Circulaire nr. Ci.A.41/627.535 (AAFisc Nr. 28/2013) dd. 11.07.2013

Algemene administratie van de FISCALITEIT – Centrale diensten – Dienst Geschillen

Sector Directe belastingen

Circulaire nr. Ci.A.41/627.535 (AAFisc nr. 28/2013) dd. 11.07.2013

MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE BELASTINGEN

Verkeersbelasting op de autovoertuigen

In het buitenland ingeschreven voertuigen gebruikt door een Belgische verblijfhouder

Belastingsvoorwaarden

Vervangen door de circulaire AAFisc nr. 46/2014 (nr. Ci.A.41/635.970) dd. 23.12.2014

Aan alle ambtenaren van de Sector Directe belastingen (AAFisc)

I. INLEIDING

1. Deze circulaire behandelt de problematiek van de controle en de eventuele belasting van de voertuigen die in het verkeer zijn gebracht op de openbare weg in België door personen die in België verblijven, terwijl de voertuigen uitsluitend ingeschreven zijn in een andere, over het algemeen aan België grenzende, Staat.

1.1. Artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen (BS van 8 augustus 2001) verplicht de in België verblijvende personen om de voertuigen die zij hier gebruiken in België in te schrijven, zelfs wanneer deze voertuigen reeds in een ander land zijn ingeschreven.

Bepaalde voertuigen kunnen verder in België worden gebruikt door personen die er verblijf houden met behoud van hun buitenlandse inschrijving.

Immers, ingevolge de §§ 2 en 3 van hetzelfde artikel geldt de inschrijvingsplicht in België niet voor:

a) het motorvoertuig dat door een buitenlands professioneel dienstverlenend bedrijf voor hoogstens 6 maanden, niet hernieuwbaar, wordt verhuurd aan een persoon bedoeld in § 1; het huurcontract op naam van diegene die het voertuig in het verkeer brengt moet zich aan boord van het voertuig bevinden, ondertekend en gedateerd;

b) het voertuig dat een natuurlijke persoon gebruikt in de uitoefening van zijn beroep en in bijkomende orde voor privédoeleinden, en dat door een buitenlandse werkgever aan deze persoon waarmee hij verbonden is door een arbeidsovereenkomst wordt ter beschikking gesteld; een attest uitgereikt door het bestuur dat de BTW onder haar bevoegdheid heeft, moet zich in dat geval aan boord van het voertuig bevinden; de gedetailleerde voorwaarden voor het gebruik van dit voertuig worden bepaald door de Minister van Financiën;

c) het personenvoertuig bestuurd door een ambtenaar die in België verblijft en werkt voor een internationale instelling gelegen in een andere lidstaat van de Europese Unie: een door de werkgever uitgereikte accreditatiekaart dient zich aan boord van het voertuig te bevinden;

d) het voertuig waarvan die persoon eigenaar is die als tijdelijk afwezige persoon wordt beschouwd in de zin van artikel 18, 6°, 8° en 9° van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister en waarbij dit laatste niet langer dan zes maanden zonder onderbreking in België wordt gestald; voor de toepassing van deze uitzondering worden als tijdelijk afwezige personen beschouwd:

- militair personeel en burgerpersoneel van de Belgische strijdkrachten in Duitsland, militairen die in het buitenland gedetacheerd zijn bij hetzij internationale of supranationale organismen, hetzij bij een militaire basis in het buitenland;

- tenzij ze uitdrukkelijk vragen afgevoerd te worden uit het bevolkingsregister van de gemeente, de federale, gewestelijke en gemeenschapsambtenaren die een functie opnemen op een Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland, op voorwaarde dat zij een hiërarchische band hebben met het posthoofd en dat zij ingeschreven worden op de diplomatieke lijst van de voornoemde vertegenwoordiging;

- tenzij ze uitdrukkelijk vragen afgevoerd te worden uit het bevolkingsregister van de gemeente, de personen die op coöperatieopdracht gestuurd worden door verenigingen die erkend zijn door de Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, voor de duur van hun coöperatieopdracht;

e) voertuigen die door sommige, met bijzondere opdrachten belaste, rijksdiensten gebruikt worden; het gaat hier om uitzonderlijke vrijstellingen van inschrijving die door de Minister van Mobiliteit en Vervoer of door zijn gemachtigde worden verleend.

Het koninklijk besluit is in werking getreden op 1 oktober 2001.

Overigens, uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen volgt dat “het een lidstaat is toegestaan om een in een andere lidstaat geregistreerde personenwagen aan een verplichting tot inschrijving te onderwerpen wanneer dit voertuig hoofdzakelijk is bestemd voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat of daar feitelijk duurzaam wordt gebruikt.”(arrest van 15 december 2005, Nadin en Nadin-Lux, C-151/04 en C-152/04 en Ordonnantie van 24 oktober 2008, Marc Vandermeir t/Belgische Staat – FOD Financiën, C 364/08).

1.2. Uit het geheel van deze overwegingen volgt dat, indien er geen wettelijke reden is die de betrokkene toelaat zijn voertuig niet in België in te schrijven, de verkeersbelasting in principe verschuldigd is op basis van artikel 21 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (WGB) dat bepaalt dat de belasting verschuldigd is door de natuurlijke of rechtspersoon die vermeld is of het moet zijn op het inschrijvingsbewijs zolang een voertuig op naam van deze persoon is of moet zijn ingeschreven in het repertorium van de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen.

1.3. Het is de gebruiker of de eigenaar van het voertuig die in principe tot de inschrijving met overgaan.

Er moet evenwel worden vermeld dat artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 23 februari 2005, stelt dat:

“(…) Indien zowel de eigenaar als de gebruiker het voertuig wensen in te schrijven, mag enkel de eigenaar optreden als aanvrager.

Als die eigenaar een rechtspersoon is van een andere lidstaat van de Europese Unie, kan hij een kentekenbewijs vragen op zijn naam, met evenwel het adres van de gebruiker van het voertuig in België.

De volledige identiteit van de gebruiker zal aangeduid worden in het vakje gereserveerd voor inlichtingen op de aanvraag tot inschrijving.(…)”.

Het verslag aan de Koning dat samen met dit koninklijk besluit van 23 februari 2005 werd gepubliceerd preciseert in dat opzicht dat:

de levering van een kentekenbewijs aan een buitenlandse vennootschap die wenst een voertuig in België in het verkeer te brengen op haar naam zonder er een vestiging te hebben in de zin van het communautaire recht, beoogt de mogelijkheid te verschaffen de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie (met name de zaak Cura Anlagen) toe te passen en te verzoenen met de voornoemde richtlijn 1999/37/EG van de Raad, die in haar bijlage I oplegt om op het kentekenbewijs het adres van een verblijfhouder in de Staat die het aflevert aan te duiden.

Dit adres in België zal datgene zijn van de gebruiker van het voertuig waarvan de volledige gegevens op de inschrijvingsaanvraag voorkomen.

Deze oplossing werd door de diensten van de Commissie aanvaard.”

II. Praktische richtlijnen

2. Op basis van de wettelijke en reglementaire bepalingen die hierboven werden herinnerd, kunnen de voornaamste situaties waarmee Belgische en/of buitenlandse natuurlijke of rechtspersonen kunnen geconfronteerd worden bij het gebruik in België van een in het buitenland ingeschreven voertuig door een persoon die in België verblijft, onder 2 categorieën worden ingedeeld:

2.1.1 De voertuigen die een reglementaire vrijstelling van inschrijving in België genieten

2.1.1.Voertuig ter beschikking gesteld in het kader van een arbeidscontract:

2.1.1.1. Voor deze categorie voertuigen zijn de praktische richtlijnen verstrekt door de BTW sector in akkoord met de sector directe belastingen in de circulaire nr. 21/2003 (AINV 3/2003 – IR/IV-4/7.014 – ET 102.201) dd. 31.07.2003 van toepassing:

Wanneer een belastingplichtige die een in het buitenland ingeschreven voertuig in België gebruikt, zich hiervoor aanbiedt of telefonisch contact opneemt, is het van belang (…) om na te gaan (…):

Indien het een Belgische verblijfhouder betreft die een voertuig (personenauto, auto voor dubbel gebruik, minibus of motorfiets) gebruikt dat door zijn in het buitenland gevestigde werkgever ter zijner beschikking werd gesteld, onder andere voor het woon-werkverkeer, moet hij worden uitgenodigd, voor zover dit nog niet zou zijn gebeurd, om de eerstaanwezend inspecteur van de BTW van zijn woonplaats te contacteren met het oog op het bekomen van een attest zoals bedoeld door de aanschrijving nr. 1 van 3 mei 2000, van de AOIF,

sector BTW.

(…)

Er wordt aan herinnerd dat er geen controle op de VB moet worden uitgeoefend wanneer de bestuurder een attest voorlegt dat werd afgeleverd overeenkomstig de aanschrijving nr. 1 van 3 mei 2000, van de AOIF, Sector BTW.

Wanneer het attest niet werd afgeleverd maar de belastingplichtige aan de vereiste voorwaarden voldoet, moet hij worden uitgenodigd zich aan te bieden op het bevoegde BTW-kantoor teneinde een dergelijk attest te bekomen.

Wanneer de belastingplichtige niet de vereiste voorwaarden vervult, moet een proces-verbaal worden opgesteld lastens de persoon die het voertuig gebruikt of exploiteert (d.i. de Belgische verblijfhouder die bestendig of gewoonlijk over het voertuig beschikt en die het voor persoonlijke doeleinden in België aanwendt).

Voor de personen die tewerkgesteld worden door een Luxemburgse werkgever, zal het bekomen of het behoud van een BTW-attest worden onderworpen aan o.a. het voorleggen van een kopie van de arbeidsovereenkomst evenals een attest afkomstig van de Luxemburgse sociale zekerheidsdienst.

Met de medewerking van de Luxemburgse autoriteiten zullen de fictieve arbeidsovereenkomsten kunnen worden opgespoord. In ieder geval moet een zeker termijn worden verleend voor het bekomen van de vereiste attesten.”.

Bij controle moet een Belgische verblijfhouder aan de autoriteit dus een attest kunnen voorleggen dat zich aan boord van het voertuig moet bevinden.

Dit attest, dat aan de BTW-diensten moet worden gevraagd vóór de in gebruikneming van het voertuig op openbare weg in België, wordt door deze diensten slechts uitgereikt nadat zorgvuldig is nagegaan of dat de voorwaarden voor de terbeschikkingstelling van het voertuig in overeenstemming zijn met een werkelijke beroepsmatige verhouding tussen de Belgische verblijfhouder en een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap.

Voor de controleambtenaren vormt de aanwezigheid aan boord van dit attest het onbetwistbaar bewijs van bijkomstig gebruik van het voertuig op het Belgisch grondgebied.

Indien dit BTW-attest niet kan worden voorgelegd maar de gebruiker zich niettemin beroept op een gebruik van het voertuig in het kader van een beroepswerkzaamheid (bij voorbeeld in de hoedanigheid van zelfstandige, zoals in de zaak C 364/08), moeten de controleambtenaren, die onmogelijk ter plaatse de werkelijkheid van deze verklaring kunnen nagaan, in principe een proces-verbaal opmaken met het oog op het innen van de belasting overeenkomstig artikel 33 WGB.

Indien de gecontroleerde persoon onmiddellijk het bedrag van de belastingen (eventueel verhoogd met de boete) betaalt, dan heeft hij het recht een bezwaarschrift in te dienen bij de bevoegde Gewestelijke directeur der directe belastingen zodat hij de nodige argumenten kan doen gelden die een ontheffing van de betaalde belastingen kunnen wettigen.

Indien de gecontroleerde persoon niet tot onmiddellijke betaling overgaat, zal de in artikel 33 WGB bepaalde procedure kunnen worden toegepast, zodat de gecontroleerde gebruiker in dat geval over het recht beschikt om zijn bezwaren te doen gelden binnen het kader van een procedure van betwisting overeenkomstig de bepalingen van de Algemene Wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977.

2.1.1.2. Wat de personen betreft waarop deze uitzondering van toepassing is, moet er worden gepreciseerd dat de Belgische verblijfhouder een “werknemer” moet zijn van de onderneming.

Dat betekent dat hij een bezoldigd werknemer moet zijn van de onderneming die het voertuig ter beschikking stelt. De Belgische verblijfhouder mag eveneens zaakvoerder, aandeelhouder of bestuurder zijn van de onderneming die het voertuig ter beschikking stelt maar moet in dat geval bewijzen dat hij binnen de onderneming een werkzaamheid uitoefent (zaakvoerder, boekhouder, secretaris …) en dat hij voor die werkzaamheid wordt bezoldigd. Is geen “werknemer” en kan bijgevolg de regeling niet genieten, de aandeelhouder of de bestuurder die, buiten het innen van dividenden en eventuele deelname aan de Raad van bestuur, geen enkele werkzaamheid uitoefent binnen de onderneming.

Overigens, een Belgische verblijfhouder die zijn beroep van zelfstandige uitoefent in een andere lidstaat (werkelijke activiteit in dit geval bevestigd door het bestaan van een kantoor, een cliënteel en door een controle van de sociale zekerheidsdienst van het land waar de activiteit wordt uitgeoefend) en die rijdt in een voertuig dat bij een buitenlandse leasingmaatschappij in leasing is genomen, kan niet aan een inschrijvingsplicht in België worden onderworpen, wanneer dit voertuig niet bestemd is voor duurzaam gebruik op het Belgisch grondgebied, noch daar feitelijk duurzaam wordt gebruikt.

Deze uitbreiding van het recht op vrijstelling van de inschrijvingsplicht vloeit voort uit de Europese rechtspraak waarbij “de omstandigheid dat een Belgische verblijfhouder een zelfstandige activiteit uitoefent in Luxemburg als natuurlijke persoon met een vaste inrichting in deze lidstaat, en niet als bestuurder of zaakvoerder van een in deze lidstaat gevestigde vennootschap, of het feit dat hij zelf de leasing van een voertuig is aangegaan bij een Luxemburgse vennootschap en niet door tussenkomst van een werkgever die hem vervolgens een voertuig ter beschikking stelt, kunnen een inschrijvingsplicht zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is niet rechtvaardigen.” (Ordonnantie van 24 oktober 2008 inzake Marc Vandemeir tegen Belgische Staat – FOD Financiën, C 364/08).

Daar in dit geval geen BTW-attest wordt uitgereikt, zal de Belgische verblijfhouder die door de bevoegde autoriteiten wordt gecontroleerd zijn hoedanigheid van zelfstandige moeten aantonen.

2.1.2. Terbeschikkingstelling van een voertuig in het kader van een huurcontract door een professioneel dienstverlenend bedrijf:

Het motorvoertuig dat door een buitenlands professioneel dienstverlenend bedrijf voor hoogstens 6 maanden, niet hernieuwbaar, wordt verhuurd aan een persoon die in België verblijft, moet niet in België worden ingeschreven.

Het huurcontract op naam van diegene die het voertuig in het verkeer brengt moet zich aan boord van het voertuig bevinden, ondertekend en gedateerd.

Het voorleggen van het huurcontract aan de controleambtenaren volstaat om de niet inschrijving en het niet betalen van de verkeersbelastingen in België te verrechtvaardigen.

2.1.3. Vrijstelling voor studenten:

Valt niet onder het toepassingsveld van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen en is bijgevolg niet onderworpen aan de verkeersbelasting in België, het voertuig dat wordt gebruikt door een in het buitenland verblijf houdende student gedurende de effectieve duurtijd van zijn studies, en die enkel in België verblijft om zijn studies verder te zetten in een in België gevestigde onderwijsinrichting circulaire nr. 21/2003 (AINV 3/2003 – IR/IV-4/7014 – E.T. 102.201) dd. 31.07.2003.

Uit artikel 2quater, § 2, c, van het ministerieel besluit van 17 juli 1970 tot uitvoering van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (BS van 15 september 1970) volgt immers dat:

de vrijstelling (van verkeersbelasting) wordt verleend voor de werkelijke duur van de studies wanneer het voertuig wordt gebruikt door een student die in België verblijft, met als enig doel er te studeren.”

Deze vrijstelling betreft de voertuigen die opgesomd zijn in artikel 2bis M.B., namelijk de personenauto’s, de auto’s voor dubbel gebruik, de minibussen – met inbegrip van de aanhangwagens van deze voertuigen – en de motorfietsen.

2.2. Voertuigen waaropeen gunstige administratieve interpretatie of een vrijstelling van inschrijving in België ingevolge rechtspraak van toepassing is.

2.2.1. Gunstige administratieve interpretatie voor dienstvoertuigen

Niettegenstaande het feit dat de dienstvoertuigen niet formeel worden beoogd door artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001, moet het standpunt dat de BTW-diensten in hun circulaire nr. 21/2003 (AINV 3/2003 – IR/IV-4/7014 – E.T. 102.201) van 31.07.2003 innemen, verder worden gevolgd. Punt 15 ervan preciseert duidelijk dat:

5. (…) zijn niet bepaald in het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen (…) en zullen bijgevolg in België als niet belastbaar worden beschouwd en geen enkel BTW-attest moet worden afgeleverd:

a) Het voertuig dat toebehoort aan een buitenlandse onderneming en uitsluitend wordt gebruikt voor beroepsdoeleinden door een Belgische verblijfhouder die deel uitmaakt van deze onderneming (vrachtwagens en lichte vrachtwagens om de leveringen te verrichten, dienstverlening, …).

…)

Te vermelden valt dat eveneens onder deze categorie vallen, de in het buitenland ingeschreven voertuigen die gebruikt worden door werknemers die, voor rekening van hun werkgever, commerciële bezoeken verrichten aan klanten die op het Belgisch grondgebied gevestigd zijn. Het is absoluut noodzakelijk dat deze voertuigen niet voor bijkomstige persoonlijke doeleinden worden gebruikt, zelfs niet deze van korte duur.

2.2.2. Uitbreiding voor zelfstandigen ingevolge rechtspraak:

Cfr punt 2.1.1.2.

2.2.3. Uitbreiding ingevolge rechtspraak voor occasionele gebruikers in het kader van een “kosteloze lening”:

2.2.3.1. Wanneer bij een controle blijkt dat een voertuig dat ingeschreven is in een andere lidstaat gebruikt wordt door een nationale verblijfhouden buiten het kader van enige economische prestatie, met andere woorden gratis wordt gebruikt (een grensoverschrijdend lenen om niet), overtreedt de nationale regelgeving die de inschrijving oplegt van het voertuig in de lidstaat waar de gebruiker verblijft, dan een regel van Europees recht?

Het HvJ heeft zich over dat onderwerp uitgesproken in een arrest van 26 april 2012 (gevoegde zaken C-578/10, C-579/10 en C/580/10) naar aanleiding van prejudiciële vragen die aan het Hof werden gesteld door de Hoge Raad der Nederlanden.

Het Hof meent dat het, bij het grensoverschrijdend lenen om niet van een personenauto, om kapitaalverkeer gaat in de zin van artikel 56 EG.

Het is bijgevolg in het kader van het onderzoek of dit principe wordt nageleefd dat het Hof onderzoekt of de situatie van een inwoner van Nederland die op het Nederlandse wegennet gebruik maakt van een in deze lidstaat geregistreerd voertuig dat hem gratis is ter beschikking gesteld, objectief vergelijkbaar is met de situatie van een inwoner van Nederland die in dezelfde omstandigheden een in die andere lidstaat geregistreerd voertuig gebruikt.

Het Hof heeft reeds vastgesteld, bij constante rechtspraak, dat een lidstaat in een andere lidstaat geregistreerde personenwagen aan een registratiebelasting mag onderwerpen, wanneer dit voertuig hoofdzakelijk is bestemd voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat of daar feitelijk duurzaam wordt gebruikt.

Welnu, in deze zaak heeft het Hof vastgesteld dat de betrokken personen het volledig bedrag van de verkeersbelasting hebben moeten betalen zonder dat bij de berekening van dit bedrag rekening is gehouden met de duur van het gebruik van de betrokken voertuigen en zonder dat de gebruikers aanspraak op vrijstelling of teruggaaf hebben kunnen maken.

Uit de aan het Hof overgelegde dossiers blijkt daarbij niet dat deze voertuigen bestemd zijn om hoofdzakelijk op het Nederlandse grondgebied duurzaam te worden gebruikt of daar feitelijk duurzaam worden gebruikt.

Het Hof oordeelt dat het aan de nationale rechter is om uit te maken wat de duur is van de leningen en wat de aard is van het effectieve gebruik van de geleende voertuigen.

Zo de betrokken voertuigen die in een andere lidstaat zijn geregistreerd, bestemd zijn om hoofdzakelijk op het Nederlandse grondgebied duurzaam te worden gebruikt of daar feitelijk duurzaam worden gebruikt, bestaat er dus geen daadwerkelijk verschil in behandeling tussen (1ste categorie) een inwoner van Nederland die kosteloos een dergelijk voertuig gebruikt en (2de categorie) de persoon die gratis een in deze lidstaat geregistreerd voertuig gebruikt, aangezien het laatstbedoeld voertuig, dat eveneens bestemd is om hoofdzakelijk op het Nederlandse grondgebied te worden gebruikt, reeds bij registratie in Nederland aan de belasting is onderworpen.

Zo de geleende (in een andere lidstaat geregistreerde) voertuigen daarentegen niet bestemd zijn om hoofdzakelijk op het Nederlandse grondgebied duurzaam te worden gebruikt of daar niet duurzaam worden gebruikt, is er een werkelijk verschil in behandeling zijn tussen de twee voormelde categorieën personen en is de belasting niet gerechtvaardigd.

In deze omstandigheden is de band tussen de voertuigen (geregistreerd in een andere lidstaat) en het Nederlandse grondgebied immers onvoldoende ter rechtvaardiging van de heffing van een belasting die normaliter verschuldigd is bij registratie van een voertuig in Nederland.

Het Hof voegt er nog aan toe dat een dergelijk verschil in behandeling in voorkomend geval kan worden gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang, maar in dat geval moet de belasting dan bovendien het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen.

Aangezien noch de verwijzende rechter noch de Nederlandse regering heeft gewezen op andere dwingende redenen van algemeen belang die de betrokken beperking kunnen rechtvaardigen, heeft het Hof als volgt geoordeeld:

Artikel 56 EG moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat volgens welke zijn inwoners die een in een andere lidstaat geregistreerd voertuig hebben geleend van een inwoner van laatstgenoemde staat, bij aanvang van het gebruik van dit voertuig op het nationale wegennet gehouden zijn tot betaling van het volledige bedrag van een belasting die normaliter verschuldigd is ter zake van de registratie van een voertuig in eerstgenoemde lidstaat, zonder dat rekening wordt gehouden met de duur van het gebruik van dit voertuig op dit wegennet en zonder dat deze personen aanspraak op vrijstelling of teruggaaf kunnen maken wanneer dit voertuig niet is bestemd om hoofdzakelijk in eerstgenoemde lidstaat duurzaam te worden gebruikt of daar feitelijk niet duurzaam wordt gebruikt”.

2.2.3.2. Het is in de eerste plaats aan de controleambtenaren om te oordelen over de geloofwaardigheid en de goede trouw van de gebruiker die beweert dat het om “kosteloos lenen” gaat in het kader van een geheel toevallig gebruik van het gecontroleerde voertuig.

Indien proces-verbaal wordt opgemaakt en artikel 33 WGB wordt toegepast, beschikt de belaste gebruiker – Belgische verblijfhouder – over een bezwaarprocedure bij de bevoegde Gewestelijke directeur der directe belastingen.

De Europese rechtspraak, die stipuleert dat de belaste persoon aanspraak moet kunnen maken op vrijstelling of teruggaaf, wordt dus op dit punt volledig gerespecteerd.

Een taxatie waarbij rechtstreeks rekening wordt gehouden met de duur van het gebruik van het voertuig op het wegennet van de belastende lidstaat, wordt door de FOD Financiën voor het ogenblik niet toegepast, daar een dergelijke werkwijze een wijziging vergt van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, wat tot de bevoegdheid van de Gewesten behoort.

Er wordt aan herinnerd dat artikel 22 WGB bepaalt dat:

“§ 1. De belasting is verschuldigd per opeenvolgende tijdperken van twaalf achtereenvolgende maanden, waarvan het eerste ingaat de eerste dag van de maand waarin het voertuig in bedoeld repertorium is of moet worden ingeschreven.

§ 2. Elk tijdperk van twaalf achtereenvolgende maanden bedoeld in § 1 vormt een aanslagjaar. Dit laatste wordt genoemd naar het jaar waarin het tijdperk een aanvang neemt.”

Niettegenstaande deze wettelijke bepaling kan de administratie de onder punt 2.2.3.1. beschreven rechtspraak niet negeren.

Daarom zal, wanneer bij kosteloze lening van een voertuig (voertuig geleend van een vriend of een familielid) blijkt dat het om occasioneel verkeer gaat en behoudens wanneer de kwade trouw van de gecontroleerde gebruiker duidelijk blijkt uit de elementen van de zaak zodat kan worden besloten dat het eerder om gewoonlijk dan om occasioneel gebruik gaat, de bevoegde Gewestelijke directie van de directe belastingen die beslist over het administratief bezwaar, mogen overgaan tot een ontheffing van 11/12 van de jaarlijkse verkeersbelasting die door de gebruiker werd betaald na toepassing van de in artikel 33 WGB bepaalde procedure.

De verkeersbelasting zal op die wijze worden geïnd voor een bedrag van 1/12 van het wettelijk bedrag en overeenstemmen met de eerste maand van het aanslagjaar waarin de controle werd uitgevoerd.

Bijgevolg zal werkelijk rekening worden gehouden met de duur van het gebruik op de openbare weg in België

Bij een latere controle van hetzelfde voertuig, in dezelfde omstandigheden, in de loop van een andere maand van hetzelfde aanslagjaar, zal het occasioneel gebruik van het voertuig niet meer kunnen worden ingeroepen en de verkeersbelasting zal, overeenkomstig artikel 22 WGB, verschuldigd zijn voor het gehele aanslagjaar.

De verkeersbelasting die voordien betaald werd voor een bedrag van 1/12 zal in mindering worden gebracht van de aldus geëiste belasting.

De belasting op de inverkeerstelling daarentegen is steeds integraal verschuldigd, daar het om een eenmalige belasting gaat waarvan de belastingschuld ontstaat door het in het verkeer brengen van het voertuig op de openbare weg in België, ongeacht de werkelijke gebruiksduur op het weggennet.

III. Inwerkingtreding

Deze circulaire is van onmiddellijke toepassing en op alle hangende administratieve of gerechtelijke geschillen.

Voor de Administrateur-generaal van de fiscaliteit:

De auditeur-generaal van financiën, Dienstchef,

Marianne BALLEUX