Circulaire nr. AOIF 24/2003 (E.T.100.136 - E.T.834.2) dd. 04.09.2003

CIRC 24/2003

Circulaire nr. AOIF 24/2003 (E.T.100.136 - E.T.834.2) dd. 04.09.2003


TERUGGAVEN
Belastingtegoeden
Maandelijkse terugbetaling
Vergunning


Aan alle diensten van de sector Taxatie (sector BTW)

ONDERWERP VAN DE AANSCHRIJVING.

1. In de huidige circulaire, die de aanschrijving nr. 10/1996 vervangt, wordt het stelsel van maandelijkse teruggaaf van de BTW nader toegelicht, rekening houdend met de aan deze reglementering aangebrachte wijzigingen door artikel 6, 1°, 3°, 4° en 5° van het koninklijk besluit van 16 juni 2003 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 3, 4, 14, 48 en 51 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 27 juni 2003). De wijzigingen betreffen inzonderheid de aanvraag en uitreiking van de vergunning tot maandelijkse teruggaaf van de BTW.

2. Ondernemingen wier activiteit grotendeels van de BTW is vrijgesteld omdat ze actief zijn in de internationale handel, of er in België niet aan is onderworpen, bijvoorbeeld omdat de handelingen niet in België worden verricht, terwijl ze voor hun inkomende handelingen BTW moeten betalen, hebben vrijwel steeds een belastingtegoed tegenover de Schatkist dat in de regel slechts om de drie maanden wordt terugbetaald.

3. Om de voorfinancieringslast te temperen die dergelijke tegoeden veroorzaken, voorziet artikel 8 1, § 2, eerste lid, 3°, en § 5, van het koninklijk besluit nr. 4, van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake BTW, zoals het werd gewijzigd door de koninklijke besluiten van 29 december 1992, 14 april 1993, 25 februari 1996 en 16 juni 2003 (Belgisch Staatsblad van 27 juni 2003), genomen ter uitvoering van artikel 76 van het BTW­Wetboek, in een stelsel van maandelijkse teruggaaf van BTW, waardoor belastingplichtigen die in belangrijke mate actief zijn in de internationale handel en daardoor geregeld belastingtegoeden hebben, bij het indienen van elke BTW­maandaangifte de teruggaaf kunnen vragen van het BTW­tegoed waartoe die aangifte aanleiding geeft, voor zover bepaalde voorwaarden en formaliteiten worden nageleefd.

Het stelsel van de maandelijkse teruggaaf van de BTW komt sedert 1 januari 1993 in de plaats van de vrijstelling bedoeld in artikel 43 van het BTW-Wetboek. Deze vrijstelling die is opgeheven had eveneens tot doel de voorfinanciering te vermijden in hoofde van belastingplichtigen actief in de internationale handel.

Hoofdstuk I. Rechthebbenden op de maandelijkse teruggaaf. Basisvoorwaarden.

Afdeling 1. Algemeen.

A. Wettelijke en reglementaire bepalingen.

4. Artikel 76, § 1, eerste lid, van het BTW­Wetboek bepaalt dat, wanneer het bedrag van de belasting die ingevolge de artikelen 45 tot 48 voor aftrek in aanmerking komt, aan het einde van het kalenderjaar meer bedraagt dan de belasting die verschuldigd is door de belastingplichtige die in België is gevestigd, in België een vaste inrichting heeft of die, overeenkomstig artikel 55, in België een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft doen erkennen, het verschil wordt teruggegeven, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, binnen de drie maanden op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige.

5. Op grond van artikel 76, § 1, tweede lid, van datzelfde Wetboek kan de Koning evenwel bepalen dat het overschot, in de door Hem te bepalen gevallen en onder de door Hem te stellen voorwaarden, vóór het einde van het kalenderjaar wordt teruggegeven.

6. In artikel 8 1, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4, van 29 december 1969, met betrekking tot de teruggaven inzake BTW, wordt aldus bepaald dat op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige vatbaar zijn voor teruggaaf :

1° het bedrag verschuldigd door de Staat na het indienen van de in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde aangifte, met betrekking tot het laatste aangiftetijdvak van het kalenderjaar, wanneer het 245 EUR bereikt;

2° het bedrag verschuldigd door de Staat na het indienen van de in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde aangifte met betrekking tot elk van de eerste drie kalenderkwartalen of tot de laatste maand van elk van die kwartalen, wanneer het 615 EUR of 1.485 EUR bereikt respectievelijk voor belastingplichtigen die driemaandelijks en zij die maandelijks aangifte doen, overeenkomstig artikel 18 van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;

het bedrag verschuldigd door de Staat na het indienen van de in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde maandaangifte wanneer het 245 EUR bereikt, indien de belastingplichtige tijdens het verstreken kalenderjaar, voor ten minste 30 percent van zijn omzet, leveringen van goederen en diensten heeft verricht welke van de belasting zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 39, 39bis en 39 quater van het Wetboek, en, binnen de door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen beperkingen en voorwaarden, van de artikelen 40, 41 en 42 van het Wetboek en voor dezelfde periode, een belastingoverschot in zijn voordeel had van ten minste 12.390 EUR.

7. In artikel 8 1, §§ 4 en 5, van voornoemd koninklijk besluit nr. 4 worden vervolgens de toepassingsmodaliteiten vermeld met betrekking tot de teruggaaf bedoeld in het hiervoor aangehaalde § 2, eerste lid, 3°.

§ 4. Om de teruggaaf bedoeld in § 2 te bekomen moet de belastingplichtige die aanvragen door een uitdrukkelijke vermelding die hij bij het verstrijken van elk tijdvak waarvoor een overschot teruggegeven kan worden, aanbrengt in de in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde aangifte met betrekking tot de handelingen van dat tijdvak. De aangifte welke die vermelding bevat, geldt als aanvraag tot teruggaaf.

§ 5. De teruggaaf bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, kan daarenboven alleen worden verkregen als het hoofd van het controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert daartoe vergunning verleent. Die vergunning moet worden aangvraagd met een brief die alle elementen bevat en vergezeld gaat van alle stukken die aantonen dat de belastingplichtige voldoet aan de bijzondere voorwaarden die voor het verkrijgen van de teruggaaf vereist zijn.

Binnen een termijn van een maand wordt de gevraagde vergunning verleend indien de daartoe gestelde voorwaarden vervuld zijn of wordt de aanvraag verworpen bij een met redenen omklede beslissing.

Ingeval de aanvraag wordt ingewilligd, kan de belastingplichtige door het aanbrengen van de uitdrukkelijke vermelding bedoeld in §4, de teruggaaf vragen in een van de aangiften die moeten worden ingediend te rekenen vanaf de dag volgend op die van de afgifte ter post van de aangetekende brief bij dewelke de administratie aan de belastingplichtige de vergunning heeft genotificeerd.

De vergunning geldt voor de aanvragen tot teruggaaf in te dienen in de loop van het kalenderjaar waarvoor ze werd verleend. Ze is evenwel eveneens geldig voor de daaropvolgende jaren wanneer de belastingplichtige aan de bijzondere voorwaarden blijft voldoen; in dat geval geldt het aanbrengen van de uitdrukkelijke vermelding bedoeld in § 4, ter gelegenheid van de aanvraag tot teruggaaf, als verklaring van de belastingplichtige dat hij voldoet aan deze voorwaarden en ontslaat hem ervan een nieuwe aanvraag in te dienen. Wanneer hij niet langer aan die voorwaarden voldoet, moet hij, wanneer hij er nadien opnieuw aan voldoet, een nieuwe vergunning aanvragen.

Door of namens de Minister van Financiën kan worden bepaald dat de periode bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, wordt vervangen door een periode van twaalf maanden die de aanvraag om vergunning voorafgaat.

In geval van oprichting van een nieuwe onderneming, van vestiging in België van een vaste inrichting of erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger van een in het buitenland gevestigde onderneming, kan door of namens de Minister van Financiën de vergunning worden verleend rekening houdend met de vooruitzichten omtrent het bedrag van de handelingen bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, en van het jaarlijks belastingoverschot. In dat geval moet de belastingplichtige een nieuwe vergunning aanvragen in de loop van de twaalfde maand die volgt op die tijdens welke de eerste vergunning werd verleend.

Indien de administratie vaststelt dat de belastingplichtige niet meer voldoet aan de vereiste bijzondere voorwaarden of dat de belastingplichtige geen handelingen meer verricht waarvoor hij aanspraak kan maken op de vrijstellingen bedoeld in § 2, eerste lid, 3° wegens een wijziging van de werkzaamheid of van de exploitatievooruitzichten, kan ze bij een met redenen omklede beslissing de vergunning op ieder ogenblik intrekken.

Indien de vergunning die werd afgeleverd, werd verkregen op grond van een onjuiste verklaring of indien de belastingplichtige de bij de wet of bij de ter uitvoering ervan opgelegde verplichtingen niet nakomt of in het geval bedoeld in § 3, vijfde lid, kan de administratie eveneens de vergunning intrekken bij een met redenen omklede beslissing; in dat geval zal een nieuwe vergunning slechts kunnen worden aangevraagd na het verstrijken van het kalenderjaar dat volgt op datgene waarin de beslissing tot intrekking ter kennis werd gebracht.

B. Rechthebbende.

8. Komen in aanmerking om het stelsel van de maandelijkse teruggaaf te genieten :

1° de belastingplichtige die in België is gevestigd en die maandelijks aangifte doet overeenkomstig artikel 53, eerste lid, 3°, van het BTW­Wetboek;

2° de belastingplichtige die niet in België is gevestigd en die maandelijks aangifte doet overeenkomstig artikel 53, eerste lid, 3°, van het BTW­Wetboek. Het feit of deze belastingplichtige al dan niet een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft aangeduid speelt geen enkele rol.

Daarentegen wordt van het stelsel van de maandelijkse teruggaaf uitgesloten, de niet in België gevestigde belastingplichtige die in België niet voor BTW-doeleinden is geïndentificeerd onder een individueel nummer maar die wordt vertegenwoordigd door een vooraf erkend persoon overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid van het BTW-Wetboek.

C. Basisvoorwaarden.

9. Overeenkomstig het in nr. 6 aangehaalde artikel 8 1, § 2, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 4, dient de belastingplichtige aan de volgende twee voorwaarden (hierna genoemd " Basisvoorwaarden") te voldoen om de maandelijkse teruggaaf te kunnen genieten :

1) tijdens het verstreken kalenderjaar ten minste 30 pct van zijn omzet gerealiseerd hebben met toepassing van de vrijstelling bedoeld in artikel 39, 39bis of 39 quater, en, onder de door of vanwege de Minister te bepalen voorwaarden en beperkingen, in artikel 40, 41 of 42 van het BTW­Wetboek;

2) tijdens dezelfde periode ten minste 12.390 EUR belastingoverschot in zijn voordeel hebben gehad.

10. Er wordt opgemerkt dat ingeval de belastingplichtige onderscheiden bedrijfsafdelingen of bijhuizen in België bezit, de omzet en het belastingoverschot van al deze bedrijfsafdelingen of bijhuizen in aanmerking worden genomen. Er kan dus geen sprake van zijn de verschillende bedrijfsafdelingen of bijhuizen afzonderlijk te beschouwen.

D. Referentieperiode

11. Om na te gaan of bovengenoemde basisvoorwaarden vervuld zijn, dienen in principe de omzet en het belastingoverschot van het verstreken kalenderjaar in aanmerking te worden genomen.

12. De referentieperiode van het verstreken kalenderjaar mag evenwel vervangen worden door de periode van twaalf opeenvolgende maanden die de aanvraag om vergunning voor maandelijkse teruggaaf voorafgaat, indien de belastingplichtige daardoor in de voorwaarden komt om de vergunning te verkrijgen.

Voor het vaststellen van de omzet en het belastingoverschot dient éénzelfde referentieperiode in aanmerking te worden genomen.

13. In geval van oprichting van een nieuwe onderneming, van vestiging in België van een vaste inrichting of van het bekomen van een BTW-identificatie in België via een individueel nummer door een niet in België gevestigde onderneming, of, meer algemeen, in geval de belastingplichtige zich niet kan baseren op een omzetcijfer van ten minste twaalf opeenvolgende maanden, kan de vergunning worden verleend rekening houdend met de vooruitzichten, op jaarbasis, aangaande voornoemde basisvoorwaarden.

14. Op dezelfde wijze kan de vergunning worden verleend op basis van vooruitzichten, aan belastingplichtigen die, op basis van hun reeds gerealiseerde activiteit, niet aan voornoemde basisvoorwaarden voldoen, maar die ingevolge belangrijke wijzigingen in de commerciële of industriële organisatie, wel aan deze voorwaarden zullen voldoen gedurende de periode van twaalf opeenvolgende maanden vanaf de aanvraag om vergunning. De belastingplichtige zal dit moeten kunnen staven aan de hand van bewijskrachtige stukken.

15. Onder de feiten waarmee rekening kan worden gehouden, kunnen worden vermeld: de splitsing, de fusie en de opslorping van vennootschappen, de kapitaalsverhoging, de oprichting van een nieuwe afdeling, de aankoop van nieuwe belangrijke investeringsgoederen en het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen.

Afdeling 2. Bepaling van de omzet.

A. Bepaling van de totale omzet.

16. Voor het vaststellen van de totale omzet van de belastingplichtige in het kader van het stelsel van de maandelijkse teruggaaf van de BTW, dient rekening te worden gehouden met al de leveringen van goederen en de diensten die een als zodanig handelende belastingplichtige in België onder bezwarende titel verricht.

Nochtans mogen, in voorkomend geval, een aantal van de hier bedoelde handelingen bij het bedrag van de totale omzet worden gevoegd (z. punt C hierna).

B. Bepaling van de vrijgestelde omzet.

17. Om in aanmerking te komen voor de maandelijkse teruggaaf van de BTW moet ten minste 30 pct van de totale omzet van de belastingplichtige bestaan uit handelingen die zijn vrijgesteld krachtens de artikelen 39, 39bis of 39quater van het Wetboek, uit bepaalde handelingen die zijn vrijgesteld krachtens de artikelen 40, 41 of 42 van het Wetboek, alsmede, in voorkomend geval, uit handelingen bedoeld in punt C hierna.

18. Het regime van de maandelijkse terugbetaling van de BTW werd ingesteld ten behoeve van de belastingplichtigen die actief zijn op het stuk van uitvoer en intracommunautaire leveringen van goederen met inbegrip van de ermee gelijkgestelde bestemmingen, van diensten met betrekking tot deze goederen, alsmede van het internationaal en het intracommunautair vervoer of die handelingen verrichten in het kader van de andere regeling van entrepot dan douane­entrepot (BTW­entrepot).

Concreet omvat de vrijgestelde omzet de leveringen en diensten die vrijgesteld zijn van de BTW op grond van de volgende artikelen van het Wetboek :

  • artikel 39 : leveringen van goederen die worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap en diensten met betrekking tot goederen die worden uitgevoerd;
  • artikel 39bis : leveringen van goederen die worden verzonden of vervoerd naar een andere Lid­Staat;
  • artikel 39quater, § 1, 1° tot 3° : leveringen en diensten verricht in het kader van de andere regeling van entrepot dan douane­entrepot;
  • artikel 40, § 2, 1° en 2° : de leveringen en diensten met betrekking tot goederen die vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap onder één van de in artikel 23, §§ 4 en 5, bedoelde regelingen werden geplaatst met handhaving van één van die regelingen;
  • artikel 41, § 1, 2° tot 7° : diensten inzake internationaal vervoer van goederen en de daarmee samenhangende diensten;
  • artikel 42 : met uitvoer uit de Gemeenschap gelijkgestelde handelingen.
De voorwaarden en formaliteiten voor het toepassen van deze vrijstellingen dienen uiteraard vervuld te zijn opdat de bedoelde handelingen in de vrijgestelde omzet zouden kunnen worden begrepen.

C. Handelingen waarmee eveneens rekening mag worden gehouden.

19. Omdat ze doorgaans mede aan de basis liggen van het ontstaan van een belastingtegoed en omdat de goederen en de diensten die het voorwerp uitmaken van nagenoemde handelingen voor het buitenland bestemd zijn, aanvaardt de administratie dat de hiernavolgende handelingen zowel bij de totale omzet als bij de vrijgestelde omzet mogen worden gevoegd :

bepaalde leveringen van goederen in het buitenland, inzonderheid :

a) leveringen van goederen vanuit België die in een andere Lid­Staat plaatsvinden ingevolge artikel 15, § 5, van het Wetboek (verkopen op afstand);

b) leveringen van goederen vanuit België die door of voor rekening van de leverancier worden geïnstalleerd of gemonteerd en waarvoor de plaats van de levering zich overeenkomstig artikel 15, § 2, 2°, van het Wetboek in het buitenland situeert;

c) leveringen van goederen waarvan de plaats buiten de Gemeenschap is gelegen voor zover die goederen eerst door de belastingplichtige vanuit België werden overgebracht naar een verkoopkantoor buiten de Gemeenschap;

d) leveringen van goederen waarvan de plaats in een andere Lid­Staat dan België is gelegen, voor zover deze goederen voorafgaandelijk het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering als bedoeld in artikel 12bis van het Wetboek (met een levering onder bezwarende titel gelijkgestelde overbrenging). Om dubbeltelling te vermijden dient het bedrag dat als maatstaf van heffing heeft gediend voor die in artikel 12bis bedoelde levering in mindering te worden gebracht van de totale omzet en de vrijgestelde omzet. Deze dubbeltelling wordt trouwens vermeden doordat de overbrenging in de periodieke BTW­aangifte moet worden geannuleerd. De overbrenging moet worden opgenomen in rooster 46 van de periodieke BTW­ aangifte, de annulatie in rooster 49 en de verkoop binnen de andere Lid­ Staat in rooster 47.

2) de facturaties van goederen of diensten met opschorting van de betaling van de BTW ingevolge artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 18, van 29 december 1992 (in geval zich een oorzaak van opeisbaarheid voordoet vóór de uitvoer van de goederen), alsmede de facturaties bedoeld in artikel 17, § 2, tweede lid van het Wetboek (in geval van intracommunautaire leveringen wanneer de factuur wordt afgeleverd vóór de vijftiende van de maand volgend op die waarin het belastbare feit heeft plaatsgevonden).

Indien nochtans ingevolge een wijziging in de uitvoering van het contract de goederen voor het binnenlands verbruik worden bestemd, moet het gefactureerde bedrag waarvan sprake in het vorige lid, in aftrek worden gebracht van de vrijgestelde omzet. Indien na de facturering het contract wordt verbroken, moet het gefactureerde bedrag in aftrek worden gebracht van de vrijgestelde omzet en van de totale omzet.

3) de waarde van de materialen die worden verzonden naar een plaats buiten de Gemeenschap met het oog op het verrichten van een materieel werk of expertise of op een werk in onroerende staat in dat derde land.

4) diensten die bestaan uit een materieel werk of expertise met betrekking tot een ander goed dan een uit zijn aard onroerend goed die materieel in België worden verricht doch waarvan de plaats overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, b, van het Wetboek in een andere Lid­Staat dan België is gesitueerd.

5) de diensten van vervoer en met vervoer samenhangende diensten waarvan sprake in artikel 21, § 3, 3°, 3°bis, 4°, c, en 4°bis van het Wetboek en die op grond van dat artikel buiten België plaatsvinden. Voor de toepassing van onderhavige regeling wordt verstaan onder diensten die met een vervoer samenhangen, de diensten bedoeld in artikel 41, § 1, 5°, van het Wetboek.

D. Handelingen waarmee nooit rekening mag worden gehouden voor de berekening van de vrijgestelde omzet

20. De volgende in België verrichte handelingen dienen daarentegen wel in aanmerking te worden genomen in het totale omzetcijfer doch mogen nooit in rekening worden gebracht voor de berekening van de vrijgestelde omzet :

1) verscheidene in België verrichte handelingen onderworpen aan een bijzondere regeling die zowel de belastingplichtige als zijn medecontractant vrijstellen van de betaling van de belasting (handelingen die worden ingeschreven in rooster 00 van de periodieke aangifte), en meer bepaald :

a) verkopen van tabaksfabrikaten bedoeld in artikel 58, § 1 van het BTW-Wetboek;

b) verkopen van kranten en tijdschriften en van recuperatiematerialen;

c) de verkopen van goederen onder de winstmargeregeling bedoeld in artikel 58, § 4 van het BTW-Wetboek, gewaardeerd tegen aanschaffingsprijs;

2) de door de belastingplichtige in België gerealiseerde handelingen waarvoor de Belgische belasting verschuldigd is door zijn medecontractant (handelingen die worden ingeschreven in rooster 45 van de periodieke aangifte) en meer bepaald :

a) handelingen die bestaan uit werken in onroerende staat of ermee gelijkgestelde handelingen (artikel 20 van het koninklijk besluit nr 1);

b) handelingen die bestaan uit de levering van goud met een zuiverheid van ten minste 325 duizendsten en uit de levering van beleggingsgoud door een belastingplichtige die geopteerd heeft voor de belastingheffing (artikel 20bis van het koninklijk besluit nr. 1);

c) de handelingen verricht door een niet in België gevestigde belastingplichtige waarvoor de medecontractant op grond van artikel 51, § 2, 1°, 2° en 5° van het BTW-Wetboek schuldenaar is van de BTW.

Afdeling 3. Bepaling van het belastingoverschot.

21. Om het stelsel van de maandelijkse teruggaaf te kunnen genieten, dient de belastingplichtige, als tweede basisvoorwaarde, tijdens het verstreken kalenderjaar of tijdens de voorgaande twaalf maanden (z. nrs. 11 en 12) ten minste 12.390 EUR belastingoverschot in zijn voordeel te hebben gehad.

Wanneer de vergunning voor maandelijkse teruggaaf wordt aangevraagd op basis van vooruitzichten (z. nrs. 13 tot 15), dient het voorziene belastingoverschot over een periode van twaalf maanden 12.390 EUR te bedragen.

22. De voorwaarde in verband met het belastingoverschot is vervuld wanneer, met betrekking tot alle handelingen verricht tijdens de in aanmerking genomen referentieperiode, het totaalbedrag van de aftrekbare belasting ten minste 12.390 EUR hoger is dan het totaalbedrag van de verschuldigde belasting.

23. Bij de berekening van het totaalbedrag van de aftrekbare belasting en het totaalbedrag van de verschuldigde belasting, dient eveneens rekening te worden gehouden met de herzieningen van de aftrekbare en de verschuldigde BTW die betrekking hebben op die handelingen.

24. Verder mag de houder van de vergunning bedoeld in artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992, met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de BTW (z. aanschr. 3/1973, bijwerking 2002 - zie circ. 22/2002) geen rekening houden met de stortingen of teruggaven van de vooruitbetaalde belasting.

25. Onder aftrekbare belasting wordt verstaan het bedrag van de BTW geheven van de aan de belastingplichtige geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, dat overeenkomstig de artikelen 45 tot 49 van het BTW­Wetboek voor aftrek in aanmerking komt.

Onder verschuldigde belasting wordt verstaan de BTW die de belastingplichtige verschuldigd is ter zake van de door hem verrichte leveringen en verleende diensten, alsmede de BTW die de belastingplichtige verschuldigd is door opneming ervan in zijn in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde BTW­aangifte, ofwel als medecontractant van de leverancier of van de dienstverrichter ten aanzien van de hem geleverde goederen of verstrekte diensten, ofwel als geadresseerde bij de invoer van goederen met verlegging van de heffing naar het binnenland, ofwel ingevolge de intracommunautaire verwervingen van goederen en de daarmee gelijkgestelde handelingen die hij heeft verricht.

Hoofdstuk II. Toepassingsmodaliteiten.

Afdeling 1. Vergunning.

26. Krachtens artikel 8 1, § 5, van bovengenoemd koninklijk besluit nr. 4 kan de maandelijkse teruggaaf alleen worden bekomen mits, op schriftelijke aanvraag, daartoe vergunning is verleend door het hoofd van het BTW­controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert.

Ingeval van oprichting van een nieuwe onderneming, van vestiging in België van een vaste inrichting, of van erkenning van een aansprakelijk vertegenwoordiger van een niet in België gevestigde belastingplichtige, wordt de vergunning eveneens uitgereikt door het hoofd van het bevoegde BTW-controlekantoor (z. artikel 8 1, § 5, zesde lid van bovengenoemd koninklijk besluit nr. 4).

Hetzelfde geldt voor de in een andere Lidstaat van de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige die zich in België voor BTW-doeleinden heeft laten identificeren onder een individueel nummer en die geen aansprakelijke vertegenwoordiger heeft aangeduid.

Wanneer derhalve die vergunning wordt gevraagd door een nieuwe onderneming of door een onderneming die de voornaamste zetel van haar economische activiteit in het buitenland heeft, wordt de aanvraag gericht aan het hoofd van het BTW-controlekantoor waaronder de nieuwe onderneming of de in het land gevestigde vaste inrichting ressorteert. Ingeval de buitenlandse vennootschap niet is gevestigd in België wordt de aanvraag om vergunning gericht aan het hoofd van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen.

A. Aanvraag van de vergunning.

27. De vergunning moet schriftelijk worden aangevraagd bij het BTW­controlekantoor waaronder de betrokken belastingplichtige ressorteert (z. nr. 26).

28. De aanvraag om vergunning moet met betrekking tot de in aanmerking genomen referentieperiode alle elementen en bewijsstukken omvatten die nodig zijn om na te gaan of de belastingplichtige de basisvoorwaarden voor het bekomen van de vergunning (z. nr. 6 hiervoor) vervult.

Indien de aanvraag gebaseerd is op de verlopen periode van 12 maanden (zie nrs. 11 en 12), dient de aanvraag de volgende gegevens te bevatten :

  • per maand, de opgave van het bedrag van de totale omzet dat in aanmerking komt (zie nrs. 16 en 19);
  • per maand, de opgave van het bedrag van de vrijgestelde omzet, uitgesplitst per soort van vrijgestelde handeling die in aanmerking komt (zie nrs. 17 tot 19). De Ea. Inspecteur kan de aanvrager verzoeken de nodige bewijsstukken te laten voorleggen die de toepassing van de vrijstelling(en) verantwoorden;
  • per maand, de opgave van hetzij het totaalbedrag aan verschuldigde BTW, hetzij het bedrag aan terug te geven BTW.
29. Indien de aanvraag gebaseerd is op vooruitzichten aangaande de basisvoorwaarden van de vergunning (z. nrs 13 tot 15), dienen deze vooruitzichten te worden gestaafd door bewijskrachtige stukken (zoals o.m. de met leveranciers en klanten gesloten contracten, bestelbons en, wanneer er reeds een begin van activiteit is, door voorlegging van kopieën van een representatief aantal verkoopfacturen van handelingen die als vrijgestelde omzet in aanmerking mogen worden genomen (zie nrs. 18 en 19), met inbegrip van de daarbij horende rechtvaardigingsdocumenten (zoals vervoersfacturen, vervoersdocumenten, betalingsdocumenten, een kopie recto-verso van de door de douane geviseerde uitvoerdocumenten, enz…)). Tevens dienen een representatief aantal aankoopfacturen die aan de basis liggen van het belastingtegoed te worden voorgelegd alsook een opgave van de belangrijkste leveranciers van de belastingplichtige met vermelding, in voorkomend geval, van hun BTW-identificatienummer.

De aanvraag vermeldt bovendien de vooruitzichten aangaande zowel het bedrag van de totale en de vrijgestelde omzet als het bedrag van het vermoedelijk BTW-tegoed gedurende de twaalf eerst volgende maanden.

B. Toekenning of weigering van de vergunning.

30. De gevraagde vergunning wordt verleend door het hoofd van het controlekantoor binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag, indien deze volledig is en alle gestelde voorwaarden zijn vervuld.

31. Wanneer de aanvraag niet volledig is, m.a.w. wanneer bij de aanvraag niet alle elementen en stukken zijn gevoegd waaruit blijkt dat de basisvoorwaarden voor de vergunning zijn vervuld of zullen vervuld worden wanneer de aanvraag gebaseerd is op de exploitatievooruitzichten, verzoekt het hoofd van het bevoegde BTW-controlekantoor (z. nr. 26) de aanvrager schriftelijk om de aanvraag te vervolledigen met de ontbrekende elementen en stukken.

De termijn van één maand gesteld voor de uitreiking van de vergunning gaat dan ook slechts in op het tijdstip waarop de belastingplichtige de gevraagde elementen en bewijsstukken voorlegt die nodig zijn voor de beoordeling van de gegrondheid van de aanvraag.

32. De vergunning wordt aan de belastingplichtige genotificeerd bij middel van een aangetekende brief.

33. Indien de basisvoorwaarden niet zijn vervuld, wordt de aanvraag binnen dezelfde termijn verworpen bij een met redenen omklede beslissing die eveneens aan de belastingplichtige wordt genotificeerd bij middel van een aangetekende brief.

34. In geval de vergunning wordt toegekend, kan de belastingplichtige, op uitdrukkelijk verzoek (z. nr. 42), de teruggaaf vragen vanaf de eerste aangifte die moet worden ingediend te rekenen vanaf de dag volgend op die van de afgifte ter post van de aangetekende brief bij dewelke de administratie de vergunning aan de belastingplichtige heeft genotificeerd.

C. Duur van de vergunning.

35. De vergunning geldt voor de aanvragen tot teruggaaf in te dienen in de loop van het kalenderjaar waarvoor ze werd verleend. Ze is evenwel eveneens geldig voor de daaropvolgende jaren wanneer de belastingplichtige aan de basisvoorwaarden blijft voldoen. In dat geval geldt het aanbrengen van de uitdrukkelijke vermelding bedoeld in artikel 8 1, § 4, van het koninklijk besluit nr 4, ter gelegenheid van de aanvraag tot teruggaaf (z. ook nr. 42), als verklaring van de belastingplichtige dat hij voldoet aan die voorwaarden en ontslaat hem ervan een nieuwe aanvraag in te dienen. Wanneer hij niet langer aan de voorwaarden voldoet, vervalt de vergunning ambtshalve en mag hij er zich niet meer op beroepen. Wanneer hij er nadien opnieuw aan voldoet, moet hij een nieuwe vergunning aanvragen.

36. Ingeval van oprichting van een nieuwe onderneming, van vestiging in België van een vaste inrichting of van identificatie voor BTW-doeleinden in België van een niet in België gevestigde belastingplichtige, hetzij via rechtstreekse identificatie, hetzij via de erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger, moet bedoelde belastingplichtige een nieuwe vergunning aanvragen in de loop van de twaalfde maand die volgt op diegene tijdens welke de oorspronkelijk, op basis van vooruitzichten aangaande de basisvoorwaarden, verkregen vergunning werd verleend.

Hetzelfde geldt wanneer de vergunning werd verleend aan een belastingplichtige die op basis van zijn reeds uitgeoefende activiteit niet aan de basisvoorwaarden van een vergunning voldoet, maar die ingevolge belangrijke wijzigingen in de economische of industriële organisatie (volgens de vooruitzichten) wel aan deze voorwaarden zal voldoen gedurende de periode van twaalf opeenvolgende maanden vanaf de aanvraag van de vergunning.

37. In de gevallen bedoeld in nr. 36, zal in de aangetekende brief bij dewelke de vergunning wordt genotificeerd, melding worden gemaakt van de verplichting tot en het tijdstip waarop een nieuwe vergunning moet aangevraagd worden. In die brief zal tevens worden vermeld dat bij ontstentenis van de aanvraag van een nieuwe vergunning, de oorspronkelijk verleende vergunning ambtshalve vervalt vanaf de maand die volgt op die waarin de nieuwe vergunning moest aangevraagd worden.

D. Intrekking van de vergunning.

38. Onverminderd, in voorkomend geval, de bij de wet uitgevaardigde straffen, zal de vergunning overeenkomstig artikel 8 1, § 5, achtste lid, van hogergenoemd koninklijk besluit nr. 4 onmiddellijk worden ingetrokken wanneer:

a) de vergunning die werd afgeleverd, werd verkregen op grond van een onjuiste verklaring;

b) de belastingplichtige de bij de wet of bij de ter uitvoering ervan opgelegde verplichtingen niet nakomt;

c) de situatie bedoeld in artikel 8 1, § 3, vijfde lid, van hogergenoemd koninklijk besluit nr. 4 zich voordoet.

Overeenkomstig artikel 8 1, § 5, zevende lid, van hogergenoemd koninklijk besluit nr. 4 kan bovendien de vergunning bij een met redenen omklede beslissing op ieder ogenblik worden ingetrokken indien de administratie vaststelt dat de belastingplichtige niet meer voldoet aan de vereiste bijzondere voorwaarden of dat de belastingplichtige geen handelingen meer verricht waarvoor hij aanspraak kan maken op de vrijstellingen bedoeld in §2, eerste lid, 3° van hetzelfde besluit (z. nrs 18 tot 20) wegens ofwel een wijziging van de werkzaamheid ofwel van de exploitatievooruitzichten.

39. De beslissing tot intrekking wordt aan de houder van de vergunning medegedeeld bij een ter post aangetekende brief. De vergunning mag niet meer worden ingeroepen te rekenen vanaf de dag na de afgifte ter post van deze aangetekende brief.

40. In het geval bedoeld in nr. 38, eerste lid, kan slechts een nieuwe vergunning worden aangevraagd na het verstrijken van het kalenderjaar dat volgt op datgene waarin de beslissing tot intrekking ter kennis van de belastingplichtige werd gebracht.

In het geval bedoeld in nr. 38, tweede lid, kan de belastingplichtige een nieuwe vergunning aanvragen van zodra hij opnieuw aan de voorwaarden voldoet.

Afdeling 2. Minimumtegoed.

41. De houder van de vergunning bedoeld in afdeling 1, kan slechts effectief teruggaaf bekomen wanneer het door de Staat verschuldigde bedrag na het indienen van de BTW­maandaangifte, een overschot in zijn voordeel vertoont van minimum 245 EUR.

Indien het belastingoverschot geen 245 EUR bereikt, wordt het in de regel automatisch overgedragen naar het volgende aangiftetijdvak.

Afdeling 3. Andere modaliteiten.

42. De andere modaliteiten inzake teruggaaf dan deze waarvan sprake hiervoor, zoals die zijn opgenomen in het koninklijk besluit nr. 4, zijn vanzelfsprekend van toepassing op het stelsel van maandelijkse teruggaaf.

Hierna worden voor alle duidelijkheid een aantal van die algemene modaliteiten inzake teruggaaf in herinnering gebracht.

A. Indien de belastingplichtige ­ houder van de vergunning voor maandelijkse teruggaaf ­ wenst dat het belastingkrediet hem wordt teruggegeven, dient hij die teruggaaf uitdrukkelijk aan te vragen door, bij het verstrijken van elke maand waarvoor een overschot teruggegeven kan worden, een kruisje te plaatsen in het vakje "Aanvraag om terugbetaling" van de BTW­aangifte met betrekking tot de handelingen van dat tijdvak (art. 8 1, § 4, van het koninklijk besluit nr. 4).

In het kader van de vereenvoudiging aangaande de hernieuwing van de vergunning (z. nr. 35), zal het uitdrukkelijk verzoek tot teruggaaf bovendien gelden als verklaring van de belastingplichtige dat hij nog steeds voldoet aan de basisvoorwaarden van de vergunning.

B. De maandelijkse teruggaaf is eveneens afhankelijk van de voorwaarde dat alle aangiften met betrekking tot het lopende jaar ingediend zijn uiterlijk de twintigste van de maand na de maand op het einde waarvan het door de Staat verschuldigde bedrag blijkt.

C. Overeenkomstig artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4 geschiedt de maandelijkse teruggaaf van de BTW, hetzij door overschrijving op de postrekening van de belastingplichtige, hetzij door overmaking aan één van de in dat artikel aangewezen financiële instellingen, waaraan door de belastingplichtige behoorlijk volmacht werd gegeven om de teruggaaf te ontvangen.

* * *

Deze aanschrijving vervangt de aanschrijving nr. 7 van 28 maart 1994 - Bijwerking 1996, die over hetzelfde onderwerp handelt (z. aanschr. nr. 10/1996).

Namens de Minister:
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering De Auditeur-generaal van financiën,

F. HAMELS