Circulaire nr. AFZ/98-0986 van 06.05.1999
CIRC 06.05.99/1
Bull. nr. 793, pag 1552
WET
Wet houdende sociale bepalingen.
Wet houdende sociale en divers bepalingen.
WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992.
Wijzigingswet.
Wet houdende sociale bepalingen.
Wet houdende sociale en divers bepalingen.
WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992.
Wijzigingswet.
Eerste commentaar op de W 25.1.1999 houdende sociale bepalingen.
Aan al de ambtenaren.
Hierna volgt een eerste commentaar op de bepalingen uit de W 25.1.1999 houdende sociale bepalingen (verder W 25.1.1999 BS 6.2.1999) die een fiscale weerslag hebben.
I. ACTIVERING VAN HET BESTAANSMINIMUM
1. Naar analogie van de werkloosheidsuitkeringen (zie art. 35, W 13.2.1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling BS 19.2.1998), is door de Ministerraad beslist om ook het bestaansminimum te gebruiken als een herinschakelingspremie in het kader van specifieke tewerkstellingsprogramma's. Die beslissing is verwoord in de art. 169 tot 175, W 25.1.1999. De praktische regels met betrekking tot die activering van het bestaansminimum zijn opgenomen in twee koninklijke besluiten van 9.2.1999 (BS 19.2.1999).
2. De W 25.1.1999 bepaalt daarenboven dat, wat de sociale en fiscale wetgeving betreft, het geactiveerde bestaansminimum als loon moet worden beschouwd (zie inzonderheid de artikelen 170 en 172); in dat geval is het bestaansminimum dus een belastbaar beroepsinkomen. Niettemin blijven in de andere gevallen de in Com.IB 92, 38/40 opgenomen richtlijnen betreffende het bestaansminimum van toepassing.
Inwerkingtreding : 1.1.1998.
(art. 169 tot 175, W 25.1.1999)
II. BIJDRAGEN TEN LASTE VAN VENNOOTSCHAPPEN
3. De artikelen 201 tot 203, W 25.1.1999 brengen wijzigingen aan in sommige bepalingen van de W 26.6.1992 houdende sociale en diverse bepalingen (BS 30.6.1992) en van de W 30.12.1992 houdende sociale en diverse bepalingen (V 2213 - Bull. 725). De eerstgenoemde wet voerde een eenmalige bijdrage in ten laste van vennootschappen voor de periode 1.7.1992 tot 31.12.1992. De tweede wet legt met ingang van 1.1.1993 een jaarlijkse bijdrage ten laste van vennootschappen vast.
De beide wetten bevatten bepalingen die regelen dat vennootschappen die zich in een toestand van vereffening, faillissement of concordaat bevinden, van de opgelegde bijdrage kunnen worden vrijgesteld (art. 79, 4°, W 26.6.1992 en art. 94, 8°, W 30.12.1992).
4. De huidige wijzigingen hebben vooral tot doel :
- enerzijds, ervoor te zorgen dat ook vennootschappen zonder enige handels of burgerrechtelijke activiteit in 1992 (inzake de eenmalige bijdrage) of gedurende één of meerdere volledige kalenderjaren (inzake de jaarlijkse bijdrage) van de bijdrage kunnen worden vrijgesteld; en,
- anderzijds, de Administratie der directe belastingen ertoe te verplichten omtrent die afwezigheid van enige handels- of burgerrechtelijke activiteit een attest uit te reiken aan iedere belanghebbende.
5. In de Kamercommissie voor de Financiën en de Begroting heeft de Minister van Financiën met betrekking tot dat attest duidelijk gesteld dat het niet de bedoeling kan zijn de Administratie der directe belastingen op te zadelen met overdreven opzoekingswerk buiten het kader van haar wettelijke opdrachten. Hij beklemtoonde bovendien dat een dergelijk attest slechts kan worden afgeleverd nadat de Administratie de "afwezigheid van elke activiteit" zal hebben kunnen vaststellen. De beoordeling van die inactiviteit zal dientengevolge gebeuren aan de hand van eenvoudige objectieve criteria (zoals, bijvoorbeeld, een nulomzet) (Parl. St., Kamer, zitting 1997-1998, 1722/17).
Inwerkingtreding : 16.2.1999.
(art. 201 tot 203, W 25.1.1999)
III. BIJDRAGEN VOOR HET VRIJ PENSIOEN VAN MEEWERKENDE ECHTGENOOT VAN EEN ZELFSTANDIGE
6. Tot nog toe kon de echtgenoothelper van een zelfstandige geen eigen pensioen opbouwen. De meewerkende echtgenoot bevond zich op het vlak van de sociale zekerheid in de situatie waarbij zijn/haar bijdrage tot de vorming van het gezinsinkomen vertaald werd in afgeleide rechten.
- Omwille van de stijgende vraag naar een minimumstatuut voor de meewerkende echtgenoot ingevolge een toenemend aantal situaties van echtscheiding en feitelijke scheiding, werd reeds met de W 14.12.1989 tot wijziging van het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen en van het koninklijk besluit nr 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen (BS 22.12.1989) een eerste stap gezet in de richting van een volwaardig statuut voor de medewerkende echtgenoot. Concreet hield dit in dat sinds 1.1.1990 de meewerkende echtgenoot kan opteren voor een vrijwillige onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen, evenwel beperkt tot het stelsel van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkering, met inbegrip van de moederschapuitkering.
7. De W 25.1.1999 gaat nu een stap verder in de sector van de pensioenen en respecteert de vrije keuze van de meewerkende echtgenoot.
Daartoe wordt hem/haar de mogelijkheid geboden om beperkte pensioenrechten op te bouwen, via een vrije verzekering, gebaseerd op een wettelijke regeling. Die mogelijkheid wordt ingeschreven in art. 52bis, § 2bis van het KB nr 72 van 10.11.1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen (zie art. 204, 1° tot 4°, W 25.1.1999).
8. Op fiscaal vlak hebben de minieme forfaitaire bijdragen die de meewerkende echtgenoot stort met het oog op de samenstelling van een pensioen, niet het karakter van bijdragen verschuldigd in uitvoering van de sociale wetgeving (zie art. 204, 5°, W 25.1.1999). Om die reden kunnen dergelijke bijdragen niet als beroepskosten worden aangemerkt (zie art. 52, 7°, WIB 92).
9. Anderzijds wordt wel een belastingvermindering verleend, berekend op het bedrag van de bijdragen die zijn betaald met toepassing van het genoemde art. 52bis, § 2bis. De art. 205 en 206 wijzigen art. 145^1, WIB 92 in die zin (toevoeging van 61) en voegen een nieuw art. 145^16bis, WIB 92 in.
10. Bijkomend wordt de taxatie van de kapitalen geregeld door de invoeging van een nieuwe tekst in art. 171, 2°, a), WIB 92. Hierdoor worden de kapitalen die worden vereffend bij het normaal verstrijken van het contract of bij het overlijden van de verzekerde en de afkoopwaarden die worden vereffend in één der vijf jaren die aan het normaal verstrijken van het contract voorafgaan, belast aan een afzonderlijke aanslagvoet van 10 %, voor zover die kapitalen en afkoopwaarden worden uitgekeerd uit hoofde van vrije pensioenen waarvoor een in artikel 145^16bis, WIB 92 bedoelde belastingvermindering werd verleend.
Inwerkingtreding : 1.4.1999.
(art. 205 tot 208, W 25.1.1999 - art. 145^1, 6°, 145^16bis en 171, 2°, a), WIB 92)
NAMENS DE MINISTER
De Adjunct-administrateur-generaalvan de belastingen,
J.-M. DELPORTE
Bron: FisconetPlus
