Circulaire nr. 18/2004 (AFZ 20/2004 - Dos. E.E./L.145/B) d.d. 13.12.2004

Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Eenmalige bevrijdende aangifte (E.B.A.)

In het Belgisch Staatsblad van 21 juni 2004, derde editie, werd de ordonnantie van 13 mei 2004 houdende instemming met het Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot de instelling van het systeem van de eenmalige bevrijdende aangifte, bekendgemaakt. De ordonnantie van 13 mei 2004, waarbij de bepalingen van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte toepasselijk worden verklaard op de gewestelijke belastingen, werd op zijn beurt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 juni 2004, 2de editie.

Deze ordonnanties moeten geplaatst worden in het kader van de Eenmalige Bevrijdende Aangifte (hierna E.B.A.).

Van meet af aan wordt opgemerkt dat alleen de tweede tekst voor de ontvangers van de registratie een praktisch belang heeft. Om die reden wordt hij dan ook in bijlage van deze circulaire opgenomen.
Niettemin is het aangewezen dat vooraf de regelgevende context, waarbinnen deze twee ordonnanties zich situeren, wordt geschetst ( Afdeling 1). Vervolgens zullen de kernbeginselen van de E.B.A. aan bod komen ( Afdeling 2). In een laatste afdeling wordt de uitbreiding van de gevolgen van de E.B.A. tot de Brusselse Gewestelijke belastingen van commentaar voorzien ( Afdeling 3).

De aandacht van de ontvangers wordt inzonderheid gevestigd op de uitbreiding van de gevolgen van de E.B.A. op de Brusselse gewestelijke belastingen (blz. 7 tot 9).

COMMENTAAR
Afdeling 1. De regelgevende context
Wat de E.B.A. betreft zijn in chronologische volgorde de volgende regelgevende teksten van belang:

a) De wet van 21 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 januari 2004, en gewijzigd bij de wet van 14 december 2004. Deze wet is in werking getreden op 16 januari 2004. Deze wet wordt momenteel herzien; inderdaad, het ontwerp van wet nr. Doc 51 1418/003, neergelegd in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, beoogt een artikel 11 aan deze wet toe te voegen.

b) Twee koninklijke besluiten :

  • het koninklijk besluit van 9 januari 2004, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2 februari 2004, tot vaststelling van de modellen van formulieren die moeten worden gebruikt ter uitvoering van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte;
  • het koninklijk besluit van 9 januari 2004 tot uitvoering van de artikelen 2, § 1, zevende lid, 4, § 2, 6, § 3, tweede lid en 10 van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte, waarin de aard en de modaliteiten van de herinvesteringen worden bepaald en een ad hoc controle ter zake wordt ingesteld.
c) Het ministerieel besluit van 19 januari 2004 in uitvoering van de wet van 31 december 2003 tot invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte en van de uitvoeringsbesluiten van 9 januari 2004.

d) Het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot de instelling van het systeem van de eenmalige bevrijdende aangifte. Dit akkoord beoogt de uitwerking van de gevolgen van de E.B.A. te verruimen, doordat het Brussels Hoofdstedelijk gewest zich er toe verbindt- in ruil voor een aandeel in de opbrengst van de E.B.A.- het bevrijdend karakter van de E.B.A. ook te erkennen in het kader van de toepassing van de gewestelijke belastingen.

e) De ordonnantie van 13 mei 2004 houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot het systeem van de eenmalige bevrijdende aangifte. Het betreft een ordonnantie die puur naar de vorm vereist was. Overeenkomstig artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen hebben samenwerkingsakkoorden slechts gevolgen wanneer ze de instemming hebben gekregen van de wetgevende instanties van de betrokken overheden.

f) De ordonnantie van 13 mei 2004, waarbij de bepalingen van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte toepasselijk worden verklaard op de gewestelijke belastingen. Bij deze ordonnantie worden, wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, de regels bepaald waarbinnen de E.B.A.-gevolgen van toepassing worden gemaakt op de Gewestelijke belastingen.

Afdeling 2. E.B.A.- kernelementen
Hetgeen volgt beoogt enkel het ingestelde systeem begrijpelijk te maken. Hierbij wordt bewust gekozen voor een vulgariserende benadering, dit zowel gelet op de complexiteit van de teksten en de bestaande controverses, als op de relatieve juridische kwetsbaarheid van de basiswettekst ingevolge de ertegen ingestelde (vernietigings)beroepen.

Voorwerp
Algemeen gesteld kan worden gezegd dat aan natuurlijke personen- in bepaalde gevallen en mits ze bepaalde voorwaarden naleven- de mogelijkheid wordt geboden hun fiscale situatie te regulariseren, wat natuurlijk voorondersteld dat ze zich geheel of gedeeltelijk onttrokken hebben aan hun fiscale verplichtingen.

Zoals het opschrift van de wet expliciet aangeeft gaat het om een eenmalige regularisatieverrichting. De mogelijkheid van regularisatie is bovendien tijdelijk.

Begunstigden
De mogelijkheid tot regularisatie wordt enkel geboden aan natuurlijke personen die onderworpen zijn aan de personenbelasting of aan de belasting van niet-inwoners. Rechtspersonen kunnen niet genieten van de E.B.A.

Regulariseerbare materies
  • personenbelasting (met inbegrip van de boetes, belasting-vermeerderingen en intresten) ;
  • de BTW ;
  • de sociale bijdragen
  • het successierecht en het registratierecht.
Voorbeelden van wat het onderwerp van een E.B.A. kan uitmaken
  • Sommen, kapitalen en roerende waarden die voor 1 juni 2003 in het buitenland bij een kredietinstelling of beursvennootschap werd geplaatst en waarvoor de in België verschuldigde belastingen werden ontdoken (bedoeld worden zichtrekeningen, termijnrekeningen, spaarrekeningen en effectenrekeningen);
  • effecten aan toonder die ten huize of in een koffer in België of in het buitenland worden bewaard;
  • effecten op een buitenlandse rekening;
  • effecten op naam ingeschreven in het register van Belgische of buitenlandse vennootschappen;
  • aandelen en met aandelen gelijkgestelde waarden;
  • obligaties en schuldtitels verhandelbaar op de kapitaalmarkt;
  • aandelen van collectieve beleggingsinstellingen.
Voorbeelden van wat niet het onderwerp van een E.B.A. kan uitmaken
  • de hiervoor bedoelde waarden waarvan men het bezit vóór 1 juni 2003 niet kan aantonen ;
  • contant geld;
  • de beroepsinkomsten van de jaren 2002, 2003 en 2004;
  • bankrekeningen (zicht- of termijnrekeningen, spaarboekjes) in België;
  • kunstwerken;
  • goud of juwelen;
  • onroerende goederen;
  • sommen, kapitalen of roerende waarden voortkomende van witwasoperaties of van georganiseerde misdaad (vb. BTW-carrousels);
  • in geval de fiscus reeds een aanslag van ambtswege wegens niet aangegeven inkomsten genotificeerd heeft;
  • in geval de belastingplichtige vóór de indiening van zijn E.B.A. al schriftelijk in kennis werd gesteld van lopende bijzondere onderzoeken door de fiscale administratie (vb: in het kader van een belastingcontrole - d.w.z. een verrichting die verder gaat dan een loutere vraag om inlichtingen - probeert de belastingadministratie het bewijs te leveren van het bestaan van niet aangegeven inkomsten of kapitalen);
  • alles wat niet meer onder de vorm van kapitaal of effect bestaat (voorbeeld: niet aangegeven inkomsten of kapitalen die ondertussen werden uitgegeven bij de aankoop of de verbouwing van een onroerend goed of bij de aankoop van kunstwerken, juwelen, goud).
Boete
Zij bedraagt 6 of 9% van de aangegeven sommen, kapitalen of waarden.

In de regel komt het aan de belastingplichtige toe om voor één van beide tarieven te opteren. In bepaalde gevallen wordt het tarief evenwel opgelegd. Vb. op effecten aan toonder zal steeds het tarief van 9% van toepassing zijn.

Om van het tarief van 6% te kunnen genieten moet de verbintenis worden aangegaan om de gerepatrieerde bedragen gedurende een termijn van 3 jaar in bepaalde activa te investeren. Deze (her)investering moet gebeuren binnen de Europese Unie en binnen de 30 dagen na de indiening van de eenmalige bevrijdende aangifte.

De periode van drie jaar neemt een aanvang op datum van de aangifte.

Worden als " investeringen" beschouwd:

  • bankdeposito's (termijnrekening, spaarrekening, met uitzondering van het gedefiscaliseerde spaarboekje);
  • de aankoop van aandelen, obligaties of bevek-aandelen;
  • de aankoop, het bouwen en/of de renovatie van gebouwde onroerende goederen (het kan gaan om een privéwoning of een gebouw dat voor beroepsdoeleinden zal gebruikt worden maar niet om een terrein dat ongebouwd zal blijven) gelegen in de Europese Unie;
  • de betaling van een levensverzekeringspremie;
  • de inschrijving op aandelen door een vennootschap uitgegeven ter gelegenheid van de oprichting of van de verhoging van het kapitaal ervan;
  • het gebruiken van de fondsen in het kader van een zelfstandige activiteit.
Gedurende de periode van drie jaar kan er overgegaan worden van het ene naar een ander type van investering.

Wanneer gedurende de periode van drie jaar aan de investeringsvoorwaarde niet voldaan blijft, wordt een bijkomende bijdrage van 6% verschuldigd. Om de invordering van die bijkomende bijdrage in geval van niet-naleving van de voorwaarden te garanderen, moet een équivalente waarde als waarborg worden verstrekt op het ogenblik van de betaling van de E.B.A.

Het is aan de indiener van de aangifte om te bewijzen dat hij de bovenbedoelde investeringsvoorwaarden heeft nageleefd.

Diegenen die geen investeringsverbintenis kunnen of willen aangaan, betalen een basistarief van 9%. In dit geval kan de belastingplichtige onmiddellijk volledig vrij over de sommen, kapitalen of roerende waarden beschikken.

Repatriëring
De indiener van de aangifte is niet verplicht zijn kapitaal te repatriëren.

Wanneer hij voor repatriëring naar België of plaatsing op een Belgische rekening kiest, wordt hem anonimiteit (vertrouwelijkheid is allicht een betere term) geboden in die zin dat er geen enkele informatie over de identiteit van de indiener naar de fiscale administratie zal gaan.

Verkiest hij het kapitaal in het buitenland te laten, dan kan er geen sprake zijn van anonimiteit. Hij moet dan immers de aangifte doen bij de federale overheidsdienst Financiën (die het kantoor onder welke de indiener ressorteert zal in kennis stellen).

Procedure
Wanneer de indiener kiest voor de repatriëring naar België, moet de indiening van de aangifte gedaan worden bij een in België gevestigde kredietinstelling, beursvennootschap of verzekeringsinstelling. De overbrenging van de fondsen moet terzelfdertijd met de indiening van de aangifte geschieden.

Wanneer daarentegen de indiener verkiest het kapitaal in het buitenland te laten, moet de aangifte rechtstreeks bij de Federale Overheidsdienst Financiën gedaan worden.

Of er nu repatriëring plaatsvindt of niet, de lijst van de indieners wordt overgemaakt aan de Cel voor financiële informatieverwerking (C.F.I.). Deze cel moet de vertrouwelijkheid van de informatie respecteren. De C.F.I. zal enkel een onderzoek starten wanneer er vermoedens van witwassen zijn.

De betaling van de boete moet geschieden binnen 15 dagen te rekenen van de indiening van de E.B.A., hetzij aan de betrokken kredietinstelling, beursvennootschap of verzekeringsinstelling, hetzij aan de Dienst van de Thesaurie van de FOD Financiën.

In de beide gevallen (repatriëring of niet) wordt aan de indiener- van zodra de eenmalige bevrijdende bijdrage betaald is- een nominatief en genummerd attest afgeleverd.

Dit - unieke - attest is het bewijs dat men een E.B.A. heeft gedaan. Het vormt er als het ware de " titel" van.

Het attest kan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de hoven en rechtbanken, voor de administratieve rechtscolleges of meer algemeen voor alle openbare diensten.

Het is ingevolge de aflevering van een dergelijk attest dat de ontvanger der registratie geconfronteerd kan worden met de E.B.A.-problematiek (zie afdeling 3).

Gevolgen
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de E.B.A.-wet worden " de aangegeven sommen, kapitalen of roerende waarden, na betaling van de verschuldigde eenmalige bijdrage, geacht onweerlegbaar en definitief bevrijd te zijn van alle belastingen, sociale zekerheidsbijdragen, nalatigheidsinteresten en boetes die, met betrekking tot die sommen, kapitalen of roerende waarden, verschuldigd zijn of hadden kunnen verschuldigd zijn vóór de datum van de indiening van de aangifte."

De indiener is dus bevrijd van deze belastingen en sociale zekerheidsbijdragen zodat men in zijnen hoofde kan spreken van een werkelijke fiscale "immuniteit" (de toepasselijkheid van de term "amnestie" werd in de fiscale context betwist).

Op strafrechtelijke vlak gaat het om een werkelijke amnestie maar beperkt tot bepaalde inbreuken (fiscale fraude, fiscale valsheid in geschriften en gebruik van dergelijke valse geschriften). Aldus bepaalt artikel 7 van de E.B.A.-wet dat personen die zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven bedoeld in de artikelen 133 en 133bis van het Wetboek der successierechten of in de artikelen 206 en 206bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, vrijgesteld blijven van strafvervolging uit dien hoofde indien zij niet vóór de datum van de indiening van de E.B.A. het voorwerp hebben uitgemaakt van een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek uit hoofde van deze misdrijven.

Het attest heeft maar uitwerking tot beloop van het er in vermelde bedrag. Boven dat bedrag kan de belastingadministratie verantwoording vragen en betaling vorderen.

Zo ook geldt de strafrechtelijke amnestie enkel voor het bedrag vermeld in het attest. Dit kan meebrengen dat de indiener, die verkiest enkel voor de niet-verjaarde bedragen een aangifte in te dienen maar toch alle (niet- verjaarde en verjaarde) bedragen repatrieert, het risico loopt vervolgd te worden voor witwassen en dit ook wat betreft de verjaarde bedragen. Fiscale verjaring staat immers niet gelijk met strafrechtelijke verjaring.

Duur
De mogelijkheid van regularisatie geldt vanaf 16 januari 2004 (= datum van inwerkingtreding van de basiswet) en zal bestaan tot 31 december 2004. Belangrijk is dat de aangifte ten laatste ingediend is op laatstgenoemde datum. De aan de regularisatie verbonden puur administratieve formaliteiten kunnen nog uitgevoerd worden tot 30 juni 2005.

Afdeling 3. Uitbreiding van de E.B.A. tot de Gewestelijke belastingen
A. Algemeen
1. Zoals hiervoor al aangegeven kan de ontvanger der registratie geconfronteerd worden met de E.B.A.-problematiek van zodra een indiener van een E.B.A.-aangifte hem een E.B.A.-attest voorlegt. De voorlegging van dergelijk attest laat de indiener immers toe ook voor de Gewestelijke belastingen van de "fiscale amnestie" te genieten. Hoewel de regularisatieperiode eindigt op 31 december 2004, zullen de ontvangers vooral na die datum met de E.B.A.-gevolgen geconfronteerd worden. Inderdaad, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft zich er toe verbonden het bevrijdend effect van de E.B.A.-verklaring en van de betaling van de eenmalige bijdrage van toepassing te maken op zijn eigen Gewestelijke belastingen. Dat bevrijdend karakter zal ook gelden voor de vermeerderingen van Gewestelijke belastingen, nalatigheidsinteresten en boetes die voor de indiening van de E.B.A. verschuldigd zijn of hadden kunnen zijn.

2. Het mag dan misschien evident zijn, toch is het aangewezen er aan te herinneren dat wanneer de indiener van een E.B.A.-aangifte overlijdt, de in die aangifte gedeclareerde sommen, kapitalen en roerende waarden uiteraard deel zullen uitmaken van zijn belastbaar actief. Die evidentie vindt met terug in de bewering dat de E.B.A. geldt voor het verleden, maar in genen dele voor de toekomst.

3. Hoewel de tekst van het decreet het op algemene wijze heeft over gewestelijke belastingen, mag toch worden verwacht dat de toepassingen vooral de successie- en minder de registratierechten (vb. prijsbewimpeling bij verkoop, handgiften …) zullen betreffen.

B. Bijzonderheden
1° Wat de registratierechten betreft, blijft de E.B.A. zonder gevolg wat betreft de akten die geregistreerd zijn of hadden moeten zijn na 1 juni 2003.

2° Hoewel de uitbreiding van de gevolgen van de E.B.A.. vooral relevant is in het kader van de successierechten, diende niettemin vermeden te worden dat de erfgenamen van de overledene een E.B.A.-aangifte in plaats van een klassieke successieaangifte zouden indienen. Om die reden is de E.B.A. niet van toepassing:

  • op nalatenschappen opengevallen vanaf 1 januari 2003;
  • op nalatenschappen opengevallen vóór 1 januari 2003, maar waarvoor geen aangifte van nalatenschap werd ingediend vóór 1 juni 2003 of binnen de door de Gewestelijk Directeur verlengde termijn (voor zover de verlenging werd toegestaan vóór 1 juni 2003).
Anders gezegd, de E.B.A. is van toepassing op de nalatenschappen opengevallen in 2002, 2001, 2000 en zelfs eerder, op voorwaarde dat de aangifte van nalatenschap werd ingediend voor 1 juni 2003 of werd ingediend binnen de - vóór 1 juni 2003 - door de Gewestelijk directeur verlengde termijn.

3. De E.B.A. heeft geen gevolgen "indien de aangever, vóór de indiening van de (E.B.A.-)aangifte schriftelijk is ingelicht over specifieke onderzoekshandelingen van de fiscus (artikel 5 van het decreet). Een aantal voorbeelden van door een ontvanger gestelde handelingen, die moeten worden beschouwd onderzoeksdaden te zijn die de toepassing van de gevolgen van de E.B.A. op de Gewestelijke belastingen verhinderen, zijn (zie Parl. St. 2003-2004, nr. A- 548/1 - memorie van toelichting bij de ordonnantie):

  • In het kader van de registratierechten
    • een bericht van tekortschatting;
    • het geschrift waarbij de ontvanger de door de partijen aan de rechtshandeling gegeven kwalificatie in vraag stelt (of waarbij hij vermoedens van verzwijging of simulatie formuleert);
    • de in artikel 183 W. Reg. bedoelde vraag om inlichtingen;
    • het opstellen van een proces-verbaal om een inbreuk op het Wetboek vast te stellen (artikel 185 van het Wetboek);
    • de notificatie van de controleschatting (art. 189 van het Wetboek);
    • het dwangbevel.
  • in het kader van de successierechten
    • het dwangbevel;
    • het bericht van tekortschatting of de vraag tot rechtzetting van een verzuim;
    • de notificatie van de controleschatting (art. 112 van het Wetboek);
    • de ambtshalve aanslag bedoeld in artikel 47 van het Wetboek (in dit geval zijn de gevolgen van de E.B.A. al niet van toepassing omdat er geen aangifte van nalatenschap werd ingediend - zie hiervoor);
    • de notificatie van een proces-verbaal om een inbreuk op het Wetboek vast te stellen (artikel 105 van het Wetboek);
    • het in artikel 100 van het Wetboek voorziene bankonderzoek en de bij artikel 107 van het wetboek bedoelde vraag om inlichtingen.
4. " De E.B.A.-aangifte en het attest kunnen niet als indicie of aanwijzing worden aangewend om fiscale onderzoeks- of controleverrichtingen uit te voeren, om mogelijke inbreuken op de belastingwetgeving te melden of om inlichtingen uit te wisselen, behalve met betrekking tot de vaststelling van de ingevolge de (E.B.A.-) aangifte verschuldigde bijdragen".

Dit punt mag niet verward worden met punt 3 hiervoor. Punt 3 betreft hinderpalen die aan de E.B.A. in de weg staan en die voortkomen uit de omstandigheid dat de belastingadministratie reeds gebruik heeft gemaakt van de onderzoeksmiddelen die de Wetboeken haar toelaat te gebruiken. Doordat ze die onderzoeksdaden al voordien heeft aangevat, is het alsof het gaat om waarden of sommen die de belastingadmnistratie in ieder geval nader zou hebben bekeken, ongeacht of ze al dan niet het voorwerp van een E.B.A. zouden kunnen uitmaken. Resultaat: geen E.B.A. mogelijk.

Punt 4 handelt over de strikte neutraliteit die de ontvanger moet aannemen tegenover een hem voorgelegd E.B.A.-attest. Hij mag zich niet op de inhoud van dat attest beroepen om bijkomende onderzoeksdaden te stellen.

Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat de ontvanger die geconfronteerd wordt met een E.B.A., niet meer de mogelijkheid heeft om een bankonderzoek (art. 100 W. Succ.) te vorderen, indien deze niet reeds vóór de E.B.A.-aangifte was aangevraagd. Deze onmogelijkheid geldt maar in de mate dat de ontvanger het bankonderzoek vraagt louter en alleen omwille van de E.B.A.-attestgegevens (m.a.w. wanneer hij zonder die gegevens klaarblijkelijk geen bankonderzoek zou gevraagd hebben). Hetzelfde geldt voor de in artikel 107 W. Succ en artikel 183 W. Reg. bedoelde vragen om inlichtingen.

5. Tenslotte moet nog worden opgemerkt dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (in tegenstelling tot het Waals Gewest) de bepaling van artikel 9, in fine, van de basiswet niet van toepassing heeft gemaakt op de Gewestelijke belastingen. Bijgevolg zal de belastingplichtige die geen E.B.A. gedaan heeft, hoewel hij daartoe wel de mogelijkheid had, geen zwaardere belastingvermeerdering of boete kunnen oplopen dan die welke hij voorheen kon oplopen.

NAMENS DE MINISTER :

De adjunct-administrateur-generaal,



Paul NECKEBROECK.



BIJLAGE
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 23 juni 2004

13 MEI 2004. - Ordonnantie waarbij de bepalingen van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte toepasselijk worden verklaard op de gewestelijke belastingen.
De Brusselse Hoofdstedelijke Raad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.

Art. 2. De gevolgen van een regelmatig gedane aangifte met toepassing van artikel 2 van de wet van 31 december 2003 houdende invoering van een eenmalige bevrijdende aangifte gelden, onder de voorwaarden opgelegd door de genoemde wet, eveneens voor gewestelijke belastingen, met inbegrip van belastingverhogingen, nalatigheidsinteresten en boetes die op die bedragen, kapitalen of roerende waarden verschuldigd zijn hadden kunnen zijn, vóór de datum van indiening van de aangifte en alle bepalingen van de genoemde wet zijn van toepassing op de gewestelijke belastingen, met uitzondering van artikel 9.

Art. 3. § 1. In afwijking van artikel 2 heeft de aangifte waarin dit artikel voorziet geen gevolgen voor de successierechten die verschuldigd zijn op sommen, kapitalen of roerende waarden die deel uitmaken van de nalatenschap van een Rijksinwoner of die geacht worden er deel van uit te maken, in de volgende gevallen :

1° de nalatenschap is opengevallen na 31 december 2002;

2° aangaande de vóór 1 januari 2003 opengevallen nalatenschap is geen aangifte van nalatenschap gedaan vóór 1 juni 2003 of binnen de termijn waarmee het bestuur vóór die datum schriftelijk heeft ingestemd.

§ 2. In afwijking van artikel 2 heeft de aangifte waarin dit artikel voorziet geen gevolgen voor de registratierechten, waarvoor de gewesten krachtens artikel 3, 6° tot 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten bevoegd zijn, die verschuldigd zijn op sommen, kapitalen of roerende waarden die voortkomen uit verrichtingen die na 1 juni 2003 werden geregistreerd of verplicht registreerbaar geworden zijn.

Art. 4. Deze ordonnantie heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2004.
Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 13 mei 2004.


De Minister-Voorzitter Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek,
J. SIMONET

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Openbare Werken, Vervoer, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
J. CHABERT

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Werkgelegenheid, Economie, Energie en Huisvesting,
E. TOMAS

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Ambtenarenzaken en Externe Betrekkingen,
G. VANHENGEL

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu en Waterbeleid, Natuurbehoud, Openbare Netheid en Buitenlandse Handel,
D. GOSUIN