Circulaire nr. 3/2003 d.d. 20.02.2003

Vlaamse registratierechten
Preferentieel tarief voor de schenkingen van bouwgronden
Wijzigingen aan abattement en meeneembaarheid
AFZ 3/2003 - Dos. E.E./L.107-123
In het Belgisch Staatsblad van 31 december 2002, editie 4, werd het decreet van het Vlaams Parlement van 20 december 2002 "houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003" bekendgemaakt.
Dat decreet brengt zowel wijzigingen aan in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten als in het Wetboek der successierechten. Deze circulaire behandelt enkel de wijzigingen aan eerstgenoemd wetboek [Met uitzondering van de wijziging aan artikel 66bis W.Succ.]; de wijzigingen aan laatstgenoemd wetboek [Met uitzondering van de wijziging aan artikel 66bis W.Succ.] zullen het onderwerp uitmaken van een later te verschijnen afzonderlijke circulaire.
Op het vlak van de registratierechten bevat het decreet twee groepen van maatregelen:
1) de invoering van een tijdelijk voordelig tarief inzake schenkingen van bouwgronden;
2) een tweede aanpassing [De eerste aanpassing werd gedaan bij het decreet van 5 juli 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2002 - zie circulaire AKRED nr. 16/2002 van 7 oktober 2002 (circulaire AFZ nr. 21/2002 van dezelfde datum.] van de bepalingen inzake het abattement en de meeneembaarheid, ingevolge een nieuwe evaluatieronde van die bepalingen gemaakt door het kabinet van de Vlaamse Minister van Financiën in samenspraak met het notariaat, de AKRED en de AFZ.
Artikel 75 van het decreet bepaalt de datum van inwerkingtreding van de wijzigingen aan het W.Reg. op 1 januari 2003.
In bijlage bij deze circulaire wordt een uittreksel van de tekst van het decreet meegedeeld (bijlage 1). Dat uittreksel beperkt zich dus tot die gedeelten van de tekst die de registratierechten betreffen. Voorts wordt er in een tweede bijlage een gecoördineerde tekst verstrekt van de gewijzigde bepalingen inzake het abattement en de meeneembaarheid op het vlak van registratierechten.
COMMENTAAR
1. TIJDELIJKE PREFERENTIEEL TARIEF VOOR SCHENKINGEN VAN BOUWGRONDEN BESTEMD VOOR WONINGBOUW (artikelen 63 en 64 van het decreet).
Artikel 63 van het decreet voegt in titel I, hoofdstuk IV, afdeling XII van het W.Reg. een nieuwe onderafdeling III in, die de artikelen 140nonies tot 140duodecies omvat. Het opschrift van de nieuwe afdeling luidt: "Bijzondere tijdelijke bepalingen voor schenkingen van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw.". Vermits het hier een eerste circulaire betreft, wordt de commentaar bij de nieuwe artikelen van het W.Reg. beperkt gehouden. Iets meer aandacht wordt echter besteed aan het vraagstuk welke bouwgronden er voor het preferentieel tarief in aanmerking komen. Voor de verdere verfijning van de benadering van dit vraagstuk wordt verwezen naar de beslissingen die de AKRED terzake zal nemen.
Artikel 64 van het decreet schakelt in het kader van de successierechten bij vererving in de rechte lijn en tussen echtgenoten de regel van de gecumuleerde progressie uit in geval een bouwgrond met toepassing van het preferentieel tarief werd geschonken binnen de drie jaar voor het overlijden van de decujus.
1.1. Preferentieel tarief
Het preferentieel tarief is:
A) voor schenkingen in de rechte lijn en tussen echtgenoten het tarief vastgesteld in de volgende tabel

Gedeelte van de schenkingRechte lijn

Tussen echtgenoten
vantot inbegrepenab
EUREURt.h.
0,0112.5001
12.50025.0002125
25.00050.0003375
50.000100.00051.125
100.000150.00083.625
150.000200.000147.625
200.000250.0001814.625
250.000500.0002423.625
boven de 500.0003083.625
In de tabel wordt vermeld:
  • onder a: het percentage dat toepasselijk is op het overeenstemmend gedeelte;
  • onder b: het totale bedrag van de belasting over de voorgaande gedeelten.
Voor de onderhavige categorie worden ten opzichte van het normale tarief (artikel 131 W.Reg.) de heffingspercentages in het preferentieel tarief dus telkens verminderd met 2 procent tot en met de schijf van € 100.000 tot € 150.000 inbegrepen. In de vier hoogste schijven blijven de heffingspercentages onveranderd.
B) voor schenkingen tussen andere personen [Waaronder dus ook de schenkingen tussen samenwonenden vallen.] dan in rechte lijn en tussen echtgenoten "het tarief bepaald in tabel II van artikel 131 W.Reg. met dien verstande dat op het gedeelte van € 0.01 tot € 150.000 inbegrepen een tarief van 10% wordt geheven"; in tabelvorm geeft dit:

Gedeelte van de schenking

Tussen broers en zussen

Tussen ooms of tantes en neven of nichten

Tussen alle andere personen

van tot inbegrepenababab
EUR EURt.h.EURt.h.EURt.h.EUR
0,01 150.00010-10-10-
150.000 175.0005015.0005515.0006515.000
boven de 175.0006527.5007028.7508031.250
Het spreekt voor zich dat de artikelen 132^2 tot 139 W.Reg. onverkort van toepassing blijven op de schenkingen die het preferentieel tarief genieten. Dit geldt dus ook voor de regel van de gecumuleerde progressie in geval van opeenvolgende schenkingen binnen de drie jaar (art. 137 W.Reg. - zie verder punt 1.8.). In het kader van de successierechten wordt de regel van de gecumuleerde progressie in geval van schenkingen binnen drie jaar voor het overlijden daarentegen wel geneutraliseerd, althans wanneer de schenking van de bouwgrond in rechte lijn of tussen echtgenoten gedaan werd (zie verder punt 1.11.)
1.2. Invloed van het lokalisatiecriterium op het toepassingsgebied
Vermits het Vlaams Gewest voor het eerst op het vlak van de schenkingsrechten een eigen regelgeving heeft geïntroduceerd, past het vooraf de lokalisatieregel voor schenkingen in herinnering te brengen. [Bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en gewesten, zoals gewijzigd bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten - artikel 5 - zie circulaire AKRED nr. 7 (AFZ nr. 9/2002) van 22 maart 2002, bijlage 4.] Die lokalisatieregel verschilt immers grondig van die inzake overdrachten ten bezwarende titel van onroerende goederen.
De schenkingsrechten worden geacht als volgt te zijn gelokaliseerd:
  • het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen door een rijksinwoner : op de plaats waar de schenker, op het ogenblik van de schenking, zijn fiscale woonplaats heeft. Als de fiscale woonplaats van de schenker tijdens de periode van vijf jaar voor zijn schenking op meer dan één plaats in België gelegen was: op de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
  • het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van in België gelegen onroerende goederen door een niet-rijksinwoner: op de plaats waar het onroerend goed gelegen is.
In het kader van de hier besproken schenkingen van bouwgronden impliceert dit dus dat:
  • indien de schenking gedaan wordt door een rijksinwoner het preferentieel tarief enkel van toepassing kan zijn wanneer de schenker op het ogenblik van de schenking zijn fiscale woonplaats in het Vlaamse Gewest heeft. [In het geval dat de schenker-rijksinwoner in de vijf jaar voorafgaand aan de schenking zijn fiscale woonplaats in verschillende Gewesten heeft gehad, zal het preferentieel tarief maar van toepassing kunnen zijn indien hij gedurende die periode het langst zijn fiscale woonplaats in het Vlaamse Gewest heeft gehad. Net zoals bij het gewone geval van een rijksinwoner met een niet veranderde f iscale woonpaaats kan de geschonken bouwgrond hierbij in eender welk van de drie Gewesten gelegen zijn.] In dit geval moet niet gekeken worden naar de ligging van de bouwgrond: [Het Vlaams Parlement heeft immers in onderhavig decreet niet bepaald dat in deze situatie de bouwgrond in het Vlaamse Gewest moet gelegen zijn.] hij kan zowel gelegen zijn in het Vlaamse, het Brusselse of het Waalse Gewest.
  • indien de schenking gedaan wordt door een niet-rijksinwoner het preferentieel tarief enkel van toepassing kan zijn wanneer de bouwgrond gelegen is in het Vlaamse Gewest. In dit geval komt de schenking van een in het Brusselse Gewest of in het Waalse Gewest gelegen bouwgrond niet in aanmerking voor het preferentieel tarief dat geldt in Vlaamse Gewest. De schenking van de bouwgrond zal dan immers belast moeten worden overeenkomstig de regels die inzake schenkingsrechten gelden in respectievelijk het Brusselse en het Waalse Gewest.
1.3. In aanmerking komende gronden.
Het moet gaan om de schenking onder de levenden van een "perceel grond dat volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw" [M.a.w. het moet gaan om de schenking van een bouwgrond bestemd voor woningbouw. Het is enkel om een grotere overeenstemming te bekomen met het bepaalde in artikel 46bis W.Reg. dat de Raad van State voorgesteld heeft de in het voorontwerp van decreet gebruikte omschrijving "bouwgrond bestemd voor woningbouw" te vervangen door de omschrijving "perceel grond dat volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw".] (artikel 140nonies W.Reg.). Een bouwgrond die uitsluitend bestemd is voor woningbouw valt vanzelfsprekend onder die omschrijving. Vermits er echter in die omschrijving geen sprake is van uitsluitende bestemming voor woningbouw, moet besloten worden dat de schenking van een perceel dat stedenbouwkundig voor gemengde bebouwing in aanmerking komt (woning + industrie-, nijverheids- of handelsgebouw) in voorkomend geval ook van het preferentieel tarief kan genieten. Anderzijds kan een perceel dat stedenbouwkundig uitsluitend voor een industrie- of handelsgebouw is gereserveerd, niet in aanmerking komen voor het preferentieel tarief.
De ontvanger moet dus nagaan of het geschonken perceel grond wel degelijk gelegen is in een zone waar woningbouw is toegestaan. In principe is het niet zijn taak te beoordelen of het bouwen van een woning op het perceel effectief mogelijk is. Hij kan dan ook niet eisen dat de belanghebbenden een stedenbouwkundig attest voorleggen waaruit die effectieve bebouwbaarheid zou moeten blijken.
Opdat er gesproken zou kunnen worden van de schenking van een bouwgrond, mag de schenker op het perceel in principe nog geen gebouw hebben staan of mag hij nog geen werken hebben aangevat die het begin van oprichting van een gebouw uitmaken. Bouwwerken of overblijfselen van bouwwerken waarvan de waarde in verhouding tot de waarde van het onbebouwde perceel te verwaarlozen is, sluiten evenwel de schenking van het perceel aan het preferentieel tarief niet uit. Als voorbeelden hiervan kunnen worden vermeld: een tuinhuis, een duivenhok, een ruïne in de zin van een onherstelbare bouwval. Het feit dat een op het perceel staande woning bij administratieve maatregel onbewoonbaar is verklaard, is echter op zich niet voldoende om het perceel in deze context te kunnen aanmerken als een bouwgrond die voor het preferentieel tarief in aanmerking komt.
Wanneer op het perceel reeds een gebouw staat dat juridisch eigendom is van de begiftigde dan kan de grond geschonken worden tegen het preferentieel tarief. Voorwaarde is dan wel dat de schenker niet de onmiddellijke rechtsvoorganger van de begiftigde was inzake de eigendom van het gebouw.
Vb. 1. De begiftigde heeft vóór dat de grond hem wordt geschonken op het perceel een woning opgericht ingevolge een toelating tot bouwen met afstand van natrekking. De grond kan geschonken worden met toepassing van het preferentieel tarief.
Vb. 2. De eigenaar van een woning doet eerst schenking van de opstal (de woning zonder de grond) en later van de grond. De grond kan niet geschonken worden met toepassing van het preferentieel tarief.
Vb. 3. Het eigendomsrecht op de woning werd door de latere begiftigde onder bezwarende titel of onder kosteloze titel verkregen van een derde (geen partij bij de latere schenking van de grond). Nadien doet de eigenaar van de grond schenking van het perceel aan de begiftigde: die schenking kan geschieden tegen het preferentieel tarief.
1.4. Schenking van volle eigendom, blote eigendom of vruchtgebruik
Hoewel het preferentieel tarief in de eerste plaats de schenking van de volle eigendom van bouwgronden beoogt aan te moedigen, kan dat tarief ook genoten worden in geval van schenking van de blote eigendom of het vruchtgebruik van een bouwgrond. Artikel 140nonies W.Reg. bepaalt immers niet uitdrukkelijk dat het moet gaan om de schenking van de volle eigendom van een bouwgrond. [Vgl. met artikel 140bis W.Reg. inzake schenkingen voor ondernemingen waar in 1° en 2° telkens sprake is van de volle eigendom.]
1.5. Schenking van de geheelheid of van een gedeelte van de rechten die de schenker in de bouwgrond bezit
Voor de toepassing van het preferentieel tarief wordt niet vereist dat de schenker bij de schenking al zijn rechten in de bouwgrond overdraagt aan de begiftigde. Er wordt daarvoor evenmin vereist dat de begiftigde ingevolge de schenking de geheelheid volle eigendom, blote eigendom of vruchtgebruik in de bouwgrond bekomt.
1.6. Meerdere schenkers en/of meerdere begiftigden
Het voordeeltarief kan evenzeer toepassing vinden wanneer er meerdere schenkers en/of meerdere begiftigden zijn als wanneer er maar één schenker en één begiftigde is.
Vb. 1. A en B, echtgenoten, zijn onverdeelde volle eigenaars, elk voor de helft, van een bouwgrond. Ze schenken de volle eigendom van de bouwgrond in onverdeeldheid (elk voor de helft) aan X, hun dochter en Y, die wettelijk of feitelijk samenwoont met X. Die situatie wordt als volgt ontleed:
schenkingheffingsgrondslagtarief
1) A -> X1/4 volle eigendom140nonies a)
2) A -> Yidem140nonies b)
3) B -> Xidem140nonies a)
4) B -> Yidem140nonies b)
Vb. 2. Ingevolge het overlijden van een echtgenoot doet de eigendomssituatie met betrekking tot een bouwgrond zich als volgt voor:
  • overlevende echtgenoot: 1/2 V.E. + 1/2 VRG
  • 2 kinderen: elk 1/4 B.E.
Welke fracties van zijn rechten in de bouwgrond de langstlevende ook schenkt, de kinderen zullen in alle gevallen genieten van het preferentieel tarief (zie punt 1.5).
1.7. Hoedanigheid van de schenker en van de begiftigde
Opdat het preferentieel tarief van toepassing zou kunnen zijn moet de begiftigde noodzakelijkerwijze een natuurlijke persoon zijn (artikel 140nonies W.Reg.). De schenker kan zowel een natuurlijke als een rechtspersoon zijn.
Een schenking van een bouwgrond aan een rechtspersoon blijft dus in principe [Tenzij de rechtspersonen een voorkeurtarief geniet op grond van een andere bepaling, bijv. artikel 140 W.Reg.] onderworpen aan het gewone tarief bepaald in artikel 131 W.Reg.
1.8. Periode waarin de schenking moet geschieden
Opdat het preferentieel tarief van toepassing zou kunnen zijn moet de schenkingsakte verleden worden in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005 (artikel 140nonies W.Reg.). Ingeval de aanvaarding in een aparte akte zou geschieden, moet die laatste akte uiterlijk 31 december 2005 verleden zijn. [De akte van aanbod moet uiteraard dateren van na 31 december 2002.]
Het nieuwe artikel 140decies W.Reg. heeft tot doel te vermijden dat men de periode waarin het preferentieel tarief geldt zou kunnen prolongeren door aan de schenking modaliteiten (opschortende voorwaarde of een tijdsbepaling met betrekking tot de eigendomsoverdracht) te verbinden. Opdat het preferentieel tarief van toepassing zou kunnen zijn moet de begiftigde de volledige beschikking over de eigendom of het vruchtgebruik van de geschonken bouwgrond verkrijgen binnen de vermelde periode.
1.9. Vermelding op te nemen in de schenkingsakte - sanctie in geval van onjuiste verklaring
Het nieuwe artikel 140undecies W.Reg. vereist dat in de akte van schenking [In geval de schenking in een aparte akte aanvaard wordt, moet de vermelding gedaan zijn zowel in de akte van aanbod als in de akte van aanvaarding.] uitdrukkelijk wordt vermeld dat het perceel grond volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw. Ontbreekt die vermelding, dan kan het preferentieel tarief niet toegepast worden. Een latere regularisatie is niet mogelijk.
Ingeval van een valse verklaring worden de aanvullende rechten opeisbaar en moet er een boete betaald worden ten belope van die rechten. De aanvullende rechten en de boete zijn ondeelbaar verschuldigd door de schenker en de begiftigde.
1.10. Gelijktijdige schenkingen van aan het preferentiële tarief onderworpen goederen en andere goederen.
Zoals reeds vermeld blijft in het kader van de schenkingsrechten de regel van de gecumuleerde progressie in geval van opeenvolgende schenkingen binnen de drie jaar (artikel 137 W.Reg.) van toepassing. Het nieuwe artikel 140duodecies W.Reg. is een aanvulling op artikel 137 W.Reg.
Die aanvulling was nodig omdat er met de invoering van het preferentieel tarief twee onderscheiden progressieve tarieven bij de toepassing van artikel 137 W.Reg. kunnen betrokken zijn.
Gebeuren de schenkingen achtereenvolgend, dan stelt er zich geen probleem: de laatste schenkingsakte ondergaat het preferentieel tarief of het gewoon tarief op het nog niet-belaste deel van de gecumuleerde heffingsgrondslagen, naargelang de schenking van de bouwgrond respectievelijk van latere of eerdere datum is dan de schenking van de aan het gewone tarief onderworpen goederen.
Quid echter met de progressiviteit indien het gaat om één akte waarin zowel een aan het preferentieel tarief onderworpen bouwgrond als andere goederen worden geschonken, of nog, indien de schenkingen van die onderscheiden goederen op dezelfde dag maar in verschillende akten zijn neergelegd. De belastingschuld kan dan verschillen naargelang de volgorde waarin de schenkingen geacht worden te zijn gedaan. De Vlaamse decreetgever heeft die vraag omzeild door in artikel 140undecies W.Reg. te bepalen dat in zulke gevallen de schenking van de bouwgrond altijd [De regel van artikel 140undecies W.Reg. is algemeen. De ontvanger moet dus in geen enkel geval nagaan bij welke volgorde de Vlaamse Schatkist het meeste belang heeft. Omgekeerd kan de belastingplichtige evenmin de berekening van de rechten in de omgekeerde volgorde vragen omdat hij daar belang bij heeft.] geacht [het betreft hier uiteraard geen weerlegbaar vermoeden] wordt aan die van de andere goederen te zijn voorafgegaan.[in de zin van de eerste geregistreerde of verplicht registreerbaar geworden schenking, als bedoeld in artikel 137 W.Reg.]
Vb. Schenking in één akte aan een broer van:
  • een bouwgrond (preferentieel tarief artikel 140nonies b) W.Reg.)
    heffingsgrondslag : 75.000 €
  • andere goederen (gewoon tarief artikel 131 W.Reg.)
    heffingsgrondslag : 75.000 €/150.000 €
  • heffing ingevolge de schenking van de bouwgrond
    75.000 € x 10% = 7.500 €
  • heffing ingevolge de "latere" schenking van de "andere goederen"
    heffingsgrondslag ingevolge artikel 137 W.Reg.: 150.000 €
    75.000 € reeds belast = 0 €
    75.000 € x 50% = 37.500 €
    150.000 € 37.500 €
  • totaal van de heffing : 7.500 € + 37.500 € = 45.000 €
    [Mocht men de berekening maken - wat dus niet mag - in de omgekeerde volgorde (eerst schenking "andere goederen", dan schenking bouwgrond), dan zou er 30.625 EUR verschuldigd zijn. Mocht het preferentieel tarief niet van toepassing zijn dan zou er over de totaliteit van deze schenking bij toepassing van artikel 131 W.Reg. 60.625 EUR verschuldigd zijn.]
1.11. Neutralisering van de regel van de gecumuleerde progressie in geval van schenking van een bouwgrond tegen het preferentieel tarief binnen de drie jaar voor het overlijden.
Krachtens artikel 66bis W.Succ. wordt, zo er in artikel 42, VIIIbis van dat Wetboek bedoelde schenkingen onder de levenden bestaan, [door de overledene ten bate van zijn erfgenamen, legatarissen of begiftigden gedane schenkngen onder de levenden, vastgesteld door akten die dagtekenen van minder dan drie jaar vóór de dag van het overlijden en die vóór dezelfde dag ter registratie zijn aangeboden of moesten worden aangeboden] de heffingsgrondslag waarop het registratierecht werd of dient te worden geheven uit hoofde van die schenkingen gevoegd bij het erfelijk emolument om het op dit emolument toepasselijk progressief recht van successie of van overgang bij overlijden te bepalen.
Door de wijziging van artikel 66bis W.Succ. bij artikel 64 van het decreet, wordt die regel geneutraliseerd, maar enkel in geval de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de bouwgrond moet geschonken zijn aan een erfgenaam, legataris of begiftigde in de rechte lijn of aan de echtgenoot van de erflater;
2° de schenking van de bouwgrond moet belastbaar zijn of belast geweest zijn met het preferentieel tarief van artikel 140nonies W.Reg.
M.a.w. de neutralisering geldt enkel wanneer op de schenking van de bouwgrond het tarief van artikel 140nonies a) W.Reg. is of moet worden toegepast. Werd het tarief van artikel 140nonies b) W.Reg. toegepast, dan blijft het eerste lid van artikel 66bis W.Succ. onverkort van toepassing.
Voorbeeld: A en B, echtgenoten, zijn onverdeelde volle eigenaars, elk voor de helft, van een bouwgrond. Ze schenken de volle eigendom van de bouwgrond in onverdeeldheid (elk voor de helft) aan X, hun dochter en Y, die wettelijk of feitelijk samenwoont met X (zie voorbeeld 1 op blz. 5). Een jaar later overlijdt A. B verkrijgt het vruchtgebruik van de nalatenschap, X de blote eigendom. Y is bijzondere legataris van een oldtimer Ferrari.
  • in hoofde van X is de regel van artikel 66bis, eerste lid, W. Suc. geneutraliseerd (X heeft wat de door A aan haar gedane schenking betreft - 1/4 V.E.- het preferentieel tarief bepaald in artikel 140nonies a) W.Reg. genoten);
  • in hoofde van Y geldt die neutralisering niet vermits Y over zijn verkrijging van A belast werd tegen het preferentieel tarief van artikel 140nonies b) W.Reg. De heffingsgrondslag voor de schenking A → Y (1/4 V.E. van de bouwgrond - reeds belast) moet dus gevoegd worden bij de verkoopwaarde van de Ferrari, om het progressief successietarief dat verschuldigd is over het legaat aan Y te kunnen bepalen.
2. WIJZIGINGEN AAN DE REGELINGEN INZAKE HET ABATTEMENT EN DE MEENEEMBAARHEID IN HET VLAAMS W.REG. (artikelen 65 tot en met 69 van het decreet).
2.1. Loskoppeling van het recht op het abattement van het bestaan van een authentieke koopakte als heffingstitel voor het evenredig recht - andere wijzigingen aan artikel 46bis W.Reg.
Onder de vorige formulering van het 2° van het derde lid van artikel 46bis W.Reg., kon het abattement enkel toegekend worden wanneer de opgelegde formele verklaringen voorkwamen in de authentieke koopakte die tot de heffing van het evenredig recht aanleiding gaf.
Bij artikel 65 van het decreet werd de formulering van genoemd artikelonderdeel aangepast. Het is voortaan voldoende dat de nodige verklaringen voorkomen "in of onderaan het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft".
[naargelang het geval zal dat dus zijn: de verklaring bedoeld in artikel 31 W.Reg., de onderhandse koopovereenkomst of de authentieke koopakte]
Het tijdstip waarop de termijn begint te lopen voor het vestigen van de hoofdverblijfplaats op de plaats van het aangekochte goed (littera c van het 2° van het derde lid van artikel 46bis W.Reg.) werd reeds bij de vorige wijziging geherformuleerd; die formulering diende nu niet opnieuw te worden aangepast: in principe [de formulering van de uitzondering in geval van laattijdige aanbieding blijft uiteraard ook onveranderd] blijft het uitgangspunt voor die termijn dus de datum van de registratie van het document dat tot heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft.
In het 1° van het derde lid van artikel 46bis W.Reg. werd voor het woord "eigenaar" - telkens waar dat woord voorkomt (2x) - het woord "volle" ingevoegd. De precisering van de aard van het eigendomsrecht in de uitsluitingsregel, sluit iedere mogelijkheid van discussie hierover uit. De uitsluitingsregel is niet van toepassing wanneer de koper [mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de 2de component in de uitsluitingsregel] enkel de blote eigendom of het vruchtgebruik van een andere woning bezit, of nog wanneer hij enkel een fractie van de volle eigendom van een andere woning bezit.
[De Vlaamse decreetgever heeft dus de interpretatie van de fiscale administratie bevestigd: zie circulaire nr. 3-4 van 17 januari 2002, punt 4.1.5 uitsluitingsregel, 1ste component, derde alinea]
In de nieuwe formulering van littera a) van het 2° van het derde lid van artikel 46bis W.Reg. zijn de woorden ", op straffe van definitief verlies van het eraan verbonden voordeel, " weggelaten. Dat is het gevolg van het invoeren van het vangnet voor het abattement (zie hierna punt 2.2.).
2.2. Invoering van een vangnet in het kader van het abattement.
Naar analogie met het vangnet voor de meeneembaarheid heeft de Vlaamse decreetgever ook een vangnet voor het abattement ingevoegd (zie eerste lid van het bij artikel 68 van het decreet volledig vervangen artikel 212ter W.Reg.). Zoals ook bij het vangnet voor de meeneembaarheid het geval is, kan op het vangnet voor het abattement beroep gedaan worden ongeacht de oorzaak of de reden waarom het abattement niet werd of kon worden gevraagd naar aanleiding van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht.
2.3. Wijzigingen in het kader van het vangnet voor de meeneembaarheid.
Beide soorten vangnetten zijn samengebracht in het volledig vervangen artikel 212ter van het Wetboek.
Het vangnet voor de meeneembaarheid was voorheen opgenomen in het bij het onderhavig decreet opgeheven artikel 212quater W.Reg. Bij de transpositie van die bepaling naar artikel 212ter W.Reg. werd het tweede lid van artikel 212quater W.Reg. weggelaten. Dit brengt dus een wijziging mee in de voorwaarden waaronder op het vangnet voor de meeneembaarheid kan beroep gedaan worden (zie circulaire nr. 3-5 van 17 januari 2002, blz. 49, randnr.). Er is niet meer vereist [In circulaire nr. 3-5 van 17 januari 2002 vervalt bijgevolg met ingang van 1 januari 2003 de op blz. 49, onder 2° van randnr. vermelde bijzonderheid wat betreft de teruggave op grond van de vangnetbepaling voor de meeneembaarheid.] dat het document dat betreffende A2 (verrichting van het type verrekening) of V1 (verrichting van het type teruggave) aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht, naar gelang het geval, de vermeldingen bevat die voorgeschreven zijn door artikel 61^4, eerste lid, 3° W.Reg. of door artikel 212bis, zesde lid, 3° W.Reg.
Voor het overige volstaat het op te merken dat de teksten betreffende de twee vangnetten op analoge wijze geredigeerd zijn. Wat betreft de vorm van de aanvraag tot teruggave, de termijn waarbinnen het verzoek moet gedaan worden en de vermeldingen die moeten opgenomen zijn in het verzoek tot teruggave, wordt verwezen naar de nieuwe tekst van artikel 212ter W.Reg. die wat dat betreft geen nadere toelichting behoeft. Alleen wordt er nog op gewezen dat in het derde lid van artikel 212ter niet meer uitdrukkelijk wordt verwezen naar het 2° en 3° van het van het eerste lid van artikel 61^4, terwijl er wel nog uitdrukkelijk wordt verwezen naar het 2° en 3° van het zesde lid van artikel 212bis. Het niet-verwijzen naar het 2° en 3° van het eerste lid van artikel 61^4 is een vergetelheid van de Vlaamse decreetgever. In de praktijk heeft die vergetelheid geen gevolgen, omdat het eigenlijk voor zich spreekt dat alleen de vermeldingen en verklaringen van het 2° en 3° van het eerste lid van artikel 61^4 als bijzondere vermeldingen moeten worden opgenomen in het gemotiveerd verzoekschrift tot teruggave op grond van het vangnet voor de primaire wijze van meeneembaarheid. Het 1° van het eerste lid van artikel 61^4 is alleen bedoeld voor het geval de meeneembaarheid op primaire wijze, dus onmiddellijk, wordt gevraagd.
2.4. Opheffing cumulatieverbod 212" book="CATCH_ALL">212bis W.Reg.
Artikel 212ter W.Reg., zoals het luidde voordat het volledig werd vervangen bij artikel 68 van onderhavig decreet (zie nr. 2.2.), bepaalde dat de teruggaven bepaald in de 212" book="CATCH_ALL">212bis W.Reg. niet mochten gecumuleerd worden. Door de volledige vervanging van artikel 212ter W.Reg., dat voortaan de vangnettenregeling bevat, is die bepaling voor de toekomst opgeheven.
De reden voor de opheffing van het cumulatieverbod is dat door het verbod de volgorde waarin de aankoop- en de verkoopelementen worden gerealiseerd niet fiscaal neutraal is. [zie Vlaams Parlement, stuk 1438 (2002-2003) - Nr. 3, blz. 9-10] Een verrichting-verrekening (A1-V1-A2), gecombineerd met een verzoek tot teruggave op basis van artikel 212 W.Reg. wanneer V1 binnen de twee jaar na A1 geschiedde, [Combinatie die niet uitgesloten is, maar waarbij het vanzelf spreekt dat enkel het saldo na toepassing van artikel 212 W.Reg. nog in aanmerking komt voor de verrekening.] kon aldus voordeliger uitvallen dan een verrichting-teruggave (A1-A2-V1) omdat het cumulatieverbod de belang-hebbende bij dat laatste type van verrichting verplichtte te kiezen voor één van de vormen van teruggave wanneer V1 geschiedde binnen de twee jaar na A1.
De opheffing van het cumulatieverbod impliceert uiteraard niet dat door een gecumuleerd verzoek tot teruggave op grond van de 212" book="CATCH_ALL">212bis W.Reg., de belanghebbende meer registratierechten kan terugkrijgen dan hij heeft betaald op A1. De teruggaven kunnen naast elkaar gevraagd worden, rekening houdend met de begrenzingen die eigen zijn aan elk van beide regelingen.
[zie Vlaams Parlement, ibidem, blz. 10 en Nr. 8 (Verslag) blz. 16]
Voorbeeld. - X realiseert de volgende verrichting:
  • A1 (authentieke akte van 1 juni 2003)
    heffing: (150.000 € - 12.500 €) X 10% = 13.750 €
  • A2 (authentieke akte van 31 december 2004)
    heffing: 80.000 € X 10% = 8.000 €
  • V1 (authentieke akte van 1 mei 2005)
    heffingsgrondslag: 160.000 €
Naar aanleiding van V1 vraagt X in één gecombineerd verzoek zowel de teruggave op grond van artikel 212bis W.Reg. als op grond van artikel 212 W.Reg.
Voor de toepassing van de meeneembaarheid bij een bepaalde verrichting wordt eerst het principieel meeneembaar bedrag bepaald. Op A1 werd bij de registratie € 13.750 geheven. Het principieel meeneembaar bedrag bij deze verrichting wordt echter beperkt door de teruggave van de op A1 geheven rechten bij toepassing van artikel 212 W.Reg.
[Zie circulaire 3-5, blz. 9 punt 3.4. De rechten die na de registratie van A worden teruggegeven op een andere grond dan de meeneembaarheid moeten in mindering gebracht worden van de bij de registratie geheven rechten.]
Bij toepassing van artikel 212 W.Reg. heeft X recht op een teruggave van € 8.250 van de op A1 geheven rechten.
Het principieel meeneembaar bedrag bij deze verrichting bedraagt dus nog (€ 13.750 - € 8.250 =) € 5.500.
Aangezien de limietregels niet overschreden zijn is bij toepassing van artikel 212bis W.Reg. dus nog € 5.500 van de op A2 geheven rechten vatbaar voor teruggave.
Opmerking
Wanneer de 212" book="CATCH_ALL">212bis gecombineerd moeten worden toegepast (ongeacht in welke volgorde de toepassing ervan werd gevraagd: gelijktijdig ; eerst 212 dan 212bis; eerst 212bis dan 212) moeten de uiteindelijk teruggeefbare rechten steeds berekend worden zoals in het hierboven gegeven voorbeeld (eerst artikel 212 toepassen; dan artikel 212bis). Dit is inherent aan het systeem van de meeneembaarheid waarin het begrip "verschuldigde rechten" (zie punt 3.4. van de circulaire 3-5/2002) niet de rechten omvat die na de aankoopakte betreffende A1 werden teruggegeven op een andere grond dan de meeneembaarheid.
Wanneer de begrenzing van de meeneembaarheid tot 12.500 euro effectief moet worden toegepast, zou bovendien het uiteindelijk resultaat van de gecombineerde teruggaven kunnen verschillen naargelang de volgorde van toepassing van de teruggavebepalingen, wat niet de bedoeling is van de Vlaamse decreetgever.
Voorbeeld
Stel: A1: betaalde registratierechten € 35.000
A2: betaalde registratierechten € 55.000
V1: binnen twee jaar na A1.
1) eerst 212 dan 212bis
a) 212: teruggave 35.000 x 3/5 = € 21.000
b) 212bis: teruggave € 12.500
c) Totale teruggave: € 33.500
2) eerst 212bis, dan 212
a) 212bis: teruggave € 12.500
b) 212: teruggave 22.500 x 3/5 = € 13.500
c) Totale teruggave: € 26.000
Wanneer een vraag tot teruggave op grond van artikel 212 wordt ingediend nadat de teruggave op grond van artikel 212bis werd uitgevoerd, volstaat het bijgevolg niet te handelen als onder 2) b). De gecombineerde teruggeefbare rechten moeten berekend worden als onder 1) met toerekening van het reeds teruggegeven bedrag.
2.5. Vormvereisten: verdere loskoppeling van de oorspronkelijke strikte binding aan de authentieke aankoopakte
Met de in onderstaande tabel opgenomen tekstwijzigingen heeft de Vlaamse decreetgever de vormvoorwaarden geüniformiseerd, in de zin dat er aan kan voldaan worden in om het even welk document dat aanleiding geeft tot de heffing van het evenredig recht. [De mogelijkheid om te voldoen aan de vormvoorwaarden inzake meeneembaarheid in een verzoekschrift dat het ter registratie aangeboden en tot de heffing van het evenredig recht aanleiding gevend document vergezelt (artikel 614, tweede lid en artikel 212bis, zevende lid W.Reg.), is vanzelfsprekend behouden.] In samenhang daarmee werd ook de redactie van de artikels aangepast op de plaatsen waar sprake is van opgave van registratierelazen betreffende eerdere elementen in de verrichting of betreffende voorgaande verrichtingen. Die wijzigingen behoeven geen nadere toelichting. Omdat ze echter door de legistieke techniek van het Vlaams Parlement enigszins schuil gaan in ruimere vervangende teksten, worden ze hierna voor alle duidelijkheid in een tabel opgesomd.

artikelonderdeel W.Reg. - oude tekstnieuwe tekst
artikel 46bis, derde lid 2°

"2° in de authentieke koopakte of in een verklaring onderaan op die akte gesteld moeten de verkrijgers …"
idem

"2° in of onderaan op het document dat tot de heffing van het evenredig recht aanleiding geeft, moeten de verkrijgers …"
artikel 61^4, 1ste lid, 1°

"1° … in de authentieke akte van de nieuwe aankoop;"
idem

"1° … in of onderaan op het document dat aanleiding geeft tot de heffing van het evenredig recht op de nieuwe aankoop"
artikel 61^4, 1ste lid, 2°, eerste alinea

"2° de authentieke akte van de nieuwe aankoop … op de authentieke akte van aankoop van de verkochte woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht …"
idem

"2° "het in 1° bedoelde document … op het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de verkochte woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht …"
artikel 61^4, 1ste lid, 2°, tweede alinea

"Indien … dan moet die akte … relazen aangebracht op de akten betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen …"
idem

"Indien … dan moet het in 1° bedoelde document … relazen aangebracht op de documenten die betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot het heffen van de evenredige rechten …"
artikel 61^4, 1ste lid, 3°, inleidende zin

"3° in de authentieke akte van de nieuwe aankoop of in een onderte-kende en waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan op de akte, …"
idem "3° in het in 1° bedoelde document of in een ondertekende en waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan op dat document, …"
artikel 212bis, zesde lid, 1°

"1° …, wordt gedaan onderaan de authentieke akte van de verkoop;"
idem

"1° … in of onderaan op het document dat aanleiding geeft tot de heffing van het evenredig recht op de verkoop;"
artikel 212bis, zesde lid, 2°, inleidende zinsnede

"2° de authentieke akte van de verkoop bevat:"
idem "2° het in 1° bedoelde document bevat:"
artikel 212bis, zesde lid, 2°, a)

"a) … op de authentieke akte van aankoop van de verkochte woning …;"
idem "a) …op het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de verkochte woning …"
artikel 212bis, zesde lid, 2°, b), eerste alinea

"b) … op de authentieke akte van aankoop van de nieuwe hoofdverblijf-plaats …;"
idem "b) …op het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de nieuwe hoofdverblijfplaats …;"
artikel 212bis, zesde lid, 2°, b), tweede alinea

"Indien… dan moet die akte … relazen aangebracht op de akten betreffende de in aanmerking te nemen voorgaande verrichtingen …"
idem "Indien … dan moet het in 1° bedoelde document … relazen aangebracht op de documenten die betreffende de in aanmerking te nemen voorgaande verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot het heffen van de evenredige rechten …"
artikel 212bis, zesde lid, 3°, inleidende zin

"3° in de authentieke akte van wederverkoop of in een ondertekende en waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan de akte, …"
idem "3° in het in 1° bedoelde document of in een ondertekende en waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan op dat document, …"
artikel 212quater (opgeheven), eerste lid

"Ingeval … naar aanleiding van de registratie van de akte van aankoop of van verkoop, … te rekenen van de datum van de registratie van die akte."
artikel 212ter (nieuw), tweede lid

"Ingeval … naar aanleiding van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop of de verkoop … te rekenen van de datum van de registratie van dat document."
Merk ook op dat:
  • de termijnen bepaald in het eerste lid van artikel 61^3 en in het eerste lid van artikel 212bis W.Reg. onveranderd gerekend worden van respectievelijk de datum van de authentieke akte van wederverkoop van de vorige woning en de datum van de authentieke akte van aankoop van de nieuwe woning;
  • in artikel 212bis, zesde lid, 1° W.Reg. de woorden "en de instrumenterende notaris" zijn weggelaten; bedoeld verzoek tot teruggave dient dus niet meer meeondertekend te worden door de instrumenterende notaris. Reden is dat dit verzoek ook los van de authentieke akte van de verkoop kan worden gedaan;
  • in het nieuwe artikel 212ter W.Reg. (vangnettenbepaling) het voorheen in artikel 212quater W.Reg. voorkomende tweede lid, niet meer werd hernomen (zie hiervoor, punt 2.3., tweede alinea).
3. INWERKINGTREDING
Artikel 75 van het decreet bepaalt de datum van inwerkingtreding van de wijzigingen aan het W.Reg. op 1 januari 2003. Dit houdt in dat:
  • het preferentieel tarief voor schenkingen van bouwgronden van toepassing is op schenkingsakten verleden vanaf 1 januari 2003;
  • de wijzigingen betreffende het abattement (art. 46bis en art. 212ter, eerste lid) van toepassing zijn op de aankoopakten die aan het evenredig registratierecht geregistreerd worden vanaf 1 januari 2003;
    [Behalve waar de wijziging een bevestiging inhoudt van de reeds eerder door de fiscale administratie gegeven interpretatie - zie punt 2.1., vierde alinea, en voetnoot 21]
  • de wijzigingen betreffende de meeneembaarheid op primaire wijze (art. 61^4 en art. 212bis) van toepassing zijn:
  • ingeval het verrichtingen van het type verrekening betreft : op de vanaf 1 januari 2003 geregistreerde documenten die aanleiding geven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de nieuwe hoofdverblijfplaats;
  • ingeval het verrichtingen van het type teruggave betreft: op de vanaf 1 januari 2003 geregistreerde documenten die aanleiding geven tot de heffing van het evenredig recht op de verkoop van de oude hoofdverblijfplaats;
  • de wijziging aan de meeneembaarheid op secundaire wijze, [Het betreft hier de wijziging aan de voorwaarden waaronder op het vangnet voor de meeneembaarheid beroep kan gedaan worden - zie punt 2.3., tweede alinea en voetnoot 22.] eveneens van toepassing is op de vanaf 1 januari 2003 geregistreerde documenten als onder het vorige punt bedoeld
  • de teruggave op grond van artikel 212bis naast de teruggave op grond van artikel 212 (cf. punt 2.4. opheffing cumulatieverbod) kan gevraagd worden voor de overeenkomsten van wederverkoop van de oude hoofdverblijfplaats die vanaf 1 januari 2003 vaste datum hebben gekregen.
NAMENS DE MINISTER:
De adjunct-administrateur-generaal
van de belastingen,
Jean-Marc DELPORTE
----------
BIJLAGE 1
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 31 december 2002.
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
20 december 2002. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003.
Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, regering, bekrachtigen hetgeen volgt :
Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003.
HOOFDSTUK XV. - Financiën
….
Afdeling 4. - Schenking bouwgronden
Art. 63. In titel I, hoofdstuk IV, afdeling XII, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt een onderafdeling III ingevoegd, luidende :
"Onderafdeling III. - Bijzondere tijdelijke bepalingen voor schenkingen van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw
Artikel 140nonies . In afwijking van artikel 131 wordt voor schenkingen onder de levenden van een perceel grond dat volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw, waarvan de akte verleden wordt in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005, over het bruto-aandeel van een natuurlijk persoon in de geschonken bouwgrond, een evenredig recht geheven dat als volgt wordt bepaald :
a) voor schenkingen in rechte lijn en tussen echtgenoten volgens het tarief bepaald in onderstaande tabel waarin wordt vermeld :
onder a : het percentage dat toepasselijk is op het overeenstemmend gedeelte;
onder b : het totale bedrag van de belasting over het voorgaand gedeelte.
Tabel

Gedeelte van de schenkingRechte lijn

Tussen echtgenoten
vantot inbegrepenab
EUREURt.h.
0,0112.5001
12.50025.0002125
25.00050.0003375
50.000100.00051.125
100.000150.00083.625
150.000200.000147.625
200.000250.0001814.625
250.000500.0002423.625
boven de 500.0003083.625
b) voor schenkingen aan andere personen dan in rechte lijn of de echtgenoot : volgens het tarief bepaald in tabel II van artikel 131 met dien verstande dat op het gedeelte van 0,01 euro tot 150.000 euro inbegrepen, een tarief van 10 t.h. wordt geheven.
Artikel 140decies. Het in artikel 140nonies bepaalde evenredig recht is niet van toepassing op schenkingen die zijn gedaan onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt na het verstrijken van de in hetzelfde artikel bepaalde periode of die zijn gedaan onder een tijdsbepaling die verder reikt dan de in voornoemd artikel bepaalde periode.
Artikel 140undecies. Het in artikel 140nonies bepaalde bijzonder evenredig recht wordt alleen toegepast indien in de akte van schenking uitdrukkelijk wordt vermeld dat het perceel grond volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw. In geval van onjuiste verklaring betreffende de bestemming van de grond zijn de schenker en de begiftigde ondeelbaar gehouden tot betaling van de aanvullende rechten en van een boete gelijk aan die rechten.
Artikel 140duodecies. Indien in eenzelfde akte of in een andere akte van dezelfde datum naast de grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw ook nog andere goederen worden geschonken, dan wordt voor de toepassing van artikel 137 de schenking van de bouwgrond geacht vóór de schenking van de andere goederen geregistreerd of verplicht registreerbaar te zijn geworden. »
Art. 64. Artikel 66bis van het Wetboek der successierechten, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 9 van 3 juli 1939, wordt aangevuld met het volgende lid:
« Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor schenkingen in rechte lijn en tussen echtgenoten van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw en waarop het in artikel 140nonies van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten bepaalde evenredig recht werd geheven. »
Afdeling 5. - Registratierechten
Art. 65. In artikel 46bis van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, ingevoegd bij decreet van 1 februari 2002 en gewijzigd bij decreet van 5 juli 2002, wordt het derde lid vervangen als volgt :
« Aan de vermindering van de heffingsgrondslag zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° geen van de verkrijgers mag op de datum van de overeenkomst tot koop voor de geheelheid volle eigenaar zijn van een ander onroerend goed, dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd; indien de aankoop geschiedt door meerdere personen mogen zij bovendien op vermelde datum gezamenlijk niet voor de geheelheid volle eigenaar zijn van een ander onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd. Een perceel grond, stedenbouwkundig bestemd tot woningbouw wordt beschouwd als een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd;
2° in of onderaan op het document, dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, moeten de verkrijgers :
a) uitdrukkelijk vermelden dat zij de toepassing van dit artikel vragen;
b) verklaren dat zij voldoen aan de voorwaarde vermeld in 1° van dit lid;
c) zich verbinden hun hoofdverblijfplaats te vestigen op de plaats van het aangekochte goed :
  • indien het een woning betreft, binnen twee jaar na :
  • ofwel de datum van de registratie van het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, wanneer dat document binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden;
  • ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, wanneer het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn;
  • indien het een bouwgrond betreft, binnen drie jaar na dezelfde datum. »
Art. 66. Het artikel 61^4 van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij decreet van 1 februari 2002 en gewijzigd bij decreet van 5 juli 2002, wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Artikel 61^4. Aan de in artikel 61^3 bepaalde verrekening zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° de toepassing van artikel 61^3 wordt uitdrukkelijk gevraagd in of onderaan op het document dat aanleiding geeft tot de heffing van het evenredig recht op de nieuwe aankoop;
2° het in 1° bedoelde document bevat een afschrift van het registratierelaas dat is aangebracht op het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de verkochte woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op die vorige aankoop.
Indien de verrekening wordt gevraagd met toepassing van het vierde lid van artikel 61^3 dan moet het in 1° bedoelde document bovendien de afschriften bevatten van de relazen aangebracht op de documenten die betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot het heffen van de evenredige rechten en bij ieder relaas het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de verrekende of teruggegeven rechten vermelden;
3° in het in 1° bedoelde document of in een ondertekende en waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan op dat document, vermeldt de natuurlijke persoon uitdrukkelijk :
a) dat de verkochte woning hem tot hoofdverblijfplaats diende ten tijde van de verkoop;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats op de plaats van het nieuw aangekochte goed zal vestigen :
  • indien het een woning betreft, binnen twee jaar na :
  • ofwel de datum van de registratie van het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, wanneer dat document binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden;
  • ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, wanneer het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn;
  • indien het een bouwgrond betreft, binnen drie jaar na dezelfde datum.
Aan de voorwaarden van het eerste lid wordt ook geacht voldaan te zijn als het verzoek en de vermeldingen het voorwerp uitmaken van een door de natuurlijke persoon ondertekend verzoek, dat het ter registratie aangeboden en tot de heffing van het evenredig registratierecht aanleiding gevend document, vergezelt.
Indien één van de voorwaarden bepaald in het eerste lid niet is vervuld, wordt het tot de heffing van het evenredig recht aanleiding gevend document betreffende de nieuwe aankoop geregistreerd zonder toepassing van artikel 61^3
Art. 67. De zesde alinea van het artikel 212bis van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij decreet van 1 februari 2002 en gewijzigd bij decreet van 5 juli 2002, wordt vervangen door wat volgt :
« Aan de teruggave zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° het verzoek tot teruggave, ondertekend door de natuurlijke persoon, wordt gedaan in of onderaan op het document dat aanleiding geeft tot de heffing van het evenredig recht op de verkoop;
2° het in 1° bedoelde document bevat :
a) een afschrift van het registratierelaas dat is aangebracht op het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de verkochte woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op die aankoop;
b) een afschrift van het registratierelaas dat is aangebracht op het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de nieuwe hoofdverblijfplaats en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op die aankoop;
Indien de teruggave wordt gevraagd met toepassing van het vierde lid van dit artikel dan moet het in 1° bedoelde document bovendien de afschriften bevatten van de relazen aangebracht op de documenten die betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot het heffen van de evenredige rechten en bij ieder relaas het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de verrekende of teruggegeven rechten vermelden;
3° in het in 1° bedoelde document of in een ondertekende en waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan op dat document, verklaart de natuurlijke persoon uitdrukkelijk :
a) dat de wederverkochte woning hem tot hoofdverblijfplaats diende ten tijde van de nieuwe aankoop;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats op de plaats van het nieuw aangekochte goed heeft gevestigd of zal vestigen :
  • indien het een woning betreft, binnen twee jaar na :
  • ofwel de datum van de registratie van het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, wanneer dat document binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden;
  • ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, wanneer het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn;
  • indien het een bouwgrond betreft, binnen drie jaar na dezelfde datum. »
Art. 68. Het artikel 212ter van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij het decreet van 1 februari 2002, wordt vervangen als volgt :
« Artikel 212ter. Ingeval de in artikel 46bis bepaalde vermindering van de heffingsgrondslag niet werd gevraagd of niet werd bekomen naar aanleiding van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de overeenkomst tot koop, kunnen de teveel geheven rechten nog worden teruggegeven op een verzoek in te dienen overeenkomstig de bepalingen van artikel 217^2 binnen zes maanden te rekenen van de datum van de registratie van dat document.
Ingeval het voordeel van de meeneembaarheid van voorheen betaalde registratierechten als bedoeld in de artikelen 61^3 en 212bis niet werd gevraagd of niet werd bekomen naar aanleiding van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop of de verkoop kunnen de meeneembare rechten nog worden teruggegeven op een verzoek in te dienen overeenkomstig de bepalingen van artikel 217^2 binnen zes maanden te rekenen van de datum van de registratie van dat document.
Het verzoek tot teruggave bedoeld in het eerste of tweede lid bevat, naar gelang van het geval, de vermeldingen en verklaringen vereist bij het artikel 46bis, derde lid, 2°, b en c ; bij het artikel 61^4, eerste lid; of bij het artikel 212bis, zesde lid, 2° en 3°. Het verzoek vermeldt in voorkomend geval ook het rekeningnummer waarop het bedrag van de terug te geven rechten kan worden gestort. »
Art. 69. Het artikel 212quater van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij decreet van 1 februari 2002, wordt opgeheven.
HOOFDSTUK XVIII. - Slotbepalingen
Art. 75. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2003 met uitzondering van:
artikelen 4 tot 6, 10 en 11 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2002;
artikelen 12 tot 14 hebben uitwerking met ingang van 1 juni 2003;
artikelen 54 tot 56 hebben uitwerking met ingang van het aanslagjaar 2003;
artikel 73 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 20 december 2002.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie,
S. STEVAERT
De Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid,
Gelijke Kansen en Ontwikkelingssamenwerking,
M. VOGELS
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
M. VANDERPOORTEN
De Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme,
R. LANDUYT
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw
V. DUA
De Vlaamse minister van Financiën en Begroting,
Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening,
D. VAN MECHELEN
De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden,
Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken,
P. VAN GREMBERGEN
De Vlaamse minister van Economie,
Buitenlands Beleid, Buitenlandse Handel en Huisvesting,
J. GABRIELS
De Vlaamse minister van Sport en Brusselse Aangelegenheden,
G. VANHENGEL
BIJLAGE 2
Gecoördineerde teksten van de gewijzigde artikelen
Artikel 46bis. De heffingsgrondslag ten aanzien van de verkopingen, zoals bepaald in de artikelen 45 en 46, wordt verminderd met 12.500 euro in geval van zuivere aankoop van de geheelheid volle eigendom van een tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed door een of meer natuurlijke personen om er hun hoofdverblijfplaats te vestigen.
Het voordeel van de vermindering van de heffingsgrondslag overeenkomstig dit artikel kan niet gecombineerd worden met het voordeel van de verrekening bedoeld in § 4bis van deze afdeling of met het voordeel van de teruggave bedoeld in artikel 212bis.
Aan de vermindering van de heffingsgrondslag zijn de volgende voorwaarden verbonden:
1° geen van de verkrijgers mag op de datum van de overeenkomst tot koop voor de geheelheid volle eigenaar zijn van een ander onroerend goed, dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd ; indien de aankoop geschiedt door meerdere personen mogen zij bovendien op vermelde datum gezamenlijk niet voor de geheelheid volle eigenaar zijn van een ander onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd. Een perceel grond, stedenbouwkundig bestemd tot woningbouw wordt beschouwd als een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd ;
2° in of onderaan op het document, dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, moeten de verkrijgers :
a) uitdrukkelijk vermelden [ … ] dat zij de toepassing van dit artikel vragen;
b) verklaren dat zij voldoen aan de voorwaarde vermeld in 1° van dit lid ;
c) zich verbinden hun hoofdverblijfplaats te vestigen op de plaats van het aangekochte goed :
  • indien het een woning betreft, binnen twee jaar na :
  • ofwel de datum van de registratie van het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, wanneer dat document binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden ;
  • ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, wanneer het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn ;
  • indien het een bouwgrond betreft, binnen drie jaar na dezelfde datum.
In geval de verklaring bedoeld in 2°, b), van het derde lid onjuist wordt bevonden, zijn de verkrijgers ondeelbaar gehouden tot betaling van de aanvullende rechten over het bedrag waarmee de heffingsgrondslag werd verminderd, en van een boete gelijk aan die aanvullende rechten.
Dezelfde aanvullende rechten en boete zijn ondeelbaar verschuldigd door de verkrijgers indien geen van hen de in 2° c) van het derde lid bedoelde verbintenis naleeft. Komen sommige verkrijgers die verbintenis niet na dan worden de aanvullende rechten en de boete, waartoe zij ondeelbaar gehouden zijn, bepaald naar verhouding van hun wettelijk aandeel in de aankoop. Evenwel is de boete niet verschuldigd indien de niet-naleving van de bedoelde verbintenis het gevolg is van overmacht.
Artikel 61^4. Aan de in artikel 61^3 bepaalde verrekening zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° de toepassing van artikel 61^3 wordt uitdrukkelijk gevraagd in of onderaan op het document dat aanleiding geeft tot de heffing van het evenredig recht op de nieuwe aankoop ;
2° het in 1° bedoelde document bevat een afschrift van het registratierelaas dat is aangebracht op het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de verkochte woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op die vorige aankoop.
Indien de verrekening wordt gevraagd met toepassing van het vierde lid van artikel 61^3 dan moet het in 1° bedoelde document bovendien de afschriften bevatten van de relazen aangebracht op de documenten die betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot het heffen van de evenredige rechten en bij ieder relaas het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de verrekende of teruggegeven rechten vermelden ;
3° in het in 1° bedoelde document of in een ondertekende en waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan op dat document, vermeldt de natuurlijke persoon uitdrukkelijk :
a) dat de verkochte woning hem tot hoofdverblijfplaats diende ten tijde van de verkoop ;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats op de plaats van het nieuw aangekochte goed zal vestigen:
  • indien het een woning betreft, binnen twee jaar na :
  • ofwel de datum van de registratie van het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, wanneer dat document binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden ;
  • ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, wanneer het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn ;
  • indien het een bouwgrond betreft, binnen drie jaar na dezelfde datum.
Aan de voorwaarden van het eerste lid wordt ook geacht voldaan te zijn als het verzoek en de vermeldingen het voorwerp uitmaken van een door de natuurlijke persoon ondertekend verzoek, dat het ter registratie aangeboden en tot de heffing van het evenredig registratierecht aanleiding gevend document, vergezelt.
Indien één van de voorwaarden bepaald in het eerste lid niet is vervuld, wordt het tot de heffing van het evenredig recht aanleiding gevend document betreffende de nieuwe aankoop geregistreerd zonder toepassing van artikel 61^3.
Artikel 212bis. In geval van zuivere verkoop door een natuurlijke persoon van een als zijn hoofdverblijfplaats aangewende woning, na de zuivere aankoop van een onroerend goed dat hij als nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, wordt zijn wettelijk aandeel in de rechten die overeenkomstig de artikelen 44, 53, 2°, of 57 verschuldigd waren op de aankoop van de verkochte woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, teruggegeven mits de verkoop vaste datum heeft gekregen binnen twee jaar, of drie jaar in geval van aankoop van een bouwgrond, te rekenen van de datum van de authentieke akte van de nieuwe aankoop.
Van de teruggave overeenkomstig de bepalingen van dit artikel zijn uitgesloten de rechten betaald voor de verkrijging van een onroerend goed dat niet in het Vlaamse Gewest is gelegen.
De teruggave overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan in geen geval meer bedragen dan het bedrag van het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op de nieuwe aankoop.
In geval een verrichting als bedoeld in het eerste lid is voorafgegaan door een of meer zulke verrichtingen en/of door een of meer verrichtingen als bedoeld in het eerste lid van artikel 61^3, worden, in voorkomend geval, de bij die voorgaande verrichtingen ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van dit artikel nog niet teruggegeven rechten en/of de ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van artikel 61^3 nog niet verrekende rechten, gevoegd bij het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de overeenkomstig de artikelen 44, 53, 2°, of 57 verschuldigde rechten op de voorlaatste aankoop, om het teruggeefbaar bedrag bij de wederverkoop ervan te bepalen.
Het terug te geven bedrag, bekomen met toepassing van het eerste of het vierde lid kan nooit meer bedragen dan 12.500 euro. Dit maximum terug te geven bedrag wordt bepaald in verhouding tot de fractie die de natuurlijke persoon bekomt in het nieuw aangekochte goed.
Aan de teruggave zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° het verzoek tot teruggave, ondertekend door de natuurlijke persoon […], wordt gedaan in of onderaan op het document dat aanleiding geeft tot de heffing van het evenredig recht op de verkoop ;
2° het in 1° bedoelde document bevat :
a) een afschrift van het registratierelaas dat is aangebracht op het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de verkochte woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op die aankoop ;
b) een afschrift van het registratierelaas dat is aangebracht op het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de nieuwe hoofdverblijfplaats en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op die aankoop ;
Indien de teruggave wordt gevraagd met toepassing van het vierde lid van dit artikel dan moet het in 1° bedoelde document bovendien de afschriften bevatten van de relazen aangebracht op de documenten die betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot het heffen van de evenredige rechten en bij ieder relaas het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de verrekende of teruggegeven rechten vermelden;
3° in het in 1° bedoelde document of in een ondertekende en waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan op dat document, verklaart de natuurlijke persoon uitdrukkelijk :
a) dat de wederverkochte woning hem tot hoofdverblijfplaats diende ten tijde van de nieuwe aankoop ;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats op de plaats van het nieuw aangekochte goed heeft gevestigd of zal vestigen :
  • indien het een woning betreft, binnen twee jaar na :
  • ofwel de datum van de registratie van het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, wanneer dat document binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden ;
  • ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, wanneer het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn ;
  • indien het een bouwgrond betreft, binnen drie jaar na dezelfde datum.".
Aan de voorwaarden van het zesde lid wordt ook geacht voldaan te zijn als het verzoek en de vermeldingen het voorwerp uitmaken van een door de natuurlijke persoon ondertekend verzoek tot teruggave dat het ter registratie aangeboden en tot de heffing van het evenredig registratierecht aanleiding gevend document vergezelt.
In geval van onjuistheid of niet-nakoming van de vermeldingen voorgeschreven bij het zesde lid, is de natuurlijke persoon gehouden tot betaling van de onrechtmatig teruggegeven rechten en van een boete gelijk aan die rechten. De boete is evenwel niet verschuldigd indien de niet-nakoming van de verplichting opgelegd door het zesde lid, 3°, b, het gevolg is van overmacht.
Het verzoek tot teruggave heeft dezelfde gevolgen als het met redenen omkleed verzoek ingevolge artikel 217^2. Het verzoek vermeldt in voorkomend geval het rekeningnummer waarop het bedrag van de terug te geven rechten kan worden gestort.
Artikel 212ter. Ingeval de in artikel 46bis bepaalde vermindering van de heffingsgrondslag niet werd gevraagd of niet werd bekomen naar aanleiding van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de overeenkomst tot koop, kunnen de teveel geheven rechten nog worden teruggegeven op een verzoek in te dienen overeenkomstig de bepalingen van artikel 217^2 binnen zes maanden te rekenen van de datum van de registratie van dat document.
Ingeval het voordeel van de meeneembaarheid van voorheen betaalde registratierechten als bedoeld in de artikelen 61^3 en 212bis niet werd gevraagd of niet werd bekomen naar aanleiding van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop of de verkoop kunnen de meeneembare rechten nog worden teruggegeven op een verzoek in te dienen overeenkomstig de bepalingen van artikel 217^2 binnen zes maanden te rekenen van de datum van de registratie van dat document.
[ … ]
Het verzoek tot teruggave bedoeld in het eerste of tweede lid bevat, naar gelang van het geval, de vermeldingen en verklaringen vereist bij het artikel 46bis, derde lid, 2°, b en c ; bij het artikel 61^4, eerste lid […] ; of bij het artikel 212bis, zesde lid, 2° en 3 °. Het verzoek vermeldt in voorkomend geval ook het rekeningnummer waarop het bedrag van de terug te geven rechten kan worden gestort
Artikel 212quater. [ …] (opgeheven)