Circulaire nr. Ci.RH.421/553.159 (AOIF 37/2005) dd. 20.09.2005

CIRC 20.09.05/1

Circulaire nr. Ci.RH.421/553.159 (AOIF 37/2005) dd. 20.09.2005


OPHEFFING VAN DE BIJZONDERE AANSLAGSTELSELS VOOR DIENSTEN- EN DISTRIBUTIECENTRA DIE ZICH IN BELGIË VESTIGEN

Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C.

INLEIDING

Bij circ. van 30.11.1994, nr. Ci.RH.421/463.062 (Bull. 745) en 26.7.1996, nr. Ci.RH.421/483.766 (Bull. 763) werden bijzondere aanslagstelsels voor diensten- en distributiecentra die zich in België vestigen ingevoerd of aangepast.

De toepassing van de voormelde bijzondere aanslagstelsels werd vervolgens beheerst door art. 1, § 1, 1e lid, 2° en 3°, van het KB 3.5.1999 tot inrichting van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken (BS 4.6.1999 - Bull. 795).

De voormelde stelsels waren echter het voorwerp van kritiek van de Raad ECOFIN, die van mening was dat deze aanslagstelsels als potentieel schadelijke belastingmaatregelen moeten worden aangemerkt.

De onderhavige circulaire strekt ertoe de voormelde stelsels op te heffen en in een alternatieve regeling te voorzien voor de desbetreffende activiteiten, alsmede bepaalde overgangsbepalingen nader toe te lichten.

II. OPHEFFING VAN DE BIJZONDERE AANSLAGSTELSELS VOOR DIENSTEN- EN DISTRIBUTIECENTRA

Ingevolge de Resolutie van de Raad van de Europese Unie en van de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lidstaten van die Unie, verenigd in de Raad van 1.12.1997 m.b.t. een gedragscode op het gebied van de fiscaliteit van de ondernemingen, hebben die Lidstaten er zich ondermeer toe verbonden de wettelijke bepalingen en administratieve gebruiken die als schadelijke fiscale concurrentie voor andere Lidstaten kunnen worden aangemerkt, te ontmantelen.

Evenwel heeft de Raad ECOFIN van 26 en 27.11.2000 de conclusie goedgekeurd, luidens dewelke voor ondernemingen die op 31.12.2000 onder een nadelige regeling vallen, de gevolgen daarvan ten laatste op 31.12.2005 komen te vervallen, ongeacht of het regelingen betreft die al dan niet voor een bepaalde periode zijn toegestaan.

Daarenboven heeft de Raad ECOFIN eveneens de conclusie goedgekeurd, luidens dewelke aan ondernemingen slechts tot 31.12.2001 een nadelige regeling kan worden toegestaan, en dat zij daar, in alle gevallen, slechts tot 31.12.2002 onder kunnen vallen.

Derhalve werd, mede gelet op het feit dat de noodzakelijke rechtszekerheid niet meer kan worden gegarandeerd, beslist om de hoger vermelde stelsels op te heffen en in een overgangsbepaling in de door de Raad ECOFIN voorgestelde zin te voorzien.

Dit heeft tot gevolg dat reeds met ingang van 1.1.2002 geen nieuwe toepassingen van de bijzondere aanslagstelsels voor diensten- of distributiecentra op grond van de voormelde circulaires meer worden toegestaan.

III. OVERGANGSBEPALINGEN

6. M.b.t. de door de Raad ECOFIN voorgestelde overgangsbepalingen is België van mening dat de in punt 4 bedoelde overgangsbepalingen als volgt moeten worden geïnterpreteerd :

  • de ondernemingen die op 31.12.2000 het bijzondere aanslagstelsel voor diensten- en/of distributiecentra reeds hebben toegepast, mogen deze regeling verder toepassen tot het verstrijken van de in de administratieve beslissing vermelde periode, maar uiterlijk tot de laatste dag van het laatste boekjaar dat uiterlijk afsluit op 31.12.2005;
  • de ondernemingen die in 2001 voor de eerste maal het bijzondere aanslagstelsel voor diensten- en/of distributiecentra hebben toegepast, mochten deze regeling slechts toepassen tot het laatste boekjaar dat uiterlijk afsluit op 31.12.2002;
IV. ALTERNATIEVE REGELING

A. Marktconforme vergoeding

7. Op grond van art. 20 van de W 24.12.2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, dat in werking is getreden op 1.1.2003 (zie art. 1 van het KB van 9.1.2003 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 20 tot 28 van de voormelde wet), kan een voorafgaande beslissing worden verkregen omtrent het marktconforme karakter van de vergoeding die de betrokken onderneming wenst aan te rekenen voor het uitoefenen van haar activiteiten. In dit kader is een uitspraak over de al dan niet toepassing van art. 26, WIB 92, mogelijk voor zover de voorgestelde vergoedingswijze en methode voldoende worden onderbouwd.

8. Daartoe moeten inzonderheid de volgende gegevens worden verstrekt(1):

  • een gedetailleerde omschrijving van de kenmerken van de transacties tussen de betrokken partijen :
  • omschrijving en kenmerken van de verrichte diensten en opsomming van de ondernemingen voor wie de activiteiten zullen worden uitgeoefend en aan wie de verstrekte diensten effectief zullen worden doorgerekend;
  • de structuur van de groep (juridische entiteiten - bedrijfsstructuur) en werkzaamheden van de groep in het algemeen (opgave van de aandeelhoudersstructuur van de aanvraagster en, desgevallend, een opgave van de deelnemingen die zij zelf aanhoudt);
  • identificatie van de verrichtingen binnen de groep en contractuele verhoudingen die bestaan tussen de leden van de groep (kopie van eventuele overeenkomsten toevoegen);
  • kenmerken van de uitgeoefende functies en gedragen risico's (functieanalyse en analyse van de risico's) van de betrokken partijen;
  • in voorkomend geval, beschrijving van de immateriële elementen (o.m. aanduiden wie eigenaar is van bepaalde intellectuele rechten).
  • voor zover als mogelijk, een vergelijking van de transacties met transacties uitgevoerd tussen onafhankelijke ondernemingen :
  • beschrijving van de gekozen verrekenprijsmethode en van de strategie om vergelijkingspunten m.b.t. onafhankelijke partijen te vinden, rekening houdend met de uitgeoefende functies (die eventueel in categorieën kunnen worden opgedeeld) en de gedragen risico's en met de relevante markten en gegevens;
  • identificatie van de vergelijkingspunten (eventueel voor elke categorie activiteiten) bv. aan de hand van opzoekingen in externe databanken (geraadpleegde bronnen vermelden);
  • vaststelling van een "arm's lenght" - vergoeding voor de diensten die zullen worden verricht;
  • indien op grond van de gevonden resultaten de cost-plus methode wordt weerhouden, dient te worden aangeduid op welke kosten een winstmarge zal worden toegepast;
  • eventuele andere factoren die een invloed hebben op de vergelijkbaarheid (economische omstandigheden, bedrijfsstrategieën).
Omwille van pragmatische overwegingen, staat het de aanvraagster vrij om, voorafgaand aan het verrichten van een verrekenprijsonderzoek aan de hand van een externe databank, aan de administratie de criteria voor te leggen die zij meent in aanmerking te moeten nemen met het oog op het zoeken van vergelijkingspunten inzake "arm's lenght" (geografische draagwijdte van de opzoeking, de aard van de in aanmerking te nemen elementen, beoogde drempels en intervallen, financieringswijze, …).

B. Aanvraag

9. De belastingplichtigen die op grond van art. 20 van de W 24.12.2002 een aanvraag om voorafgaande beslissing wensen in te dienen moeten die richten tot de Federale Overheidsdienst Financiën aan het volgende adres :

Federale Overheidsdienst Financiën
Dienst van Voorafgaande Beslissingen
Wetstraat 62
1000 BRUSSEL

Tel. : +32(0)2/237.69.40
Fax : +32(0)2/237.69.99
E-Mail : dvbsda@minfin.fed.be

C. Beslissing

10. Overeenkomstig art. 21, 5e lid, van de voormelde W 24.12.2002 wordt een beslissing meegedeeld aan de aanvrager binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van indiening van de aanvraag.

De Federale Overheidsdienst Financiën en de aanvrager kunnen in onderlinge overeenstemming deze termijn wijzigen.

NAMENS DE MINISTER :
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering :
De Auditeur-generaal van Financiën,

G. DELSOIR.