Circulaire nr. Ci.D.19/292.822 dd. 19.09.1977

Circulaire nr. Ci.D.19/292.822 dd. 19.09.1977

VERENIGING
Verenigingen met rechtspersoonlijkheid

VERENIGING ZONDER WINSTOOGMERK
V.Z.W. onderworpen aan de R.P.B.
V.Z.W. onderworpen aan de Ven.B.

Commentaar op bepalingen van de art. 15, 16, 19 tot 23 en 52, W. 3.11.1976 tot wijziging van het W.I.B. (V. 1440 - B. 547) :belastingstelsel van de v.z.w. en andere soortgelijke verenigingen of groeperingen met rechtspersoonlijkheid.

Aan al de ambtenaren en beambten van de niveau's 1, 2 en 3.

INHOUDSTABEL

Deel1. - BELASTINGSTELSEL VAN DE V.Z.W. EN ANDERE SOORTGELIJKE VERENIGINGEN OF GROEPERINGEN MET RECHTSPERSOONLIJKHEID

Nrs

I. Wettekst

1

II. Draagwijdte

2 tot6

III. Vennootschappen en verenigingen bedoeld in art. 94, 2e lid, a tot g, W.I.B.

7 en 8

IV. Verenigingen die de vorm van V.Z.W. hebben aangenomen en andere verenigingen met rechtspersoonlijkheid

A. Bedoelde verenigingen

9

B. Basiscriterium.

10 en 11

C. Niet als verrichtingen van winstgevende aard aan te merken handelingen

1.Algemeen.

12 en 13

2.Alleenstaande of uitzonderlijke verrichtingen

14 tot16

3.Verrichtingen bestaande uit het beleggen van fondsen vergaard bij het volbrengen van de statutaire opdracht

17

4.Verrichtingen die bestaan uit een bedrijvigheid die slechts bijkomstig op nijverheids-, handels- of landbouwverrichtingenbetrekking heeft of niet volgens nijverheids- of handelsmethoden wordt uitgevoerd

a)Algemeen

18 tot20

b) Te vervullen voorwaarden

21

1° Bedrijvigheid die niet volgens nijverheids- of handelsmethoden wordt gevoerd

22 en23

2° Bedrijvigheid die slechts bijkomstig op nijverheids-, handels- of landbouwverrichtingen betrekking heeft

24

Verwantheidscriterium

25

Kwantitatiefcriterium

26 tot30

D. Opbepaalde gebieden uitgeoefende werkzaamheden welke, onder bepaalde voorwaarden, geen belastbaarheid in de Ven.B. tot gevolg hebben.

1.Algemeen

31

2. Bedoelde gebieden

32

3.Verenigingen of groeperingen opgesomd in art. 94, 2elid, h, i, k en l, W.I.B.

a) Bedoelde verenigingen

33

b) Gestelde voorwaarden

34 en35

c) Wijze van onderzoek

36 en37

4.Verenigingen of groeperingen bedoeld in art. 94, 2e lid, j, m en n, W.I.B.

a) Bedoelde verenigingen

38

b) Wat de reeds erkende verenigingen of groeperingen betreft

39

c) Wat de nog niet erkende vereniging of groeperingen betreft

40 tot43

E. Overzicht van de te volgen werkwijze

44

F. Concrete gevallen

1. Verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid

45

2. Verenigingen werkzaam op het stuk van de economische en sociale expansie

46 en47

3. V.Z.W. opgericht door gemeente- of provinciebesturen, enz.

48

4. V.Z.W. die goederen beheren

49

5. Inrichtingen voor gezondheidszorg

50

6. Verenigingen die hotels, restaurants, enz. uitbaten

51

7. Verenigingen of groeperingen met als doel de bevordering van een eredienst of met werkzaamheden van geestelijke aard

52

V. Wijze waarop de aan de Ven.B. onderworpen V.Z.W., groeperingen en verenigingen die geen winst nastreven moeten worden belast

A. Algemeen

53 tot56

B. Belastbare ontvangsten

57 tot58

C. Aanneembare uitgaven

59 tot62

D. Toepasselijke bepalingen van het W.I.B.

63

VI. Belastingstelsel van de verenigingen, vennootschappen, inrichtingen, instellingen en groeperingen die aan de R.P.B. zijn onderworpen

A. Bedoelde belastingplichtigen

64

B. Grondslag van de R.P.B.

65 tot67

C. Tarief van de R.P.B.

68

VII. Inwerkingtreding van de wet

69 tot71

VIII. Richtlijnen voor de taxatie van de V.Z.W. en soortgelijke verenigingen of groeperingen die voor het aj.1977 voor de eerste maal de Ven.B. volgens het gemeen recht moeten ondergaan

72 en73

IX. Overgangsbepaling inzake V.A.

74

X. V.Z.W. en soortgelijke groeperingen en verenigingen die de afsluiting van hun rekening hebben vervroegd

75

XI. Verzending en inzameling van de aangifteformulieren aj. 1977 te zenden aan V.Z.W. en soortgelijke groeperingen of verenigingen

A. Algemeen

76

B. Voornaamste wijzigingen naar de grond die in het aangifteformulier276.5 werden aangebracht

77

C. Verenigingen of groeperingen die voor het aj. 1976 volgens het gemeen recht aan de Ven.B. waren onderworpen

78

D. Verenigingen of groeperingen die voor het aj. 1976 aan de R.P.B. waren onderworpen

79 tot81

E. Vennootschappen, verenigingen of groeperingen die voor het aj. 1976volgens art. 103, W.I.B. aan de Ven.B. waren onderworpen

82 tot86

XII. Slotbemerkingen

87 tot89

Deel2. -DIVERSEN : VERBETERING VAN BEPAALDE TEKSTEN

I. Wettekst

90

II.Commentaar

91

Bijlage.

Deel 1. -BELASTINGSTELSEL VAN DE V.Z.W. EN ANDERE SOORTGELIJKE VERENIGINGEN OF GROEPERINGEN MET RECHTSPERSOONLIJKHEID.

I. WETTEKST

1. W. 3.11.1976 :

art. 15 : aanvulling art. 94, W.I.B. met :

  • een 2e lid, waarbij sommige verenigingen en groeperingen uit het toepassingsgebied van de Ven.B. worden gesloten;
  • een 3e lid, waardoor bepaalde handelingen van die verenigingen en groeperingen niet als verrichtingen van winstgevende aard worden aangemerkt;

art. 16 en 20 : opheffing van respectievelijk de art. 103 en 134, W.I.B.;

art. 21 : nieuw art. 136, W.I.B.;

art. 22 : vervanging van § 2 en inlassing van een § 3 in art. 137, W.I.B.;

art. 23 : nieuw 2elid van art. 138, W.I.B.;

art. 52 : instelling voor het aj. 1977 van een overgangsbepaling inzake V.A.

II.DRAAGWIJDTE

2. Voormelde wijzigingen van het W.I.B. hebben inzonderheid tot doel meer klaarheid te scheppen in het belastingstelsel dat van toepassing is op de verenigingen die de vorm van V.Z.W. hebben aangenomen, alsmede op de andere groeperingen en verenigingen met rechtspersoonlijkheid die geen winstoogmerk nastreven.

3. Dit doel werd bereikt door art.103, W.I.B., op te heffen, waardoor het noodzakelijk geworden is te preciseren dat de in art. 103 bedoelde belastingplichtigen voortaan worden onderworpen :

  • ofwel aan de Ven.B. volgens het gemeen recht;
  • ofwel aan de R.P.B.

Die precisering werd geconcretiseerd door een wijziging van art. 94, W.I.B., eensdeels, en van art. 136, W.I.B. anderdeels.

4. De in laatstvermelde artikelen aangebrachte wijzigingen hebben derhalve voornamelijk betrekking op de vennootschappen en verenigingen die tot nog toe volgens art.103, W.I.B. aan de Ven.B. waren onderworpen, d.w.z. in hoofdzaak op de V.Z.W. beheerst door de W. 27.6.1921, welke geen winst nastreven niettegenstaande ze zich met herhaalde verrichtingen van winstgevende aard bezighouden.

5. Over het algemeen wordt er dus niets gewijzigd aan het fiscaal statuut van de V.Z.W. die voorheen:

  • ofwel, volgens het gemeen recht aan de Ven.B. waren onderworpen omdat ze, in strijd met hun statuten, winst nastreven door middel van een exploitatie of verrichtingen van winstgevende aard;
  • ofwel, aan de R.P.B. waren onderworpen omdat ze zich noch meteen exploitatie, noch met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden en derhalve beantwoorden aan de voorschriften van de W.27.6.1921 volgens welke de V.Z.W. die is "welke niet nijverheids- of handelszaken drijft of welke niet tracht een stoffelijk voordeel aan hare leden te verschaffen".

6. Samengevat kan het nieuwe belastingstelsel van de V.Z.W. als volgt worden weergegeven :

1° De V.Z.W. zijn in beginsel aan de R.P.B. onderworpen.

2° Wanneer een V.Z.W. zich in feite bezighoudt met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard, is ze aan de Ven.B. onderworpen, tenzij art. 94,3e lid (nieuw), W.I.B., die verrichtingen niet als verrichtingen van winstgevende aard aanmerkt.

3° Sommige V.Z.W. worden ambtshalve onttrokken aan de Ven.B., wanneer ze hun exploitatie of hun bezigheden van winstgevende aard uitsluitend of hoofdzakelijk uitoefenen in een van de bevoorrechte gebieden, opgesomd in art.94, 2e lid (nieuw), W.I.B.

III. VENNOOTSCHAPPENEN VERENIGINGEN BEDOELD IN ART. 94, 2e LID, a TOT g, W.I.B.

7. Bedoeld zijn, de voorheen in art.103, § 1, 1°, a tot g, W.I.B., beoogde vennootschappen en verenigingen, d.w.z. :

  • de intercommunale verenigingen;
  • de maatschappijen voor intercommunaal vervoer;
  • de publiekrechtelijke verenigingen tot exploitatie van de havens;
  • de Nationale Delcrederedienst;
  • de Nationale maatschappij van buurtspoorwegen;
  • de Vereniging voor onderlinge zeeverzekeringen tegen oorlogsrisico's;
  • de waterzuiveringsmaatschappijen.

8. Die vennootschappen en verenigingenzijn voortaan, vermits ze door art. 94, 2e lid, a tot g(nieuw), W.I.B., uit het toepassingsgebied van de Ven.B. worden gesloten, aan de R.P.B. onderworpen, zonder dat daartoe enige voorwaarde of voorafgaand onderzoek is vereist.

IV. VERENIGINGEN DIEDE VORM VAN V.Z.W. HEBBEN AANGENOMEN EN ANDERE VERENIGINGEN MET RECHTSPERSOONLIJKHEID.

9. A. Bedoelde verenigingen

Het gaat hier om :

  • de V.Z.W. beheerst door de W. 27.6.1921;
  • de andere verenigingen met rechtspersoonlijkheid die niet de vorm van een V.Z.W. hebben aangenomen, zoals instellingen van openbaar nut, beroepsverenigingen, verenigingen voor onderlinge verzekering, internationale verenigingen beheerst door de W.25.10.1919, enz.

B. Basiscriterium

10. Om uit te maken of de sub A bedoelde verenigingen of groeperingen al of niet aan de Ven.B. zijn onderworpen, blijft het basiscriterium van toepassing volgens welk de belastbaarheid in de Ven.B. ontstaat zodra wordt vastgesteld dat ze zich bezighouden :

  • hetzij met een exploitatie;
  • hetzij met verrichtingen van winstgevende aard.

Voor de betekenis die aan beide voormelde begrippen moet worden gegeven, wordt verwezen naar 94/11en 12, Com.I.B.

11. Verenigingen, enz. die zich noch met een exploitatie, noch met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden, blijven aan de R.P.B. onderworpen (art. 136,1° (nieuw), W.I.B.).

C. Niet als verrichtingen van winstgevende aard aan te merken handelingen

1. Verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid

45. De hier besproken bepalingen van de W. 3.11.1976 hebben in genen dele betrekking op de verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid.

Die verenigingen zullen, zoals in het verleden, als "doorzichtig" worden aangemerkt, zodanig dat de in 94/31 tot 33, Com.I.B., gegeven onderrichtingen volledig van toepassing blijven.

2. Verenigingen werkzaam op het stuk van de economische en sociale expansie

46. De V.Z.W. en andere soortgelijke groeperingen of verenigingen die zich uitsluitend of hoofdzakelijk bezighouden met een werkzaamheid op het stuk van de economische en sociale expansie van een gewest, een provincie of andere territoriale onderverdeling, zullen in de regel onder de toepassing van de Ven.B. vallen wanneer ze geacht kunnen worden zich bezig te houden met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard.

47. Van die regel moet nochtans worden afgeweken wanneer de twee volgende voorwaarden vervuld zijn:

  • de vereniging of groepering vormt de verlenging of de emanatie van de openbare machten (Staat, provincie, gemeente, enz.);
  • de openbare machten houden rechtstreeks of zijdelings de meerderheid van de maatschappelijke rechten.

Indien ze aan die voorwaarden beantwoorden, dienen de bedoelde instellingen aan de R.P.B. te worden onderworpen zoals de zuivere of gemengde intercommunale verenigingen met een zelfde werkzaamheid.

3. V.Z.W. opgericht door gemeente- of provinciebesturen, enz.

48. Zoals kan worden afgeleid uit wat bepaald is in fine van nr. 47 hiervoren, zijn de door de gemeentelijke, provinciale of dergelijke overheden opgerichte V.Z.W. in beginsel gelijk te stellen met intercommunale verenigingen en zijn ze derhalve niet aan de Ven.B. onderworpen.

4. V.Z.W. die goederen beheren

49. Het belastingstelsel van de V.Z.W. waarvan de werkzaamheid bestaat in het beheer van goederen van andere verenigingen met een sociaal of cultureel karakter, hangt af van de feitelijke omstandigheden en, inzonderheid, van de beheersvoorwaarden en -modaliteiten.

Ter zake gaat het erom te bepalen of dat beheer al dan niet bestaat in een exploitatie of verrichtingen van winstgevende aard.

5. Inrichtingen voor gezondheidszorg

50 Na onderzoek van het probleem en om geen distorsies te doen ontstaan met andere instellingen die hulpverlenen aan misdeelden, mag er worden van uitgegaan dat in beginsel niet aan de Ven.B. onderworpen zijn:

1. de V.Z.W. en andere groeperingen of verenigingen die onder de toepassing vallen van de W. 23.12.1963 op de ziekenhuizen.

Het gaat hier met name om deinrichtingen met een of meer diensten voor onderzoek en verzorging, waarin personen worden opgenomen om er te verblijven ten einde er een genees-, heel- of verloskundig onderzoek of een genees-, heel-of verloskundige behandeling te ondergaan (zie art., 1, § 2, 1°, van voormelde wet);

2. de andere inrichtingen voorgezondheidszorg (zoals poliklinieken, enz.), tenzij zou worden vastgesteld dat ze werkelijk winst nastreven, hetzij voor zichzelf, hetzij voor hun leden, hetzij voor derden die banden hebben met de V.Z.W. of de leden, met dien verstande dat niet als een verrijking moet worden aangemerkt de bezoldigingen of erelonen die de normale vergoeding vertegenwoordigen van geleverde prestaties.

De niet-belastbaarheid in de Ven.B. belet evenwel niet dat de betrokken verenigingen of groeperingen ertoe gehouden zijn al hun rekeningen en geschriften ter inzage voor te leggen om zodoende de administratie in de mogelijkheid testellen kennis te nemen van de inrichtingen die nuttig kunnen zijn voor de taxatie van derden.

6. Verenigingen die hotels, restaurants, enz. uitbaten

51. Aan de Ven.B. zijn onderworpen, de door sommige verenigingen en groeperingen opgerichte V.Z.W. die uitsluitend of hoofdzakelijk, hotels, restaurants, drankgelegenheden, schouwburgzalen en andere analoge inrichtingen exploiteren welke niet worden aangewend tot een der doeleinden beoogd in art. 94, 2e lid, W.I.B., d.w.z. dat grosso modo aan de Ven.B. onderworpen zijn de inrichtingen die evenzeer voor iedereentoegankelijk zijn -ongeacht of er al dan niet bijdragen worden betaald- als de soortgelijke inrichtingen die door natuurlijke personen of door handelsvennootschappen worden geëxploiteerd.

Het is duidelijk dat aan de Ven.B. onttrokken zijn verenigingen die een drankgelegenheid of een restaurant exploiteren dat volledig ondergeschikt is aan hun onbaatzuchtig en maatschappelijk doel, hier noodzakelijk mee samenhangt of bijkomstig is aan hun geprivilegieerd hoofddoel.

Hiermee worden o.m. bedoeld de drankgelegenheden van sportclubs, de volks- en gildehuizen, cafe's in parochiehuizen, enz. De vrijstelling is natuurlijkbeperkt tot het geval waarin de V.Z.W. voor eigen rekening de drankgelegenheid exploiteert. Wanneer de V.Z.W. alleen maar haarzetel heeft in een drankgelegenheid die door een derde voor eigenrekening wordt geëxploiteerd, zal deze derde natuurlijk op zijn winsten worden belast in de P.B. of in de Ven.B. en ondergaat de vereniging haar eigen belastingstelsel in de R.P.B.

7. Verenigingen of groeperingen met als doel de bevordering van een eredienst of met werkzaamheden van geestelijke aard

52. Over 't algemeen dienen die verenigingen of groeperingen niet aan de Ven.B. te worden onderworpen, aangezien ze meestal geacht zullen kunnen worden zich slechts op bijkomstige wijze bezig te houden met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard.

Hieronder vallen b.v., V.Z.W. die religieuze congregaties van zuiver contemplatieve of actieve reguliere geestelijken zijn, V.Z.W. van parochies, dekenijen en bisdommen.

Als logisch en noodzakelijkcorollarium van de bovenstaande bezigheid kunnen worden beschouwd, het verkopen van religieuze voorwerpen, het uitgeven van tijdschriften en boeken, het preken, het inrichten van retraites en het uitbaten van retraitehuizen.

Voor de beoordeling van het bijkomstige karakter van die verrichtingen, wordt verwezen naar hetgeen is gezegd in nrs. 24 tot 30 hier voren.

V. WIJZE WAAROP DEAAN DE VEN.B. ONDERWORPEN V.Z.W., GROEPERINGEN EN VERENIGINGEN DIEGEEN WINST NASTREVEN MOETEN WORDEN BELAST

A. Algemeen

53. Zodra een V.Z.W. of een soortgelijke groepering of vereniging die geen winst nastreeft, niet voldoet aan de voorwaarden om aan de R.P.B. te worden onderworpen, is ze belastbaar in de Ven.B. zoals iedere andere handelsvennootschap en dit op het geheel van haar inkomsten, zowel die welke voortvloeien uit de verwezenlijking van haar maatschappelijk doel als die welke voortkomen van verrichtingen die er buiten vallen.

54. Het is derhalve niet meer mogelijk, zoals dit in het verleden wel het geval was (zie 94/22, 2e lid, Com. I.B.), een vereniging of groepering die wordt geacht twee bedrijfstakken te hebben -de ene onbaatzuchtig, de andere niet- enkel aan de Ven.B. volgens het gemeen recht te onderwerpen op de winsten of baten uit de niet onbaatzuchtige bedrijfstak.

55. Wat meer bepaald de verenigingen en groeperingen betreft, die werkzaam zijn in een of meer van de bevoorrechte gebieden aangehaald in art. 94, 2e lid (nieuw), W.I.B., is het zo dat ze aan de Ven.B. onderworpen zijn in het geval - en niet in de mate- dat hun werkzaamheid de voormelde gebieden te buiten gaat (werkzaamheid die dus niet uitsluitend beperkt is tot die gebieden -zie evenwel nr. 35 i.v.m. bevoorrechte werkzaamheden die gecombineerd zijn met niet winstgevende werkzaamheden welke van een zuiver filantropische, caritatieve, religieuze, spirituele of culturele aard zijn-) of dat uit de in die gebieden uitgeoefende werkzaamheid niet het overgrote deel van hun brutobestaansmiddelen komt.

56. Bijgevolg, vanaf het ogenblik dat wordt vastgesteld dat een vereniging of groepering die geen winst nastreeft en op de bewuste gebieden werkzaam is, zich in hoofdzaak heeft bezig gehouden met verrichtingen van winstgevende aard die buiten het maatschappelijke doel vallen, brengt zulks de belastbaarheid in de Ven.B, mede over het netto belastbare bedrag van het geheel van de inkomsten van de vereniging of groepering.

B. Belastbare ontvangsten

De belastbare ontvangsten van de aandelen Ven.B. onderworpen V.Z.W., verenigingen en groeperingen die geenwinst nastreven, omvatten niet alleen de opbrengsten uit de verrichtingen van winstgevende aard, maar ook de verkregen bijdragen, giften en subsidies, de opbrengst van de belegde fondsen en van alle andere gedane verrichtingen.

58. Van het beginsel dat alle ontvangsten van een aan de Ven.B. onderworpen belastingplichtige moeten worden samengevoegd voor de vaststelling van bet belastbare inkomen, magnochtans worden afgeweken voor de sommen die een V.Z.W. of een andere soortgelijke groepering of vereniging die geen winst nastreeft van haar leden ontvangt, inzonderheid als bijdrage in hun onderhoud, wanneer die sommen de gehele of gedeeltelijke afstand vormen van bezoldigingen of pensioenen die in beginsel uitsluitend belastbaar zijn ten name van de leden die ze hebben ontvangen. In de mate dat die sommen zich in de in beginsel belastbare grondslag bevinden, moeten ze er worden uit verwijderd door een aftrek in de 3e bewerking.

C. Aanneembare uitgaven

59. Vermits men ervan uitgaat dat de voor de aan de Ven.B. onderworpen V.Z.W. en soortgelijke groeperingen of verenigingen die geen winst nastreven, in beginsel, alle inkomsten, ongeacht de aard en de herkomst ervan, de belastbare winst van die verenigingen of groeperingen helpen vormen, zou het onredelijk zijn sommige uitgaven, voor de vaststelling van het belastbare netto-inkomen, fiscaal niet in aftrek aan te nemen louter omdat ze geacht moeten worden te vallen buiten het strikte begrip van bedrijfsuitgaven of -lasten als bedoeld in art. 44, W.I.B.

Derhalve moet voor aan de Ven.B. onderworpen verenigingen of groeperingen met zowel verrichtingen van winstgevende aard als van niet winstgevende aard, worden beschouwd dat, in beginsel, al hun uitgaven een bedrijfskarakter hebben, niet alleen die welke betrekking hebben op de verrichtingen van winstgevende aard, maar ook die welke verband houden met de niet winstgevende verrichtingen, niettegenstaande deze laatste uitgaven in feite niet voldoen aan de in art. 44, W.I.B., gestelde voorwaarden.

60. Voor de aftrekbaarheid van de uitgaven betreffende de niet lucratieve sector is nochtans vereist:

  • dat het gaat om uitgaven die in het kader van de maatschappelijke werkzaamheid van de vereniging vallen;
  • dat ze op voldoende wijze worden verantwoord, d.w.z. dat, aan de hand van verantwoordingsstukken, de juiste bestemming ervan kan worden nagegaan en dat, voor lasten als bedoeld in art. 47, § 1, W.I.B., het in dit artikel vereiste bewijs wordt geleverd.

61. Tot de in aanmerking te nemenuitgaven van de niet lucratieve sector moeten voornamelijk worden gerekend.

  • de kosten betreffende het vermogen dat voor de uitoefening van de belangloze werkzaamheid van de vereniging wordt gebruikt (zoals o.m. kosten voor onderhoud van de lokalen, enz ) ;
  • de toelagen of giften toegekend of verleend binnen het raam van het eigen maatschappelijke doel aan verenigingen met een soortgelijk doel, met inbegrip van die welke gedaan zijn aan instellingen erkend op grond van art. 71, § 1, 4° en 5°, W.I.B., evenals giften of toelagen gedaan zelfs buiten het maatschappelijke doel uit humanitaire overwegingen, op voorwaarde dat zulke giften en toelagen niet worden gedaan met het doel de belasting te ontduiken;
  • de kosten die, wanneer het b.v. gaat om verenigingen waarvan de leden in gemeenschap leven, verband houden met het geheel van het gemeenschapsleven van de vereniging, zoals de kosten gedaan ten bate van de leden van die gemeenschap.

62. Wat deze laatste kosten betreft, moet worden aangestipt dat, in de mate waarin de uitgaven van een vereniging of groepering in art. 20, W.I.B. bedoelde bedrijfsinkomsten uitmaken die aan de leden van de vereniging in geld of in natura worden uitgekeerd, die uitgaven aanneembaar zijn in hoofde van de vereniging maar belastbaar zijn ten name van de genieters. Dit impliceert natuurlijk dat de betrokken vereniging of groepering alle verplichtingen moet nakomen, die opgelegd zijn aan diegenen die dergelijke belastbare inkomsten betalen (zie art. 47, W.I.B.).

D. Toepasselijke bepalingen van het W.I.B.

63. De V.Z.W. en andere groeperingen of verenigingen die geen winst nastreven en waarvoor blijkt dat ze aan de Ven.B. moeten worden onderworpen, dienen te worden gerangschikt onder de in art. 98, W.I.B., bedoelde vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen die in België op een andere wijze zijn opgericht dan in een der vormen bepaald in het Wetboek van koophandel.

Ze moeten derhalve aan de Ven.B. worden onderworpen op dezelfde wijze als de aandelenvennootschappen, zodat de voor deze laatste vennootschappen geldende bepalingen van het W.I.B. (inzake de vaststelling van de belastbare grondslag, de toepasselijke tarieven, de heffing en de verrekening van de voorheffingen en de andere verrekenbare bestanddelen, de aangifteverplichtingen, enz.) integraal van toepassing zijn op de V.Z.W. en andere groeperingen of verenigingen die geen winst nastreven.

VI. BELASTINGSTELSELVAN DE VERENIGINGEN, VENNOOTSCHAPPEN, INRICHTINGEN, INSTELLINGEN EN GROEPERINGEN DIE AAN DE R.P.B. ZIJN ONDERWORPEN

A. Bedoelde belastingplichtigen

64. De nieuwe tekst van art. 136, 2°, W.I.B., heeft tot doel aan de R.P.B. te onderwerpen, de verenigingen, vennootschappen, inrichtingen, instellingen en groeperingen die krachtens art. 94, 2e en 3elid, W.I.B., zoals het werd gewijzigd door art. 15, W.3.11.1976, aan de toepassing van de Ven.B. zijn onttrokken.

Nopens de in het 2e en3e lid van gezegd art. 94 bedoelde belastingplichtigen wordt verwezen naar de hiervoren gegeven toelichting.

B. Grondslag van de R.P.B.

65. De W. 3.11.1976 heeft niets gewijzigd aan het in art. 137, § 1, W.I.B., uiteengezette beginsel, dat alle rechtspersonen die aan do R.P.B. zijn onderworpen, die belasting verschuldigd zijn op hun inkomsten uit onroerende goederen, op hun inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen, alsmede op hun diverse inkomsten van roerende aard.

66. Voor de Staat, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten en de openbare contra voor maatschappelijk welzijn (voorheen commissies van openbare onderstand), zijn dit de enige inkomsten waarop ze inde R.P.B. belastbaar zijn (zie Com.I.B., 137/2).

67. Met betrekking tot de andere aan de R.P.B. onderworpen rechtspersonen, blijkt uit de §§ 2 en 3, welke door art. 22, W. 3.11.1976 in art. 137, W.I.B., werden ingevoegd:

1° dat ze allen belastbaar zijn op:

a) de in art. 47, § 1, W.I.B., bedoelde lasten waarvoor de vereiste bewijzen niet worden overgelegd (zie Com.I.B., 137/3, 2°).

b) de bedragen die werden verleend of toegekend aan vennoten die niet uitdrukkelijk geïdentificeerd zijn in de bij de jaarlijkse aangifte te voegen opgave waarin, voor elk lid of elke vennoot, het bedrag per soort van de belastbare inkomsten wordt vermeld (zie, naar analogie, art. 101, W.I.B.);

2° dat, behalve de in art.99 -nieuw-, 2e lid, a tot g, W.I.B., bedoelde verenigingen, vennootschappen, inrichtingen en instellingen, ze ook belastbaar zijn op

a) de meerwaarden die zijn verwezenlijkt ter gelegenheid van verrichtingen als zijn bedoeld in art. 67, 7°, W.I.B. (zie Com.I.B., 137/3, 1°);

b) de meerwaarden die zijn verwezenlijkt ter gelegenheid van overdrachten als zijn bedoeld in art. 67, 8°, W.I.B., op belangrijke deelnemingen in enigerlei vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen, die in België hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer hebben (zie de commentaar op die bepaling).

C. Tarief van de R.P.B.

68. De door art. 23, W. 3.11.1976 in art. 138, W.I.B., aangebrachte wijziging heeft enkel tot doel het tarief van de R.P.B. te bepalen voor de nieuwe belastbare bestanddelen waarvan sprake is in art. 137, § 2, 2° en §3, 2°, W.I.B., te weten:

  • 15 pct. met betrekking tot de op belangrijke deelnemingen verwezenlijkte meerwaarden (art. 137, § 2, 2°, W.I.B.);
  • 65 pct. met betrekking tot de toekenningen aan niet geïdentificeerde vennoten (art. 137, § 3, 2°, W.I.B.).

VII. INWERKINGTREDING VAN DE WET

69. Krachtens art. 51, W. 3.11.1976 treedt het nieuwe belastingstelsel waaraan de V.Z.W. en soortgelijke groeperingen en verenigingen onderworpen zijn, in werking met ingang van het aj. 1977.

70. Dit betekent dat voor de verenigingen en groeperingen die voor het aj. 1977 aan de Ven.B. zijn onderworpen, die belasting in beginsel de inkomsten treft van:

  • het jaar 1976, voor belastingplichtigen die geen boekhouding voeren of die hun geschriften op 31 december 1976 hebben afgesloten;
  • het boekjaar afgesloten in 1977 voor belastingplichtigen die hun geschriften anders dan per kalenderjaar houden.

71. Wat de aan de R.P.B. onderworpen belastingplichtige betreft (zie titel VI hiervoren), zijn de nieuwe bepalingen eveneens van toepassing met ingang van het aj. 1977, met uitsluiting evenwel van de in art. 137, § 2, 2°, bedoelde bepalingen die verband houden met de op belangrijke deelnemingen verwezenlijkte meerwaarden en die toepasselijk zijn met ingang van1.1.1977.

VIII. RICHTLIJNEN VOOR DE TAXATIE VAN EN SOORTGELIJKE VERENIGINGEN OF GROEPERINGEN DIE VOOR HET AJ. 1977, VOOR DE EERSTE MAAL DE VEN.B. VOLGENS HET GEMEEN RECHT MOETEN ONDERGAAN

72. Gelet op de laattijdige publicatie van de W. 3.11.1976, behoort het de nodige soepelheid te betonen bij de beoordeling van de bewijskrachtige aard van de geschriften betreffende het belastbare tijdperk dat overeenstemt met het aj .1977.

73. Verder dient in verband met de vaststelling van de belastbare grondslag in de Ven.B., te worden opgemerkt:

  • dat de jaarlijkse taks tot vergoeding der successierechten (zie de art. 147 tot 162 van het Wetboek der successierechten) niet onder de verworpen uitgaven moet worden opgenomen;
  • dat niet tot de belastbare inkomsten van het aj. 1977 moeten worden gerekend, de bedragen die, alhoewel ze tijdens het op dat aj. betrekking hebbende belastbare tijdperk zijn ontvangen:
    • of wel, reeds tijdens een vorig boekjaar definitief waren verworven;
    • of wel, de vergoeding zijn van prestaties verricht tijdens jaren waarvoor de vereniging of groepering niet volgens het gemeen rechtaan de Ven.B. was onderworpen;
  • dat de verliezen geleden tijdens een periode waarvoor de betrokken vereniging of groepering niet onder het stelsel van de Ven.B. volgens het gemeen recht viel, niet mogen worden afgetrokken van winsten verwezenlijkt tijdens jaren waarvoor de Ven.B. wel van toepassing is;
  • dat de activa en passiva van de vereniging of groepering geacht moeten worden te zijn ingebracht op de eerste dag van het tijdperk waarvoor die vereniging of groepering aan de Ven.B. gemeen recht is onderworpen, en dit tegen een waarde die in overleg met de betrokken belastingplichtige moet worden bepaald; desnoods kan hiervoor worden gesteund op de jaarlijkse aangifte in de taks tot vergoeding der successierechten;
  • dat investeringstoelagen in beginsel belastbaar zijn voor het belastbare tijdperk waarin ze zijn toegekend (cf. 96/6 Com.I.B.), met dien verstande dat, op schriftelijke aanvraag van de belanghebbende vereniging of groepering, gehandeld mag worden op de wijze bepaald voor de gevallen bedoeld in 44/141.3 en 141.4, Com.I.B.

IX.OVERGANGSBEPALING INZAKE V.A.

74. Voor de verenigingen en groeperingen die voor het aj. 1977 voor de eerste maal volgens het gemeen recht aan de Ven.B. onderworpen zijn, bepaalt art. 52, W.3.11.1976 dat, in afwijking van de art. 89 en 90, W.I.B., er geen vermeerdering moet worden toegepast op de bedragen die, ten laatste op 10.1.1977 werden gestort in mindering van de door die verenigingen of groeperingen voor het aj. 1977 verschuldigde Ven.B., mits die stortingen onder de voorwaarden en volgens de regelen bepaald in de art. 49 tot 56, K.B. tot uitv. van het W.I.B., werden gedaan.

X. V.Z.W. EN SOORTGELIJKE GROEPERINGEN EN VERENIGINGEN DIE DE AFSLUITING VAN HUN REKENINGEN HEBBEN VERVROEGD.

75. Bij gebrek aan een uitdrukkelijk anders luidende bepaling in de W. 3.11.1976, moet er fiscaalrekening worden gehouden met de beslissingen die sommige verenigingen of groeperingen op reglementaire wijze (b.v. overeenkomstig de statuten) zouden hebben getroffen tot vervroeging van de datum van afsluiting van de normaal op 31.12.1976 of te sluiten rekeningen, met als enig doel de uitwerking van deze wet te verdagen.

De inkomsten van zulk vóór 31.12.1976 afgesloten boekjaar kunnen derhalve voor het aj. 1977 niet in de Ven.B. worden belast op grond van de bepalingen van de W. 3.11.1976 zelfs niet indien blijkt dat de betrokkenvereniging volgens die wet vanaf het aj. 1977 aan de Ven.B. had moeten worden onderworpen.

Evenwel zal, ingeval van vervroeging van de datum van de afsluiting der rekeningen, de aangifte-vragenlijst die voor het vervroegd afgesloten boekjaar wordt ingediend, bij voorrang worden onderzocht, inzonderheid om na te gaan of de betrokken vereniging, op grond van de voor het aj.1976 geldende bepalingen, niet volgens het gemeen recht aan de Ven.B. kan worden onderworpen en voor de aan het aj. 1977voorafgaande aanslagjaren waarvoor de aanslagtermijnen nog niet verstreken zijn.

XI. VERZENDING EN INZAMELING VAN DE AANGIFTEFORMULIEREN AJ. 1977 TE ZENDEN AAN V.Z.W.EN SOORTGELIJKE GROEPERINGEN OF VERENIGINGEN

A. Algemeen

76. Onder voorbehoud van de hierna uiteengezette bijzonderheden, zijn, ter zake, mutatis mutandis, de onderrichtingen van toepassing die verstrekt werden :

  • in bijlage II van circ. 31.1.1977, Ci. RH 82/288.689 (B. 549, blz. 399);
  • bij circ. 8.2.1977, Ci. RH 851/289.353 (B. 550, blz. 736).

Naar gelang van het geval, dient aan de betrokken verenigingen of groeperingen een aangifteformulier 275.1 of 276.5 te worden uitgereikt.

B. Voornaamste wijzigingen naar de grond die in het aangifteformulier 276.5 werden aangebracht

77. Wegens de aanpassing of de opheffing van de art. 94, 103, 134 en 136 tot 138, W.I.B. door de art. 15, 16 en 20 tot 23, W. 3.11.1976, diende de aangifte-vragenlijst 276.5 betreffende het aj. 1977 verschillende wijzigingen naar de grond te ondergaan, waarvan de voornaamste zijn:

Vak I:

Aanpassing van de tekst van nr. 3, b, aan het nieuwe 3e lid van art. 94, W.I.B.

Vak II:

Weglating, in nr. 2, van de vraag in verband met de bestemming van bepaalde ontvangsten.

Vak III:

Wijziging van nr. 1, a en toevoeging van een nieuwe tekst order nr. 4, wegens het feit dat de vennootschappen en verenigingen bedoeld in art. 103, § 1, 1°, W.I.B. voortaan aan de R.P.B. onderworpen zijn.

Vak IV:

Schrapping van dit vak betreffende de verdeling van het vermogen, ingevolge de opheffing van art. 103, W.I.B.

Belangrijke opmerking

Aanpassing van de opsomming van de belastingplichtigen waarvoor het aangifteformulier 276.5 bestemd is(niet meer bestemd voor aan de Ven.B. onderworpen belastingplichtigen).

C. Verenigingen of groeperingen die voor het aj. 1976 volgens het gemeen recht aan de Ven.B. waren onderworpen

78. Zoals voorheen, dient aan die verenigingen of groeperingen een aangifteformulier 275.1 te worden gezonden.

Op te merken dat de voornaamste wijzigingen naar de grond die voor het aj. 1977 in het aangifteformulier 275.1 werden aangebracht, werden besproken in de nrs. 9 tot 12 van circ. 8.2.1977, Ci.RH 851/289.353 (B. 550, blz.736).

D. Verenigingen of groeperingen die voor het aj. 1976 aan de R.P.B. waren onderworpen

79. Aangezien die verenigingen of groeperingen, in beginsel, aan de R.P.B. onderworpen blijven, dient de Hfd.cr.-nat. pers. ook voor het aj. 1977 aan die verenigingen of groeperingen een aangifte-vragenlijst 276.5 te zenden.

Ter zake zijn de bepalingen van de art. 212, 214, 217 en 218 (nieuw), W.I.B., van toepassing, zoals ze werden gecommenteerd in bijlage II van circ. 31.1.1977, Ci.RH 82/288.689 (B. 549, blz. 399).

80. Bij het onderzoek van de ingezonden aangiften-vragenlijst, zullen de controles-nat. pers. inde eerste plaats aandachtig moeten nagaan of de betrokken verenigingen of groeperingen wel degelijk de vereiste voorwaarden vervullen om aan de R.P.B. onderworpen te blijven.

81. Wijst dit onderzoek uit dat een bepaalde vereniging of groepering aan de Ven.B. moet worden onderworpen, dan zendt de Hfd.cr.-nat. pers. het volledig dossier van de betrokken vereniging of groepering aan zijn ambtgenoot die bevoegd is inzake vennootschappen.

Deze laatste reikt onmiddellijk een aangifte-formulier 275.1 uit met het oog op het verdere onderzoek van de belastingtoestand van de bewuste vereniging of groepering.

E. Vennootschappen, verenigingen of groeperingen die voor het aj.1976 volgens art. 103, W.I.B. aan de Ven.B. waren onderworpen

82. Voor de vennootschappen, verenigingen of groeperingen waarvoor, aan de hand van de nieuwe onderrichtingen, onmiddellijk kan worden uitgemaakt dat ze niet aan de Ven.B. onderworpen zijn, dienen de Hfd. crs.-ven. het volledige aanslagdossier over te zenden naar hun bevoegde ambtgenoten nat.pers., die onmiddellijk na ontvangst van het dossier, aan de betrokken rechtspersonen een aangifte-vragenlijst 276.5uitreiken.

Dit is o.m. het geval voor:

  • de vennootschappen en verenigingen beoogd in art. 94,2e lid, letters a tot en met g, W.I.B.;
  • de instellingen die voor het jaar 1976, op grond van art. 71, y1, 4°, b, d, e, en 5°, W.I.B., werden erkend om belastingvrije giften te ontvangen;
  • de erkende beschutte werkplaatsen bedoeld in art. 71, § 1, 4°, h, W.I.B.

83. Aan de andere verenigingen en groeperingen, moeten de Hfd. crs.-ven., met inachtneming van de richtlijnen opgenomen in de sub A hiervoren vermelde circ., eena angifteformulier 276.5 toezenden, samen met een schrijven, van bijgaand model, waarvan aan de bevoegde taxatiediensten een bepaald aantal exemplaren zullen worden toegezonden, en waarin de aandacht van de betrokken verenigingen en groeperingen erop wordt gevestigd dat ze, ingevolge de opheffing van art. 103, W.I.B., voor het aj.1977 eventueel de Ven.B. volgens het gemeen recht moeten ondergaan en dat ze, in dat geval, binnen de termijn gesteld op het toegezonden formulier 276.5, ertoe gehouden zijn een aangifte-formulier 275.1 aan te vragen.

84. Aan de verenigingen en groeperingen welke om een aangifteformulier 275.1 verzoeken, dienende Hfd.crs.-ven. onmiddellijk tot de toezending ervan over te gaan. Als uiterste datum van terugzending behoort het op dit aangifteformulier de laatste dag van de maand volgend op die van toezending te vermelden.

85. Voor de verenigingen en groeperingen die menen aan de R.P.B. onderworpen te zijn en die dus het aangifteformulier 276.5 hebben ingezonden, moet voor- het aj. 1977 het onderzoek van de aangifte-vragenlijst door de Hfd.cr.-ven. worden uitgevoerd.

Dit onderzoek zal er in de eerste plaats op gericht zijn na te gaan of de betrokkenbelastingplichtigen wel alle voorwaarden vervullen om aan de R.P.B. te worden onderworpen.

Is dit het geval, dan zendt de Hfd.cr.-ven., na voor het aj. 1977 het volledige onderzoek te hebben verricht, het aanslagdossier over aan zijn collega-nat.pers., die vanaf aj. 1978 voor het verdere onderzoek zal instaan.

86. Wijst het onderzoek van deHfd.cr.-ven. uit dat de betrokken vereniging of groepering aan de Ven.B. moet worden onderworpen, dan brengt hij dit ter kennis van die vereniging of groepering, onder toezending van eena angifteformulier 275.1.

XII.SLOTBEMERKINGEN

87. Het wordt nuttig geacht de aandacht van de taxatiediensten te vestigen op de noodzakelijkheid bij de toepassing van het nieuwe belastingstelsel inzake de V.Z.W. en soortgelijke verenigingen en groeperingen, met omzichtigheid, gematigdheid en de nodige zin voor objectiviteit tewerk te gaan.

88. Er mag immers niet uit het oog worden verloren dat de wijzigingen die in het bedoelde belastingstelsel werden aangebracht, vooral tot doel hebben een klaardere toestand te scheppen in de fiscale controle van de boekhoudkundige geschriften van de betrokken verenigingen en groeperingen en dat daarmee inzonderheid werd betracht tot een juistere belastingheffing te komen op het stuk van de belastingen die verschuldigd zijn door de natuurlijke en rechtspersonen aan wie de bedoelde verenigingen en groeperingen lonen, erelonen, commissielonen, interesten, huurgelden, enz., hebben betaald of bepaalde voordelen zoals b.v. beschikking van een wagen of materieel of voordelen in natura hebben toegekend.

89. Bijgevolg zal ook voor de aan de R.P.B. onderworpen verenigingen en groeperingen erop worden toegezien dat ze hun verplichtingen inzake B.V. en R.V. nakomen en dat de lasten als bedoeld in art. 47, § 1, W.I.B., op de vereiste wijze zijn verantwoord en, mocht dit laatste niet het geval zijn, dat toepassing wordt gemaakt van het bepaalde in art. 137, § 3, W.I.B.

90. Er weze aan herinnerd dat wanneereen V.Z.W. aan één of meer van haar leden een stoffelijk voordeel-anders dan wegens normale bezoldigingen of honoraria die geleverde prestaties vergoeden- toekennen, deze tekortkoming aan het wettelijk statuut der V.Z.W. dient aangezien als een kriterium dat normaal voldoende is om ze in de Ven.B. te belasten naar het gewoon aanslagstelsel.

Deel 2.- DIVERSEN :VERBETERING VAN BEPAALDE TEKSTEN

I.WETTEKST

91. W. 3.11.1976, art. 19 (wijziging van art. 132, W.I.B.).

II.COMMENTAAR

92. Loutere in overeenstemming brenging van de tekst van art. 132, W.I.B., met de in art. 47, § 1, W.I.B., gebruikte terminologie.

NAMENS DEMINISTER
De Directeur-generaal,
E. SCHMITZ.

Bijlage

[Stempel]

Mevrouw, Mijnheer,

Voor het aanslagjaar 1976 was uw vereniging, als rechtspersoon bedoeld in artikel 103, § 1,2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, ertoe gehouden een aangifte vragenlijst nr. 276.5 te onderschrijven.

Artikel 16 van de wet van 3 november1976 tot wijziging van gezegd Wetboek (Belgisch Staatsblad van 9december 1976) heeft evenwel voormeld artikel 103 opgeheven, waardoor met ingang van het aanslagjaar 1977 uw vereniging:

  • ofwel aan de rechtspersonenbelasting is onderworpen;
  • ofwel volgens het gemeen recht in de vennootschapsbelasting moet worden belast.

De aangifte-vragenlijst die U hierbij voor het betrokken aanslagjaar wordt toegezonden, dient dan ook enkel te worden ingevuld indien U meent dat uw vereniging aan de rechtspersonenbelasting is onderworpen, d.w.z. indien uw vereniging behoort tot de rechtspersonen bedoeld in littera A van de "Belangrijke opmerking" op bladzijde 4 van die aangifte-vragenlijst.

Mocht U evenwel van oordeel zijn dat uw vereniging voor het aanslagjaar 1977 aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, dan dient U -zo spoedig mogelijk en alleszins vóór de uiterste datum die op het U toegezonden formulier is gesteld voor de terugzending ervan- om de toezending te verzoeken van het aangifteformulier nr. 275.1 dat door aan de vennootschapsbelasting onderworpen, belastingplichtigen moet worden onderschreven.

Hoogachtend,