Circulaire AOIF Nr. 59/2010 (E.T.118.757) d.d. 23.09.2010
Algemene administratie van de FISCALITEIT - Centrale diensten
Directie III/2
Circulaire nr. E.T.118.757 (AOIF Nr. 59/2010) d.d. 23.09.2010
Vrijstellingen
Vervoermiddelen
Voertuigen voor privé-gebruik
Tijdelijke vrijstelling bij invoer
Personeelsleden van shape
Personeelsleden van de navo-krijgsmachten
Regularisatie
Aan alle ambtenaren.
Deze aanschrijving heeft als doel de bepalingen te verduidelijken voor de toepassing van de vrijstellingen inzake BTW en/of invoerrechten bij de aankoop van een voertuig door de leden van de NAVO-Strijdkrachten, de leden van SHAPE of door de leden van instellingen die ondergeschikt of geassimileerd zijn met SHAPE of de regeling SHAPE.
Deze aanschrijving geeft onder meer uitleg over het verlenen van de vrijstelling, het aantal voertuigen dat met vrijstelling kan worden aangekocht en de regularisaties die eventueel moeten worden doorgevoerd.
Deze vrijstellingen zijn bedoeld in artikel 42, § 3, eerste lid, 3° of 4° en laatste lid, van het BTW-Wetboek.
Deze bepalingen zijn van toepassing vanaf 1 november 2010.
Voor de Minister:
Voor de Administrateur-generaal van de fiscaliteit d.d.:
A. VAN DELSEN
Directeur d.d.
AANSCHRIJVING BETREFFENDE DE TOEPASSING VAN DE VOORRECHTEN MET BETREKKING TOT VOERTUIGEN VOOR LEDEN VAN SHAPE EN NAVO-STRIJDKRACHTEN ALSOOK VOOR DE LEDEN VAN ORGANISATIES DIE ONDERGESCHIKT OF GEASSIMILEERD ZIJN MET SHAPE.
Inhoudstafel
HOOFDSTUK I. - Wettelijke basis en algemeenheden
HOOFDSTUK II. - Definities
HOOFDSTUK III. - Aantal met vrijstelling toegelaten voertuigen
HOOFDSTUK IV. - Einde van de vrijstellingsregeling inzake BTW
HOOFDSTUK V. - Einde van de vrijstellingsregeling inzake rechten bij invoer
HOOFDSTUK VI. - Algemene bepalingen: bijzondere situaties
HOOFDSTUK VII. - Inwerkingtreding en overgangsbepalingen
HOOFDSTUK VIII. - Herzieningsbepalingen
HOOFDSTUK I. - WETTELIJKE BASIS EN ALGEMEENHEDEN
1. Deze aanschrijving bevat de bepalingen betreffende de nieuwe regeling van toepassing voor voertuigen vrijgesteld van rechten en belastingen voor persoonlijk gebruik door de leden (hierna te noemen de begunstigden) van de volgende organisaties (artikel 42, § 3, eerste lid, 3° en 4°, van het BTW-Wetboek en de artikels 19/8 en 19/9, van de Algemene wet inzake douane en accijnzen):
a) SHAPE (Supreme Headquarters Allied Powers Europe);
b) alle internationale militaire organisaties ondergeschikt aan of geassimileerd met SHAPE of de regeling SHAPE.
2. Deze aanschrijving zal worden aangeduid als "CIRCULAIRE AOIF nr. 59/2010" in alle briefwisseling of toekomstige verwijzingen.
3. Deze aanschrijving is van toepassing op de leden van het personeel aanwezig op het Belgische grondgebied, die zich kunnen beroepen op de vrijstellingen voorzien in artikel XI, paragraaf 6, van het Verdrag van Londen van 19 juni 1951 betreffende de rechtspositie van de NAVO-Krijgsmachten en toegekend, hetzij op basis van dat verdrag of hetzij op basis van het artikel 1 van de Overeenkomst tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag en andere Staten die toetreden tot het Partnerschap voor de Vrede inzake het statuut van hun Strijdkrachten van 19 juni 1995, hetzij op basis van de artikelen 2 en 3 van het Protocol van Parijs over de rechtspositie van hoofdkwartieren, hetzij op basis van de bepalingen van een afzonderlijke overeenkomst afgesloten in het kader van de bepalingen van de Overeenkomst van OTTAWA (zoals het artikel 2 van de Regeling tussen de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie en het Koninkrijk België aangaande de rechtspositie van het personeel van de Militaire Staf van het Militair Comité van de NAVO), hetzij op basis van een overeenkomst tot oprichting van een hulporgaan met toepassing van het artikel 9 van het Noord-Atlantisch Verdrag ondertekend te Washington op 4 april 1949, hetzij op basis van een andere internationale overeenkomst.
4. Een lijst van de organisaties waarvoor SHAPE momenteel de registratieprocedure voor de vervoermiddelen op zich neemt is aangehecht als bijlage A. Deze lijst zal periodiek in overleg worden geactualiseerd, hetzij op verzoek van SHAPE hetzij op verzoek van België.
HOOFDSTUK II. - DEFINITIES
A. Vrijgesteld voertuig
5. Voor de toepassing van onderhavige aanschrijving, wordt onder vrijgesteld voertuig verstaan, het voertuig aangekocht of ingevoerd vanaf de datum van indiensttreding in België (zoals uiteengezet in punt 10):
a) voor het strikt persoonlijk en privé-gebruik van de begunstigde (zie punt VI, A, 26),
b) waarop, op vraag van de begunstigde en mits het respect voor de van toepassing zijnde voorwaarden, de vrijstelling van rechten bij invoer en/of BTW werden toegepast respectievelijk voorzien in:
1) de artikelen 19/8 en 19/9 van de Algemene Wet inzake Douane en Accijnzen op het ogenblijk van de invoer van het voertuig in België of in de EU onder douaneregeling;
2) artikel 42, § 3, eerste lid, 3° of 4°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde op het ogenblik van het belastbare feit van de belasting (levering in België of in een lidstaat van de Europese Unie of op het ogenblik van de invoer);
c) welke is gebruikt gedurende minder dan 3 jaar door een begunstigde vanaf de eerste inschrijving in België op naam van een begunstigde, en nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de regularisaties voorzien in hoofdstukken IV en V.
6. Wordt niet beschouwd als vrijgesteld voertuig in de zin van de bepalingen van deze aanschrijving, het definitief met vrijstelling van rechten en BTW bij invoer ingevoerde voertuig overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 11 van de Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen en overeenkomstig het artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.
Wordt niet aanzien als vrijgesteld voertuig het in een EU-land aangekochte of ingevoerde voertuig met betaling van alle rechten, taksen en belastingen.
B. Desbetreffende voertuigen
7. De volgende persoonlijke vervoermiddelen bestemd voor het vervoer van personen worden geviseerd:
a) personenwagens;
b) wagens voor dubbel gebruik (breaks);
c) minibussen (voertuigen die naast de plaats van de chauffeur, maximum acht zitplaatsen bevatten);
d) pick-ups, zijnde met het oog op de toepassing van deze aanschrijving:
1) bestelwagens (met een toegestane maximummassa van minder dan 3.500 kg, maximum laadcapaciteit inbegrepen);
2) met een bestuurdersruimte die oorspronkelijk bestaat uit een stevige en afgesloten constructie die plaats biedt aan de chauffeur en de passagier(s) en volledig gescheiden van de laadvloer die voorbehouden is voor bagage en goederen;
3) met een open en niet wegneembare laadvloer met effen oppervlakte, zonder verankerings-, aanhechtings- of bevestigingspunten voor zetels, zitbanken of veiligheidsgordels. De laadvloer is mogelijkerwijze uitgerust met een achterschot dat kan worden uitgeklapt met hetzij een afneembare hoes in plastic of PVC, hetzij met een over een metalen kader gespannen zeildoek.
(De voorlegging van een bewijs van model kan worden geëist);
e) motorfietsen.
8. Worden uitgesloten van de vrijstelling:
a) de vervoermiddelen die, overeenkomstig de Belgische wetgeving vallen onder de categorieën:
1) vrachtwagens, bestelwagens (pick-up zie hiervoor), autocars (voertuigen die naast de plaats van de chauffeur meer dan acht zitplaatsen tellen), caravans, mobilhomes, kampeerwagens, aanhangwagens;
2) boten en schepen of elk ander vaartuig, ongeacht het type;
3) helikopters en vliegtuigen of elke ander luchtvaartuig, ongeacht het type;
b) alle types van landvoertuigen, hoe ze ook worden genoemd of omschreven en ongeacht het gebruik, die zijn uitgerust met een motor met een cilinderinhoud van meer dan 48cc of met een vermogen van meer dan 7,2 kilowatt maar die om gelijk welke reden niet worden ingeschreven bij de D.I.V.
9. Worden eveneens uitgesloten:
a) toebehoren en onderdelen van of bestemd voor deze vervoermiddelen aangeschaft met een aparte bestelbon na de aankoop van het voertuig;
b) goederen of diensten met betrekking tot alle soorten vervoermiddelen.
HOOFDSTUK III. - AANTAL MET VRIJSTELLING TOEGELATEN VOERTUIGEN
10. De aankoop met vrijstelling wordt toegestaan tijdens de gehele duur van de functie van de begunstigde vanaf de datum van de indiensttreding in België. Niettemin kan vrijstelling van BTW en eventuele douanerechten van toepassing zijn vanaf de twintigste werkdag vóór de indiensttreding in België van de begunstigde(hierop wordt geen enkele afwijking toegestaan). Bijgevolg kan de levering of de invoer niet plaatsvinden vóór de genoemde periode van 20 dagen, ongeacht de datum van facturatie. De aankoop met vrijstelling (levering of invoer) is strikt beperkt tot de privé en persoonlijke behoeften van de begunstigde.
11. De begunstigde heeft tegelijkertijd recht op twee (2) vrijgestelde voertuigen zoals gedefinieerd in punt 5.
12. De vervanging van het vervoermiddel dat werd aangeschaft of ingevoerd met vrijstelling in de zin van punt 5 wordt slechts toegestaan na verloop van een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de eerste inschrijving van dit voertuig in België, behalve in uitzonderlijke omstandigheden en middels een gemotiveerde en aanvaarde aanvraag ingediend via de Belgische Nationale Militaire Vertegenwoordiging (NMR) bij SHAPE bij het Interministerieel Comité voor de zetelpolitiek (ICZ) die deze aanvragen voor beslissing zal doorsturen naar de FOD Financiën.
(Zie ook bijzondere gevallen, punten 27 tot en met 29 voor wat betreft de gestolen of volledig vernielde voertuigen)
13. Op het moment van aankomst in België met het oog op de indiensttreding, kan de begunstigde zonder beperking zijn voertuigen die eerder werden geplaatst onder de regeling tijdelijke invoer (T1) meenemen met behoud van de voordelen van deze regeling. Echter wanneer de begunstigde een ander voertuig met vrijstelling wenst aan te schaffen of in te voeren op basis van de voorrechten vermeld in deze aanschrijving wordt er rekening gehouden met alle voertuigen geplaatst onder de voorgenoemde regeling tijdelijke invoer (T1) die minder dan drie jaar oud zijn sinds de datum van plaatsing onder de regeling in België of in een andere lidstaat van de EU om het maximaal aantal voertuigen bedoeld in punt 11 te bepalen.
14. Opdat de vrijstelling blijft gelden, moet elk voertuig ingeschreven worden op naam van de begunstigde bij de D.I.V. op basis van een vignet ATV ([1]) en dient het bestemd te zijn voor normaal privé gebruik (niet commercieel) hoofdzakelijk in België.
Op het moment van afgifte van het vignet ATV kan de Inspectie der douane bij SHAPE de vertoning van het voertuig eisen in overleg met de Belgische Nationale Militaire Vertegenwoordiging (NMR) bij SHAPE.
15. In geval van vermoeden van hoofdzakelijk gebruik buiten België, kunnen de bevoegde fiscale administraties (Douane en BTW) in overleg met de Belgische Nationale Militaire Vertegenwoordiging (NMR) bij SHAPE het bewijs van hoofdzakelijk gebruik in België eisen, bijvoorbeeld onder meer door middel van het snel tonen van het voertuig onder de voorwaarden vastgesteld door de vertegenwoordigers van deze administraties of door middel van de motivering van de redenen voor het gebruik van het voertuig buiten het Belgische grondgebied.
HOOFDSTUK IV. - EINDE VAN DE VRIJSTELLINGSREGELING INZAKE BTW
16. De zoals hierboven gepreciseerd, met BTW-vrijstelling aangeschafte of ingevoerde voertuigen moeten het voorwerp uitmaken van een regularisatie met betaling van BTW indien zij worden verkocht of overgedragen, ongeacht het land waar deze verkoop of overdracht plaats heeft, binnen een termijn van 3 jaar te rekenen vanaf hun eerste inschrijving in België op naam van de begunstigde.
Echter, ingevoerde voertuigen geplaatst onder de douaneregeling tijdelijke invoer (T1) moeten niet geregulariseerd worden wanneer zij door de begunstigde van de vrijstelling worden wederuitgevoerd naar een derde land ten opzichte van de Europese Unie (EU).
17. Wanneer de begunstigde het met vrijstelling aangeschafte of ingevoerde voertuig verkoopt of overdraagt vóór het einde van de termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de eerste inschrijving in België, moet zijn situatie ten overstaande van de BTW worden geregulariseerd. Deze regularisatie in hoofde van de begunstigde houdt de verplichting tot betaling van BTW in, berekend prorata temporis in 36sten (A/36) overblijvend van de periode van drie jaar. De berekening gebeurt uitgaande van de datum van de eerste inschrijving in België op naam van de begunstigde en met als basis de maatstaf van heffing op het moment van de aankoop van het voertuig (A), rekening houdende met het resterende aantal volledige maanden (X) in de termijn van drie jaar (X x A/36sten). Een begonnen maand wordt als een hele maand beschouwd.
18. De regularisatie is verplicht in alle gevallen, ongeacht de termijn, met of zonder betaling. Net zoals bij de verkoop van het voertuig, geven de volgende hypotheses ook aanleiding tot regularisatie op de datum van de realisatie van die hypotheses (zie ook punt VI E 32):
a) de schenking van het voertuig;
b) zijn verhuring;
c) zijn ter beschikking stelling aan een persoon die geen recht heeft op de vrijstellingsregeling;
d) een gegeven bestemming die niet overeenkomt met het persoonlijke gebruik in België;
e) zijn inschrijving onder een ander type nummerplaat in België of elders.
19. Onder voorbehoud van een schriftelijke motivering en na onderzoek van het dossier door de Algemene administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, (een dossier moet worden ingediend bij het kantoor SHAPE/BTW) is geen betaling vereist in volgende gevallen (zie ook de algemene bepalingen in hoofdstuk VI):
a) het voertuig werd gestolen ([2]);
b) het voertuig werd, naar aanleiding van een geval van overmacht, volledig vernield en technisch totaal verloren verklaard door de verzekeringsmaatschappij ([3]);
c) in geval van overlijden van de begunstigde van de vrijstelling;
d) als de begunstigde België met zijn voertuig verlaat bij het beëindigen van zijn functie, ongeacht de reeds verlopen duur van deze functie of het land van bestemming;
e) indien de begunstigde een nieuwe functie krijgt bij een ambassade, zending of permanente vertegenwoordiging in België of bij een internationale organisatie, gevestigd in België en erkend door de Directie Protocol Veiligheid van de FOD Buitenlandse Zaken. In dergelijk geval wordt op vraag van de betrokkene de vrijstelling verlengd voor zover hij in zijn nieuwe functie aanspraak kan maken op een vrijstellingsregeling inzake voertuigen, rekening houdende met de beperkingen van deze nieuwe regeling;
f) de verkoop aan een begunstigde van een vrijstellingsregeling betreffende voertuigen in België: in dit geval blijft de oorspronkelijke termijn van drie jaar waarna geen betaling meer vereist is verder lopen, ongeacht het aantal kopers van het voertuig. Echter, verkoopt de nieuwe of een latere koper, begunstigde van de vrijstelling, binnen voornoemde termijn van drie jaar het voertuig door aan iemand die geen vrijstelling geniet, dan zijn de onder punt 17 vernoemde bepalingen eveneens van toepassing in hoofde van de laatste begunstigde;
g) de verkoop van het voertuig aan een begunstigde van een vrijstellingsregeling inzake vervoermiddelen in een andere lidstaat van de Europese Unie dan België, op voorwaarde van het voorleggen van volgende documenten:
- een attest van de bevoegde autoriteiten van die lidstaat dat aangeeft dat de koper daar recht heeft op een vrijstellingsregeling gelijkaardig aan de bestaande vrijstellingsregelingen in België;
- de verkoopsovereenkomst;
- de kopie van het inschrijvingsbewijs in deze lidstaat.
HOOFDSTUK V. - EINDE VAN DE VRIJSTELLINGSREGELING INZAKE RECHTEN BIJ INVOER
20. In geval van beëindiging van de vrijstellingsregeling en definitieve invoer van het voertuig in België of in een andere lidstaat van de EU, te verstaan aan het einde van de tijdelijke vrijstelling van rechten bij invoer, meer bepaald wanneer een voertuig ingevoerd met vrijstelling (zie ook de algemene bepalingen van hoofdstuk VI):
a) wordt verkocht, geschonken, verhuurd of uitgeleend;
b) een bestemming krijgt die niet overeenkomt met het persoonlijke gebruik;
c) nog steeds wordt gebruikt door de begunstigde na het beëindigen van zijn functies en in België blijft;
d) is ingeschreven onder een ander type nummerplaat in België of elders,
dient de regularisatie van de douanerechten met betaling van de invoerrechten steeds te gebeuren in hoofde van de begunstigde van de vrijstelling vanaf het moment dat de invoer van het voertuig definitief wordt, te verstaan vanaf het moment van de overdracht van het voertuig of vanaf het moment dat het voertuig een bestemming krijgt die niet verenigbaar is met het persoonlijk gebruik ervan door de begunstigde of vanaf de neerlegging van de functie door deze persoon (zie ook punt VI E 32).
21. Wat betreft de voertuigen die in België of in een andere EU-lidstaat blijven, moeten de rechten bij invoer, ongeacht de ouderdom van het voertuig, geregulariseerd worden op basis van de waarde van het voertuig op het tijdstip van de overdracht of het tijdstip waarop het feit dat aanleiding geeft tot regularisatie zich heeft voorgedaan. Hiervoor geldt geen tijdslimiet en heeft het geen belang of het voertuig al dan niet ouder is dan drie jaar.
22. De regularisatie van de regeling is verplicht in alle gevallen, met of zonder betaling van douanerechten. Een dossier moet worden ingediend bij de Inspectie der douane bij SHAPE met het oog op een beslissing over de regularisatie van de invoerrechten:
a) in geval van diefstal;
b) wanneer het voertuig, naar aanleiding van een geval van overmacht, volledig wordt vernield en technisch totaal verloren wordt verklaard door de verzekeringsmaatschappij;
c) in geval van overlijden van de begunstigde van de vrijstelling.
23. De rechten bij invoer zijn niet te voldoen wanneer:
a) de begunstigde zijn functie in België neerlegt en het douanegebied van de EU verlaat en zijn voertuig uitvoert;
b) de begunstigde wordt overgeplaatst naar een andere EU-lidstaat dan België om er een functie uit te oefenen uit hoofde waarvan hij eveneens aanspraak kan maken op een vrijstellingsregeling op het gebied van voertuigen;
c) de begunstigde wordt overgeplaatst naar een nieuwe functie bij een ambassade, missie of permanente vertegenwoordiging in België of bij een internationale instelling gevestigd in België en erkend door de Directie Protocol Veiligheid van FOD Buitenlandse Zaken. In dergelijk geval wordt op vraag van de betrokkene de vrijstelling verlengd voor zover hij in zijn nieuwe functie aanspraak kan maken op een vrijstellingsregeling inzake voertuigen, rekening houdend met de beperkingen van de nieuwe regeling;
d) de begunstigde zijn voertuig verkoopt aan iemand die eveneens in België van een vrijstellingsregeling inzake voertuigen geniet;
e) het voertuig dat zich onder de douaneregeling Tijdelijke invoer (T1) bevindt wordtverkocht aan een begunstigde van een soortgelijke vrijstellingsregeling in een andere lidstaat van de EU na voorlegging van de volgende documenten:
- een attest van de bevoegde autoriteiten van die lidstaat dat aangeeft dat de koper daar recht heeft op een vrijstellingsregeling gelijkaardig aan de bestaande vrijstellingsregelingen in België;
- de uitvoeraangifte naar een bestemming gelijkgesteld met uitvoer;
- de verkoopsovereenkomst;
- de kopie van het inschrijvingsbewijs in deze lidstaat.
HOOFDSTUK VI. - ALGEMENE BEPALINGEN: BIJZONDERE SITUATIES
A. Einde van de BTW of douanevrijstellingsregeling
24. De begunstigde moet altijd contact opnemen met de Inspectie der douane bij SHAPE om de douaneregeling aan te zuiveren onder dewelke het voertuig werd geplaatst. Zonder afsluiting van die douaneregeling wordt het voertuig geacht definitief te zijn ingevoerd in België en bijgevolg onderworpen aan de inning van rechten. Zolang het dossier niet definitief afgesloten is worden er geen vignetten ATV meer afgeleverd aan de begunstigde.
25. SHAPE zal in zijn richtlijnen de te vervullen formaliteiten voor het afsluiten van deze douaneregelingen opnemen, in het bijzonder deze op het tijdstip van het vertrek van de begunstigde.
26. Wordt niet beschouwd als het verlaten van de vrijstellingsregeling:
a) het rijden met en het gebruik van voertuigen in België door een persoon ten laste in de zin van het artikel I, 1, c, van de Overeenkomst van Londen van 19 juni 1951;
b) het rijden met en het occasionele gebruik van het voertuig in België door enig ander persoon mits het verkrijgen van de toestemming om ermee te rijden verleend door de Inspectie der douane bij SHAPE (zie model in bijlage B).
B. Volledig vernietigd voertuig
27. Voor de toepassing van de punten IV 19 b) en V 22 b) (overmacht) dient, onder de termen "volledig vernield" of "technisch totaal verloren" te worden verstaan dat de schade aan het voertuig zodanig is dat het niet opnieuw in het verkeer kan worden gebracht. Vervolgens moeten de betrokken dossiers de volgende documenten bevatten:
a) alle documenten eigen aan het voertuig (in zoverre deze niet vernield zijn tijdens de vernieling van het voertuig);
b) een kopie van alle documenten die werden opgemaakt ter staving van de volledige vernieling van het voertuig.
Hiermee worden onder meer bedoeld:
1) een kopie van het inschrijvingsbewijs van het voertuig;
2) een kopie van het gelijkvormigheidattest;
3) in voorkomend geval, de kopie(ën) van het (de) expertiseverslag(en) opgesteld op verzoek van de verzekeringsmaatschappij(en), of
4) in voorkomend geval de kopie van het (de) proces(sen)-verbaal van vaststelling of van overtreding die werd(en) opgemaakt door de overheidsinstanties (Belgische politie of daarmee overeenstemmende instantie in het land waar het ongeval plaats had) of bij gebrek daaraan een door voornoemde overheidsinstanties afgegeven attest ter bevestiging dat een proces-verbaal werd opgemaakt.
In ieder geval moet er verplicht een aangifte worden ingediend bij het "Central Processing Center" van SHAPE.
C. Gestolen voertuig
28. Voor de toepassing van de punten IV 19 a) en V 22 a) (diefstal) moeten de dossiers, vermeld in deze punten in principe de volgende documenten bevatten:
a) alle documenten eigen aan het voertuig (in de mate dat ze nog in het bezit zijn van de eigenaar van het gestolen voertuig);
b) de kopie van alle documenten die werden opgemaakt ter staving dat het voertuig daadwerkelijk werd gestolen.
Onder deze documenten wordt verstaan:
1) een kopie van het inschrijvingsbewijs van het voertuig;
2) een kopie van het gelijkvormigheidattest van het voertuig;
3) in voorkomend geval, de kopie van de met de verzekeringsmaatschappij gevoerde briefwisseling;
4) in voorkomend geval de kopie van het (de) proces(sen)-verbaal van vaststelling of van overtreding die werd(en) opgemaakt door de overheidsinstanties (Belgische politie of daarmee overeenstemmende instantie in het land waar de diefstal plaats had) of bij gebrek daaraan een door voornoemde overheidsinstanties afgegeven attest ter bevestiging dat een proces-verbaal werd opgemaakt.
In ieder geval moet er verplicht een aangifte worden ingediend bij het "Central Processing Center" van SHAPE.
29. Bovendien zijn de volgende bepalingen van toepassing:
de BTW moet niet worden betaald ongeacht of dat de begunstigde van de vrijstelling al dan niet een verzekering ter dekking van diefstal heeft. Na een periode van 30 dagen kan de begunstigde het gestolen voertuig vervangen door een ander voertuig vrij van BTW. Een nieuwe periode van drie jaar begint te lopen vanaf de eerste inschrijving van dit voertuig in België.
Echter, wanneer het gestolen voertuig later wordt teruggevonden, zal de bovengenoemde situatie herzien worden.
a) Indien het gestolen voertuig wordt teruggevonden en de begunstigde niet tegen diefstal is verzekerd en indien het toegelaten aantal voertuigen voorzien in de paragrafen 11 en 13 is overschreden, zal er een regularisatie zoals bedoeld in de paragrafen 17, 20 en 21 plaatsvinden voor het meest recente voertuig, tenzij het teruggevonden voertuig wordt verkocht. De verkoopstermijn is in principe 30 dagen te rekenen vanaf de datum waarop de begunstigde het gebruik van het voertuig heeft herkregen. Deze periode kan worden verlengd met maximum 30 dagen als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden. De verlenging moet schriftelijk worden aangevraagd vóór het einde van de eerste periode van 30 dagen. In geval van doorverkoop, wordt het teruggevonden voertuig onderworpen aan regularisatie.
b) Indien het gestolen voertuig wordt teruggevonden, terwijl de begunstigde tegen diefstal is verzekerd en hij beslist het voertuig te behouden, zal er een regularisatie, zoals bedoeld in de paragrafen 17, 20 en 21 plaatsvinden voor het meeste recente voertuig omdat dit voertuig het quotum voorzien in de paragrafen 11 en 13 heeft doen overschrijden.
c) Indien het gestolen voertuig wordt teruggevonden, terwijl de begunstigde tegen diefstal is verzekerd en hij beslist het voertuig niet te behouden zodat de eigendom van het voertuig aan de verzekeringsmaatschappij wordt overgedragen zal er een regularisatie voor het teruggevonden voertuig plaatsvinden, zoals bepaald in de paragrafen 17, 20 en 21. In de praktijk kan deze regularisatie worden afgehandeld door de verzekeringsmaatschappij, in naam en voor rekening van de begunstigde van de vrijstelling.
D. In geval van overlijden
30. Een aanvraag tot regularisatie zonder betaling moet worden ingediend bij de Inspectie der Douane bij SHAPE.
E. Echtscheiding en feitelijke scheiding
31. In geval van echtscheiding of feitelijke scheiding bepaalt de bestemming gegeven aan de voertuigen verworven met vrijstelling de fiscale behandeling van dergelijke voertuigen.
32. Wanneer een of twee voertuigen van minder dan drie jaar door de voormalige echtgenoot van de begunstigde worden overgenomen, en deze voormalige echtgenoot van geen enkel privilege betreffende voertuigen kan genieten, moet deze overname worden beschouwd als een overdracht die aanleiding geeft tot een regularisatie in de zin van de paragrafen 17, 20 en 21. Daarentegen, indien de voormalige echtgenoot van de begunstigde in voornoemde situatie zelf een begunstigde is van een vrijstellingsregeling voor voertuigen dient er te worden gekeken naar de bepalingen van de paragrafen 19 f) en 23 d).
33. De regularisatie met of zonder betaling zoals bedoeld in de hoofdstukken IV en V moet worden verricht binnen de drie maanden na de datum van het plaatsvinden van één van de voornoemde hypotheses. Als het echtpaar zich herenigd binnen die termijn, dient er geen regularisatie meer plaats te vinden.
F. Overname van het voertuig door de leverancier
34. In principe is iedere overdracht van eigendom van een voertuig van de begunstigde van de vrijstelling aan een garagehouder, die de oorspronkelijke leverancier van het bedoelde voertuig was, onderworpen aan de regels betreffende regularisatie bedoeld in de punten 17, 20 en 21.
35. Echter, op basis van het gemeen recht, zowel in burgerlijke zaken als inzake BTW, zijn er verscheidene omstandigheden die met zich meebrengen dat de regels voor betaling in het kader van de regularisatie niet van toepassing zijn. Het gaat om de volgende gevallen:
a) de terugname van het voertuig, door middel van de levering van een ander voertuig (vergelijkbaar in termen van merk, model, motorisering en afwerking) in het kader van de uitvoering van de waarborg. In een dergelijke situatie wordt verondersteld dat de kosten volledig ten laste van de garagehouder zijn, en dat het duidelijk is dat de levering van het nieuwe voertuig niet voortvloeit uit een nieuw contract, maar de voortzetting vormt van de uitvoering van het oorspronkelijke contract;
b) de terugname van een voertuig na de annulering van het verkoopscontract naar aanleiding van de gevallen van nietigheid voorzien in het Belgisch Burgerlijk Wetboek (dwaling, bedrog of geweld);
c) de terugname van een voertuig in het kader van de ontbinding van de overeenkomst, wat een foutieve niet-uitvoering door één van beide partijen impliceert;
d) de terugname van het voertuig binnen de zes maanden na de levering of na de invoer van het voertuig, in de mate dat geen van de betrokken partijen een geldelijk voordeel ten aanzien van de prijs hebben verkregen. In dit opzicht wordt de vergoeding vastgesteld op basis van de effectieve duur van het gebruik van het voertuig, die niet groter is dan de brutowinst voor de leverancier, niet aanzien als een geldelijk voordeel.
36. In de gevallen bedoeld in paragraaf 35, b) en c) kan de annulering of de ontbinding van een contract minnelijk of voor de rechtbank tot stand komen. Echter, in het laatste geval moet de uitspraak kracht van gewijsde hebben om de niet-betaling van de regularisatie te rechtvaardigen. In ieder geval omvatten deze punten niet deaanbiedingen van commerciële terugname of aanbiedingen zonder erkenning van aansprakelijkheid.
37. In de gevallen opgenomen onder de paragrafen 35 a) tot c) is de terugname van een voertuig afkomstig van een grondgebied buiten de EU bovendien onderworpen aan de voorwaarde van zijn wederuitvoer uit de EU.
38. Aangezien deze aanschrijving niet mag afwijken van de Belgische wetten is de redenering, onderliggend aan de problematiek betreffende de terugname van een voertuig door de leverancier, inzake BTW gebaseerd op het artikel 77, § 1, 5° en 6°, en § 1bis, 3° en 4°, van het BTW-Wetboek. Deze bepalingen zijn vermeld in bijlage C.
HOOFDSTUK VII. - INWERKINGTREDING EN OVERGANGSBEPALINGEN
39. Met uitzondering van de omstandigheden voorzien in de volgende punten treedt de regeling bedoeld in deze aanschrijving in werking op 1 november 2010.
40. De bepalingen van deze aanschrijving vervangen deze van het administratieve arrangement van 22 september 2004 betreffende de bestaande voorrechten inzake voertuigen.
41. Ten slotte, een persoon die op 31 oktober 2010 een aantal voertuigen in zijn bezit heeft dat groter is dan wat hem volgens de bovengenoemde regels is toegelaten, zal niet verplicht worden deze te regulariseren. Zo mag een persoon die kan bewijzen dat hij of zij een voertuig heeft besteld vóór 1 november 2010, en waarvan de levering na deze datum zal plaatsvinden, hoewel hij of zij het toegelaten aantal voertuigen met vrijstelling van BTW overschrijdt toch van de vrijstelling genieten bij de aankoop of bij de invoer. Niettemin, zullen deze voertuigen evenals de voertuigen die wel meetellen voor het quotum op 1 november 2010 onderworpen zijn aan de nieuwe regels inzake regularisatie.
HOOFDSTUK VIII. - HERZIENINGSBEPALINGEN
42. Elke andere hypothese die niet beschreven is in deze aanschrijving zal het voorwerp uitmaken van een bijzondere beslissing opgemaakt door de bevoegde diensten van de FOD Financiën in overleg met SHAPE.
43. Deze aanschrijving kan indien noodzakelijk worden gewijzigd op verzoek van de Belgische regering of van SHAPE. Er zal een herziening worden opgesteld in geval van wijzigingen aan de betrokken Belgische wetgevingen en van de regelingen met betrekking tot de rechthebbenden of de procedures zoals omschreven in deze aanschrijving.
