfgenaam, legataris of begiftigde die om vrijstelling verzoekt en het formulier ondertekent, alsmede de band van bloedverwantschap, aanverwantschap of wettelijk samenwonen tussen hen en de overledene;
- het adres van het kantoor van de successierechten waar de aangifte van nalatenschap moet worden ingediend overeenkomstig artikel 38 W.Succ.;
- de noodzakelijke voorwaarden voor de toegang tot het goed om de Administratie in staat te stellen de inhoud van de listing vast te stellen;
- het adres en de kadastrale aanduiding van het onroerend goed waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd;
- de datum van aflevering en het opschrift van het besluit waarbij het onroerend goed beschermd wordt;
- in voorkomend geval, de datum van afgifte en de referenties van de fiche in verband met de gezondheidstoestand in de zin van artikel 212 van het Waals Erfgoedwetboek.
Het verzoek om de listing wordt gedateerd en ondertekend door elke rechtsopvolger of zijn tussenpersoon. De rechtsopvolgers of hun tussenpersonen die om vrijstelling verzoeken en die een aanvraag tot aflevering van een listing indienen, moeten op erewoord verklaren dat de verstrekte gegevens en de bijgevoegde stukken juist en volledig zijn (art. 3, § 2, tweede lid B.W.R.).
De listing moet na het overlijden worden aangevraagd bij de dienst aangeduid door de Waalse Regering, namelijk het Waals Agentschap voor Erfgoed.
De listing moet door die dienst worden bezorgd aan elke begunstigde van de vrijstelling uiterlijk 45 dagen na ontvangst van het verzoek. Indien het verzoek om de listing niet alle in artikel 3, § 2 bedoelde gegevens bevat, verwittigt het Waals Agentschap voor Erfgoed elke rechtsopvolger die om vrijstelling verzoekt of zijn tussenpersoon, binnen twintig werkdagen na ontvangst van het verzoek om de listing dat hun aanvraag onvolledig is en vermeldt ze de ontbrekende gegevens of documenten. De termijn van 45 dagen gaat pas in op de datum waarop het Waals Agentschap voor Erfgoed de ontbrekende gegevens bedoeld in het tweede lid ontvangt (art. 4, eerste tot derde lid B.W.R.).
In de listing wordt de aard van de uit te voeren werkzaamheden of de uit te voeren voorafgaande onderzoeken en de volgorde waarin deze moeten worden uitgevoerd, gespecifieerd. Het Waals Agentschap voor Erfgoed voegt daarbij elke niet-bindende informatieve of technische bijlage die het nuttig acht (art. 4, vierde lid B.W.R.).
De listing, gedateerd en ondertekend door de minister van Erfgoed, wordt door het Waals Agentschap voor Erfgoed gezonden:
- in twee originelen aan elke rechtsopvolger of zijn tussenpersoon; het eerste is bedoeld als bijlage bij de aangifte van nalatenschap en het tweede wordt bewaard door elke rechtsopvolger of zijn tussenpersoon;
- als bijkomend origineel exemplaar aan de bevoegde ontvanger van de successierechten (kantoor Rechtszekerheid) (art. 4, vijfde en zesde lid B.W.R.).
Elke begunstigde van de vrijstelling kan verzoeken de listing om rekening te houden met verrichtingen, studies of werkzaamheden die het gevolg zijn van toevallige gebeurtenissen of ontdekkingen die de inachtneming ervan bij de opstelling van de oorspronkelijke listing hebben verhinderd, en dit volgens de procedure bedoeld in artikel 3 B.W.R. De bijgewerkte listing wordt afgeleverd volgens dezelfde procedure (art. 5, eerste en tweede lid, B.W.R.).
De bevoegde ontvanger bezorgt binnen de maand volgend op de indiening van de aangifte van nalatenschap die de vrijstellingsaanvraag bevat, aan elke begunstigde van de vrijstelling, een opgave waarin het bedrag van de vrijgestelde successierechten of rechten van overgang bij overlijden voor elk van hen wordt vastgesteld (nieuw art. 55sexies, § 2, vierde lid, W.Succ.W.).
2.3.2.3. Geen aanvraag tot vrijstelling
Wanneer de vrijstelling niet wordt “aangevraagd” in de aangifte van nalatenschap, worden de rechten berekend tegen het algemeen tarief van de artikelen 48 tot 60 en 60ter W.Succ.W. (nieuw art. 55sexies, § 2, derde lid, W.Succ.W.).
De te veel geheven rechten, intresten en eventuele boetes, kunnen evenwel, tegen indiening van een nieuwe aangifte, worden teruggegeven onder de voorwaarden van het nieuw artikel 135, 10°, W.Succ.W. (zie punt 2.10 infra).
2.4. Voorwaarden voor het behoud
2.4.1. Herinvestering van het vrijgesteld bedrag
Om het voordeel van de vrijstelling van successierechten of rechten van overgang bij overlijden te behouden, is het noodzakelijk het vrijgestelde bedrag te herinvesteren in voorafgaande onderzoeken, instandhoudingsverrichtingen en herstelwerken van het als monument beschermd onroerend goed:
- opgenomen in een listing opgesteld door het Waals Agentschap voor Erfgoed;
- subsidieerbaar en limitatief (bedoeld in artikel 514/13 van het Waals Erfgoedwetboek), namelijk:
(1°) andere onderhoudswerken dan deze die onder instandhouding vallen, met name werken waarvan het totale bedrag meer dan 22.000 euro exclusief btw bedraagt;
(2°) bescherming tegen slechte weersomstandigheden, brand, bewegingen van het grondwater of andere natuurlijke ongevallen;
(3°) tijdelijke of noodbescherming vóór de uitvoering van de laatste werken;
(4°) bescherming tegen vandalisme of diefstal van de elementen die de beschermingsmaatregelen hebben gerechtvaardigd;
(5°) behandelingen die bedoeld zijn om het monument geheel of gedeeltelijk te behouden, te bewaren, te stabiliseren, te herstellen, te consolideren of te restaureren;
(6°) de vervanging van originele elementen van het monument die niet geconsolideerd of gestabiliseerd kunnen worden;
(7°) de opruiming en opwaardering van archeologische elementen die de karakteristieken versterken die de beschermingsmaatregelen rechtvaardigden ;
(8°) de verwijdering van toevoegingen die de karakteristieken, die de bescherming rechtvaardigden, aantasten;
(9°) de extra voorzorgsmaatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van herstelwerken;
(10°) de ruwbouw die nodig is om aan het monument een nieuwe bestemming te geven;
(11°) het in aanmerking nemen van bijzondere klimatologische omstandigheden noodzakelijk voor het behoud van waardevolle elementen van het monument;
(12°) de maatregelen ter verbetering van de energieprestaties, op voorwaarde dat deze verenigbaar zijn met het belang dat de bescherming van het monument heeft gerechtvaardigd;
- uit te voeren binnen een termijn van maximaal tien jaar na datum van overlijden.
Om een dubbel voordeel te vermijden, worden de eventueel toegekende subsidies voor de uitvoering van voorafgaande onderzoeken, instandhoudingsverrichtingen en herstelwerken aan het als monument beschermd onroerend goed niet in aanmerking genomen bij de beoordeling van het bedrag van de gedane investering (nieuw art. 55sexies, § 3, 1°, W.Succ.W.). Met andere woorden de som van de vrijgestelde rechten en van het gesubsidieerde bedrag mag in geen geval meer bedragen dan 100% van het bedrag van de subsidieerbare werken. Het is ook mogelijk om de vrijstelling van de rechten en de subsidies te cumuleren op het gedeelte van de subsidieerbare werken dat niet zal gedekt worden door het bedrag van de vrijstelling (Ontwerp van decreet, verslag, op.cit., uiteenzetting door minister COLLIN, p. 4.).
2.4.2. Afleveren van een attest van beëindiging van de werken
De beëindiging van de werken, wat overeenkomt met de voorlopige opleveringsfase, wordt vastgesteld in een specifiek attest uitgereikt door de diensten van de Waalse overheid. Dit attest zal alleen worden afgegeven indien de bevoegde dienst vaststelt dat de werken daadwerkelijk zijn uitgevoerd in overeenstemming met de voorschriften van de listing [EMO(4]en dat de voor de herinvesteringsverplichting vereiste middelen daadwerkelijk zijn betaald (art. 55sexties, § 3, 2° W.Succ.W).
Het als monument beschermd onroerend goed waarvoor de vrijstelling is verkregen, maakt het voorwerp uit van een attest waarbij de voltooiing vastgesteld wordt van de voorafgaande onderzoeken, de instandhoudingsverrichtingen en de herstelwerken voor een bedrag dat gelijk is aan of hoger is dan het hetgeen is opgenomen in de door de ontvanger afgegeven opgave.
De aanvraag tot aflevering van het attest van beëindiging van de werken wordt ingediend door één of meer begunstigden van de vrijstelling, of door hun tussenpersoon en wordt naar het Waals Agentschap voor Erfgoed gestuurd door middel van het formulier opgesteld door de minister van Erfgoed (art. 6, § 2 B.W.R.) en is opgenomen als bijlage 2a bij het ministerieel besluit.
Deze aanvraag tot aflevering van het attest moet vermelden (art. 6 § 3 B.W.R.):
- de namen en voornamen, geboortedatum, datum van overlijden van de overledene en zijn laatste woonplaats;
- de namen en voornamen, woonplaatsen en geboortedata van elke rechtsopvolger, begunstigde van de vrijstelling en ondertekenaar van het formulier, alsook de band van bloedverwantschap, aanverwantschap of wettelijk samenwonen tussen hen en de overledene;
- de aanduiding en het adres van het kantoor der successierechten waar de aangifte van nalatenschap is ingediend;
- het adres en de kadastrale aanduiding van het vrijgestelde onroerend goed;
- het totale bedrag, btw inbegrepen, van de instandhoudingsverrichtingen, voorafgaande onderzoeken en herstelwerken die zijn uitgevoerd overeenkomstig de listing, eventueel bijgewerkt;
- het bedrag van de eventuele subsidies die worden toegekend voor het uitvoeren van de instandhoudingsverrichtingen, voorafgaande onderzoeken en herstelwerken, opgenomen in de listing, eventueel bijgewerkt;
- de identiteit van de houders van zakelijke rechten op het vrijgestelde onroerend goed, de aard van deze zakelijke rechten en hun respectieve quotiteiten.
De aanvraag tot aflevering van het attest moet vergezeld zijn van volgende documenten (art. 6 § 4, eerste lid B.W.R.):
- het afschrift van de aangifte van nalatenschap;
- het afschrift van de opgave waarin het bedrag van de vrijgestelde rechten wordt vastgesteld;
- het afschrift van de listing (eventueel bijgewerkt) van de instandhoudingswerken, voorafgaande onderzoeken en herstelwerken;
- het afschrift van de facturen voor instandhoudingswerken, voorafgaande onderzoeken of herstelwerken die zijn afgegeven ter uitvoering van de listing (eventueel bijgewerkt) en het afschrift van de desbetreffende betalingsbewijzen (behalve voor werkzaamheden goedgekeurd door een tussentijds attest (art. 6 § 4, tweede lid B.W.R.));
- het afschrift van de eventuele tussentijdse attesten van uitvoering van werken die door de Administratie zijn afgegeven vóór de aanvraag tot aflevering van het attest;
- het afschrift van de beslissingen tot toekenning van subsidies met het oog op het uitvoeren van instandhoudingsverrichtingen, voorafgaande onderzoeken en herstelwerken, opgenomen in de listing, eventueel bijgewerkt;
- een notarieel attest dat dagtekent van minder dan vijftien dagen vóór de dag van de aanvraag tot aflevering van het attest, met vermelding van de identiteit van de houders van zakelijke rechten op het vrijgestelde onroerend goed, de aard van deze zakelijke rechten en hun respectieve quotiteiten (alsook de band van bloed- of aanverwantschap die bestaat tussen de partijen bij de akte, in geval van overdracht van onroerende goederen onder levenden, tussen de datum van het overlijden en het notariële attest (art. 6 § 4, derde lid B.W.R.).
De aanvraag van het attest moet worden gedateerd en ondertekend door elke begunstigde van de vrijstelling of door zijn tussenpersoon. De begunstigden van de vrijstelling of hun tussenpersonen, moeten op erewoord verklaren dat de overgemaakte gegevens en de bijgevoegde stukken juist en volledig zijn en dat de instandhoudingsverrichtingen, de voorafgaande onderzoeken en de herstelwerken zijn uitgevoerd overeenkomstig de voormelde listing (art. 6, § 5, B.W.R.).
Het attest, waarvan het model door de minister van Erfgoed is vastgesteld (bijlage 3a, ministerieel besluit), moet binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag tot aflevering, door het Waals Agentschap voor Erfgoed worden verstuurd. Wanneer de aanvraag niet alle gegevens bevat bedoeld in art. 6 § 3 B.W.R. of niet vergezeld gaat van de documenten bedoeld in artikel 6 § 4 B.W.R., verwittigt het Waals Agentschap voor Erfgoed elke begunstigde van de vrijstelling of hun tussenpersoon, binnen twintig werkdagen na ontvangst van de aanvraag van het attest dat hun aanvraag onvolledig is en vermeldt de ontbrekende gegevens of documenten. De termijn van vier maanden gaat pas in op de datum waarop het Waals Agentschap voor Erfgoed de ontbrekende gegevens of documenten ontvangt (art. 7, eerste tot derde lid, B.W.R.).
Het attest vermeldt het bedrag van de investeringen in het onroerend goed, met uitzondering van de eventuele subsidies, op de datum van de aanvraag tot aflevering. Het bevestigt de voltooiing en de betaling van de werken uitgevoerd overeenkomstig de listing (eventueel bijgewerkt) van de instandhoudingsverrichtingen, voorafgaande onderzoeken en herstelwerken, alsook het bedrag tot beloop waarvan zij in aanmerking komen krachtens artikel 55sexies W.Succ. (art. 7, vierde lid B.W.R.).
Het attest wordt, gedateerd en ondertekend door de inspecteur-generaal van het Waals Agentschap voor Erfgoed, of door de door hem gemachtigde ambtenaar toegezonden:
- in een origineel aan elke begunstigde van de vrijstelling of aan hun tussenpersoon;
- een bijkomend origineel exemplaar aan de ontvanger der registratie (kantoor Rechtszekerheid) waar de aangifte van nalatenschap werd ingediend (art 7, vijfde en zesde lid B.W.R.).
In geval van onenigheid over de inhoud van de attesten kunnen de begunstigden van de vrijstelling of hun tussenpersoon beroep aantekenen bij het Waals Agentschap voor Erfgoed binnen dertig dagen na de derde werkdag na de datum van kennisgeving van het attest (art. 8, eerste lid B.W.R.).
Het Waals Agentschap voor Erfgoed kan om aanvullende informatie verzoeken. Het zendt het dossier samen met een voorstel tot beslissing binnen vier maanden na ontvangst van het beroep toe aan de minister van Erfgoed. Een ministeriële beslissing wordt ter kennis gebracht aan elke begunstigde van de vrijstelling of aan zijn tussenpersoon binnen twee maanden te rekenen van de ontvangst van het dossier overgemaakt door het Waals Agentschap voor Erfgoed (art. 8, tweede lid B.W.R.).
Als de minister van Erfgoed van oordeel is dat het Waals Agentschap voor Erfgoed de gegevens voor de behandeling van de aanvraag tot aflevering van de listing bedoeld in artikel 3 of van het attest bedoeld in artikel 6 rechtstreeks bij authentieke bronnen kan verkrijgen, kan hij de personen die om vrijstelling verzoeken of de begunstigden van de vrijstelling, vrijstellen van het verstrekken van deze gegevens aan het Waals Agentschap voor Erfgoed (art. 9 B.W.R.).
2.4.3. Behoud van de vrijgestelde zakelijke rechten
Om de vrijstelling te behouden, moet de begunstigde de vrijgestelde zakelijke rechten (volle eigendom, blote eigendom, vruchtgebruik) op het beschermd onroerend goed, behouden tot aan de verkrijging van het attest.
Om de naleving van deze voorwaarde voor het behoud te beoordelen, wordt evenwel geen rekening gehouden met de overdrachten door overlijden, noch met de overdrachten van zakelijke rechten in de rechte lijn (tot de achterkleinkinderen), tussen echtgenoten, tussen wettelijk samenwonenden bedoeld in artikel 48 W.Succ.W. of in de zijlijn tot en met de derde graad (ooms en tantes, neven en nichten), overeenkomstig het nieuwe artikel 55sexies, § 3, W.Succ.W.
2.5. Gevolg van de vrijstelling
De vrijstelling heeft tot gevolg dat het nettoaandeel in het als monument beschermd onroerend goed van de belastbare grondslag wordt uitgesloten, waardoor het progressievoorbehoud wordt vermeden. Met andere woorden, het nettoaandeel van de rechtsopvolger in het als monument beschermd onroerend goed moet dus niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de progressiviteit van het algemeen tarief op de andere (roerende en onroerende) goederen verkregen door de begunstigde van de vrijstelling.
De abattementen bedoeld in artikel 54, 1° W.Succ.W. worden aangerekend op de schijven van het nettoaandeel in de andere goederen, met uitsluiting van het nettoaandeel in het als monument beschermd onroerend goed, dat fiscaal buiten de nalatenschap valt.
2.6. Verlies van de vrijstelling
Zodra tijdens de maximumperiode van tien jaar niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor het behoud, verliest de rechtsopvolger geheel of gedeeltelijk het voordeel van de vrijstelling. Hij is dan successierechten en een boete verschuldigd, behalve in geval van overmacht of van een dwingende reden van administratieve aard.
In geval van niet-naleving van de bovenvermelde voorwaarden voor het behoud, is het overeenkomstig de artikelen 48 tot 60 en 60ter verschuldigde recht eisbaar ten laste van elke begunstigde van de vrijstelling.
De vrijstelling blijft echter verworven indien de niet-naleving het gevolg is van overmacht of van een dwingende reden van administratieve aard (nieuw art. 55sexies, § 4, W.Succ.W.).
De begrippen “overmacht” en “dwingende redenen van administratieve aard” zijn niet gedefinieerd in de tekst van het decreet. Volgens de algemene regels voor de interpretatie van het fiscaal recht kunnen de niet gedefinieerde begrippen in het W.Succ. worden geïnterpreteerd zoals in het gemeen recht, zijnde het Burgerlijk Wetboek.
De rechtsleer en rechtspraak definiëren overmacht als een gebeurtenis die zich voordoet na het ontstaan van de verbintenis, buiten de wil van de begunstigde van de vrijstelling, onvoorzienbaar, onvermijdelijk en die de uitvoering van een verbintenis onmogelijk maakt (zowel fysiek als juridisch).
De rechter oordeelt soeverein of de aangevoerde feiten voldoende ernstig zijn om overmacht te vormen.
Men spreekt van overmacht in hoofde van de begunstigde van de (gedeeltelijke of volledige) vrijstelling wanneer de belemmering voldoende erg en ernstig is om hem in de onmogelijkheid te plaatsen om binnen de vereiste termijn een attest van voltooiing van de werken te verstrekken (ernstige ziekte, echtscheiding, ontslag, enz…).
Het behoort aan de begunstigde van de vrijstelling om het bewijs te leveren van de overmacht of van de dwingende reden van administratieve aard die het voor hem onmogelijk maakte om aan de voorwaarden voor het behoud te voldoen.
Met dwingende redenen van administratieve aard bedoelt men situaties waarbij fouten of vertragingen die te wijten zijn aan de administratie, de begunstigde van de vrijstelling in de onmogelijkheid hebben geplaatst om aan de voorwaarden voor het behoud te voldoen. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt echter dat het niet verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning hier niet onder valt (Ontwerp van decreet tot wijziging van het Wetboek der Successierechten en van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten met het oog op het vrijstellen van de als monument beschermde onroerende goederen van verdeelrechten, schenkbelastingen en successierechten, Doc., Parl. w., 2017-2018, n° 1042/1, commentaar op de artikelen, pp. 5-6).
2.7. Gedeeltelijke investering
Wanneer de investering niet volledig is wordt de vrijstelling, onder bepaalde voorwaarden, behouden tot beloop van het geherinvesteerd bedrag.
In geval van gedeeltelijke investering, wordt de vrijstelling behouden tot beloop van het bedrag dat in de opgave van de vrijgestelde rechten is vermeld en dat opnieuw is geïnvesteerd overeenkomstig de nadere regels die zijn vastgesteld in de voorwaarden voor het behoud, met inachtneming van bepaalde voorwaarden bedoeld in het nieuw artikel 55sexies, § 4, tweede lid, W.Succ.W.
Enerzijds moet de begunstigde van de vrijstelling een nieuwe aangifte van nalatenschap indienen in de zin van nieuw artikel 37, 8° W.Succ.W.:
- met vermelding van de naam, voornamen, geboortedatum en datum van overlijden en laatste woonplaats van de overledene;
- met vermelding van de samenstelling van de beschermde onroerende goederen waarvoor de vrijstelling is ingetrokken en de waarde van die goederen waarop de overeenkomstig de artikelen 48 tot 60 en 60ter verschuldigde rechten berekend worden;
- met vermelding van het feit dat het verschuldigd zijn van de rechten verantwoordt en alle gegevens nodig voor de vereffening van de belasting;
- ondertekend door elke begunstigde van de vrijstelling;
- opgemaakt in twee exemplaren (waarvan één op het kantoor Rechtszekerheid blijft waar de oorspronkelijke aangifte werd ingediend);
- binnen de in artikel 40 bedoelde termijn te rekenen van het verstrijken van een termijn van acht maanden volgend, ofwel op het verstrijken van de termijn van tien jaar te rekenen van het overlijden, ofwel op de akte van afstand van de zakelijke rechten aan een andere persoon dan die bedoeld in het eerste lid, op het kantoor waar de eerste aangifte van nalatenschap werd ingediend.
Anderzijds, moet de begunstigde van de vrijstelling bij de nieuwe aangifte van nalatenschap voegen:
(1°) de opgave die het bedrag van de vrijgestelde rechten vaststelt;
(2°) een attest van werken uitgereikt door het Waals Agentschap voor Erfgoed, waarin het in het als monument beschermd onroerend goed geïnvesteerd bedrag wordt vermeld, buiten eventuele subsidies, op de datum van de aanvraag van bedoeld attest (nieuw art. 55sexies, § 4, tweede lid, 1° en 2° W.Succ.W.).
2.8. Intrekking van de vrijstelling
Om het goed binnen de familiekring te houden, is de overdracht onder de levenden van het monument, onder bezwarende titel of om niet, vóór de herinvestering is voltooid, aan een persoon die geen bloed- of aanverwant is van de overdragende begunstigde zoals vermeld in punt 2.2., een reden voor de volledige intrekking van de vrijstelling. De intrekking zal evenwel slechts gedeeltelijk zijn voor zover hetgeen tot aan de overdracht geïnvesteerd werd, behouden blijft, aangezien een attest van werken moet bijgevoegd worden (zie nieuw art. 55sexties, § 4, tweede lid, 1° en 2° W.Succ.W.).
Indien meerdere personen de vrijstelling hebben genoten, wordt de voorwaarde individueel beoordeeld, in hoofde van elk van hen.
Wanneer de vrijstelling wordt ingetrokken, zijn een geldboete en intresten verschuldigd.
Bij gehele of gedeeltelijke intrekking van de vrijstelling wordt het recht vermeerderd met een geldboete gelijk aan één tiende van het bedrag van de rechten en met de interest tegen de wettelijke rentevoet in fiscale zaken bepaald bij de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen interest (momenteel: 7 %), zonder dat die hoger mag zijn dan vijf jaar interest (nieuw art. 55sexies, § 4, vierde lid, W.Succ.W.).
2.9. Vooruitbetaling van het gewoon recht
De rechtsopvolger die vrijstelling van successierechten heeft genoten kan, vóór het verstrijken van de voormelde termijn van 10 jaar (zie, n° 2.6, supra), de volledige betaling voorstellen van het gewone successierecht voorzien in de artikelen 48 tot 60 en 60ter W.Succ.W. OF tot beloop van het bedrag vermeld op de opgave (bedoeld in art. 55sexies, § 2, vierde lid, W.Succ.W) dat niet geïnvesteerd werd in instandhoudingsverrichtingen, voorafgaande onderzoeken en herstelwerken.
De rechtsopvolger die gebruik wil maken van deze mogelijkheid moet een nieuwe aangifte in de zin van artikel 37 W.Succ.W. indienen op het kantoor Rechtszekerheid dat de vrijstelling heeft toegepast, met vermelding van de samenstelling en de waarde van de goederen waarvoor hij het gewone recht wenst te betalen (nieuw art. 55sexies, § 5, W.Succ.W.).
De vorm en de vermeldingen van de nieuwe aangifte zijn identiek aan deze die wordt gebruikt in het geval van een gedeeltelijke investering (zie n° 2.7, supra).
2.10. Teruggave van rechten
Wanneer de vrijstelling niet wordt gevraagd in de aangifte van nalatenschap worden de rechten berekend overeenkomstig het algemeen tarief vervat in de artikelen 48 tot 60 en 60ter W.Succ.W.
Tegen indiening van een aangifte van nalatenschap waarin om vrijstelling wordt verzocht kunnen de te veel geheven rechten, intresten en eventuele boetes evenwel worden teruggegeven indien de aanvraag tot teruggave:
- melding maakt van het feit dat het verschuldigd zijn van de rechten verantwoordt en van alle gegevens nodig voor de vereffening van de belasting;
- de vermelding en documenten bevat bedoeld in art. 55sexies, § 2, tweede lid, W.Succ.W, namelijk:
- de datum en het opschrift van het besluit waarbij het betrokken onroerend goed beschermd wordt;
- de kopie van het beschermingsbesluit;
- de listing van instandhoudingsverrichtingen, voorafgaande onderzoeken en herstelwerken;
- wordt ingediend binnen de twee jaar na betaling van de belasting (nieuw art. 135, 10°, W.Succ.W.).
Geen enkele teruggave van rechten is derhalve mogelijk indien de aanvraag tot teruggave die de voormelde vermeldingen en documenten bevat, wordt ingediend bij het kantoor Rechtszekerheid dat de oorspronkelijke aangifte heeft behandeld, meer dan twee jaar na de betaling van de rechten.
III. Inwerkingtreding
De wijzigingen in het Wetboek der Successierechten treden in werking op 1 januari 2019 (art. 8, eerste lid, decreet). De uitvoeringsbepalingen van het decreet zijn eveneens in werking getreden op 1 januari 2019 (art. 18 B.W.R.).
Bijgevolg zijn de maatregelen inzake successierechten van toepassing op nalatenschappen die zijn opengevallen vanaf 1 januari 2019.
