Circulaire nr. Ci.RH.81/574.077 (AOIF 45/2005) dd. 25.11.2005

AANSLAG VAN AMBTSWEGE
Laattijdige aangifte
Niet-aangifte

BEWIJSMIDDEL VAN DE AMDINISTRATIE
Minimumbaat van de beoefenaar van een vrij beroep
Minimumwinst van een onderneming


Commentaar op de artikelen 41 en 42 van de Programmawet van 11.7.2005 (BS 12.7.2005, Ed. 2).

Aan alle ambtenaren.

I. INLEIDING

1. Wanneer de belastingplichtige niet of laattijdig zijn aangifte in de inkomstenbelastingen indient, beschikt de administratie krachtens artikel 351, WIB 92 over de bijzondere aanslagprocedure van de aanslag van ambtswege. Het is voor de administratie echter niet altijd eenvoudig om een voldoende gemotiveerde ambtshalve aanslag te vestigen.

2. Teneinde de administratie ter zake meer slagkracht te geven, breiden de artikelen 41 en 42 van de Programmawet van 11.7.2005 het bestaande systeem van de forfaitaire minimumwinsten uit tot alle ondernemingen (natuurlijke personen en rechtspersonen) en beoefenaars van vrije beroepen die geen aangifte in de inkomstenbelastingen overleggen of die ze buiten de termijnen voorzien in de artikelen 308 tot 311, WIB 92, overleggen.

3. Deze maatregel beoogt alle ondernemingen en beoefenaars van vrije beroepen er toe aan te zetten hun fiscale verplichtingen inzake het indienen van de aangifte na te komen.

4. Teneinde de effectieve toepassing van het bestaande systeem van de belastbare minimumwinsten in hoofde van buitenlandse firma's mogelijk te maken voor alle ondernemingen en beoefenaars van vrije beroepen bij niet-aangifte alsmede bij laattijdige overlegging van de aangifte werd krachtens het koninklijk besluit van 2.9.2005 (BS 21.9.2005) artikel 182, KB/WIB 92, in overeenstemming gebracht met artikel 342, § 3, WIB 92.

Hierna volgt een eerste commentaar op de nieuwe bepalingen van het WIB 92.

II. WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE BEPALINGEN

Artikelen 41 en 42 Programmawet van 11.7.2005 (BS 12.7.2005, Ed. 2)

5. Artikel 41. - Artikel 342 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt aangevuld met een § 3, luidende :

"§ 3. Bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte, zijn de belastbare minima die door de Koning in uitvoering van § 2 zijn vastgesteld, eveneens van toepassing op elke onderneming en beoefenaar van een vrij beroep."

Artikel 42. - Artikel 41 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2005 bij :

  • niet-aangifte;
  • laattijdige overlegging van de aangifte na de tiende dag volgend op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Koninklijk besluit van 02.9.2005 tot wijziging van artikel 182 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (BS 21.9.2005)

6. Artikel 1. - Het opschrift van hoofdstuk III, afdeling X van het KB/WIB 92, wordt vervangen als volgt :

"Afdeling X. - Minimum van de belastbare winst of baten van ondernemingen of beoefenaars van een vrij beroep."

Artikel 2 . - In artikel 182, KB/WIB 92, gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 mei 1997, 20 juli 2000 en 13 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° de inleidende zin van § 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt :

"§ 1. De minimumwinst die belastbaar is ten name van buitenlandse firma's die in België werkzaam zijn en volgens de vergelijkingsprocedure neergelegd in artikel 342, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 belastbaar zijn, alsmede, bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte, de minimumwinst die belastbaar is ten name van Belgische ondernemingen wordt bepaald als volgt :";

2° § 2 wordt als volgt aangevuld :

"Bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte is het minimumbedrag vastgelegd in het eerste lid ook van toepassing op de belastbare baten van beoefenaars van een vrij beroep.".

Artikel 3. - Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgische Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Artikel 4. - Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

III. COMMENTAAR

Inzake aanslagprocedure

7. Artikel 342 maakt deel uit van hoofdstuk IV van het WIB 92 en de nieuwe § 3 ervan vormt een nieuw bewijsmiddel, evenwel enkel voor de ondernemingen en de beoefenaars van een vrij beroep die geen aangifte hebben ingediend of die ze laattijdig hebben overgelegd. De vastgestelde minima vormen een wettelijk vermoeden bij vergelijking, maar niet alleen met drie soortgelijke belastingplichtigen, maar met een ganse sector of groep van belastingplichtigen.

8. Artikel 342, § 3, WIB 92, kadert binnen de procedure van aanslag van ambtswege bedoeld in de artikelen 351 tot 352bis WIB 92, en heeft als doel de toepassing ervan te versnellen door een forfaitaire raming van de belastbare grondslag. Dit heeft tot gevolg dat de bewijslast omgekeerd wordt, tenzij de belastingplichtige kan aantonen dat door omstandigheden van overmacht hij belet is geweest zijn aangifte binnen de voorziene termijnen in te dienen (cf. Com.IB 351/40).
Daartegenover staat het recht van de belastingplichtige, die overeenkomstig artikel 342, § 3, WIB 92, werd getaxeerd, om het bewijs te leveren van het juiste cijfer van zijn belastbare inkomsten (artikel 352, 1° lid WIB 92) en dit aan de hand van positieve en controleerbare gegevens.

9. Er weze opgemerkt dat de nieuwe bepaling moet toegepast worden met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur. Het systeem van forfaitaire aanslagen kan dan ook enkel toegepast worden als de belastingplichtige niet of met een behoorlijke vertraging zijn aangifte heeft ingediend zonder uitstel te hebben gevraagd en zonder zijn goede trouw te kunnen bewijzen. De omstandigheid waarbij de aangifte slechts één of twee dagen te laat werd ingediend, valt dus buiten het toepassingsgebied van artikel 342, § 3, WIB 92.
Evenmin dient artikel 342, § 3, WIB 92, te worden toegepast indien blijkt dat de beoogde belastingplichtige reeds jaren geen activiteit meer uitoefent.

10. Indien artikel 342, § 3, WIB 92, werd toegepast en de belastingplichtige dient alsnog een, evenwel laattijdige, aangifte in welke gebaseerd is op bewijskrachtige gegevens, dient men rekening te houden met deze aangifte.

Inzake de toepassing van artikel 342, § 3, WIB 92

11. Bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte door beoefenaars van een vrij beroep worden de minimum belastbare baten bepaald op 9.500 EUR, tenzij de belastingplichtige het tegendeel kan bewijzen.

Wat de ondernemingen betreft zijn de belastbare minima afhankelijk van de sector waartoe zij behoren, evenwel met een absoluut minimum van 9.500 EUR, tenzij de belastingplichtige het tegendeel kan bewijzen.

Voormeld minimum is een absoluut forfait dat niet mag verminderd worden naar verhouding tot het aantal maanden beroepswerkzaamheid.

12. Wat de toepassing van artikel 342, § 3, WIB 92, en artikel 182, KB/WIB 92 betreft, dient er geen onderscheid gemaakt te worden tussen de personen die hun activiteit als voltijdse activiteit of als bijberoep uitoefenen.

13. Verder is de forfaitaire winst of baten berekend overeenkomstig artikel 182, KB/WIB 92, een absoluut minimum dat de aftrek van welke beroepskost ook uitsluit. Het bij het forfait ingestelde vermoeden kan immers slechts worden teniet gedaan door het bewijs van het juiste bedrag van de belastbare inkomsten.

IV. INWERKINGTREDING

14. Artikel 342, § 3, WIB 92, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 2005 bij niet-aangifte of laattijdige overlegging van de aangifte na 22.7.2005.

Het gewijzigde artikel 182, KB/WIB 92, is van toepassing vanaf 21.9.2005.

Concreet betekent dit dat artikel 342, § 3, WIB 92, kan toegepast worden voor het aanslagjaar 2005 bij niet-aangifte of laattijdige overlegging van de aangifte vanaf 21.9.2005.

Voor de Administrateur-generaa
van de Belastingen en de Invordering :
De Auditeur-generaal van financiën a.i.,

J.-M. PREVOST