Aanschrijving nr. 21 dd. 03.12.1981
AANSCHRIJVING 81/021
Aanschrijving nr. 21 dd. 03.12.1981
Wisselagenten en wisselagentcorrespondenten
Beursvennootschappen
INHOUD Nrs. Inleiding 1 - 6 Toepassingsvoorwaarden van de bijzondere regeling 7 Driemaandelijkse aangifte 8 - 10 Betaling van de belasting 11 Aftrek 12 - 13 Facturering 14 - 15 Andere verplichtingen 16 Inwerkingtreding 17 - 21 Overgangsmaatregel 22 Bijlage Inleiding.
1. Met ingang van 1 september 1981 zijn de leveringen van goud, dat normaal als beleggingsobject wordt gebruikt, niet langer meer van de belasting vrijgesteld en worden ze aan de BTW onderworpen tegen het tarief van 6 pct. (z. aanschr. nr. 18, van 28 september 1981). Sedert 1 maart 1982 werd het BTW-tarief op 1 pct. gebracht. Deze maatregel wijzigt enigermate de regeling die toepasselijk is op wisselagenten en wisselagentcorrespondenten, hetzij omdat hij tot gevolg heeft dat zij BTW-belastingplichtige worden, hetzij omdat hij de belastingplicht van genoemden uitbreidt.
2. Deze aanschrijving heeft ten doel de aanschrijving nr. 169, van 2 december 1971, waarbij een bijzondere belastingregeling voor de wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten werd ingevoerd, te actualiseren en deze regeling aan te passen, rekening houdend met de nieuwe belastbare werkzaamheid van deze personen.
3. Wisselagenten en wisselagentcorrespondenten zijn gespecialiseerd in wissel- en beursverrichtingen. Ingevolge de aanpassing op 1 januari 1993 van artikel 4 van het BTW-Wetboek aan de Zesde Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 en de afschaffing vanaf hetzelfde tijdstip van artikel 5 van genoemd Wetboek, hebben de personen die uitsluitend in artikel 44, § 3, 10°, van het BTW-Wetboek bedoelde vrijgestelde handelingen stellen weliswaar de hoedanigheid van belastingplichtige maar dan zonder recht op aftrek van voorbelasting.
4. Wisselagenten (thans beursvennootschappen; z. Wet op de financiële transacties en de financiële markten van 4 december 1990) dienen daarentegen als BTW-belastingplichtige te worden geïdentificeerd wanneer ze geregeld, tegen betaling van een bijzondere vergoeding, navolgende handelingen stellen :
1° leveringen van goud dat normaal als beleggingsobject wordt gebruikt; de diensten als makelaar of lasthebber bij zulke handelingen;
2° diensten die betrekking hebben op effecten (omruiling van effecten, vervanging van couponbladen, enz.); de betaling van coupons en de terugbetaling van effecten wanneer de wisselagent geopteerd heeft voor het belasten van deze betalingsverrichtingen, als bepaald in artikel 44, § 3, 8°, van het Wetboek;
3° verhuur van brandkasten;
4° vermogensbeheer;
5° het in bewaring nemen van effecten en andere lichamelijke of onlichamelijke roerende goederen;
6° het verrichten van onderzoek en opzoekingen, het verstrekken van inlichtingen en adviezen, het geven van raad en het verlenen van raadplegingen in commerciële, economische, financiële, juridische, fiscale en organisatorische aangelegenheden;
7° alle andere belastbare handelingen (leveringen van muntstukken als beleggingsobject of als verzamelobject, enz.).
De bijkomende vergoeding (d.i. de vergoeding bovenop de normale vergoeding als bemiddelaar bij effectentransacties) die bovengenoemde beursvennootschappen aanrekenen voor de diensten inzake vermogensbeheer of beleggingsadvies is derhalve volgens de normale regels aan de BTW onderworpen. Overigens dienen beursvennootschappen laatstgenoemde diensten gescheiden te houden van hun andere werkzaamheden (z. art. 165, § 3 en 166, § 3 van bovengenoemde Wet van 4 december 1990).
5. De wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten die, in de uitoefening van hun economische activiteit, tegelijk handelingen bedoeld in de nrs. 3 en 4 verrichten, zijn gemengde belastingplichtigen; uit dien hoofde zijn ze, in principe, gehouden al de verplichtingen na te komen die de BTW-wetgeving aan de belastingplichtigen oplegt, en passen ze, om hun gedeeltelijke aftrek uit te oefenen, de regel toe van het algemeen verhoudingsgetal of, op hun verzoek of op bevel van de administratie, de regel van het werkelijke gebruik van de goederen of de diensten (Wetboek, art. 46; kon. besl. nr. 3, art. 12 tot 23).
6. Er is evenwel gebleken dat sommige wisselagenten of wisselagentcorrespondenten slechts relatief weinig belastbare handelingen stellen of dat deze hun omzet slechts zeer bijkomstig beïnvloeden. Daarom werd beslist dat zij, zoals in het verleden, een bijzondere belastingregeling mogen toepassen maar dan overeenkomstig de nieuwe modaliteiten die hierna worden opgesomd.
Toepassingsvoorwaarden van de bijzondere regeling.
7. Om aanspraak te kunnen maken op de bijzondere regeling mogen de wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten voor niet meer dan 5 pct. van hun jaarlijkse totale omzet leveringen van goud verrichten als bedoeld in nr. 4, 1°, en eveneens voor niet meer dan 5 pct. van die omzet handelingen bedoeld in nr. 4, 2° tot 7). Voor de vaststelling van het gedeelte van de omzet dat betrekking heeft op de leveringen van goud hoeft er, voor het bepalen van het hierboven vermelde plafond, geen rekening te worden gehouden met de verkoopprijs exclusief BTW van die leveringen, maar wel met het verschil tussen deze prijs en de aankoopprijs, exclusief BTW, van het goud verkregen, intracommunautair verworven of ingevoerd met het oog op de verkoop. Dit verschil dient globaal te worden vastgesteld, rekening houdend met de aan- en verkopen van goud verricht in de loop van een kalenderjaar.
Driemaandelijkse aangifte.
8. De wisselagenten en wisselagentcorrespondenten, die opteren voor de bijzondere regeling moeten, bij het verstrijken van elk kalenderkwartaal, een aangifte opmaken in vier exemplaren die de volgende vermeldingen bevat :
1° de naam of de maatschappelijke benaming van de belastingplichtige en het adres van zijn administratieve of maatschappelijke zetel;
2° het BTW-identificatienummer;
3° de vermelding van het betrokken kwartaal;
4° de maatstaf van heffing van de leveringen van goud bestemd als beleggingsobject, verricht gedurende het kwartaal waarvoor de BTW opeisbaar is;
5° het totale bedrag van de gedurende het kwartaal verrichte leveringen van goud die van de BTW zijn vrijgesteld (uitvoer);
6° de maatstaf van heffing van de andere handelingen die in nr. 4 hierboven, zijn bedoeld en waarvoor de BTW opeisbaar is;
7° het totale bedrag van de andere handelingen die van de BTW zijn vrijgesteld (leveringen in het buitenland);
8° het totaalbedrag van de BTW opeisbaar wegens de leveringen van goud;
9° het totale bedrag van de BTW opeisbaar wegens de andere handelingen;
10° het totale bedrag van de BTW die aftrekbaar is wegens de, gedurende het desbetreffende kwartaal, door de wisselagent gedane invoeren van goud, intracommunautaire verwervingen van goud, of wegens de aan hem door een belastingplichtige gedane leveringen van goud;
11° het totale bedrag, na aftrek van het bedrag bedoeld in 10°, van de aan de Staat verschuldigde BTW;
12° herzieningen van het kwartaal die betrekking hebben op verschuldigde of aftrekbare belasting ingevolge :
Enkel het eindresultaat van het geheel der herzieningen dat verkregen wordt door compensatie van de aanvullende en de aftrekbare belasting wordt ingeschreven in de aangifte naargelang van het geval onder vak 83 of 93 van kader II;
13° de handtekening van de belastingplichtige;
14° de benaming en het adres van de BTW-controle waaronder hij ressorteert.
De onder 1° en 2° hierboven bedoelde vermeldingen komen voor op een identificatie-etiket, te kleven op de daartoe voorziene plaats op de aangifte. Het etiket wordt aangebracht op de exemplaren van de aangifte respectievelijk bestemd voor de BTW-controle en de Beurscommissie van Brussel (zie nr. 9). Geen etiket wordt aangebracht op het exemplaar te bewaren door de aangever.
De etiketten worden ambtshalve verstrekt door het Centrum voor informatieverwerking van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen aan de wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten die geopteerd hebben voor de bijzondere regeling. Bijkomende etiketten kunnen door de betrokkenen worden gevraagd aan de hoofdcontroleur van de BTW van wie zij afhangen.
Wanneer in de loop van een kwartaal geen enkele handeling heeft plaatsgevonden moet de aangifte niettemin worden opgemaakt en overgezonden met de vermelding "nihil" naast de gegevens voorgeschreven in de nrs. 4° tot 11°.
9. De wisselagent of de wisselagentcorrespondent stuurt één exemplaar van dit document naar de BTW-hoofdcontroleur in wiens ambtsgebied hij gevestigd is en twee exemplaren naar de Beurscommissie van Brussel; het laatste exemplaar houdt hij bij zich.
10. De indiening van de aangifte op het controlekantoor dient plaats te vinden ten laatste de 20ste van de maand die volgt op het desbetreffende kwartaal.
Betaling van de belasting.
11. De belasting waarvan de aangifte de verschuldigdheid vaststelt moet worden betaald ten laatste de 20ste van de maand die volgt op het desbetreffende kwartaal. Deze betaling gebeurt niet rechtstreeks aan de Staat, maar aan de Beurscommissie van Brussel die de door de wisselagenten op haar rekening verrichte stortingen centraliseert en die dit bedrag globaal overschrijft op de P.C.R. nr. 000-2003411-70 van het BTW-ontvangkantoor van Brussel I, Brederodestraat 9, 1000 Brussel. Tot staving van deze globale storting stuurt de Commissie aan deze ontvanger één van de exemplaren van de driemaandelijkse aangifte die elk wisselagent aan haar heeft overhandigd.
Aftrek.
12. De wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten die opteren voor deze regeling zien, in principe, af van de aftrek van de belasting geheven van de goederen en de diensten die ze gebruiken voor het verrichten van belastbare handelingen. Niettemin mogen zij, overeenkomstig de gewone regels, de BTW geheven van het goud dat ze tijdens het kwartaal hebben ingevoerd, intracommunautair hebben verworven, of dat hun door belastingplichtigen werd geleverd, volledig in aftrek brengen voor zover ze in het bezit zijn van op hun naam opgemaakte invoerdocumenten of regelmatige facturen.
13. Wanneer voor een bepaald kwartaal de aftrekbare belasting meer bedraagt dan de wegens de belastbare handelingen verschuldigde belasting, mag dit overschot worden toegerekend op de handelingen van een van de volgende kwartalen. De terugbetaling van een belastingoverschot mag evenwel in de door artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 4, van 29 december 1969, met betrekking tot de teruggaven inzake BTW, gestelde vorm worden gevraagd :
1° in geval van verlies van de hoedanigheid van belastingplichtige, met name in geval van stopzetting van werkzaamheid;
2° in de gevallen waarin wordt vastgesteld dat de terugbetaling van het overschot, door het stelsel van de opeenvolgende toerekeningen, niet mogelijk is binnen de periode van een jaar te rekenen van de datum van indiening van de eerste aangifte waarin dit overschot is vastgesteld en voor zover dat het nog bestaand overschot bij het verstrijken van die termijn 10.000 frank bereikt.
Facturering.
14. In de bijzondere regeling die door de aanschrijving nr. 169 van 2 december 1971 werd ingevoerd, moesten de wisselagenten voor elke belastbare handeling een factuur opmaken waarop zij fiscale zegels aanbrachten tot beloop van de verschuldigde belasting.
In de nieuwe regeling wordt de belasting globaal in geld betaald. De normale regels inzake facturering worden dus opnieuw van toepassing. Inzonderheid bestaat er, onder voorbehoud van de uitzonderingen vermeld in artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 1, (oud) en in artikel 1, § 2 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 (nieuw) ontheffing van de verplichting tot het uitreiken van een factuur voor de levering aan particulieren van goederen en diensten die deze niet bestemmen voor de uitoefening van een beroepswerkzaamheid.
15. Wanneer deze ontheffing bestaat en voor zover ervan gebruik wordt gemaakt, moeten de wisselagenten of de wisselagentcorrespondenten hun niet gefactureerde ontvangsten inschrijven in het dagboek van ontvangsten en dit afzonderlijk indien de prijs, per in de handel gebruikelijke eenheid, meer bedraagt dan 5.000 F, BTW inbegrepen (kon. besl. nr. 1, art. 12, vierde lid). Vanaf 1 januari 1993 werd het bedrag van 5.000 F opgetrokken naar 10.000 F (kon. besl. nr. 1, art. 15, § 4).
Andere verplichtingen.
16. Wanneer zij deze bijzondere belastingregeling toepassen zijn de wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten ontheven van de verplichting een maandelijkse of een driemaandelijkse BTW-aangifte in de dienen (behalve het speciaal document bedoeld in nr. 8) en de belasting te voldoen op de wijze vermeld in artikel 50, § 1, 4° (oud) en artikel 53, 4° (nieuw) van het Wetboek. Zij blijven echter gehouden de andere verplichtingen die normaal aan de belastingplichtigen worden opgelegd, na te leven. Zo moeten zij onder meer een aangifte indienen van aanvang, wijziging of stopzetting van werkzaamheid, een boekhouding voeren die, naargelang van het geval, bedoeld is in de artikelen 11 of 12 van het koninklijk besluit nr. 1, van 23 juli 1969, (oud) en in artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 (nieuw), en aan de administratie de jaarlijkse lijst bezorgen, bedoeld in artikel 50, § 1, 5°, (oud) en 53 quinquies (nieuw), van het BTW-Wetboek.
Inwerkingtreding.
17. Deze aanschrijving vervangt, met uitwerking op 1 september 1981, de aanschrijving nr. 169 van 2 december 1971. Zij is van toepassing op de handelingen waarvoor de belasting op 1 september 1981 verschuldigd wordt.
18. De wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten die deze bijzondere regeling wensen toe te passen zijn gehouden het BTW- controlekantoor waaronder zij ressorteren hiervan ten laatste op 30 december 1981 in kennis te stellen; in dat geval dienen zij te bevestigen dat zij aan de gestelde voorwaarden voldoen.
19. De wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten die reeds hadden geopteerd voor de bijzondere regeling ingevoerd bij de aanschrijving nr. 169, van 2 december 1971, zijn eveneens gehouden het controlekantoor in kennis te stellen van hun wens om de nieuwe regeling toe te passen; zij bevestigen in dat geval dat zij aan de nieuwe voorwaarden voldoen.
20. De wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten die na 1 september 1981 een aan de BTW onderworpen werkzaamheid beginnen, moeten, indien ze wensen te opteren voor de bijzondere regeling, deze keuze mededelen in de aangifte van aanvang van werkzaamheid, bedoeld in artikel 50, § 1, 1° (oud) en artikel 53, 1° (nieuw), van het BTW-Wetboek.
21. De wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten die de regeling uiteengezet in deze aanschrijving toepassen, maar die niet meer aan de gestelde voorwaarden voldoen, moeten de BTW-hoofdcontroleur in wiens ambtsgebied zij zijn gevestigd hiervan ten laatste de 15de december van het jaar waarin de wijziging zich heeft voorgedaan in kennis stellen. Met ingang van 1 januari van het volgende jaar dienen zij over te gaan naar de normale BTW-regeling.
Overgangsmaatregel.
22. Aan de wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten wordt het toegestaan de aangifte bedoeld in nr. 8 van deze aanschrijving voor de eerste maal in te dienen uiterlijk op 20 januari 1982 en er de handelingen in op te nemen die werden verricht gedurende de periode van 1 september 1981 tot 31 december 1981.
Aanschrijving nr. 21 dd. 03.12.1981
Wisselagenten en wisselagentcorrespondenten
Beursvennootschappen
INHOUD Nrs. Inleiding 1 - 6 Toepassingsvoorwaarden van de bijzondere regeling 7 Driemaandelijkse aangifte 8 - 10 Betaling van de belasting 11 Aftrek 12 - 13 Facturering 14 - 15 Andere verplichtingen 16 Inwerkingtreding 17 - 21 Overgangsmaatregel 22 Bijlage Inleiding.
1. Met ingang van 1 september 1981 zijn de leveringen van goud, dat normaal als beleggingsobject wordt gebruikt, niet langer meer van de belasting vrijgesteld en worden ze aan de BTW onderworpen tegen het tarief van 6 pct. (z. aanschr. nr. 18, van 28 september 1981). Sedert 1 maart 1982 werd het BTW-tarief op 1 pct. gebracht. Deze maatregel wijzigt enigermate de regeling die toepasselijk is op wisselagenten en wisselagentcorrespondenten, hetzij omdat hij tot gevolg heeft dat zij BTW-belastingplichtige worden, hetzij omdat hij de belastingplicht van genoemden uitbreidt.
2. Deze aanschrijving heeft ten doel de aanschrijving nr. 169, van 2 december 1971, waarbij een bijzondere belastingregeling voor de wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten werd ingevoerd, te actualiseren en deze regeling aan te passen, rekening houdend met de nieuwe belastbare werkzaamheid van deze personen.
3. Wisselagenten en wisselagentcorrespondenten zijn gespecialiseerd in wissel- en beursverrichtingen. Ingevolge de aanpassing op 1 januari 1993 van artikel 4 van het BTW-Wetboek aan de Zesde Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 en de afschaffing vanaf hetzelfde tijdstip van artikel 5 van genoemd Wetboek, hebben de personen die uitsluitend in artikel 44, § 3, 10°, van het BTW-Wetboek bedoelde vrijgestelde handelingen stellen weliswaar de hoedanigheid van belastingplichtige maar dan zonder recht op aftrek van voorbelasting.
4. Wisselagenten (thans beursvennootschappen; z. Wet op de financiële transacties en de financiële markten van 4 december 1990) dienen daarentegen als BTW-belastingplichtige te worden geïdentificeerd wanneer ze geregeld, tegen betaling van een bijzondere vergoeding, navolgende handelingen stellen :
1° leveringen van goud dat normaal als beleggingsobject wordt gebruikt; de diensten als makelaar of lasthebber bij zulke handelingen;
2° diensten die betrekking hebben op effecten (omruiling van effecten, vervanging van couponbladen, enz.); de betaling van coupons en de terugbetaling van effecten wanneer de wisselagent geopteerd heeft voor het belasten van deze betalingsverrichtingen, als bepaald in artikel 44, § 3, 8°, van het Wetboek;
3° verhuur van brandkasten;
4° vermogensbeheer;
5° het in bewaring nemen van effecten en andere lichamelijke of onlichamelijke roerende goederen;
6° het verrichten van onderzoek en opzoekingen, het verstrekken van inlichtingen en adviezen, het geven van raad en het verlenen van raadplegingen in commerciële, economische, financiële, juridische, fiscale en organisatorische aangelegenheden;
7° alle andere belastbare handelingen (leveringen van muntstukken als beleggingsobject of als verzamelobject, enz.).
De bijkomende vergoeding (d.i. de vergoeding bovenop de normale vergoeding als bemiddelaar bij effectentransacties) die bovengenoemde beursvennootschappen aanrekenen voor de diensten inzake vermogensbeheer of beleggingsadvies is derhalve volgens de normale regels aan de BTW onderworpen. Overigens dienen beursvennootschappen laatstgenoemde diensten gescheiden te houden van hun andere werkzaamheden (z. art. 165, § 3 en 166, § 3 van bovengenoemde Wet van 4 december 1990).
5. De wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten die, in de uitoefening van hun economische activiteit, tegelijk handelingen bedoeld in de nrs. 3 en 4 verrichten, zijn gemengde belastingplichtigen; uit dien hoofde zijn ze, in principe, gehouden al de verplichtingen na te komen die de BTW-wetgeving aan de belastingplichtigen oplegt, en passen ze, om hun gedeeltelijke aftrek uit te oefenen, de regel toe van het algemeen verhoudingsgetal of, op hun verzoek of op bevel van de administratie, de regel van het werkelijke gebruik van de goederen of de diensten (Wetboek, art. 46; kon. besl. nr. 3, art. 12 tot 23).
6. Er is evenwel gebleken dat sommige wisselagenten of wisselagentcorrespondenten slechts relatief weinig belastbare handelingen stellen of dat deze hun omzet slechts zeer bijkomstig beïnvloeden. Daarom werd beslist dat zij, zoals in het verleden, een bijzondere belastingregeling mogen toepassen maar dan overeenkomstig de nieuwe modaliteiten die hierna worden opgesomd.
Toepassingsvoorwaarden van de bijzondere regeling.
7. Om aanspraak te kunnen maken op de bijzondere regeling mogen de wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten voor niet meer dan 5 pct. van hun jaarlijkse totale omzet leveringen van goud verrichten als bedoeld in nr. 4, 1°, en eveneens voor niet meer dan 5 pct. van die omzet handelingen bedoeld in nr. 4, 2° tot 7). Voor de vaststelling van het gedeelte van de omzet dat betrekking heeft op de leveringen van goud hoeft er, voor het bepalen van het hierboven vermelde plafond, geen rekening te worden gehouden met de verkoopprijs exclusief BTW van die leveringen, maar wel met het verschil tussen deze prijs en de aankoopprijs, exclusief BTW, van het goud verkregen, intracommunautair verworven of ingevoerd met het oog op de verkoop. Dit verschil dient globaal te worden vastgesteld, rekening houdend met de aan- en verkopen van goud verricht in de loop van een kalenderjaar.
Driemaandelijkse aangifte.
8. De wisselagenten en wisselagentcorrespondenten, die opteren voor de bijzondere regeling moeten, bij het verstrijken van elk kalenderkwartaal, een aangifte opmaken in vier exemplaren die de volgende vermeldingen bevat :
1° de naam of de maatschappelijke benaming van de belastingplichtige en het adres van zijn administratieve of maatschappelijke zetel;
2° het BTW-identificatienummer;
3° de vermelding van het betrokken kwartaal;
4° de maatstaf van heffing van de leveringen van goud bestemd als beleggingsobject, verricht gedurende het kwartaal waarvoor de BTW opeisbaar is;
5° het totale bedrag van de gedurende het kwartaal verrichte leveringen van goud die van de BTW zijn vrijgesteld (uitvoer);
6° de maatstaf van heffing van de andere handelingen die in nr. 4 hierboven, zijn bedoeld en waarvoor de BTW opeisbaar is;
7° het totale bedrag van de andere handelingen die van de BTW zijn vrijgesteld (leveringen in het buitenland);
8° het totaalbedrag van de BTW opeisbaar wegens de leveringen van goud;
9° het totale bedrag van de BTW opeisbaar wegens de andere handelingen;
10° het totale bedrag van de BTW die aftrekbaar is wegens de, gedurende het desbetreffende kwartaal, door de wisselagent gedane invoeren van goud, intracommunautaire verwervingen van goud, of wegens de aan hem door een belastingplichtige gedane leveringen van goud;
11° het totale bedrag, na aftrek van het bedrag bedoeld in 10°, van de aan de Staat verschuldigde BTW;
12° herzieningen van het kwartaal die betrekking hebben op verschuldigde of aftrekbare belasting ingevolge :
- ontoereikende heffingen;
- belasting waarvoor de aangever teruggaaf kan verkrijgen;
- herziening van de aftrek;
- herzieningen voortspruitend uit een administratieve beslissing.
Enkel het eindresultaat van het geheel der herzieningen dat verkregen wordt door compensatie van de aanvullende en de aftrekbare belasting wordt ingeschreven in de aangifte naargelang van het geval onder vak 83 of 93 van kader II;
13° de handtekening van de belastingplichtige;
14° de benaming en het adres van de BTW-controle waaronder hij ressorteert.
De onder 1° en 2° hierboven bedoelde vermeldingen komen voor op een identificatie-etiket, te kleven op de daartoe voorziene plaats op de aangifte. Het etiket wordt aangebracht op de exemplaren van de aangifte respectievelijk bestemd voor de BTW-controle en de Beurscommissie van Brussel (zie nr. 9). Geen etiket wordt aangebracht op het exemplaar te bewaren door de aangever.
De etiketten worden ambtshalve verstrekt door het Centrum voor informatieverwerking van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen aan de wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten die geopteerd hebben voor de bijzondere regeling. Bijkomende etiketten kunnen door de betrokkenen worden gevraagd aan de hoofdcontroleur van de BTW van wie zij afhangen.
Wanneer in de loop van een kwartaal geen enkele handeling heeft plaatsgevonden moet de aangifte niettemin worden opgemaakt en overgezonden met de vermelding "nihil" naast de gegevens voorgeschreven in de nrs. 4° tot 11°.
9. De wisselagent of de wisselagentcorrespondent stuurt één exemplaar van dit document naar de BTW-hoofdcontroleur in wiens ambtsgebied hij gevestigd is en twee exemplaren naar de Beurscommissie van Brussel; het laatste exemplaar houdt hij bij zich.
10. De indiening van de aangifte op het controlekantoor dient plaats te vinden ten laatste de 20ste van de maand die volgt op het desbetreffende kwartaal.
Betaling van de belasting.
11. De belasting waarvan de aangifte de verschuldigdheid vaststelt moet worden betaald ten laatste de 20ste van de maand die volgt op het desbetreffende kwartaal. Deze betaling gebeurt niet rechtstreeks aan de Staat, maar aan de Beurscommissie van Brussel die de door de wisselagenten op haar rekening verrichte stortingen centraliseert en die dit bedrag globaal overschrijft op de P.C.R. nr. 000-2003411-70 van het BTW-ontvangkantoor van Brussel I, Brederodestraat 9, 1000 Brussel. Tot staving van deze globale storting stuurt de Commissie aan deze ontvanger één van de exemplaren van de driemaandelijkse aangifte die elk wisselagent aan haar heeft overhandigd.
Aftrek.
12. De wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten die opteren voor deze regeling zien, in principe, af van de aftrek van de belasting geheven van de goederen en de diensten die ze gebruiken voor het verrichten van belastbare handelingen. Niettemin mogen zij, overeenkomstig de gewone regels, de BTW geheven van het goud dat ze tijdens het kwartaal hebben ingevoerd, intracommunautair hebben verworven, of dat hun door belastingplichtigen werd geleverd, volledig in aftrek brengen voor zover ze in het bezit zijn van op hun naam opgemaakte invoerdocumenten of regelmatige facturen.
13. Wanneer voor een bepaald kwartaal de aftrekbare belasting meer bedraagt dan de wegens de belastbare handelingen verschuldigde belasting, mag dit overschot worden toegerekend op de handelingen van een van de volgende kwartalen. De terugbetaling van een belastingoverschot mag evenwel in de door artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 4, van 29 december 1969, met betrekking tot de teruggaven inzake BTW, gestelde vorm worden gevraagd :
1° in geval van verlies van de hoedanigheid van belastingplichtige, met name in geval van stopzetting van werkzaamheid;
2° in de gevallen waarin wordt vastgesteld dat de terugbetaling van het overschot, door het stelsel van de opeenvolgende toerekeningen, niet mogelijk is binnen de periode van een jaar te rekenen van de datum van indiening van de eerste aangifte waarin dit overschot is vastgesteld en voor zover dat het nog bestaand overschot bij het verstrijken van die termijn 10.000 frank bereikt.
Facturering.
14. In de bijzondere regeling die door de aanschrijving nr. 169 van 2 december 1971 werd ingevoerd, moesten de wisselagenten voor elke belastbare handeling een factuur opmaken waarop zij fiscale zegels aanbrachten tot beloop van de verschuldigde belasting.
In de nieuwe regeling wordt de belasting globaal in geld betaald. De normale regels inzake facturering worden dus opnieuw van toepassing. Inzonderheid bestaat er, onder voorbehoud van de uitzonderingen vermeld in artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 1, (oud) en in artikel 1, § 2 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 (nieuw) ontheffing van de verplichting tot het uitreiken van een factuur voor de levering aan particulieren van goederen en diensten die deze niet bestemmen voor de uitoefening van een beroepswerkzaamheid.
15. Wanneer deze ontheffing bestaat en voor zover ervan gebruik wordt gemaakt, moeten de wisselagenten of de wisselagentcorrespondenten hun niet gefactureerde ontvangsten inschrijven in het dagboek van ontvangsten en dit afzonderlijk indien de prijs, per in de handel gebruikelijke eenheid, meer bedraagt dan 5.000 F, BTW inbegrepen (kon. besl. nr. 1, art. 12, vierde lid). Vanaf 1 januari 1993 werd het bedrag van 5.000 F opgetrokken naar 10.000 F (kon. besl. nr. 1, art. 15, § 4).
Andere verplichtingen.
16. Wanneer zij deze bijzondere belastingregeling toepassen zijn de wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten ontheven van de verplichting een maandelijkse of een driemaandelijkse BTW-aangifte in de dienen (behalve het speciaal document bedoeld in nr. 8) en de belasting te voldoen op de wijze vermeld in artikel 50, § 1, 4° (oud) en artikel 53, 4° (nieuw) van het Wetboek. Zij blijven echter gehouden de andere verplichtingen die normaal aan de belastingplichtigen worden opgelegd, na te leven. Zo moeten zij onder meer een aangifte indienen van aanvang, wijziging of stopzetting van werkzaamheid, een boekhouding voeren die, naargelang van het geval, bedoeld is in de artikelen 11 of 12 van het koninklijk besluit nr. 1, van 23 juli 1969, (oud) en in artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 (nieuw), en aan de administratie de jaarlijkse lijst bezorgen, bedoeld in artikel 50, § 1, 5°, (oud) en 53 quinquies (nieuw), van het BTW-Wetboek.
Inwerkingtreding.
17. Deze aanschrijving vervangt, met uitwerking op 1 september 1981, de aanschrijving nr. 169 van 2 december 1971. Zij is van toepassing op de handelingen waarvoor de belasting op 1 september 1981 verschuldigd wordt.
18. De wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten die deze bijzondere regeling wensen toe te passen zijn gehouden het BTW- controlekantoor waaronder zij ressorteren hiervan ten laatste op 30 december 1981 in kennis te stellen; in dat geval dienen zij te bevestigen dat zij aan de gestelde voorwaarden voldoen.
19. De wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten die reeds hadden geopteerd voor de bijzondere regeling ingevoerd bij de aanschrijving nr. 169, van 2 december 1971, zijn eveneens gehouden het controlekantoor in kennis te stellen van hun wens om de nieuwe regeling toe te passen; zij bevestigen in dat geval dat zij aan de nieuwe voorwaarden voldoen.
20. De wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten die na 1 september 1981 een aan de BTW onderworpen werkzaamheid beginnen, moeten, indien ze wensen te opteren voor de bijzondere regeling, deze keuze mededelen in de aangifte van aanvang van werkzaamheid, bedoeld in artikel 50, § 1, 1° (oud) en artikel 53, 1° (nieuw), van het BTW-Wetboek.
21. De wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten die de regeling uiteengezet in deze aanschrijving toepassen, maar die niet meer aan de gestelde voorwaarden voldoen, moeten de BTW-hoofdcontroleur in wiens ambtsgebied zij zijn gevestigd hiervan ten laatste de 15de december van het jaar waarin de wijziging zich heeft voorgedaan in kennis stellen. Met ingang van 1 januari van het volgende jaar dienen zij over te gaan naar de normale BTW-regeling.
Overgangsmaatregel.
22. Aan de wisselagenten en de wisselagentcorrespondenten wordt het toegestaan de aangifte bedoeld in nr. 8 van deze aanschrijving voor de eerste maal in te dienen uiterlijk op 20 januari 1982 en er de handelingen in op te nemen die werden verricht gedurende de periode van 1 september 1981 tot 31 december 1981.
Namens de Minister :
De Directeur-generaal,
A. LACROIX
Bron: FisconetPlus
