Circulaire 2018/C/98 betreffende de artikelen 2 tot 6 van de wet houdende maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude van 30.06.2017

Samenvatting

Deze circulaire bevat de wijzigingen en nieuwe artikels van de wet houdende maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude van 30.06.2017 (BS 07.07.2017) inzake procedure

Commentaar op de artikelen 2 t.e.m. 6 van de wet houdende maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude van 30.06.2017 (BS 07.07.2017).

Inkomstenbelastingen ; vestiging van de belasting ; bankgeheim ; opzoeking op basis van het bankrekeningnummer ; bijkomende onderzoekstermijn van 4 jaar – ontbreken van voorafgaande kennisgeving bij vraag om inlichtingen door een buitenlandse staat ; vestiging van de belasting – bankgeheim – kennisgeving ; openbaarheid van bestuur ; sancties – belastingverhoging – laattijdige aangifte

FOD Financiën, 20.07.2018
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Taxatieprocedure en verplichtingen

Inhoudstafel

I. Wettelijke bepalingen – wet houdende maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude van 30.06.2017 (BS 07.07.2017)
II. Gewijzigde en nieuwe artikels op het vlak van procedure

A. Wijziging artikel 322, § 3, WIB 92 (artikel 2, W)

1. Gecoördineerde wettekst
2. Bespreking

B. Wijziging artikel 333, derde lid, WIB 92 (artikel 3, W)

1. Gecoördineerde wettekst
2. Bespreking

C. Wijziging artikel 333/1, WIB 92 (artikel 4, W)

1. Gecoördineerde wettekst
2. Bespreking

D. Nieuw artikel 337/1, WIB 92 (artikel 5, W)

1. Gecoördineerde wettekst
2. Bespreking

E. Wijziging artikel 444, eerste lid, WIB 92 (artikel 6, W)

1. Gecoördineerde wettekst
2. Bespreking

III. Inwerkingtreding van de wijzigingen

I. Wettelijke bepalingen – wet houdende maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude van 30.06.2017 (BS 07.07.2017)

Art. 2. In artikel 322, §3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 14 april 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 juni 2013, wordt het tweede lid aangevuld met de volgende zin :

“In voorkomend geval kunnen bij het centraal aanspreekpunt de identificatiegegevens worden opgevraagd betreffende een rekeningnummer dat tijdens het voormelde onderzoek is ontdekt en waarvan de belastingplichtige de titularis niet identificeert.”

Art. 3. Artikel 333, derde lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, wordt aangevuld met de volgende zin :

“Wanneer de onderzoekingen uitgevoerd worden op vraag van een Staat waarmee België een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, of waarmee België een akkoord heeft gesloten inzake de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden, of die samen met België deelneemt aan een ander bilateraal of multilateraal gesloten juridisch instrument, op voorwaarde dat deze overeenkomst, dit akkoord of dit juridisch instrument de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden tussen de akkoordsluitende Staten mogelijk maakt, wordt, de onderzoekstermijn, uitsluitend met het oog op het beantwoorden van de voormelde vraag, zonder voorafgaande kennisgeving verlengd met de aanvullende termijn van vier jaar.”

Art. 4. In artikel 333/1, §1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 april 2011 en gewijzigd bij de wetten van 7 november 2011 en 21 december 2013, worden het derde en het vierde lid vervangen als volgt :

“Het eerste lid is niet van toepassing op de in artikel 322, §4, bedoelde verzoeken om inlichtingen vanwege een buitenlandse Staat. De kennisgeving aan de persoon in wiens hoofde het onderzoek door de buitenlandse Staat wordt gevoerd, gebeurt in dit geval post factum bij aangetekende zending uiterlijk 90 dagen na het verzenden van de informatie aan de buitenlandse Staat.

In afwijking van het derde lid gebeurt geen kennisgeving post factum :

1° wanneer die buitenlandse Staat aantoont zelf reeds een kennisgeving aan de persoon in wiens hoofde het onderzoek wordt gevoerd, te hebben verstuurd;

2° wanneer uit het verzoek om inlichtingen van die buitenlandse Staat blijkt dat er ernstige aanwijzingen van fiscale fraude zijn en deze buitenlandse Staat uitdrukkelijk vraagt om de persoon in wiens hoofde het onderzoek wordt gevoerd niet in kennis te stellen van deze vraag.”

Art. 5. In titel VII, hoofdstuk III, afdeling VI, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 337/1 ingevoegd, luidende :

Art. 337/1. In afwijking van artikel 4 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, mogen de verzoeken om inlichtingen van buitenlandse autoriteiten en de antwoorden verstrekt aan die autoriteiten evenals elke andere correspondentie tussen de bevoegde autoriteiten niet openbaar worden gemaakt zolang het onderzoek van de buitenlandse autoriteit niet is afgesloten en voor zover de openbaarmaking nadelig zou zijn voor het voormelde onderzoek, tenzij de buitenlandse autoriteit haar uitdrukkelijk akkoord heeft gegeven voor deze openbaarmaking. Het in het eerste lid bedoelde akkoord wordt geacht te zijn bekomen wanneer de buitenlandse autoriteit niet reageert binnen een termijn van 90 dagen te rekenen vanaf het verzenden door de Belgische Staat van de vraag tot inzage, en de informatie niet verschaft dat de vertrouwelijkheid van de uitgewisselde gegevens en de correspondentie volgens de voorwaarden van dit artikel moet voortduren, wanneer de persoon in wiens hoofde het onderzoek door de buitenlandse Staat wordt gevoerd uitdrukkelijk deze toegang aan de Belgische Staat heeft gevraagd.”

Art. 6. In artikel 444, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, worden de woorden “Bij niet-aangifte” vervangen door de woorden “Bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van de aangifte”.

II. Gewijzigde en nieuwe artikels op het vlak van procedure

A. Wijziging artikel 322, § 3, WIB 92 (artikel 2, W)

1. Gecoördineerde wettekst

§ 3. Iedere bank- wissel-, krediet- en spaarinstelling is er toe gehouden om volgende gegevens kenbaar te maken bij een centraal aanspreekpunt dat door de Nationale Bank van België wordt gehouden: de identiteit van de cliënten en de nummers van hun rekeningen en contracten. Deze verplichting geldt slechts voor zover het gaat om soorten rekeningen en contracten die relevant zijn voor de belastingheffing. De Koning bepaalt om welke soorten rekeningen en contracten het gaat.

Wanneer de door de minister aangestelde ambtenaar bedoeld in paragraaf 2, derde lid, heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek bedoeld in paragraaf 2, één of meer aanwijzingen van belastingontduiking heeft opgeleverd, kan hij de beschikbare gegevens over die belastingplichtige opvragen bij dat centraal aanspreekpunt. In voorkomend geval kunnen bij het centraal aanspreekpunt de identificatiegegevens worden opgevraagd betreffende een rekeningnummer dat tijdens het voormelde onderzoek is ontdekt en waarvan de belastingplichtige de titularis niet identificeert.

De Koning bepaalt:

1° de werking van het centraal aanspreekpunt en in het bijzonder de bewaringstermijn van de in het eerste lid bedoelde gegevens;

2° de modaliteiten en de periodiciteit van de mededeling door de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen van de in het eerste lid bedoelde gegevens;

3° de modaliteiten van de raadpleging door de door de minister aangestelde ambtenaar bedoeld in § 2, derde lid, van de in het eerste lid bedoelde gegevens.

Met als enig doel de verplichtingen van deze paragraaf na te komen, hebben de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen en de Nationale Bank van België de toelating om het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen te gebruiken om de cliënten te identificeren.

De Nationale Bank van België houdt voormeld centraal aanspreekpunt uitsluitend in het algemeen belang. De Bank, de leden van haar organen en haar personeelsleden zijn niet burgerlijk aansprakelijk voor fouten of nalatigheden begaan in het kader van de uitoefening van deze wettelijke opdracht van de Bank, behalve in geval van bedrog of opzettelijke of zware fout.

2. Bespreking

In het verleden was het enkel mogelijk om het Centraal aanspreekpunt (CAP) te consulteren indien de identiteit van de belastingplichtige was gekend. De wijziging van het 2de lid van art. 322, § 3, WIB 92, laat toe om het CAP te bevragen op basis van een rekeningnummer en op die manier de identiteit van de titularis of co-titularis van deze rekening te achterhalen.

Echter, wanneer er in het kader van de normale toepassing van art. 322, § 2, WIB 92, tijdens een onderzoek in hoofde van een belastingplichtige één of meerdere rekeningnummers naar voor komen waarvan de titularis niet is gekend, moet eerst de belastingplichtige bij wie het onderzoek wordt gevoerd, worden aangesproken over de identiteit van de begunstigde(n) van de rekening(en).

Art. 2 van W 30.06.2017 wijzigt niets aan de algemene voorwaarden van de raadpleging van het CAP. Echter, de raadpleging van het CAP tot identificatie van de titularis van een rekeningnummer, zal pas kunnen gebeuren als de belastingplichtige de identiteit van de titularis niet meedeelt. De niet mededeling van de identiteit van de titularis door de belastingplichtige kan blijken uit:

- het niet beantwoorden van de vraag tot identificatie van de titularis van de rekening(en) opgenomen in de aan de belastingplichtige gerichte vraag om inlichtingen waarvan sprake is in art. 322, § 2, derde lid, 1°, WIB 92;

- een PV waarin vastgesteld wordt dat tijdens het gevoerde onderzoek bedoeld in paragraaf 2 van art. 322, WIB 92, de belastingplichtige aangesproken werd over de identiteit van de begunstigde(n) van de rekening(en) en deze identiteit niet heeft bezorgd.

Bovendien kan het CAP enkel worden bevraagd wanneer de rekeningnummers naar voor komen tijdens een onderzoek van een welbepaalde en met name genoemde belastingplichtige.

Indien later uit het onderzoek dat eventueel wordt gevoerd bij de titularis van de geïdentificeerde rekening zou blijken dat het CAP opnieuw moet geraadpleegd worden, moet de in art. 322, § 2, WIB 92, voorziene procedure gevolgd worden.

De antwoorden op de vragen om inlichtingen van buitenlandse Staten bedoeld in art. 322, § 4, WIB 92, die in voorkomend geval handelen over niet met name genoemde rekeningen, kunnen eveneens bij het CAP worden opgevraagd. Art. 322, § 4, WIB 92, stelt immers dat § 3 ook van toepassing is op inlichtingen die door een buitenlandse staat worden gevraagd.

Evenwel wordt de aandacht gevestigd op het feit dat het in de praktijk nog niet mogelijk is om het CAP te bevragen op basis van een rekeningnummer. De administratie kan daarentegen deze inlichting bekomen bij de bank-, wissel-, krediet- of spaarinstellingen bepaald in art. 322, § 3, 1ste lid, WIB 92.

B. Wijziging artikel 333, derde lid, WIB 92 (artikel 3, W)

1. Gecoördineerde wettekst

Art. 333 - Onverminderd de bevoegdheden die haar bij de artikelen 351 tot 354 zijn toegekend, kan de administratie de in dit hoofdstuk bedoelde onderzoekingen verrichten en belastingen of aanvullende aanslagen eventueel vestigen, zelfs wanneer de aangifte van de belastingplichtige reeds werd aangenomen en de desbetreffende belastingen reeds werden betaald.

Bedoelde onderzoekingen mogen zonder voorafgaande kennisgeving worden verricht gedurende het belastbaar tijdperk evenals in de termijn bedoeld in artikel 354, eerste lid en in de termijn bedoeld in artikel 354, vierde lid.

Zij mogen bovendien worden verricht gedurende de in artikel 354, tweede lid, bedoelde aanvullende termijn van vier jaar, op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk. Die voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag. Wanneer de onderzoekingen uitgevoerd worden op vraag van een Staat waarmee België een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, of waarmee België een akkoord heeft gesloten inzake de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden, of die samen met België deelneemt aan een ander bilateraal of multilateraal gesloten juridisch instrument, op voorwaarde dat deze overeenkomst, dit akkoord of dit juridisch instrument de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden tussen de akkoordsluitende Staten mogelijk maakt, wordt, de onderzoekstermijn, uitsluitend met het oog op het beantwoorden van de voormelde vraag, zonder voorafgaande kennisgeving verlengd met de aanvullende termijn van vier jaar.

Indien de bijlage bij de aangifte in de inkomstenbelastingen bedoeld in de artikelen 275^8, § 1, vierde lid, en 275^9, § 1, vierde lid, binnen de termijn bedoeld in het tweede lid, onderzocht wordt, mogen deze onderzoekingen betrekking hebben op de belastbare tijdperken waarbinnen de arbeidsplaats geacht wordt behouden te zijn gebleven zoals bedoeld in de artikelen 275^8, § 1, vierde lid, en 275^9, § 1, vierde lid, zonder dat hiervoor een voorafgaande kennisgeving vereist is.

2. Bespreking

De wijziging van het derde lid van art. 333, WIB 92, beoogt de Belgische wetgeving op het vlak van uitwisseling van inlichtingen in overeenstemming te brengen met de internationale OESO standaarden die voorzien dat de informatie moet beschikbaar en opvraagbaar zijn gedurende tenminste vijf jaar.

Als gevolg hiervan voorziet het gewijzigde art. 333, derde lid, WIB 92, voortaan dat wanneer een onderzoek wordt uitgevoerd op vraag van een buitenlandse staat waarmee een rechtsgrond bestaat die het uitwisselen van inlichtingen regelt in verband met een belasting waarop die rechtsgrond van toepassing is, de onderzoekstermijn met betrekking tot de buitenlandse vraag automatisch wordt verlengd met de bijkomende termijn van vier jaar voorzien in art. 354, tweede lid, WIB 92 en dit zonder voorafgaande notificatie.

Het is zo dat, in het geval een onderzoek begint in het buitenland, de normale onderzoekstermijn van drie jaar regelmatig te kort blijkt te zijn om het onderzoek daadwerkelijk uit te voeren en de gevraagde gegevens over te maken aan de vragende buitenlandse staat.

Concreet betekent dit dat het niet nodig is het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking aan te tonen om te kunnen onderzoeken in de bijkomende termijn van 4 jaar wanneer het gaat om een onderzoek op vraag van een buitenlandse staat.

De gegevens die naar aanleiding van het onderzoek binnen de verlengde termijn worden bekomen en waarvoor voorafgaand aan het onderzoek geen notificatie werd verstuurd, mogen enkel worden gebruikt met het oog op het beantwoorden van de vraag van de verzoekende staat.

Indien de fiscale administratie evenwel over aanwijzingen van belastingontduiking beschikt en zij voorafgaand aan het onderzoek de kennisgeving van deze aanwijzingen aan de betrokken belastingplichtige zendt (of reeds heeft verzonden voor het ontvangen van de vraag tot onderzoek van de buitenlandse staat), zal zij de bekomen inlichtingen natuurlijk mogen gebruiken voor het bepalen van de belastbare inkomsten van deze belastingplichtige in België.

C. Wijziging artikel 333/1, WIB 92 (artikel 4, W)

1. Gecoördineerde wettekst

Art. 333/1 - § 1. In de gevallen bedoeld in de artikelen 322, § 2, en 327, § 3, tweede lid, stelt de administratie de belastingplichtige in kennis van de aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking of van de gegevens op grond waarvan zij meent dat het gevoerde onderzoek tot een eventuele toepassing van artikel 341 leidt en die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Deze kennisgeving gebeurt bij aangetekende brief gelijktijdig met het verzenden van de voormelde vraag om inlichtingen.

Het eerste lid is niet van toepassing als de rechten van de Schatkist in gevaar zijn. De kennisgeving gebeurt desgevallend post factum bij een ter post aangetekende brief, uiterlijk 30 dagen na het verzenden van de in het eerste lid vermelde vraag om inlichtingen.

Het eerste lid is niet van toepassing op de in artikel 322, § 4, bedoelde verzoeken om inlichtingen vanwege een buitenlandse Staat. De kennisgeving aan de persoon in wiens hoofde het onderzoek door de buitenlandse Staat wordt gevoerd, gebeurt in dit geval post factum bij aangetekende zending uiterlijk 90 dagen na het verzenden van de informatie aan de buitenlandse Staat.

In afwijking van het derde lid gebeurt geen kennisgeving post factum:

1° wanneer die buitenlandse Staat aantoont zelf reeds een kennisgeving aan de persoon in wiens hoofde het onderzoek wordt gevoerd, te hebben verstuurd;

2° wanneer uit het verzoek om inlichtingen van die buitenlandse Staat blijkt dat er ernstige aanwijzingen van fiscale fraude zijn en deze buitenlandse Staat uitdrukkelijk vraagt om de persoon in wiens hoofde het onderzoek wordt gevoerd niet in kennis te stellen van deze vraag.

§ 2. De belastingadministratie bezorgt de minister eenmaal per jaar een verslag dot onder meer de volgende informatie bevat:

1° het aantal keer dat in overeenstemming met artikel 318, tweede lid, een onderzoek is gevoerd bij financiële instellingen en gegevens zijn gebruikt met het oog op het belasten van hun cliënten;

2° het aantal keren dat in overeenstemming met de artikelen 322, § 2, en 327, § 3, tweede lid, een onderzoek is gevoerd en gegevens zijn opgevraagd bij financiële instellingen;

3° de concrete aanwijzingen, opgedeeld in categorieën, waardoor de personen bedoeld in artikel 322, § 2, tweede lid, zich hebben laten leiden bij hun beslissing om een machtiging te verlenen;

4° het aantal positieve en negatieve beslissingen van de directeuren;

5° een globale evaluatie, zowel op technisch vlak als op juridisch vlak van de wijze waarop de procedure volgens de artikelen 322, §§ 2 tot 4 en 327, § 3, tweede lid is gevoerd.

Dit verslag wordt openbaar gemaakt door de Minister van Financiën en overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.

2. Bespreking

De door art. 4 van de voormelde wet aan art. 333/1, WIB 92, aangebrachte wijzigingen dienen een dubbel doel:

- enerzijds het begrip 'belastingplichtige' vervangen door het begrip 'de persoon in wiens hoofde het onderzoek door de buitenlandse staat wordt gevoerd';

- anderzijds een unieke termijn voor het verzenden van de door art. 333/1, derde lid, WIB 92, voorziene post factum notificatie voorzien alsook de omstandigheden waarin deze notificatie niet moet worden verzonden.

A. Begrip 'persoon in wiens hoofde het onderzoek door de buitenlandse staat wordt gevoerd'

In het kader van een vraag om inlichtingen komende uit het buitenland, kan de persoon beoogd door het onderzoek de titularis zijn van een in België gehouden bankrekening zonder dat diezelfde persoon in de ogen van de Belgische wetgeving als een belastingplichtige beschouwd wordt. De term 'persoon in wiens hoofde het onderzoek door de buitenlandse staat wordt gevoerd' is dus bijgevolg meer aangewezen en voorkomt elk eventueel misverstand over het bekomen van inlichtingen over niet-inwoners, personen met een andere nationaliteit of die geen Belgische belastingplichtigen zijn.

B. Verzending van de kennisgeving post factum

De uitgestelde kennisgeving werd ingevoerd om te voldoen aan de internationale standaard van het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen inzake belastingaangelegenheden. Voor wat de uitwisseling van inlichtingen betreft, is de bron van deze internationale standaard in hoofdzaak artikel 26 van het modelverdrag inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en het modelakkoord inzake uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden (het 'TIEA-Model'), alsook de daarbij horende commentaren.

Beide bronnen verduidelijken dat nationale regelgeving inzake voorafgaande kennisgeving bepaalde uitzonderingen moet bevatten om te vermijden dat bijvoorbeeld niet kan worden voldaan aan dringende verzoeken of dat een voorafgaande kennisgeving het onderzoek van de verzoekende staat ondermijnt of in gevaar brengt. Voorheen bestond er een dubbele termijn voor de post-factum notificatie, zijnde enerzijds niet eerder dan 60 dagen na het verzenden van de inlichtingen aan de buitenlandse staat en anderzijds uiterlijk binnen 90 dagen na de verzending van de vraag om inlichtingen bij een financiële instelling. Deze dubbele termijn was weinig werkbaar en heeft tot interpretatieproblemen geleid (cf. Arrest nr. 107/2015 van het Grondwettelijk Hof van 16.07.2015).

Het doel van de wijziging is dus de dubbele termijn te hervormen in een werkbare termijn zonder te raken aan de waarborg tegen de inmenging in het privéleven, wat de kennisgeving aan de persoon in wiens hoofde het onderzoek door de buitenlandse staat wordt gevoerd, immers beoogt.

Daarom wordt voortaan voorzien in één enkele termijn meer bepaald dat de post-factum notificatie uiterlijk 90 dagen na het verzenden van de informatie aan de buitenlandse staat aan de betrokkene bij aangetekende brief dient te worden gezonden.

C. Omstandigheden waarin geen post-factum notificatie moet worden verzonden

1. Geen kennisgeving indien de buitenlandse staat aantoont dat zij reeds een kennisgeving heeft verzonden aan de persoon tegen wie het onderzoek wordt gevoerd.

De buitenlandse staat zal schriftelijk aan België bevestigen dat zijzelf reeds een kennisgeving heeft verzonden aan de persoon tegen wie het onderzoek wordt gevoerd.

2. Geen notificatie wanneer uit de vraag om inlichtingen van de buitenlandse staat ernstige aanwijzingen van fiscale fraude blijken en de buitenlandse staat expliciet vraagt dat de persoon tegen wie het onderzoek wordt gevoerd niet wordt ingelicht omtrent deze vraag.

Het is een feit dat de federale staat de taak heeft haar internationale betrekkingen te beschermen. Gelet op het wederzijds respect dat vereist is in bilaterale betrekkingen, kan de vraag van de verzoekende staat tot geheimhouding niet naast zich worden gelegd.

Overeenkomstig de OESO-standaarden is de mogelijkheid voor de buitenlandse staat voorzien, mits het aantonen van 'aanvaardbare redenen', om aan België te vragen niet over te gaan tot een notificatie post factum. Om ontvankelijk te zijn voor België moet uit deze vraag ernstige aanwijzingen van fiscale fraude blijken.

Teneinde de rechten van de personen in wiens hoofde het onderzoek wordt gevoerd, zo goed mogelijk te vrijwaren zullen de ernstige aanwijzingen van fiscale fraude in dit geval geïnterpreteerd worden volgens de criteria van de Belgische wetgeving. Daartoe kan onder andere worden verwezen naar de Com.IB nr. 333/1/12, waarin een niet limitatieve lijst van vaststellingen die een aanwijzing van fiscale fraude kunnen vormen is opgenomen.

Wanneer de verzoekende staat expliciet stelt dat er geen voorafgaande notificatie mag worden verzonden, zou de Belgische fiscus bovendien het onderzoek in het gedrang kunnen brengen indien er geen rekening wordt mee gehouden. De Belgische fiscus is immers geen betrokken partij bij de uiteindelijke taxatie. Voor deze taxatie zijn de regels van bewijsvoering, rechtsbescherming en privacy van de verzoekende staat van toepassing.

Bovendien kan de vraag om inlichtingen door de buitenlandse Staat pas worden gesteld nadat deze staat al haar middelen heeft uitgeput die ze tot haar beschikking heeft om de bedoelde inlichtingen te bekomen, zonder dat het bereiken van haar doelstellingen in het gedrang dreigt te komen. Pas als dit niet lukt, kan er een verzoek aan de partnerstaat volgen. Ook de verzoekende staat moet voldoen aan procedureregels die een evenwicht vormen tussen de rechten van de administratie om een onderzoek te voeren en het recht van de belastingplichtige op privacy enerzijds en het recht op verdediging anderzijds, net zoals dit in België het geval is. Bovendien geldt er in het buitenland ook een principe van meewerkplicht van de persoon in wiens hoofde het onderzoek wordt gevoerd.

D. Nieuw artikel 337/1, WIB 92 (artikel 5, W)

1. Gecoördineerde wettekst

Art. 337/1 - In afwijking van artikel 4 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, mogen de verzoeken om inlichtingen van buitenlandse autoriteiten en de antwoorden verstrekt aan die autoriteiten evenals elke andere correspondentie tussen de bevoegde autoriteiten niet openbaar worden gemaakt zolang het onderzoek van de buitenlandse autoriteit niet is afgesloten en voor zover de openbaarmaking nadelig zou zijn voor het voormelde onderzoek, tenzij de buitenlandse autoriteit haar uitdrukkelijk akkoord heeft gegeven voor deze openbaarmaking.

Het in het eerste lid bedoelde akkoord wordt geacht te zijn bekomen wanneer de buitenlandse autoriteit niet reageert binnen een termijn van 90 dagen te rekenen vanaf het verzenden door de Belgische Staat van de vraag tot inzage, en de informatie niet verschaft dat de vertrouwelijkheid van de uitgewisselde gegevens en de correspondentie volgens de voorwaarden van dit artikel moet voortduren, wanneer de persoon in wiens hoofde het onderzoek door de buitenlandse Staat wordt gevoerd uitdrukkelijk deze toegang aan de Belgische Staat heeft gevraagd.

2. Bespreking

Teneinde de doeltreffendheid van de internationale onderzoeken die aanleiding geven tot vragen om inlichtingen door een buitenlandse staat, niet zou worden geschaad, werd in artikel 337/1 van het WIB 92, een afwijking voorzien op de wet van 01.04.1994 betreffende de openbaarheid van bestuur.

De federale staat heeft immers de taak haar internationale betrekkingen te beschermen en gelet op het wederzijdse respect dat vereist is in bilaterale betrekkingen, kan de vraag van de verzoekende staat tot geheimhouding niet naast zich worden gelegd.

Teneinde het welslagen van de internationale onderzoeken te garanderen, wordt er derhalve afgeweken van de verplichting van passieve openbaarheid voorzien in artikel 4 van voormelde wet, wat betreft de vragen om inlichtingen, de verzonden antwoorden en de briefwisseling tussen de bevoegde autoriteiten, behalve indien de buitenlandse staat uitdrukkelijk haar goedkeuring heeft gegeven voor de verspreiding ervan.

Deze afwijking betreft alle stukken die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met het onderzoek van een buitenlandse staat, daar hun vroegtijdige vrijgave dit onderzoek zou kunnen compromitteren.

Teneinde evenwel de rechten van de persoon in wiens hoofde een buitenlandse staat aan de Belgische fiscus inlichtingen vraagt, zoveel als mogelijk te vrijwaren, wordt een beperking van het verbod van toegang ingevoerd tot de periode gedurende de welke het onderzoek van de buitenlandse staat loopt en voor zover inzage en afschrift dit onderzoek kan schaden. Zodra het onderzoek van de buitenlandse staat is afgesloten, vervalt het verbod.

Indien de buitenlandse staat haar uitdrukkelijk akkoord heeft gegeven voor de inzage en afschrift van de desbetreffende stukken, betekent dit niet dat de Belgische staat automatisch inzage en afschrift van die stukken dient te geven. Het is immers best mogelijk dat één of meerdere van de uitzonderingsgronden bepaald in artikel 6 van de wet van 11.04.1994 betreffende de openbaarheid van bestuur dienen te worden ingeroepen wat betreft bepaalde delen van die stukken of die stukken in hun geheel.

Voorafgaande geldt ook indien de voorwaarden bepaald in artikel 337/1, WIB 92, niet vervuld zijn (bijvoorbeeld onderzoek van de buitenlandse staat is afgerond).

Er wordt opgemerkt dat enerzijds volgens artikel 337/1, WIB 92, de buitenlandse staat 90 dagen de tijd heeft om te reageren op de vraag van de Belgische staat, maar dat anderzijds artikel 6, § 5, van de bovenvermelde wet betreffende de openbaarheid van bestuur bepaalt dat binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de vraag om openbaarheid (desgevallend met verlenging van vijftien dagen) aan de verzoeker kennis moet worden gegeven van de redenen van uitstel of afwijzing van zijn verzoek. Indien derhalve binnen de voormelde termijn van dertig dagen (of eventueel 45 dagen) geen antwoord werd ontvangen van de buitenlandse staat, dient aan de verzoeker te worden geantwoord, met verwijzing naar de afwijkingsbepaling bepaald in artikel 337/1, WIB 92, met name:

- dat de Belgische staat het akkoord van de buitenlandse staat dient te vragen alvorens de gevraagde stukken te mogen mededelen;

- dat de buitenlandse staat over een antwoordtermijn van 90 dagen beschikt vanaf de datum van verzending van die vraag door de Belgische staat;

- alsook de vermelding van de datum van die vraag van de Belgische staat aan de buitenlandse staat en het feit dat de Belgische staat hierop nog geen antwoord heeft ontvangen.

Dit akkoord van de buitenlandse staat is automatisch verworven wanneer de buitenlandse autoriteit niet binnen een termijn van 90 dagen op de vraag van de Belgische staat reageert en de informatie niet verschaft dat de vertrouwelijkheid van de uitgewisselde gegevens en de briefwisseling volgens het voorschrift van dit artikel moet voortduren. In dergelijk geval wordt aan de aanvrager tot inzage of afschrift medegedeeld dat de Belgische staat geen antwoord heeft ontvangen van de buitenlandse staat binnen de in artikel 337/1, WIB 92, wettelijk bepaalde termijn van 90 dagen. Ook hier betekent dit niet dat de Belgische staat automatisch inzage en afschrift van die stukken dient te geven daar het best mogelijk is dat één of meerdere van de uitzonderingsgronden bepaald in artikel 6 van de wet van 11.04.1994 betreffende de openbaarheid van bestuur dienen te worden ingeroepen wat betreft bepaalde delen van die stukken of die stukken in hun geheel.

Er wordt aan herinnerd dat in iedere weigeringsbeslissing ook de in artikel 8, § 2 van de wet van openbaarheid van bestuur van 11.04.1994 bepaalde beroepsmogelijkheden dienen te worden vermeld.

Tot slot wordt opgemerkt dat de uitwisseling van inlichtingen met buitenlandse staten inzake directe belastingen enkel kan gebeuren via de hiertoe bevoegde verbindingsdiensten. Dit is dus ook het geval voor de vraagstelling aan de buitenlandse staat in het kader van de toepassing van art. 337/1, WIB 92.

Wat betreft de AAFisc, is de hiertoe bevoegde dienst de IEOI (International Exchange of Information). Buitendiensten van de AAFisc die een vraag tot inzage of afschrift ontvangen van stukken, die de uitwisseling van inlichtingen in het kader van een onderzoek van een buitenlandse autoriteit betreffen, dienen derhalve het verzoek om inzage of afschrift onverwijld door te sturen naar deze dienst, meer bepaald naar het e-mailadres Uitw.inl.DB@minfin.fed.be of Ech.rens.CD@minfin.fed.be, met vermelding van de refertes van het dossier internationale samenwerking.

Wat betreft de AABBI, is de hiertoe bevoegde dienst de dienst CA BBI - Internationale interdepartementale samenwerking. Buitendiensten van de AABBI die een vraag tot inzage of afschrift ontvangen van stukken, die de uitwisseling van inlichtingen in het kader van een onderzoek van een buitenlandse autoriteit betreffen, dienen derhalve het verzoek om inzage of afschrift onverwijld door te sturen naar deze dienst, meer bepaald naar bbisi.cdb.int@minfin.fed.be en naar aca.bbisi@minfin.fed.be, met vermelding van de refertes van het dossier internationale samenwerking.

E. Wijziging artikel 444, eerste lid, WIB 92 (artikel 6, W)

1. Gecoördineerde wettekst

Art. 444 - Bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van de aangifte of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte, worden de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen, bepaald voor enige verrekening van de voorheffingen, de belastingkredieten, het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting en de voorafbetalingen, vermeerderd met een belastingverhoging die wordt bepaald naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding, volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld en gaande van 10 pct tot 200 pct van de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen.

Bij ontstentenis van kwade trouw kan worden afgezien van het minimum van 10 pct belastingverhoging.

Het totaal van de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen en de belastingverhogingen mag niet hoger zijn dan het bedrag van de niet aangegeven inkomsten.

De verhoging wordt slechts toegepast wanneer de niet aangegeven inkomsten 2.500 EUR bereiken.

Geen belastingverhoging wordt toegepast, wanneer verdoken meerwinsten, als bedoeld in de artikelen 219 en 233, tweede lid, terug in de boekhouding worden opgenomen in een later boekjaar dan het boekjaar tijdens hetwelk de meerwinst werd verwezenlijkt. volgens de in datzelfde artikel 219, vierde lid, bedoelde voorwaarden.

2. Bespreking

Vóór de wijziging van art. 444, WIB 92, door de wet houdende maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude van 30.06.2017, stelde dit artikel dat er bij een niet-aangifte of in geval van een onvolledige aangifte een belastingverhoging kan toegepast worden als administratieve sanctie. De laattijdige aangifte werd niet bij name genoemd.

Belastingplichtigen die overeenkomstig art. 305, eerste lid, WIB 92, gehouden zijn om ieder jaar aan de administratie belast met de inkomstenbelastingen een aangifte over te leggen, zijn gehouden dit te doen in de vormen en binnen de termijnen omschreven in de art. 307 tot 311, WIB 92.

De termijnen voorgeschreven voor het indienen van de aangifte, zijn dwingend van aard. Wanneer de belastingplichtige zijn aangifte laattijdig indient, voldoet hij niet aan de bij wet voorgeschreven aangifteplicht.

Het kan niet de bedoeling van de wetgever geweest zijn om de laattijdige aangifte vrij te stellen van een eventuele belastingverhoging. Teneinde de geest van de wet te laten overeenstemmen met de werkelijkheid en elk eventueel misverstand uit te sluiten, wordt een laattijdige aangifte nu ook letterlijk vermeld (Parl. St., Kamer, DOC 54 2400/001, blz. 13 en 2400/003, blz. 5). Om verdere interpretatieproblemen te vermijden, wordt een laattijdige aangifte expliciet gelijkgesteld met een niet-aangifte (Parl. St., Kamer, DOC 54 2400/003, blz. 12).

III. Inwerkingtreding van de wijzigingen

De wet van 30.06.2017 voorziet geen datum van inwerkingtreding voor deze wijzigingen noch voor het nieuwe art. 337/1, WIB 92. De wet treedt bijgevolg in werking vanaf de 10de dag volgend op haar publicatie in het BS m.a.w. vanaf 17.07.2017.

Interne ref.: 713.460