Denemarken - Circulaire Ci.R.9 Dk/256.350 d.d. 11.02.1971
Bulletin nr. 484, p. 712-718
Dubbelbelastingverdragen. - Denemarken.
Bepalingen van onmiddellijk belang,
Dbr. 11.2.1971, nr Ci. R9DK/256.350.
1. De op 16 oktober 1969 met Denemarken gesloten overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en tot regeling van sommige andere aangelegenheden inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen werd goedgekeurd bij de wet van 11 december 1970 (Belgisch Staatsblad van 30 januari 1971, V. 1320), en is overeenkomstig artikel 30, § 1, op 31 december 1970 in werking getreden.
Zij is in België van toepassing op de bij de bron verschuldigde belastingen op inkomsten welke normaal zijn toegekend of betaalbaar gesteld met ingang van 1 januari 1971 en op de andere belastingen geheven naar inkomsten van belastbare tijdperken eindigend na 31 december 1970.
2. Deze circ. vestigt speciaal de aandacht op sommige bepalingen van de overeenkomst die een onmiddellijk belang hebben.
I. Roerende inkomsten van Belgische oorsprong verkregen door verblijfhouders van Denemarken.
A. R. V. op Belgische dividenden.
3. Ingevolge art. 10, § 2, ov., moet België de R.V. op dividenden (en op als inkomsten van belegde kapitalen belastbare inkomsten) die met ingang van 1 januari 1971 door een Belgische vennootschap aan een verblijfhouder van Denemarken worden toegekend, beperken tot 15 t.h. van het brutobedrag van de dividenden.
De beperking is echter volgens art. 10, § 4, ov., slechts van toepassing indien het aandelenbezit dat de dividenden oplevert niet wezenlijk verbonden is met een vaste inrichting waarover de genieter in België zou beschikken.
4. De eventuele vermindering van de R.V. wordt verleend na overlegging van een aanvraag nr 276 Div. (DK) (1); wat de wijze van berekening en de ter zake te volgen procedure betreft wordt mutatis mutandis verwezen naar circ. 925bis van 29 januari 1968.
-----------
(1) De formulieren waarvan sprake in deze circ., zullen eerlang kunnen worden bekomen op eenvoudig verzoek gericht aan de Documentatiedienst der directe belastingen, Belliardstraat 45, 1040 Brussel.
B. R. V. op Belgische interest.
5. Ingevolge art. 11, §§ 2, 4 en 6, ov., moet België de R.V. op het normale bedrag van de interest van Belgische oorsprong, die met ingang van 1 januari 1971 aan een verblijfhouder van Denemarken wordt toegekend, in de regel beperken tot 15 t.h. indien de genieter hier te lande niet over een vaste inrichting beschikt waarmede de schuldvordering of het deposito die de interest opleveren wezenlijk verbonden zijn.
De vermindering van de R.V. wordt verleend na overlegging van een aanvraag nr 276 Int. (DK) (2) en volgens de in circ. 925bis van 29 januari 1968 uiteengezette procedure.
--------------
(2) De formulieren, waarvan sprake in deze circ., zullen eerlang kunnen worden bekomen op eenvoudig verzoek gericht aan de Documentatiedienst der directe belastingen, Belliardstraat 45, 1040 Brussel.
6. Volgens de bewoordingen van art. 11, § 3, 2° en 3° lid, is de in nr 5 hierboven vermelde regeling evenwel niet van toepassing :
- op interest die door de Belgische wetgeving als inkomsten van belegde kapitalen wordt beschouwd en de in sub 3 en 4 hiervoren omschreven regeling betreffende de dividenden volgt;
- op interest van handelsschuldvorderingen en op interest die door een Belgische bank wordt toegekend aan een Deense bank; in beide gevallen wordt de interest overeenkomstig art. 7, ov., als ondernemingswinst behandeld;
- op interest van niet in effecten aan toonder verdeelde gelddeposito's bij Belgische bankondernemingen, daaronder begrepen Belgische openbare kredietinstellingen; die interest wordt onderworpen hetzij aan de in art. 7, ov. bepaalde regeling betreffende de winsten, hetzij aan de in art. 21, ov. bepaalde regeling betreffende de niet uitdrukkelijk in de overeenkomst vermelde inkomsten.
C. R. V. op Belgische royalty's.
7. Royalty's van Belgische oorsprong die met ingang van 1 januari 1971 aan een verblijfhouder van Denemarken worden toegekend zijn ingevolge art. 12, § § 1, 3 en 5, ov., vrijgesteld van de R.V. ten belope van hun normaal bedrag, indien de genieter hier te lande niet over een vaste inrichting beschikt waarmede het recht of het goed dat de inkomsten oplevert wezenlijk verbonden is.
8. De te volgen procedure is gelijkaardig aan die welke voor dividenden en interest geldt; de vrijstelling zal echter normaal aan de bron worden toegestaan.
De genieter van de royalty's dienst een aanvraag in duplo over te leggen door middel van een formulier nr 276 R (D.K.) (3). Dit formulier moet ter bevestiging aan de bevoegde Amtsskatteinspektorat (voor Kopenhagen, Frederiksberg en Gentofte, aan de bevoegde Skattedirektorat) worden gezonden ; vervolgens moet het worden gestuurd hetzij aan de Belgische schuldenaar binnen de tien dagen na de vervaldag van de royalty's (om vrijstelling van R.V. bij de bron te bekomen), hetzij aan de Hfd.cr. te Sint-Joost-ten-Node 1 (om teruggaaf van de bij de bron gestorte R.V. te bekomen).
-----------
(3) De formulieren, waarvan sprake in deze circ., zullen eerlang kunnen worden bekomen op eenvoudig verzoek gericht aan de Documentatiedienst der directe belastingen, Belliardstraat 45, 1040 Brussel
II. Roerende inkomsten van Deense oorsprong verkregen door verblijfhouders van België.
9. Volgens de art. 10 en 11, ov., moet de Deense belasting op dividenden en interest van Deense oorsprong verkregen door verblijfhouders van België in de regel maar op bepaalde voorwaarden, beperkt worden tot 15 t.h. van het brutobedrag van de inkomsten. Anderdeels, zijn de royalty's van Deense oorsprong verkregen door verblijfhouders van België krachtens art. 12, ov. - eveneens op bepaalde voorwaarden - vrijgesteld van Deense belasting.
10. Aangezien evenwel Denemarken volgens zijn gemeen recht een bronheffing (van 30 t.h.) alleen op dividenden toegekend aan niet-verblijfhouders toepast en niet op interest en royalty's, is het enkel voor de dividenden dat in Denemarken bijzondere maatregelen moeten worden getroffen.
De Deense administratie bereidt een formulier voor, dat de verblijfhouders van België zullen moeten gebruiken om te genieten van de verdragsbeperking tot 15 t.h. van de belasting op dividenden van Deense afkomst. De nodige onderrichtingen zullen zo spoedig mogelijk worden gegeven.
III. R.V. op Deense dividenden verkregen door Belgische vennootschappen
11. De Belgische vennootschappen die de aanslag van hun winsten in de P.B. niet hebben gekozen, kunnen desgewenst de R.V. van 10 t.h. bij de incassering ontgaan op dividenden van Deense aandelen die zij gedurende het volledige boekjaar van de Uitdelende vennootschap in uitsluitende eigendom hebben gehad (art. 23, § 1, 4°, ov.). De Deense dividenden die bij de incassering niet aan de R.V. zijn onderworpen blijven toch tot hun nettobedrag (90 of 95 t.h.) van de Ven.B. vrijgesteld, doch moeten dan later de R.V. ondergaan wanneer zij aan de aandeelhouders van de Belgische vennootschap uitgekeerd worden (afwijking van art. 169, 2° en 3°, W.I.B.). Deze facultatieve vrijstelling kan worden toegepast op Deense dividenden die van 1 januari 1971 af worden toegekend of betaalbaar gesteld.
Om de toepassing van deze bijzondere regeling te bekomen moeten de betrokken vennootschappen bij de belastingdienst van hun gebied een aanvraag nr 276 Div. Conv. (4) indienen binnen de termijn waarin hun jaarlijkse aangifte in de Ven.B. moet worden ingestuurd. Deze procedure is dezelfde als die uiteengezet in circ. 16 april 1968, nr Ci.R9S/244.214, nrs 15 en 16.
----------
(4) De formulieren, waarvan sprake in deze circ., zullen eerlang kunnen worden bekomen op eenvoudig verzoek gericht aan de Documentatiedienst der directe belastingen, Belliardstraat 45, 1040 Brussel.
12. De toepassing van de hiervoren omschreven facultatieve regeling zou nochtans beperkt zijn tot dividenden van deelnemingen van een welbepaalde omvang, indien in België een gelijkaardige beperking zou worden ingesteld voor de toepassing van het principe « non bis in idem » op dividenden van Belgische oorsprong.
IV. Inkomsten uit vrije beroepen of uit andere zelfstandige werkzaamheden van soortgelijke aard.
13. Ingevolge art. 14, § 1, ov., zijn die inkomsten belastbaar in de woonstaat van de genieter, tenzij deze in de andere Staat voor het verrichten van zijn werkzaamheden geregeld over een vaste basis beschikt. Een verblijfhouder van Denemarken is bijgevolg in België belastbaar op de inkomsten uit een vrij beroep voor zover deze inkomsten aan een vaste basis in België kunnen worden toegerekend.
Deze regel geldt echter niet voor zelfstandige beroepsartiesten of sportbeoefenaars (zie nr 14).
V. Artiesten en sportbeoefenaars.
14. Uit art. 17, ov., volgt dat de beroepsartiesten en de sportbeoefenaars, verblijfhouders van Denemarken, in België belastbaar zijn op de inkomsten die zij halen uit hun werkzaamheden in België, ongeacht of deze werkzaamheden in dienstverband dan wel in de hoedanigheid van zelfstandige worden verricht.
VI. Pensioenen en andere sociale uitkeringen.
15. Pensioenen en andere uitkeringen die ter uitvoering van de Belgische sociale wetgeving met ingang van 1 januari 1971 aan verblijfhouders van Denemarken worden betaald (inzonderheid de wettelijke pensioenen door de pensioenkassen betaald ter zake van een vroegere dienstbetrekking in de particuliere sector) zijn uitsluitend in België belastbaar (art. 18, § 2, ov.) ; zij moeten dus eventueel de volgens het gemeen recht verschuldigde B.V. bij de bron ondergaan. De aan die verblijfhouders boven hun wettelijk pensioen betaalde pensioenen (extra-wettelijke pensioenen) zijn slechts in Denemarken belastbaar (art. 18, § 1, ov.); bijgevolg zijn zij vrijgesteld van Belgische belastingen en ontsnappen zij aan de inhouding van de B.V.
16. Pensioenen en andere uitkeringen van Deense oorsprong van dezelfde aard als die hiervoren bedoeld, die met ingang van 1 januari 1971 aan verblijfhouders van België worden betaald, zijn op dezelfde voorwaarden, hetzij vrijgesteld van Belgische belastingen, hetzij belastbaar in de P.B. tegen het volle tarief.
VII. Tarief van de B.N.V./Ven. verschuldigd door Deense vennootschappen met een vaste inrichting in België.
17. Art. 24, § 5, 1°lid, ov., bepaalt dat de belastingheffing van een vaste inrichting, die een onderneming van een Staat in de andere Staat heeft, in die andere Staat niet ongunstiger mag zijn dan de belastingheffing van ondernemingen van die andere Staat die dezelfde werkzaamheden uitoefenen.
Het 2° lid van voormelde bepaling kent België evenwel uitdrukkelijk het recht toe om de B.N.V./Ven. op de winsten van een vaste inrichting van een Deense vennootschap of van een Deense vereniging van personen tegen het tarief van het gemeen recht (art. 152, 2°, W.I.B.), verhoogd met de opdeciemen, en ten bate van het Sp.F. en eventueel met de opdeciem, te berekenen.
