Circulaire nr. Ci.D.19/416.334 23e afl. dd. 06.02.1992

CIRC 06.02.92/1

Circulaire nr. Ci.D.19/416.334 23e afl. dd. 06.02.1992


Bull. nr. 714, pag. 827

FISCALE BEPALINGEN 1989
Investeringsaftrek

INVESTERINGSAFTREK
Gespreide investeringsaftrek
Indexering van het basispercentage
Investeringen in de audiovisuele nijverheid
Overdracht
Percentage
Uitgesloten investeringen
Verhoogde investeringsaftrek


Commentaar op de art. 304, 309, 7° en 330, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen, aangevuld met de commentaar op art. 2, W. 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen en de op art. 33, W. 20.7.1991 houdende begrotingsbepalingen (investeringsaftrek).

INVESTERINGSAFTREK

INHOUDSTABEL I. WETTEKSTEN A. Wet van 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen I/311 B. Wet van 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen I/312 C. Wet van 20.07.1991 houdende begrotingsbepalingen I/313 D. Officieuze gecoördineerde wettekst I/314 - I/315 II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE I/316 III.PERCENTAGES A. Basispercentage (gewone investeringsaftrek) 1. Algemeen I/317 2. Investeringen in het kalenderjaar 1990 I/318 3. Investeringen in het kalenderjaar 1991 I/319 B. Verhoogde en gespreide investeringsaftrek I/320 - I/321 C. Overzicht van de percentages I/322 IV. AUDIOVISUELE NIJVERHEID A. Algemeen I/323 - I/324 B. Beoogde investeringen 1. Algemeen I/325 2. Belgische produkties I/326 - I/328 3. Beoogde films I/329 - I/330 4. Afstand van rechten I/331 - I/332 C. Inwerkingtreding I/333 V. OVERDRACHT VAN DE INVESTERINGSAFTREK A. Voorafgaande opmerking I/334 B. Draagwijdte I/335 C. Beperking van de aftrek I/336 D. Indexering I/337 E. Voorbeelden I/338 - I/340 F. Inwerkingtreding I/341 VI. ONROERENDE GOEDEREN VAN VASTGOEDHANDELAARS A. Algemeen I/342 B. Inwerkingtreding I/343 I. WETTEKSTEN

A. Wet van 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen (V. 2019 - B. 691)

Art. 304

I/311

In artikel 20, § 1, a, van de wet van 7 december 1988, houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° met ingang van 1 januari 1990, worden de woorden "verhoogd met 3 percentpunten" en de woorden "minder dan 5 % of meer dan 12 %" respectievelijk vervangen door de woorden "verhoogd met 2 percentpunten" en de woorden "minder dan 4 % of meer dan 11 %";

2° vanaf 1 januari 1991, worden dezelfde woorden "verhoogd met 3 percentpunten" en "minder dan 5 % of meer dan 12 %" respectievelijk vervangen door "verhoogd met 1,5 percentpunten" en "minder dan 3,5 % of meer dan 10,5 %".

Art. 309

In het Wetboek van de inkomstenbelastingen worden opgeheven :

.....

artikel 42ter, § 6, tweede lid, 3°, ingevoegd door artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 48 van 22 juni 1982 (*);

.....

(*) Art. 42ter, § 6, tweede lid, 3°, WIB, luidde als volgt :
"Het (dit artikel) is evenmin van toepassing op :
.....

de onroerende goederen die in artikel 36bis bedoelde belastingplichtigen hebben verkregen met het oog op wederverkoop;"
Art. 330

Artikel 20 van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen, wordt aangevuld met een § 4 luidend als volgt :

"§ 4. - De uitsluiting bedoeld in artikel 42ter, § 6, tweede lid, 4°, is niet van toepassing op de audiovisuele werken waarvan de distributierechten, met uitsluiting van alle andere rechten, tijdelijk worden afgestaan aan derden met het oog op het uitzenden van deze werken in het buitenland.

Onder in het vorige lid bedoelde audiovisuele werken wordt verstaan de werken die als Belgisch worden erkend en voldoen aan de vereisten gesteld bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 23 oktober 1963 tot hulpverlening aan de Belgische filmnijverheid, waarvan de rechten door hun eigenaar voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid in België worden gebruikt en die voldoen aan de volgende criteria :

  • een dramatische film, fictie- of animatiefilm, of een documentaire filmcreatie zijn, met uitsluiting van filmjournaals en reclamefilms;
  • de vertoning ervan moet minstens 60 minuten duren in een enkele projectie of door samenvoeging van de projectietijden van een reeks episodes die samen een homogeen werk vormen."


Art. 333



§1. Deze titel is van toepassing :
1° met betrekking tot de artikelen ..... en 330, met ingang van het aanslagjaar 1990;

.....

7° met betrekking tot de artikelen ....., 309, 3° tot 7° en ....., op de vanaf 1 januari 1990 vastgestelde, uitgedrukte of verwezenlijkte meerwaarden;

.....

B. Wet van 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale
bepalingen (V. 2073 - B. 702)

Art. 2

I/312

In artikel 42ter, § 4, van hetzelfde Wetboek (*) ... worden de woorden "voor dat belastbaar tijdperk niet-verleende vrijstelling achtereenvolgens overgedragen op de winsten van de volgende belastbare tijdperken" vervangen door de woorden "niet-verleende vrijstelling voor dat belastbaar tijdperk en voor de vorige belastbare tijdperken achtereenvolgens overgedragen op de winsten van de volgende belastbare tijdperken, zonder dat de aftrek telkens hoger mag zijn dan 25 % van de niet-verleende vrijstelling of 25.000.000 frank".

(*) Wetboek van de inkomstenbelastingen.

Art. 32

.....

§ 5. De artikelen 2, ..... zijn van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992.

.....

C. Wet van 20.07.1991 houdende begrotingsbepalingen (V. 2122 - B. 709)

Art. 33

I/313

Artikel 42ter, § 4, van hetzelfde Wetboek (*) ... wordt vervangen door de volgende bepaling :

"§ 4. Indien een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst oplevert om de investeringsaftrek te kunnen verrichten, wordt de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstelling achtereenvolgens overgedragen op de winsten van de volgende belastbare tijdperken.

De aftrek van de overgedragen vrijstelling op de winsten van elk van de volgende belastbare tijdperken mag in geen geval per belastbaar tijdperk meer bedragen dan 25 miljoen frank of, wanneer het totale bedrag van de overgedragen vrijstelling op het einde van het vorig belastbare tijdperk 100 miljoen frank overtreft, 25 % van dat totale bedrag.".

(*) Wetboek van de inkomstenbelastingen.

Art. 41



§1. Dit hoofdstuk is van toepassing :
1° met betrekking tot de artikelen 32 tot 34, 1°, met ingang van het aanslagjaar 1992;

.....

D. Officieuze gecoördineerde wettekst

I/314

Voor een beter begrip van de vigerende wettelijke bepalingen volgt hierna een officieuze gecoördineerde tekst van de inzake PB geldende bepalingen van art. 20 van de hervormingswet van 07.12.1988.

Niet aangestreepte teksten zijn van toepassing met ingang van het aj. 1990 (art. 39, eerste lid, 1°, W. 07.12.1988).

Van de aangestreepte teksten is in de marge aangegeven wanneer ze in werking treden.

Wat art. 42ter, § 4, WIB betreft dat volledig door art. 33, W. 20.07.1991 is vervangen, wordt, zowel wat de inhoud als de inwerkingtreding betreft, verwezen naar nr. I/313.

Art. 20, hervormingswet 07.12.1988 (onder meer gewijzigd door art. 304 en 330, W. 22.12.1989)

I/315

§ 1. De in artikel 42ter, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bepaalde percentages van de investeringsaftrek worden vervangen als volgt :

a) als basispercentage van de aftrek geldt de percentsgewijs uitgedrukte stijging van het gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen van het Rijk voor het jaar dat het jaar van de investering voorafgaat ten opzichte van het gemiddelde van de indexcijfers van het eraan voorafgaande jaar, afgerond tot de hoger of lagere eenheid naargelang de breuk al dan niet vijftig honderdsten bedraagt, en verhoogd met :

========================================================================== aj. 1990 (art. 39, eerste lid, 1°, W. 07.12.1988) (*) ========================================================================== (*) Alsmede de in 1989 gedane investeringen die aan het aj. 1991 verbonden zijn (boekjaar 1989-1990). - 3 percentpunten zonder dat het aldus bekomen percentage minder dan 5 % of meer dan 12 % mag bedragen; ========================================================================== in 1990 gedane investeringen (art. 304, 1°, W. 22.12.1989) ========================================================================== - 2 percentpunten zonder dat het aldus bekomen percentage minder dan 4 % of meer dan 11 % mag bedragen; ========================================================================== vanaf 01.01.1991 gedane investeringen (art. 304, 2°, W. 22.12.1989) ========================================================================== - 3,5 percentpunten zonder dat het aldus bekomen percentage minder dan 3,5 % of meer dan 10,5 % mag bedragen;

b)het basispercentage wordt verhoogd :
1° ofwel met 10 percentpunten wanneer het gaat hetzij om bestanddelen die worden gebruikt ter bevordering van het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe produkten en toekomstgerichte technologieën die ofwel geen effecten hebben op het leefmilieu of doe beogen de negatieve effecten op het leefmilieu te minimaliseren, hetzij om bestanddelen waarmede een rationeler energieverbruik, de verbetering van de industriële processen uit energetische overwegingen en, in het bijzonder, de terugwinning van energie in de industrie wordt beoogd;

2° ofwel met 7 percentpunten in de gevallen bedoeld in artikel 42ter, § 3, van hetzelfde Wetboek.

Wanneer de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, het in het eerste lid, a), bedoelde basispercentage van de aftrek verhogen.

§ 2. Het genoemde artikel 42ter is ook van toepassing op de in artikel 20, 3°, van hetzelfde Wetboek bedoelde baten.



§3. ... (*).
§ 3bis. ... (ingevoegd door art. 22, W. 28.12.1990) (*).



(*)Deze bepalingen belangen specifiek de vennootschappen aan en zullen in een afzonderlijke circulaire worden toegelicht.
========================================================================== met ingang van het aj. 1990 (art. 333, § 1, 1°, W. 22.12.1989) ========================================================================== § 4. De uitsluiting bedoeld in artikel 42ter, § 6, tweede lid, 4°, is niet van toepassing op de audiovisuele werken waarvan de distributie- rechten, met uitsluiting van alle andere rechten, tijdelijk worden afge- staan aan derden met het oog op het uitzenden van deze werken in het buitenland. Onder in het vorige lid bedoelde audiovisuele werken wordt verstaan de werken die als Belgische worden erkend en voldoen aan de vereisten gesteld bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 23 oktober 1963 tot hulpverlening aan de Belgische filmnijverheid, waarvan de rechten door hun eigenaar voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid in België worden gebruikt en die voldoen aan de volgende criteria : - een dramatische film, fictie- of animatiefilm, of een documentaire filmcreatie zijn, met uitsluiting van filmjournaals en reclamefilms; - de vertoning ervan moet minstens 60 minuten duren in een enkele projectie of door de samenvoeging van de projectietijden van een reeks episodes die samen een homogeen werk vormen. II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE

I/346

Naast de opheffing van een eigenlijk overbodige bepaling (art. 42ter, § 6, tweede lid, 3°, WIB) (*), kunnen de besproken wetswijzigingen met betrekking tot de investeringsaftrek als volgt worden samengevat :



(*)Voortvloeiend uit de opheffing van een speciale meerwaardenregeling voor vastgoedhandelaars (art. 36bis, WIB).
de basispercentages verschillen naargelang de investeringen gedaan zijn in het aan het aj.1990 verbonden belastbare tijdperk (*), in het jaar 1990 of vanaf 01.01.1991;
(*)Alsmede de in 1989 gedane investeringen die aan het aj. 1991 verbonden zijn (boekjaar 1989-1990).
audiovisuele werken waarvan alleen de distributierechten tijdelijk aan derden worden afgestaan met het oog op het uitzenden van die werken in het buitenland zijn met ingang van het aj. 1990 niet meer van de investeringsaftrek uitgesloten;
indien de (wegens gebrek aan voldoende winst of baten) naar een later belastbaar tijdperk overgebrachte investeringsaftrek meer dan 25.000.000 F bedraagt, moet die aftrek met ingang van het aj. 1992 over meerdere belastbare tijdperken worden gespreid.
III. PERCENTAGES

A. Basispercentage (gewone investeringsaftrek)

1. Algemeen

I/317

Zoals blijkt uit de officieuze gecoördineerde tekst van art. 20, § 1, a, hervormingswet 1988 (I/315), verschillen de basispercentages van de investeringsaftrek naargelang de investeringen gedaan zijn in het aan het aj. 1990 (of aj. 1991, voor de in 1989 gedane investeringen die verband houden met het boekjaar 1989-1990) verbonden belastbare tijdperk, in het jaar 1990 of vanaf 01.01.1991.

In de hiernavolgende nrs. wordt de berekening gegeven van het basispercentage dat geldt voor investeringen tijdens de kalenderjaren 1990 en 1991. Voor meer uitleg over de berekeningswijze wordt verwezen naar nrs. II/160 tot 173 van de commentaar op de hervormingswet 1988 (12e aflevering).

2. Investeringen in het kalenderjaar 1990

I/318

Het basispercentage wordt als volgt berekend : 1° gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen over het jaar 1989 : 1672,21 : 12 = 139,35 2° gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen over het jaar 1988 : 1621,83 : 12 = 135,15 3° verschil : 139,35 - 135,15 = 4,20 4° 4,20 : 135,15 = 0,0311 5° procentuele stijging : 0,0311 x 100 = 3,11 6° afronding : 3 7° verhoging (met 2 percentpunten) 3 + 2 = 5 Daar het resultaat (5 %) begrepen is tussen de wettelijke vastgelegde minimum- en maximumpercentages (respectievelijk 4 % en 11 %), is het basispercentage voor de in 1990 gedane investeringen gelijk aan 5 %.

3. Investeringen in het kalenderjaar 1991

I/319

Het voor het kalenderjaar 1991 voor natuurlijke personen toe te passen basispercentage (*) wordt als volgt berekend :



(*)Voor vennootschappen geldt immers een ander basispercentage. De voor vennootschappen geldende bepalingen zullen evenwel in een afzonderlijke circulaire worden toegelicht.
1° gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen over het jaar 1990 : 1729,86 : 12 = 144,16 2° gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen over het jaar 1989 : 1672,21 : 12 = 139,35 3° verschil : 144,16 - 139,35 = 4,81 4° 4,81 : 139,35 = 0,0345 5° procentuele stijging : 0,0345 x 100 3,45 6° afronding : 3 7° verhoging (met 1,5 percentpunten) 3 + 1,5 = 4,5 Daar het verkregen resultaat (4,5 %) begrepen is tussen de wettelijk vastgelegde minimum- en maximumpercentages (respectievelijk 3,5 % en 10,5 %), is het basispercentage voor de in 1991 gedane investeringen gelijk aan 4,5 %.

B. Verhoogde en gespreide investeringsaftrek

I/320

De in nrs. I/311 en 312 aangehaalde wetswijzigingen doen geen afbreuk aan de bepalingen van art. 20, § 1, b, hervormingswet 1988, die stellen dat het basispercentage van de investeringsaftrek wordt verhoogd :

  • met 10 percentpunten voor energiebesparende investeringen en milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling (zie nrs. II/157 en 158 van de commentaar op de hervormingswet 1988);
  • met 7 percentpunten ingeval de gespreide aftrek wordt toegepast (zie nrs. II/168 tot 171 van de voormelde commentaar).


I/321

Voor in 1991 gedane investeringen bedraagt het percentage van de verhoogde investeringsaftrek derhalve 14,5 % (nl. 4,5 % + 10 %) en dat van de gespreide investeringsaftrek 11,5 % (nl. 4,5 % + 7 %).

C. Overzicht van de percentages

I/322

In de hiernavolgende tabel wordt een overzicht gegeven van de percentages die inzake investeringsaftrek gelden voor de investeringen die tijdens de kalenderjaren 1989 tot 1991 door natuurlijke personen zijn gedaan.

Die percentages gelden voor alle natuurlijke personen, ongeacht of zij een boekhouding voeren of niet (inzonderheid handelaars en beoefenaars van vrije beroepen) dan wel een boekhouding voeren per kalenderjaar of anders (inzonderheid handelaars).

------------------------------------------------------------------- | Investeringen van het kalenderjaar : | 1989 | 1990 | 1991 | |-----------------------------------------------------------------| | - gewone investeringen : | 5 % | 5 % | 4,5 % | | | | | | | - energiebesparende investeringen : | 15 % | 15 % | 14,5 % | | | | | | | - milieuvriendelijke investeringen | | | | | voor onderzoek en ontwikkeling : | 15 % | 15 % | 14,5 % | | | | | | | - gespreide aftrek : | 12 % | 12 % | 11,5 % | ------------------------------------------------------------------- IV. AUDIOVISUELE NIJVERHEID

A. Algemeen

I/323

Overeenkomstig art. 42ter, § 6, tweede lid, 4°, WIB kan geen investeringsaftrek worden verleend voor vaste activa waarvan het gebruik (anders dan krachtens een leasingcontract of een overeenkomst van erfpacht, opstal of gelijkaardige onroerende rechten) is afgestaan aan derden, tenzij de afstand is geschied ten voordele van bedrijven in de zin van art. 20, 1°, WIB die het gebruik van die vaste activa bestemmen voor de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid in België zonder het geheel of gedeeltelijk over te dragen aan een derde.

I/324

De wetgever achtte het echter aangewezen een gunstig fiscaal kader te scheppen voor een snellere expansie van de Belgische audiovisuele nijverheid.

Daarom is art. 20, hervormingswet 1988 aangevuld met een § 4 dat bepaalt dat de in art. 42ter, § 6, tweede lid, 4°, WIB vermelde uitsluiting niet van toepassing is op sommige audiovisuele werken waarvan de distributierechten, met uitsluiting van alle andere rechten, tijdelijk aan derden worden afgestaan om die werken in het buitenland uit te zenden.

B. Beoogde investeringen

1. Algemeen

I/325

Het betreft hier eigenlijk (nieuwe) vaste activa betreffende Belgische filmprodukties waarvan de rechten door de eigenaar in België voor zijn beroepswerkzaamheid worden gebruikt en waarvan slechts de distributierechten tijdelijk aan derden worden afgestaan met het oog op het uitzenden van die produkties in het buitenland.

2. Belgische produkties

I/326

Alleen audiovisuele werken die als Belgisch zijn erkend en voldaan aan de vereisten van art. 3, KB 23.10.1963 tot hulpverlening aan de Belgische filmnijverheid, komen in aanmerking.

I/327

Dienaangaande bepaalt art. 3 (*) van het voormelde KB het volgende :

(*) Zoals gewijzigd bij KB 12.05.1972.

"Als Belgische films in de zin van artikel 1, 2°, worden erkend, de films die aan de volgende eisen voldoen :

1. voor alle films, met uitzondering van filmjournaals, geldt het volgende :



a)zij moeten vervaardigd zijn door natuurlijke of rechtspersonen van Belgische nationaliteit, die hun technische en handelswerkzaamheid in België uitoefenen.

Onderdanen echter van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen, die het beroep van filmproducent uitoefenen, kunnen eveneens onder dezelfde voorwaarden het voordeel der hulpverlening aan de Belgische filmnijverheid genieten. Dezelfde hulpverlening mag eveneens, onder voorbehoud van wederkerigheid, toegekend worden aan onderdanen van andere landen, die aan dezelfde voorwaarden voldoen;
b)De films moeten in België gedraaid zijn. Buitenopnamen mogen echter in het buitenland zijn gemaakt, indien draaiboek of klimaatomstandigheden het vereisen. Alle laboratorium- en studiowerkzaamheden moeten, behalve wanneer het technisch onmogelijk is, in België zelf verricht zijn;
c)Alle werklieden en figuranten die tot het maken van de film hebben bijgedragen moeten Belgische staatsburgers zijn of onderdanen van een derlidstaten van de Europese Gemeenschappen.

In de behoorlijk verantwoorde gevallen mag vooraf om een afwijking op punt b) voor opnamen in het buitenland verzocht worden;
d)Van de gezamenlijke bezoldigingen en terugbetaalbare kosten die uitbetaald zijn aan hen die zowel op intellectueel als op artistiek en technisch gebied tot het maken van de film hebben bijgedragen, moeten ten minste 50 t.h. naar Belgen zijn gegaan of naar onderdanen van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen.
Films, die gemaakt zijn overeenkomstig akkoorden voor coproduktie tussen België en vreemde staten of tussen Belgische en vreemde producenten, kunnen met de als Belgische films erkende films worden gelijkgesteld.

De gelijkstelling kan slechts na voorafgaande goedkeuring der coproduktievoorwaarden door de Minister van Economische Zaken en Energie worden bekomen.

2. Voor filmjournaals geldt het volgende :

...... (*) "



(*)Ter zake zonder belang (zie nr. I/330).
I/328

Normaliter zou het erkenningsbewijs door de (nationale) Minister van Economische Zaken moeten worden uitgereikt.

Art. 2, 2°, eerste lid van datzelfde besluit van 23.10.1963 luidt immers als volgt :

" 2. De film moet als een Belgische film erkend zijn. Het erkenningsbewijs wordt door de Minister van Economische Zaken en Energie, na advies van de in artikel 8 bedoelde Filmcommissie, aan de producenten afgeleverd."

Daar deze materie thans evenwel onder de bevoegdheid van de Gemeenschappen valt, worden de desbetreffende dossiers met ingang van 01.01.1991 door de hiernavermelde diensten behandeld :

  • Vlaamse Gemeenschap
    Departement Economie, Werkgelegenheid
    en Binnenlandse Aangelegenheden
    Administratie Economie
    Markiesstraat 1 - 5e verdieping
    1000 BRUSSEL
  • Communauté Française
    Ministère de la culture et des affaires sociales
    Direction de l'audio-visuel
    Espace 27 septembre
    44 Boulevard Leopold II
    1080 BRUXELLES


In voorkomend geval behandelt deze laatste dienst eveneens de dossiers van de Duitstalige Gemeenschap.

3. Beoogde films

I/329

Niet alle films komen voor de hier besproken maatregel in aanmerking.

Krachtens art. 20, § 4, tweede lid, hervormingswet 1988, geldt die maatregel alleen voor dramatische films, fictie- of animatiefilms en documentaire filmcreaties -met uitsluiting van filmjournaals en reclamefilms- waarvan de vertoning ten minste 60 minuten duurt in een enkele projectie of door samenvoeging van de projectietijden van een reeks episodes die samen een homogeen werk vormen.

I/330

De beoogde gunstmaatregel is dus inzonderheid niet van toepassing op filmjournaals, reclamefilms, videoclips en reclamespots, evenmin als op films met een totale projectieduur van minder dan 60 minuten.

4. Afstand van rechten

I/331

De uitsluiting ingevolge art. 42ter, § 6, tweede lid, 4°, WIB is niet van toepassing (m.a.w. de investeringsaftrek wordt toch verleend) op audiovisuele werken waarvan de distributierechten, met uitsluiting van alle andere rechten, tijdelijk aan derden worden afgestaan om die werken in het buitenland uit te zenden.

Dit betekent dat de afstand van rechten :



a)uitsluitend de distributierechten mag betreffen;
b)slechts van tijdelijke aard mag zijn.
Een definitieve afstand van de distributierechten evenals een (tijdelijke of definitieve) afstand van andere rechten sluit de toepassing van art. 20, § 4, hervormingswet 1988 bijgevolg uit.

I/332

Tenslotte wordt de aandacht erop gevestigd dat de aan de audiovisuele werken verbonden rechten door de eigenaar voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid in België moeten worden gebruikt.

C. Inwerkingtreding

I/333

De in nrs. I/323 tot 332 hierboven besproken maatregel betreffende de investeringsaftrek op audiovisuele werken treedt in werking met ingang van het aj. 1990 (cf. art. 333, § 1, 1°, W. 22.12.1989).

V. OVERDRACHT VAN DE INVESTERINGSAFTREK

A. Voorafgaande opmerking

I/334

De volledige vervanging van art. 42ter, § 4, WIB door art. 33, W. 20.07.1991, heeft tot gevolg dat de door art. 2, W. 28.12.1990 in diezelfde § 4 aangebrachte wijzigingen (zie nr. I/312) in de praktijk nooit uitwerking hebben gehad. Beide wetteksten stellen immers dat ze met ingang van het aj. 1992 in werking treden.

De hiernavolgende commentaar betreft dan ook uitsluitend de tekst van art. 42ter, § 4, WIB zoals die door art. 33, W. 20.07.1991 is vervangen.

B. Draagwijdte

I/335

Daar waar de investeringsaftrek die wegens gebrek aan voldoende winsten of baten naar een volgen aanslagjaar werd overgebracht voorheen onbeperkt van de voor dat aanslagjaar belastbare winsten of baten kon worden afgetrokken, moet die aftrek met ingang van het aj. 1992 in bepaalde gevallen in de tijd worden gespreid.

C. Beperking van de aftrek

I/336

Overeenkomstig het tweede lid van art. 42ter, § 4, WIB, mag de aftrek van de op de winsten of baten van de volgende belastbare tijdperken overgebrachte vrijstelling per belastbaar tijdperk in geen geval meer dan 25.000.000 F bedragen of, wanneer de totale overgebrachte vrijstelling 100.000.000 F overtreft, 25 % van die totale vrijstelling.

Dit houdt in dat :



a)een van één of meer vorige jaren overgebrachte investeringsaftrek bij voortduur in eenmaal wordt afgetrokken (althans indien er voldoende inkomsten zijn), wanneer deze minder dan 25.000.000 F bedraagt;
b)een aldus overgebrachte investeringsaftrek tijdens het belastbare tijdperk waarnaar hij is overgebracht (en bij voldoende inkomsten) slechts ten belope van 25.000.000 F kan worden afgetrokken indien de overgebrachte aftrek begrepen is tussen 25.000.000 F en 100.000.000 F;
c)een aldus overgebrachte investeringsaftrek tijdens het belastbare tijdperk waarnaar hij is overgebracht (en bij voldoende inkomsten) slechts ten belope van 25 % kan afgetrokken worden indien die overgebrachte aftrek meer dan 100.000.000 F bedraagt;
d)de nieuwe tekst van art. 42ter, § 4, WIB ten opzichte van vroeger in de praktijk slechts gevolgen heeft ingeval de overgebrachte investeringsaftrek meer dan 25.000.000 F bedraagt.
D. Indexering

I/337

Ingevolge art. 8, hervormingswet 1988, worden de bedragen van 25.000.000 F en 100.000.000 F jaarlijks aan het indexcijfer aangepast.

Dit betekent dat de eigenlijke grenzen voor het aj. 1992 respectievelijk 26.668.000 F en 106.670.000 F bedragen.

Daar die laatste grens (106.670.000 F) wegens de afrondingsregels kleiner is dan 4 maal de grens van 26.6683000 F (nl. 106.672.000 F) is beslist de "geïndexeerde" grens van 100.000.000 F voor het aj. 1992 op 106.672.000 F te brengen.

Daardoor kunnen belastingplichtigen die een investeringsaftrek hebben overgebracht waarvan het bedrag begrepen is tussen 106.670.000 F en 106.672.000 F aanspraak maken op een aftrek van 26.668.000 F.

E. Voorbeelden

Voorbeeld 1

I/338

Nettowinst in 1991 : 35.000.000 F.

Investeringsaftrek betreffende in 1991 gedane investeringen in nieuwe activa : 7.250.000 F.

Naar het aj. 1992 overgehevelde investeringsaftrek : 20.000.000 F (waarvan 5.000.000 F van het aj. 1990 en 15.000.000 F van het aj. 1991).

Om uit te maken of de grens van 26.668.000 F bereikt is of niet, moet geen rekening worden gehouden met de investeringsaftrek betreffende de in 1991 zelf gedane investeringen.

Daar het totaal van de vorige belastbare tijdperken overgebrachte investeringsaftrekken (20.000.000 F) minder bedraagt dan het bovenvermelde maximum van 26.668.000 F, moeten zowel de investeringsaftrek van 7.250.000 F als de overgehevelde investeringsaftrekken (20.000.000 F) volledig van de nettowinst van 35.000.000 F worden afgetrokken.

De belastingplichtige zal voor het aj. 1992 derhalve uiteindelijk op een winst van 7.500.000 F (nl. 35.000.000 F - 7.250.000 F - 20.000.000 F) worden belast.

De nieuwe bepalingen van art. 42ter, § 4, WIB hebben in dit geval geen invloed.

Voorbeeld 2

I/339

Naar het aj 1992 overgehevelde investeringsaftrek : 30.000.000 F (saldo van de investeringsaftrek van het aj. 1991).

Indien de winst over aj. 1992 en 1993 voldoende is, moet de overgedragen investeringsaftrek als volgt worden aangerekend :

  • aj. 1992 : 26.668.000 F;
  • aj. 1993 : het saldo, zijnde 30.000.000 - 26.668.000 = 3.332.000 F.


Voorbeeld 3

I/340

Naar het aj. 1992 overgehevelde investeringsaftrek : 120.000.000 F.

Uitgaande van de loutere hypothese dat de indexeringscoëfficiënt voor de jaren. 1993 tot 1995 respectievelijk 1,0995, 1,1215 en 1,1664 zou bedragen (het betreft hier willekeurig gekozen cijfers), zou de aftrek, bij voldoende winst over de jaren. 1992 tot 1996, als volgt moeten worden aangerekend :

  • aj. 1992 : 120.000.000 x 25 % = 30.000.000 F
  • aj. 1993 : daar het overgebrachte saldo (120.000.000 - 30.000.000 = 90.000.000 F) kleiner is dan (het geïndexeerde bedrag van) 100.000.000 F, zou de aftrek 25.000.000 x 1,0995 = 27.488.000 F (afgerond) bedragen
  • aj. 1994 : daar het overgebrachte saldo (90.000.000 - 27.488.000 = 62.512.000 F) kleiner is dan (het geïndexeerde bedrag van) 100.000.000 F, zou de aftrek 25.000.000 x 1,1215 = 28.038.000 F (afgerond) bedragen
  • aj. 1995 : daar het overgebrachte saldo (62.512.000 - 28.038.000 = 34.474.00 F) nog steeds tussen de (geïndexeerde) grenzen van 100.000.000 F en 25.000.000 F ligt, zou de aftrek 25.000.000 x 1,1664 = 29.160.000 F bedragen
  • aj. 1996 : het saldo, zijnde 34.474.000 - 29.160.000 = 5.314.000 F (dit saldo is immers lager dan de geïndexeerde grens van 25.000.000 F).


F. Inwerkingtreding

I/341

De in nrs. I/334 tot I/340 hierboven besproken regeling inzake de spreiding in de tijd van de overgebrachte investeringsaftrek, geldt met ingang van het aj. 1992 (cf. art. 41, § 1, 1°, W. 20.07.1991).

VI. ONROERENDE GOEDEREN VAN VASTGOEDHANDELAARS

A. Algemeen

I/342

Met de opheffing van art. 42ter, § 6, tweede lid, 3°, WIB door art. 309, 7°, W. 22.12.1989, wordt een overbodige wetsbepaling geschrapt.

Ingevolge die bepaling waren door vastgoedhandelaars met het oog op wederverkoop verkregen onroerende goederen immers van de investeringsaftrek uitgesloten.

Daar enerzijds de investeringsaftrek slechts van toepassing is op vaste activa en anderzijds de in art. 42ter, § 6, tweede lid, 3°, WIB beoogde onroerende goederen van vastgoedhandelaars uiteraard niet tot de vaste activa behoren (het betreft immers "koopwaar"), was de uitdrukkelijke uitsluiting van die goederen overbodig; vandaar de opheffing van de voormelde wetsbepaling.

B. Inwerkingtreding

I/343

Art. 333, § 1, 7°, W. 22.12.1989 bepaalt verkeerdelijk dat de opheffingsbepaling waarvan sprake geldt voor de vanaf 01.01.1990 vastgestelde, uitgedrukte of verwezenlijkte meerwaarden. De opgeheven bepaling heeft immers niet op meerwaarden maar wel op investeringen betrekking.

Logischerwijs mag dan ook worden aangenomen dat het de bedoeling was de overbodige bepaling af te schaffen voor alle investeringen die door vastgoedhandelaars met ingang van 01.01.1990 gedaan zijn.