Circulaire nr. Ci.RH.421/340.776 dd. 26.08.1983
Circulaire nr. Ci.RH.421/340.776 dd. 26.08.1983
Bull. nr. 621, pag. 2300
INVESTERINGEN
Investeringsaftrek
Commentaar op:
de art. 1, 5, 6, 8, 9, 10, 11, 12, 13 en 15 (geheel of gedeeltelijk), KB nr. 48 van 22.6.1982 tot wijziging van het WIB inzake investeringsaftrek, meerwaarden en afschrijvingen (V.1617 -B.609), gewijzigd door het KB nr. 107 van 26.11.1982 (V.1642 -B.613) en het KB nr. 149 van 30.12.1982 (V.1659 - B.615);
de art. 2, 7, 9, 10 en 12, KB 23.12.1982 tot wijziging van het KB tot uitv. van het WIB (V.1646 - B.614).
ALGEMEEN
1. De art. 5, 6, 11 en 15, KB nr. 48van 22.6.1982 tot wijziging van het WIB inzake investeringsaftrek, meerwaarden en afschrijvingen (V. 1617 - B. 609) strekken er inzonderheid toe de voor het aj. 1982 geldende fiscale investeringsstimuli te vervangen door een geïntegreerd nieuwstelsel waarbij de ondernemingen - en ook sommige beoefenaars van vrije beroepen - de mogelijkheid krijgen hun belastbare inkomsten te verminderen met een investeringsaftrek.
Sommige bepalingen inzake die aftrekzijn ondertussen gewijzigd door:
- het KB nr. 107 van 26.11.1982 (V. 1642 - B. 613);
- het KB nr. 149 van 30.12.1982 (V. 1659 - B. 615).
De uitvoering van de nieuwe wettelijke bepalingen is geregeld door het KB 23.12.1982 tot wijziging van het KB tot uitv. van het WIB (V. 1646 - B. 614).
2. Het nieuwe stelsel is van toepassing op de investeringen die in België zijn gedaan vanaf de eerste dag van het jaar of boekjaar waarvan de inkomsten belastbaar zijn voor het aj. 1983, d.w.z. :
wat de aan de PB en de BNV-nat. pers. onderworpen belastingplichtigen betreft :
- de investeringen gedaan vanaf het jaar 1982 of vanaf het boekjaar 1981-1982;
wat de aan de Ven.B en de BNV-ven. Onderworpen belastingplichtigen betreft :
- de investeringen gedaan vanaf het jaar 1982 of vanaf het boekjaar 1982-1983.
INVESTERINGSAFTREK
3. De algemene commentaar op de investeringsaftrek gaat hierbij, als bijlage 1, in de vorm van een bijwerking van de Com. IB. In bijlage 2 zijn diverse onderrichtingen opgenomen die ofwel uit de invoering van de investeringsaftrek voortvloeien ofwel uit de invoering van de investeringsaftrek voortvloeien ofwel specifiek op vennootschappen van toepassing zijn.
Later zullen nadere richtlijnen worden verstrekt wat betreft :
- de tussenkomst van de taxatiediensten in het opstellen van statistische inlichtingen;
- de controlemaatregelen die de taxatiediensten moeten toepassen.
4. Om de investeringsaftrek te kunnen genieten, moeten de belastingplichtigen bij hun aangifte in de inkomstenbelastingen een ingevuld, gedateerd en ondertekend formulier nr. 276U voegen. De voor het aj. 1983 nodig geachte formulieren nr. 276U werden ambtshalve aan de taxatiediensten toegestuurd.
Een dergelijk formulier moet worden uitgereikt aan elke belastingplichtige - natuurlijke persoon (of zijn raadgever) die erom verzoekt. Wat vennootschappen betreft moet bij elk aangifteformulier 275.1 of 275.2 een formulier 276U worden gevoegd.
AFSCHRIJVINGEN
5. Ingevolge de art. 8 en 9 KB nr.48, zijn de voor het aj. 1982 toepasselijke bepalingen van art. 48, § 3, WIB (afschrijving tegen 110 pct. van investeringen voor wetenschappelijk onderzoek) (inmiddels afgeschaft) en 48bis, WIB(inmiddels afgeschaft)(afschrijving naar wens voor energiebesparende investeringen) opgeheven met ingang van het aj.1983. Zoals reeds in nr. 2 van de circ. Ci.RH.421/339.145 dd.3.2.1983 (B. 615) is vermeld, blijven die bepalingen evenwel van toepassing op de bedoelde investeringen die tijdens een aan het aj.1982 verbonden jaar of boekjaar zijn gedaan.
BIJLAGE II KB/WIB 92
Art. 68, C.I.R.
Wetteksten
Art. 68 - 77 WIB 92 / Art. 47 KB/WIB 92
1. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
68/1 Art. 68, WIB 92, biedt ondernemingen en, in bepaalde gevallen, beoefenaars van vrije beroepen, enz., de mogelijkheid hun belastbare winsten of baten te verminderen met een investeringsaftrek die overeenkomt met een percentage van het afschrijfbare bedrag van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de tijdens het jaar of boekjaar gedane investeringen in materiële vaste activa die in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand gebracht en in nieuwe immateriële vaste activa, mits deze in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt. Het percentage is verschillend volgens de aard van de investeringen.
68/2 De investeringsaftrek kan naar keuze van de belastingplichtige in éénmaal of op een gespreide wijze worden toegepast.
Sommige belastingplichtigen kunnen evenwel voor een aftrek kiezen die voor ieder jaar of boekjaar waarvoor op de vaste activa afschrijvingen worden aangenomen, gelijk is aan een bepaald percentage van de aanneembare afschrijvingen.
II. IN AANMERKING KOMENDE BELASTINGPLICHTIGEN
Art. 68, WIB is in beginsel van toepassing op nijverheids-, handels- of landbouwbedrijven, d.w.z. op alle belastingplichtigen die in art. 23, § 1, 1° WIB 92 bedoelde winsten behalen.
Onder voorbehoud van het bepaalde sub68/5 zijn van de vrijstelling echter uitgesloten de belastingplichtigen die belast worden op basis van forfaitaire grondslagen van aanslag waarbij de afschrijvingen forfaitair zijn ingecalculeerd. Ter zake gaat het om bepaalde categorieën forfaitair belaste belastingplichtigen uit de land- en tuinbouwsector.
Wanneer de afschrijvingen gedeeltelijk forfaitair in die grondslagen zijn ingecalculeerd en gedeeltelijk individueel worden vastgesteld, moet de investeringsaftrek worden toegestaan in verband met deinvesteringen waarvan de afschrijvingen individueel aftrekbaar zijn.
68/5 Zelfs wanneer de afschrijvingen forfaitair zijn ingecalculeerd, geldt de uitsluiting niet wat de "energiebesparende investeringen" betreft waarvan verder sprake is, maar zulks op voorwaarde dat voor die investeringen geen financiële steun - kapitaalpremie of rentetoelage - is verleend door de openbare overheid (Staat, Gewesten en ondergeschikte besturen).
68/6 De in art. 23, § 1, 2° WIB 92, bedoelde beoefenaars van vrije beroepen, enz., zijn over het algemeen eveneens van de investeringsaftrek uitgesloten. Die aftrek mag echter wel worden toegepast op investeringen gedaan tijdens het jaar waarin de belastingplichtige, die tijdens het vorige jaar geenhoofdarbeiders heeft tewerkgesteld, één of meer hoofdarbeiders heeft aangeworven; ter zake moet de vergelijking van het jaar van aanwerving enkel geschieden met het onmiddellijk eraan voorafgaande jaar (zie verslag aan de Koning bij KB nr. 149 van 30.12.1982, V.1659 - B. 615).
Een tweevoudige voorwaarde is gesteld:
1° tijdens het jaar dat aan de investering voorafgaat mag de belastingplichtige op geen enkelogenblik één of meer hoofdarbeiders (= aan de RSZ onderworpen bedienden) hebben tewerkgesteld;
2° tijdens het jaar van de investering moet de belastingplichtige één of meer hoofdarbeiders hebben aangeworven.
Rekening houdend met de bedoelingen van het KB nr. 149, dat § 8van
art. 42ter WIB heeft vervangen, en om misbruiken te voorkomen mogen alleen hoofdarbeiders die zijn aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, in aanmerking worden genomen. Uitgesloten zijn hoofdarbeiders die zijn aangeworven meteen arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (o.m. studenten), voor een duidelijk omschreven werk of voor de uitvoering van een tijdelijk werk (o.m. uitzendkrachten), alsmede de hoofdarbeiders die vóór het einde van de eventuele proefperiode werden ontslagen.
Hierbij valt nog te vermelden dat de aftrek slechts mag worden verleend met betrekking tot deinvesteringen die worden gedaan tijdens het jaar van de in aanmerking te nemen aanwervingen.
III. IN AANMERKINGKOMENDE INVESTERINGEN
A. ALGEMEEN
68/7 Voor de toepassing van de investeringsaftrek komen alleen in aanmerking :
- de investeringen in materiële en immateriële vaste activa,
- de in nieuwe staat zijn verkregen, of tot stand gebracht,
- tijdens het jaar of boekjaar,
- en in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt.
Bovendien zijn sommige investeringenuitdrukkelijk van de aftrek uitgesloten.
B. MATERIELE EN IMMATERIELE VASTE ACTIVA
68/8 De begrippen "materiële vaste activa" en "immateriële vaste activa" moeten worden begrepen in de zin van het KB 8.10.1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen (V. 1435 - B. 545), zoals ze eveneens gelden inzake afschrijvingen (Zie circ. 3.2.1983, Ci.RH.421/339.145). De bijzondere nadruk we ze echter gelegd op wat volgt.
68/9 De "materiële vaste activa" worden gevormd door :
a) de terreinen en gebouwen en met na mede bebouwde en onbebouwde terreinen en gebouwen, de constructies daarop evenals de inrichting daarvan waarvan de onderneming eigenares is en die, geheel of gedeeltelijk, duurzaam voor bedrijfsuitoefening worden aangewend;
b) de installaties, de machines en de uitrusting;
c) het meubilair en het rollend materieel;
d) de vaste activa in aanbouw en de vooruitbetalingen op materiële vaste activa;
e) welbepaalde in erfpacht, leasing(huurfinanciering) of met gelijkaardige rechten gehouden vaste activa;
f) de andere materiële vaste activa.
68/10 Voor uitgaven om niet mag geen investeringsaftrek verleend worden, zelfs wanneer die uitgaven door de belastingplichtige als afschrijfbare materiële activa worden behandeld. Onder uitgaven om niet worden verstaan, uitgaven die de waarde van de activa niet verhogen (bv. loutere herstellings- en onderhoudskosten) en derhalve niet kunnen worden aangemerkt als sommen die zijn aangewend tot uitbreiding van de onderneming of tot waardevermeerdering van de toerusting in de zin van art. 25, 4°, WIB 92.
68/11 In de sub e) van 42ter/9 bedoelde gevallen(erfpacht, enz.) is er slechts sprake van investeringen indien het gaat om :
1° rechten tot gebruik op lange termijn van onroerende goederen waarover de onderneming beschikt krachtens overeenkomsten van erfpacht, van opstal, van onroerende leasing(huurfinanciering), van handelshuur of gelijkaardige overeenkomsten:
a) wanneer bij het einde van het contract de eigendom van het onroerend goed van rechtswege aan de onderneming toekomt;
b) of wanneer het contract betrekking heeft op een gebouw, een looptijd heeft die overeenstemt met de vermoedelijke economische gebruiksduur van het gebouw, niet ontbindbaar is en voor de onderneming een aankoopoptie bevat;
c) of wanneer de huurgelden en vergoedingen bij de aanvang van het contract vooruitbetaald werden;
2° rechten tot gebruik van roerende goederen waarover de onderneming beschikt op grond van een overeenkomst die beantwoordt aan de voorwaarden, gesteld in 1° en3° tot 5° van art. 1 KB nr. 55 van 10.11.1967.
Deze rechten komen bovendien slechts voor investeringsaftrek in aanmerking indien ze door de gebruiker als afschrijfbare bestanddelen worden behandeld.
68/12 De "immateriële vaste activa" worden gevormd door :
a) de kosten van onderzoek en ontwikkeling;
b) de concessies, octrooien, licenties, know-how, merken, enz.;
c) de goodwill en de inbrengmeerwaarden;
d) de vooruitbetalingen op immateriële vaste activa.
Gelet op de bepalingen van art.25, KB 8.10.1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, mag op andere dan van derden verworven immateriële vaste activa slechts een investeringsaftrek worden toegestaan voor zover de geboekte kostprijs niet hoger is dan de waarde die blijktuit een voorzichtige raming van de gebruikswaarde of van het toekomstig rendement van deze vaste activa voor de onderneming.
Ook hier moet worden vermeden dat op kosten om niet een investeringsaftrek wordt toegepast (zie 68/10).
68/13 De investeringsaftrek is inzonderheid niet van toepassing op de onderstaande activa die geen materiële of immateriële activa vormen in de zin van 68/8 :
- de "oprichtingskosten", waarin zijn begrepen de kosten van oprichting en kapitaalverhoging, de disagio’s van leningen en de kosten van uitgifte van leningen, de intercalaire interesten en de andere kosten van eerste inrichting;
- de "financiële vaste activa".
Wat de zogenaamde "herstructureringskosten" betreft, d.w.z. kosten die gepaard kunnen gaan met de herstructurering van de activiteiten vaneen onderneming en die van uiteenlopende aard kunnen zijn :uitzonderlijke afschrijvingen, invoering van een conventioneel brugpensioenstelsel, kosten voor herscholing van personeel, aankoop van nieuw materieel, enz., geldt het volgende.
Alhoewel de bepalingen van het KB 8.10.1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen niet uitdrukkelijk toelaten die kosten als activabestanddelen te boeken, was de Commissie voor boekhoudkundige normen van mening dat de activering van uitgaven in het kader van een herstructurering gerechtvaardigd kan zijn en dat deze uitgaven als "immateriële vaste activa" kunnen worden geboekt, voor zover :
1° het gaat om uitgaven met een uitzonderlijk karakter, die nauwkeurig zijn omschreven en die verband houden met een ingrijpende wijziging in de structuur of de organisatie van de onderneming;
2° deze uitgaven, naar het oordeel van het beheersorgaan van de onderneming, een blijvende en gunstige weerslag hebben op de rendabiliteit van de onderneming.
Wat er ook van zij, de Administratie is van oordeel dat de voormelde kosten geen recht geven op een investeringsaftrek, behalve wat de eventueel erin begrepen kostprijs van nieuwe materiële vaste activa betreft.
C. NIEUWE VASTE ACTIVA
68/14 Voor de toepassing van de investeringsaftrekkomen uitsluitend in aanmerking :
- materiële vaste activa die in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand gebracht;
- nieuwe immateriële vaste activa.
68/15 Wat de materiële vaste activa betreft, moet deze wettelijke bepaling in elk geval strikt worden toegepast, zodat gronden, reeds bestaande gebouwen, tweedehandsmaterieel, demonstratiematerieel, enz. niet in aanmerking kunnen komen voor de investeringsaftrek. Ook de in 68/11 bedoelde rechten komen slechts in aanmerking indien de contracten op nieuwe materiële vaste activabetrekking hebben.
Als nieuwe investeringen gelden wel :
- door een belastingplichtige aangekochte gebouwen (met uitsluiting van de grond) die de verkoper heeft gebouwd of heeft laten bouwen met het oog op verkoop, voor zover deze gebouwen niet hebben gediend voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de verkoper, noch door hem - werden verhuurd, noch in zijn onderneming werden afgeschreven;
- nieuwe bijgebouwen en verbeteringswerken aan bestaande gebouwen voor zover het om investeringen (d.w.z. waardevermeerderingen) gaat en in de mate dat geen recuperatiematerialen zijn gebruikt;
- werken aan aangekocht tweedehandsmaterieel of aan reeds in de onderneming aanwezige vaste activa, voor zover voor die werkennieuwe onderdelen zijn gebruikt en de werken een waardevermeerdering van de vaste activa tot gevolg hebben (zie68/10).
68/16 Nieuwe immateriële vaste activa zijn inzonderheid kosten van onderzoek en ontwikkeling, concessies, octrooien, licenties, know-how, merken, enz., en vooruitbetalingen op die immateriële vaste activa die onder bezwarende titel zijn verkregen, indien deze in België nog niet voor een beroepswerkzaamheid zijn gebruikt.
Bestanddelen als handelsfonds, cliëntele, goodwill, enz. die geleidelijk in een andere onderneming zijn tot stand gekomen, kunnen niet als "nieuw" worden aangemerkt en komen derhalve niet in aanmerking voor de investeringsaftrek.
D. INVESTERINGEN VAN HET JAAR OF BOEKJAAR
68/17 De investeringsaftrek is voor ieder aanslagjaar in principe - d.w.z. onverminderd de mogelijkheid om een gespreide aftrek toe te passen - van toepassing in verband met de activa die tijdens het jaar of boekjaar dat aan dat aanslagjaar is verbonden zijn verkregen of tot stand gebracht, d.w.z. die tijdens dat jaar of boekjaar afschrijfbaar worden (zie 44/135 e.v.). Wat inzonderheid de in 68/11 bedoelde investeringen betreft moet de investeringsaftrek worden verleend voor het jaar of boekjaar waarin de bedoelde rechten zijn overgedragen.
Wat voorschotten en vooruitbetalingen op materiële en immateriële vaste activa betreft, wordt aan de belastingplichtige de keuze gelaten inzake de aanvang van de afschrijvingen : vanaf het boekjaar waarin de voorschotten worden betaald of vanaf het boekjaar van levering van de vaste activa (zie44/136 en 44/293 tot 295). Een soortgelijke keuze wordt geboden met betrekking tot materiële vaste activa in aanbouw (zie 44/137). De door de belastingplichtige op het stuk van afschrijvingen gedane keuze moet worden geëerbiedigd om het aanslagjaar te bepalen waarvoor de investeringsaftrek moet worden toegepast.
E. INVESTERINGEN IN BELGIE
68/18 De investeringsaftrek kan enkel worden toegepast in verband met vaste activa die in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige worden gebruikt, d.w.z. die in Belgische inrichtingen zijn aangewend. Hierbij is het zonder belang of die activa in België of in het buitenland zijn aangeschaft.
F. UITGESLOTEN ACTIVA
68/19 Van de toepassing van de investeringsaftrek zijn uitdrukkelijk uitgesloten :
a) vaste activa die niet uitsluitend voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt, d.w.z. activa die, ongeacht de verhouding, zowel tot bedrijfs- als tot privé-doeleinden worden gebruikt;
b) vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht om het recht tot gebruik ervan aan een derde te verlenen krachtens een leasingcontract of een overeenkomst van erfpacht, van opstal of gelijkaardige onroerende rechten, ingevallen waarin die vaste activa in principe afschrijfbaar zijn ten name van de onderneming die over die rechten beschikt; zoals reeds gezegd kunnen die activa wel in aanmerking komen bij de gebruiker van het recht (zie 68/11);
c) onroerende goederen die in art. 36bis, WIB (afgeschaft), bedoelde vastgoedhandelaars hebben verkregen met het oog op wederverkoop en die als voorraden moeten worden aangemerkt; of een nieuw opgericht gebouw als vast actief dan wel als voorraad is te beschouwen moet in ieder concreet geval in feite worden beoordeeld;
d) arbeiderswoningen en andere inrichtingen ten behoeve van het personeel (om reden dat de daartoe bestemde winst reeds op grond van art. 42, WIB (afgeschaft) voor de helft kan worden vrijgesteld - de uitsluiting geldt echter ook wanneer geen toepassing van art. 42, WIB, wordt gemaakt);
e) vaste activa die niet afschrijfbaar zijn overeenkomstig art. 52, 6°, WIB; hier zijn inzonderheid bedoeld, al dan niet bebouwde gronden (die trouwens nooit in nieuwe staat kunnen worden verworven) en kunstwerken die geen waardevermindering ondergaan (zie 44/489, laatste lid);
f) vaste activa waarvan de afschrijvingen, mede gelet op de toegepaste afschrijvingsregelen (lineair, degressief of verdubbeling van de lineaire afschrijving) over minder dan drie belastbare tijdperken worden gespreid;
g) personenwagens en auto’s voor dubbel gebruik (stationwagens) behoudens wanneer het gaat om van verkeersbelasting vrijgestelde taxi's of wagens die verhuurd worden met bestuurder;
h) bij de aankoopprijs komende kosten en onrechtstreekse produktiekosten die onmiddellijk als bedrijfsuitgaven worden geboekt of versneld worden afgeschreven(zie circ. 3.2.1983, Ci.RH.421/339.145, nrs. 23 en 24); deze bij de aankoopprijs komende kosten en onrechtstreekse produktiekosten komen derhalve wel in aanmerking voor de investeringsaftrek indien ze op dezelfde wijze worden afgeschreven als de vaste activa waarop ze betrekking hebben en voor zover die activa zelf recht geven op de investeringsaftrek;
i) vaste activa waarvoor de belastingplichtige, op grond van art. 2, W 29.11.1977 tot invoering van tijdelijke fiscale ontheffingen om de privé-investeringen te bevorderen (V. 1463 - B. 559), verlengd bij art. 2, KB 27.12.1977(V. 1470 - B. 559), de afschrijving naar wens of de afschrijving boven de aanschaffings- of beleggingswaarde heeft bekomen (ter zake betreft het bestanddelen die tijdens de periode van 1.3.1977 tot30.6.1978 het voorwerp zijn geweest van een voltrokken koop tussenpartijen, van een aanneming tegen vaste prijs, van een aanneming volgens bestek of van een aanneming volgens prijslijst en die slechts tijdens een voor de investeringsaftrek in aanmerking komend jaar of boekjaar zouden zijn geleverd);
j) vaste activa die aanmerking worden genomen om de voor het aj. 1982 vrijgestelde investeringsreserve te rechtvaardigen (te noteren valt echter dat de belastingplichtigenvrij mogen kiezen welke investeringen zij aanwenden tot belegging van de investeringsreserve en voor welke investeringen zij de investeringsaftrek toepassen en dat een bepaalde investering zelfs gedeeltelijk tot het ene en gedeeltelijk tot het andere doeleinde mag worden aangewend).
IV. INDELING VAN DE INVESTERINGEN
A. ALGEMEEN
68/20 De investeringsaftrek stemt in principe overeen met een bepaald percentage van de afschrijfbare aanschaffings- of beleggingswaarde van de in aanmerking komende materiële en immateriële vaste activa.
Dit percentage is verschillend al naar het betreft :
- bestanddelen waarmede een rationeler energieverbruik, de verbetering van de industriële processen uit energetische overwegingen en, in het bijzonder, de terugwinning van energie inde industrie wordt beoogd (hierna "energiebesparende investeringen" te noemen);
- bestanddelen die worden gebruikt om het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe produkten en van toekomstgerichte technologieën te bevorderen (hierna "investeringen vooronderzoek en ontwikkeling" te noemen);
- meubels en kantoormaterieel;
- alle andere bestanddelen.
B. ENERGIEBESPARENDE INVESTERINGEN
68/21 Energiebesparende investeringen zijn investeringen die op grond van een attest van de Minister die bevoegd is voor de Energie, kunnen worden gerangschikt onder de in bijlage X van het KB/WIB opgenomen vaste activa.
68/22 Het attest tot erkenning als energiebesparende investering moet door de belastingplichtige worden aangevraagd :
- op straffe van verval ten laatste binnen de dertig dagen die volgen op de laatste dag van het jaar of boekjaar waarin de vaste activa zijn aangeschaft of tot stand gebracht;
- door middel van een formulier dat schriftelijk moet worden gevraagd bij het Ministerie van Economische Zaken, Administratie voor Energie, Dienst voor Energiebehoud (thans gevestigd Nijverheidsstraat 10 te 1040 Brussel), waaraan het behoorlijk ingevuld, gedagtekend en ondertekend moet worden teruggezonden.
Wanneer de belastingplichtige vaste activa heeft aangeschaft of tot stand gebracht die onder verschillende van de in voormelde bijlage X opgenomen categorieënvallen moet hij een formulier per categorie indienen.
Rekening houdend met de datum van de publikatie in het Belgisch Staatsblad (31.12.1982) van het KB23.12.1982 dat o.m. art. 12septies in het KB/WIB heeft ingevoegd, is aangenomen dat er voor het aj. 1983 overmacht bestond die de belastingplichtigen heeft verhinderd de in het eerste lid vermelde termijn na te leven. Er is dan ook beslist de termijn voor het aj.1983 tot 28.2.1983 te verlengen.
De belastingplichtigen moeten het (of de) attest(en) voorleggen hetzij tot staving van de in 68/64 en 65vermelde bescheiden (formulier 276U en opgave van deinvesteringen), hetzij, zo dit niet mogelijk is, binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen te rekenen vanaf de dag van uitreiking van het (of de) attest(en).
C. INVESTERINGEN VOOR ONDERZOEK EN ONTWIKKELING
1. MATERIELE VASTE ACTIVA
a) Materiele vaste activa gebruikt in onderzoekingscentra die een tak van werkzaamheid vormen
68/23 Als materiële vaste activa voor onderzoek en ontwikkeling worden vooreerst beschouwd de materiële vaste activa die gebruikt worden bij de exploitatie van onderzoekingscentra die een tak van werkzaamheid vormen in de zin van art. 46, § 1, 2°, a, WIB.
Dit betekent dat het moet gaan om centra die een geheel vormen dat bekwaam is om met eigen middelen te werken (zie 39/17, lid 1).
Op te merken valt dat ook als voorwaarde is gesteld :
- dat voor bedoelde onderzoekingscentra een afzonderlijk stelrekeningen wordt gehouden;
- dat de investeringen in die centra slechts in aanmerking komen in de mate dat ze niet datgene overtreffen wat noodzakelijk is voorde goede werking van die centra.
Tot staving van de bescheiden waarvan sprake is in 68/64 en 65, dient de belastingplichtige een rechtvaardigende nota voor te leggen, waaruit zal moeten blijken of aan de gestelde vereisten voldaan is.
b) Andere materiële vaste activa
68/24 Materiële vaste activa die niet in de hierboven bedoelde onderzoekingscentra gebruikt worden, kunnen toch als investeringen voor onderzoek en ontwikkeling worden beschouwd, indien ze aan een van de hierna vermelde criteria voldoen.
1° Materiële vaste activa waarvoor een tegemoetkoming is verleend
68/25 Hier worden materiële vaste activa bedoeld waarvoor een tegemoetkoming is verleend :
a) hetzij door de Staat, ter uitvoering van :
art. 3, a, lid 4 of art. 7, W. 17.7.1959 tot invoering en ordening van maatregelen ter bevordering van de economische expansie en de oprichting van nieuwe industrieën (V. 961 - B.357);
art. 7, lid 1, 3° gedachtenstreep of art. 25, W. 30.12.1970betreffende de economische expansie (V. 1315 - B. 483);
art. 4, litt. b, W. 4.8.1978 tot economische heroriëntering (V.1478 - B. 566) op voorwaarde dat die tegemoetkomingen zijn verleend met het oog op de financiering van andere investeringen dan markt- en organisatiestudies en commercialisatiemethodes;
een contract voor opzoeking gesloten door de Minister die bevoegd is voor het wetenschapsbeleid;
b) hetzij door het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in nijverheid en landbouw (I.W.O.N.L.).
Te noteren dat, overeenkomstig art. 8 van de overeenkomst die een door het I.W.O.N.L. begunstigde onderneming moet onderschrijven, de toestellen en machines, met een aankoopprijs van ten minste 20.000 F, uitsluitend eigendom worden van het I.W.O.N.L., wanneer hun gezamenlijke kostprijs het bedrag van de door het Instituut verleende toelage niet te boven gaat. Voor die toestellen en machines mag derhalve geen investeringsaftrek worden toegestaan (hierop mogen trouwens evenmin afschrijvingen worden aanvaard).
68/26 Tot staving van de bescheiden waarvan sprake is in 68/64 en 65, dient de belastingplichtige een rechtvaardigen de nota voor te leggen waarin wordt aangetoond dat aan de gestelde vereisten voldaan is. Ter zake zal eventueel kunnen worden gesteundop de beslissing waarbij de tegemoetkoming is verleend.
2° Materiële vaste activa die voldoen aan bepaalde criteria met betrekking tot het gebruik ervan
68/27 Bedoeld zijn de materiële vaste activa die worden gebruikt voor (vgl. 44/206) :
- het tot stand brengen of ontwikkelen van nieuwe produktietechnieken, nieuwe apparatuur, nieuwe fabricageprocédés, nieuwe produkten of grondstoffen;
- het verbeteren van bestaande technieken, apparatuur en fabricatieprocédés;
- uitbreiding van ontdekkingen, die voortvloeien uit onderzoekingen en theorieën van wetenschappelijke of technische aard, tot praktische toepassingen met experimentele en bewijsvoerende doeleinden, met inbegrip van de experimentele produktie en het nemen van proeven met nieuwe tuigen, apparaten, materies en procédés.
Hier worden inzonderheid bedoeld :
- de apparaten of uitrustingen die aangewend worden voor het meten van fysische grootten;
- de proeftoestellen waarvan het produktievermogen a priori niet kan volstaan om een normaal rendement te geven;
- de prototypes;
- de preserie-bestanddelen die bestemd zijn om het onderzoeksprodukt te testen en definitief op punt te stellen vóórzijn commercialisatie.
Daarentegen zijn uitgesloten de apparaten of uitrustingen die, in het kader van de normale produktie van het bedrijf, voor routinewerkzaamheden of repetitieve werkzaamheden dienen die zich als dusdanig in het produktieproces inschakelen, zoals proeven, activiteiten van studie- en tekenbureaus en kwaliteitscontrole.
68/28 Tot staving van de bescheiden waarvan sprake is in 68/64 en 65 dient de belastingplichtige een rechtvaardigen de nota voor te leggen die aantoont dat de investeringen aan de gestelde vereisten beantwoorden.
Bovendien moet hij de onderzoeksdoeleinden waarvoor die vaste activa noodzakelijk zijn, omschrijven met de volgende bijzonderheden :
- het doel van de werkzaamheden waarbij het vaste activum wordt gebruikt;
- de beginselen of hypothesen die aan de basis liggen van die werkzaamheden;
- de technische moeilijkheden die met die werkzaamheden moeten worden overwonnen;
- het innoverend karakter van die werkzaamheden voor de onderneming;
- de technische en economische voordelen die de onderneming uit die werkzaamheden denkt te kunnen halen;
- de kenmerken van het vaste activum.
3° Materiële vaste activa die niet beantwoorden aan de criteria sub 1° of 2° hierboven
68/29 Voor materiële vaste activa waarvoor de belastingplichtige niet kan aantonen dat ze behoren tot de sub 1°of 2° hiervoren bedoelde gevallen, is vereist dat ze gezamenlijk door de Minister van Economische Zaken of de Minister die bevoegd is voor de Middenstand en door de Minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid erkend worden als zijnde noodzakelijk voor de verwezenlijking van een programma voor wetenschappelijk onderzoek dat bijdraagt tot technologische vernieuwing.
68/30 Met betrekking tot die materiële vaste activa moet een aanvraag tot erkenning als investering voor onderzoek in ontwikkeling aan de bescheiden waarvan sprake is in 42ter/64 en 65 toegevoegd worden. Die aanvraag moet met redenen omkleed zijn en tevens alle gegevens vermelden die nodig zijn om de gegrondheid ervan te beoordelen.
Bovendien moet de betrokken belastingplichtige een omschrijving geven van de onderzoeksdoeleinden waarvoor die vaste activa noodzakelijk zijn, door de in 68/28, 2° lid bedoelde bijzonderheden te verstrekken.
c) Onroerende goederen
68/31 Als investeringen voor onderzoek en ontwikkeling worden eveneens beschouwd, de onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen waarin zich investeringen voor onderzoek en ontwikkeling in de zin van 68/24 tot 30 bevinden en de vorsers zomede hun rechtstreekse medewerkers hun werkzaamheden uitoefenen.
Tot staving van de bescheiden waarvan sprake is in 68/64 en 65, dient de belastingplichtige een rechtvaardigende nota voor te leggen waaruit zal moeten blijken of aan de gestelde vereisten voldaan is.
2. IMMATERIELE VASTE ACTIVA
A) Begrip
68/32 Als immateriële vaste activa voor onderzoek en ontwikkeling worden beschouwd kosten van onderzoek en ontwikkeling, octrooien, licenties en know-how, zomede vooruitbetalingen op die bestanddelen, zoals die vaste activa zijn omschreven in de wetgeving met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen.
B) Van derden verworven immateriële vaste activa
68/33 Om te kunnen uitmaken of van derden verworven immateriële vaste activa kunnen worden aangemerkt als investeringen voor onderzoek en ontwikkeling, moet de betrokken belastingplichtige de volgende gegevens verstrekken :
a) de verantwoording van het inhoudelijk vermogen van die activa om het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe produkten of van toekomstgerichte technologieën te bevorderen; wanneer de investeringen niet worden gedaan in een onderzoekingscentrum als bedoeld in 68/23, moet die verantwoording worden gestaafd met een gezamenlijk attest dat uitgaat van de Minister van Economische Zaken of van de Minister die bevoegd is voor de Middenstand en van de Minister die bevoegd is voor het wetenschapsbeleid;
b) een afschrift van het contract waarbij de onderneming het vaste activum heeft aangeschaft;
c) het bewijs dat het immaterieel goed voor de eerste maal voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België wordt gebruikt; dit bewijs kan door alle bewijsmiddelen van het gemeen recht met uitzondering van de eed geleverd worden.
C) Zelf tot stand gebrachte immateriële vast activa
1° Activa tot stand gebracht in een onderzoekingscentrum
68/34 Wat de immateriële vaste activa betreft die worden tot stand gebracht in een onderzoekingscentrum als bedoeld in 68/23 moet een uiteenzetting worden verstrekt van de regelen die de onderneming heeft gehanteerd om haar uitgaven voor onderzoek te behandelen als immateriële vaste activa in de zin van de wetgeving met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen.
2° Activa tot stand gebracht buiten een onderzoekingscentrum
68/35 De kosten van onderzoek en ontwikkeling die een onderneming doet buiten een onderzoekingscentrum als bedoeld in68/23, komen slechts in aanmerking in de mate dat zij, naar het geval :
- in aanmerking zijn gekomen voor een tegemoetkoming door de Staat of door het I.W.O.N.L.;
door de Minister van Economische Zaken of de Minister die bevoegd is voor de Middenstand en de Minister die bevoegd is voor het wetenschapsbeleid gezamenlijk erkend zijn als noodzakelijk voor de verwezenlijking van een programma voor wetenschappelijk onderzoek dat bijdraagt tot technologische vernieuwing.
68/36 In het eerste geval moet de belastingplichtige het bewijs voorbrengen dat :
- de uitgaven in aanmerking zijn genomen voor een van de hiervoren bedoelde tegemoetkomingen;
- de tegemoetkoming wel degelijk is verleend voor kosten van onderzoek en ontwikkeling (en niet voor markt- en organisatiestudies en commercialisatiemethodes).
In het tweede geval moet de belastingplichtige bij de bescheiden waarvan sprake is in 68/64 en65 een aanvraag voegen tot erkenning van het gebruik van die uitgaven voor een programma als bedoeld in 68/35; die aanvraag moet met redenen omkleed zijn en tevens alle gegevens vermelden die nodig zijn om de gegrondheid ervan te beoordelen.
3° Gemeenschappelijke vereisten
68/37 De door een belastingplichtige als investering geboekte kosten van onderzoek en ontwikkeling kunnen slechts als immateriële vaste activa worden beschouwd indien het bewijs wordt geleverd dat die kosten een gebruikswaarde hebben of een toekomstig rendement zullen hebben voor de onderneming. Hun waarde mag bovendien niet hoger zijn dan die welke blijkt uit een voorzichtige raming van die gebruikswaarde of dat rendement (zie art. 25, KB8.10.1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen).
68/38 Om te kunnen beoordelen of aan die vereisten is voldaan, moet de belastingplichtigen de volgende gegevens verstrekken :
- indien het immateriële vaste activa betreft die in een onderzoekingscentrum tot stand zijn gebracht : het in 68/23 bedoelde afzonderlijk stel rekeningen dat het mogelijk maakt de kosten van het onderzoekingscentrum te bepalen;
- indien het immateriële vaste activa betreft die buiten een onderzoekingscentrum zijn tot stand gebracht : de rekeningen die het mogelijk maken het bedrag van de kosten te bepalen.
Luidens art. 12octies, § 4, 3°, a en4°, c, KB/WIB, kan de Minister van Financiën de vorm en de inhoud van die rekeningen vastleggen en eventueel de waarmerking ervan eisen; van die mogelijkheid is nog geen gebruik gemaakt.
68/39 Uit de berekeningsgrondslag van de investeringsaftrek met betrekking tot de immateriële vaste activa, moet wel te verstaan het gedeelte van de geactiveerde kosten gesloten worden dat bestaat uit afschrijvingen van de materiële vaste activa die bij het onderzoek en de ontwikkeling worden gebruikt. De belastingplichtigen moeten een gedetailleerde berekening van de uit te sluiten afschrijvingen verstrekken.
D. MEUBELS EN KANTOORMATERIEEL
68/40 Onder meubels wordt verstaan het geheel van de roerende voorwerpen die dienen tot het stofferen van de lokalen van de onderneming (bureaumeubels, zetels, stoelen, kasten, toonbanken, enz.) en dit ongeacht de plaats waar die voorwerpen zijn opgesteld(in kantoren, vergaderzalen, ontvangstruimten, verkoopruimten, refters, magazijnen, werkplaatsen, enz.).
68/41 Onder kantoormaterieel wordt verstaan machines en toestellen (schrijf-, reken-, kopieer- en boekhoudmachines, telefooninstallaties, dicteertoestellen, enz.) die normaal worden gebruikt bij het verrichten van kantoorwerk en zulks zowel wanneer dat werk wordt uitgevoerd ten behoeve van de onderneming zelf(administratie, beheer, boekhouding, enz.) als ten behoeve van derden (in dienstverlenende bedrijven en beroepen).
In dezelfde gedachtengang moetencomputerinstallaties en -materieel, zelfs wanneer die activa bijvoorbeeld in dienstverlenende bedrijven en beroepen werkelijke produktieapparaten zijn, bij het kantoormaterieel worden ingedeeld wanneer ze voor kantoorwerkzaamheden worden gebruikt. Zulks sluit niet uit dat dergelijke activa als "energiebesparende investeringen" of als "investeringen voor onderzoek en ontwikkeling" kunnen worden beschouwd, mits zij aan de voor dergelijke investeringen gestelde criteria beantwoorden. Computerinstallaties en -materieel kunnen ook tot de "andere investeringen" behoren indien ze bijvoorbeeld uitsluitend of hoofdzakelijk worden gebruikt voor de werking van het eigenlijke industriële materieel (zie P.V. nr. 180 van 21.2.1983, gesteld door Volksvertegenwoordiger DETREMMERIE - B. 618).
E. ANDERE INVESTERINGEN
68/42 De laatste categorie wordt gevormd door alle in aanmerking komende investeringen die niet onder een van de hiervoren besproken categorieën kunnen worden ingedeeld.
V.BEREKENINGSGRONDSLAG VAN DE INVESTERINGSAFTREK
68/43 Voor de berekening van de investeringsaftrek moet worden uitgegaan van de aanschaffing- of beleggingswaarde van de in aanmerking komende investeringen, d.i. de waarde waarop de afschrijvingen worden berekend. Het gaat derhalve, volgens het geval, om de aanschaffingsprijs, de vervaardigingsprijs of de inbrengprijs.
68/44 De aandacht wordt op de volgende punten gevestigd:
a) voor investeringen die gedeeltelijkzijn verworven door middel van toelagen of premies in kapitaal die, voor de berekening van de afschrijvingen, van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de desbetreffende bestanddelen worden afgetrokken, moet de grondslag waarop de investeringsaftrek wordt berekend worden beperkt tot het gedeelte van de aanschaffingswaarde dat de bedoelde toelagen of premies overtreft;
b) in geval van contracten van leasing en soortgelijke rechten (zie 68/11) moet de investeringsaftrek worden berekend op het deel van de gespreide stortingen dat de wedersamenstelling in kapitaal vertegenwoordigt van de waarde van het goed waarop het contract betrekking heeft, in voorkomend geval verhoogd met de bij de aanvang van het contract betaalde som, behoudens indien en in de mate dat die bedragen moeten worden geacht een gedeelte van de aanschaffingswaarde van terreinen te bevatten (zie circ. 3.2.1983, Ci.RH.421/339.145, nr. 33).
VI. BEREKENINGVAN DE INVESTERINGSAFTREK
A. ALGEMEEN
68/45 De investeringsaftrek kan, naar de keuze van de belastingplichtige :
- ofwel in éénmaal worden toegepast voor het jaar of boekjaar waarin de investeringen zijn gedaan;
- ofwel worden gespreid over de jaren of boekjaren waarvoor op de investeringen afschrijvingen worden aangenomen.
Evenwel kunnen belastingplichtigen die op de eerste dag van het jaar of boekjaar waarin de investeringen zijn gedaan minder dan twintig werknemers te werkstellen voor een vereenvoudigde gespreide aftrek kiezen.
Het is overigens toegestaan op een gedeelte van de investeringen van een jaar of boekjaar de eenmalige aftrek toe te passen en op een ander gedeelte de gespreide aftrek (of de vereenvoudigde gespreide aftrek indien de belastingplichtige daarvoor in aanmerking komt). Een gelijktijdige toepassing van de gespreide aftrek en de vereenvoudigde gespreide aftrek is echter uitgesloten.
B. EENMALIGE AFTREK
68/46 De eenmalige investeringsaftrek stemt overeen meteen bepaald percentage van de als berekeningsgrondslag voor de afschrijvingen dienende aanschaffings- of beleggingswaarde van de in aanmerking komende investeringen.
Dit percentage bedraagt :
35 pct. voor energiebesparende investeringen;
20 pct. voor investeringen voor onderzoek en ontwikkeling;
5 pct. voor meubels en kantoormaterieel;
13 pct. voor andere investeringen.
Voorbeeld
68/47 Een onderneming die per kalenderjaar boekhoudt doet in 1982 volgende in aanmerking komende investeringen :
- energiebesparende investeringen : 400.000 F
- investeringen van onderzoek en ontwikkeling : 600.000 F
- meubels en kantoormaterieel : 200.000 F
- andere investeringen : 1.500.000F
Het bedrag van de eenmalige investeringsaftrek is als volgt te berekenen :
- 400.000 F x 35 pct. : 140.000 F
- 600.000 F x 20 pct. :120.000 F
- 200.000 F x 5 pct. : 10.000 F
- 1.500.000 F x 13 pct. :195.000 F
- totaal 465.000 F
68/48 De percentages van 5 en 13 pct. worden respectievelijk tot 7 en 18 pct. verhoogd voor vaste activa die in 1983 zijn aangeschaft of tot stand gebracht met het oog op de tijdens dat jaar verrichte compenserende indienstneming als gevolg van de vermindering van de arbeidsduur.
Deze verhoogde percentages zijn slechts van toepassing wanneer de Minister van Tewerkstelling en Arbeid erkent :
- dat die vaste activa in 1983 zijn aangeschaft of tot stand gebracht met het oog op de tijdens dat jaar verrichte compenserende indienstneming als gevolg van de vermindering van de arbeidsduur;
- indien de aanschaffings- of beleggingswaarde van die vaste activa hoger is dan 250.000 F per bijkomende personeelseenheid, dat die activa noodzakelijk zijn om dat personeel te werk testellen.
C. GESPREIDE AFTREK
Afgeschaft.
D. VEREENVOUDIGDE GESPREIDE AFTREK
68/55 Zoals gezegd in 68/45, 2e lid, kunnenondernemingen die minder dan twintig werknemers te werk stellen op de eerste dag van het jaar of boekjaar waarin de activa zijn aangeschaft of tot stand gebracht voor een vereenvoudigde gespreide aftrek kiezen.
Over het algemeen zullen zich geen moeilijkheden voordoen om het aantal werknemers te bepalen dat door de onderneming op de eerste dag van het jaar of boekjaar is tewerkgesteld.
Daartoe kan inzonderheid worden gesteund op het in de onderneming bijgehouden personeelsregister. Te noteren valt dat de inschrijvingen in dat register kunnen worden vergeleken met die in de "statistische vakken" van de kwartaalaangifte R.S.Z.
Om te bepalen of de grens van 20 werknemers op de eerste dag van het jaar of boekjaar al dan niet is bereikt, moet iedere werknemer die deeltijdse arbeid verricht voor één eenheid worden gerekend.
68/56 De vereenvoudigde gespreide aftrek wordt, voor ieder van de jaren of boekjaren die in de afschrijvingsperiode van de in aanmerking komende activa zijn begrepen, bepaald op 5 pct. Of op 20 pct. van de afschrijvingen die voor diezelfde periode worden aangenomen, naargelang die afschrijvingen betrekking hebben op meubels en kantoormaterieel, resp. op andere vaste activa (daaronder begrepen energiebesparende investeringen en investeringen voor onderzoek en ontwikkeling).
Voorbeeld
68/57 Een onderneming die per kalenderjaar boekhoudt en die op 1.1.1982 minder dan 20 werknemers te werk stelt, opteert voor de vereenvoudigde gespreide investeringsaftrek in verband met de volgende in 1982 gedane investeringen :
- meubels en kantoormaterieel :
- lineair afschrijfbaar tegen10 pct. : 20.000 F
- lineair afschrijfbaar tegen 20 pct. : 40.000 F
- andere investeringen met een normale gebruiksduur van 10 jaar die degressief tegen 20 pct. worden afgeschreven : 100.000 F
De onderneming heeft aanspraak op de volgende investeringsaftrekken:
-meubels en kantoormaterieel :
- tijdens elk der jaren 1982 tot 1991: 20.000 F x 10 pct. x 5 pct. = 100 F
- tijdens elk der jaren 1982tot 1986 : 40.000 F x 20 pct. x 5 pct. = 400 F
- andere investeringen :
| jaar | restwaarde | Afschrijvingen | investeringsaftrek 20 pct. |
| 1982 | 100.000 F | 20.000 F | 4.000 F |
| 1983 | 80.000 F | 16.000 F | 3.200 F |
| 1984 | 64.000 F | 12.800 F | 2.560 F |
| 1985 | 51.200 F | 10.240 F | 2.048 F |
| 1986 | 40.960 F | 10.000 F | 2.000 F |
| 1987 | 30.960 F | 10.000 F | 2.000 F |
| 1988 | 20.960 F | 10.000 F | 2.000 F |
| 1989 | 10.960 F | 10.000 F | 2.000 F |
| 1990 | 960 F | 960 F | 192 F |
| totaal | 20.000 F |
E. OVERDRACHT OF BUITENGEBRUIKSTELLING
68/58 Art. 73, WIB 92, bepaalt dat de investeringsaftrekken niet in aanmerking komen voor het bepalen van de latere meer- of minderwaarden op de bestanddelen waarvoor zij werden verleend.
Uit die bepaling vloeit inzonderheid voort dat, ten name van belastingplichtigen die de eenmalige investeringsaftrek hebben verkregen, die aftrek niet moet worden herzien bij overdracht of buitengebruikstelling van de bestanddelen waarop de aftrek betrekking had.
68/59 Uit het 2e lid van de voormelde § 5 volgt bovendien dat, bij overdracht of buitengebruikstelling van een investering waarvoor de gespreide aftrek (gewone of vereenvoudigde) is verkregen, de belastingplichtige eventueel aanspraak heeft op een aanvullende aftrek.
Van een aanvullende aftrek zal evenwel slechts sprake zijn indien het totale bedrag van de reeds verworven gespreide aftrekken kleiner is dan de eenmalige aftrek die had kunnen worden toegepast.
De aanvullende aftrek is inderdaad gelijk aan het verschil tussen :
- enerzijds het bedrag van de eenmalige aftrek die had kunnen worden toegepast;
- en anderzijds het totale bedrag van de reeds verkregen gespreide aftrekken.
VII. TOEPASSING VAN DE INVESTERINGSAFTREK
68/62 Ten name van de PB (dezelfde regels gelden inzake BNV- nat.pers.) onderworpen belastingplichtigen wordt de investeringsaftrek in mindering gebracht van de winsten (of baten)van Belgische oorsprong die overblijven vóór aftrek van de eventuele verliezen uit andere beroepswerkzaamheden.
68/63 Indien het jaar of boekjaar waarin de aftrek in beginsel moet geschieden, geen of onvoldoende Belgische winsten of baten oplevert, mag de niet verleende vrijstelling onbeperkt op de winsten of baten van de eerstvolgende jaren of boekjaren worden overgedragen.
VIII. TE VERVULLEN FORMALITEITEN
68/64 Om de investeringsaftrek te kunnen genieten, moeten de belastingplichtigen bij hun aangifte in de inkomstenbelastingen waarin zulke aftrek is vermeld, een ingevuld, gedateerd en ondertekend formulier nr. 276U voegen.
Het formulier 276U omvat drie vakken die voor de belastingplichtige bestemd zijn. Vak I moet in alle gevallen worden ingevuld en heeft o.m. betrekking op de berekening van de eenmalige aftrek. Vakken II en III moeten slechts worden ingevuld door belastingplichtigen die voor al of een deel van de tijdens het jaar of boekjaar gedane investeringen de gespreide aftrek of de vereenvoudigde gespreide aftrek verkiezen.
Aan het formulier is een afschrift gehecht dat door de belastingplichtige kan worden bewaard, evenals een toelichting waarin o.m. verduidelijkingen worden verstrekt over de in de verschillende vakken te vermelden gegevens.
68/65 De belastingplichtige moet bij het formulier, per categorie van investering (d.w.z. volgens het toepasselijke percent van de investeringsaftrek), een door hem op te stellen opgave voegen die voor elk activum vermeldt :
a) de datum van de aanschaffing of de totstandkoming;
b) de juiste benaming;
c) de aanschaffings- of beleggingswaarde;
d) de normale gebruiksduur (d.w.z. de lineaire afschrijvingsduur) en de afschrijvingsduur (d.w.z. de werkelijke afschrijvingsduur, gelet op het toegepaste afschrijvingsstelsel).
Wat belastingplichtigen betreft die gebruik maken van de gespreide of vereenvoudigde gespreide aftrek, verdient het aanbeveling, voor de berekening van de jaarlijkse aftrek de activa in elke opgave te groeperen volgens hun werkelijke afschrijvingsduur.
68/66 In voorkomend geval moeten nog bij het formulier276U worden gevoegd :
- het (de) attest(en) tot erkenning als energiebesparende investering (zie 68/22);
- de diverse bescheiden die vereist zijn om de aftrek voorinvesteringen voor onderzoek en ontwikkeling te verkrijgen (zie 68/23 tot 39);
het attest van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid houdende erkenning als investering wegens compenserende indienstneming van personeel (zie 68/48).
IX. GEDEELTELIJKE TERUGNEMING VAN DE AFTREK OP INVESTERINGEN VOOR ONDERZOEK EN ONTWIKKELING
68/67 De materiële vaste activa zomede de van derden verworven immateriële vaste activa voor onderzoek en ontwikkeling, moeten tijdens de gehele duur van de afschrijvingstermijn van die activa voor onderzoek en ontwikkeling gebruikt worden door degene die de investeringsaftrek heeft verkregen resp. door degene die de activa heeft verworven in gevallen als bedoeld in art. 46, § 1, 1°, WIB 92 (voortzettingsstelsel) en 46, § 1, 3°, WIB 92 (inbreng van een landbouwbedrijf in een landbouwvennootschap).
68/68 Wanneer een vast activum voor onderzoek en ontwikkeling tijdens de afschrijvingsperiode een andere bestemming krijgt, geldt het volgende:
1. wat met de eenmalige aftrek teveel is verkregen zal worden belast als winst van het jaar of boekjaar waarin de bestemming is veranderd; dat teveel is gelijk aan een percentage van de aanschaffings- of beleggingswaarde dat wordt bekomen door de volgende twee factoren te vermenigvuldigen :
a) het verschil tussen het tarief van 20pct. en dat van 5 of 13 pct. naar gelang van de aard van deinvestering;
b) een breuk waarvan :
- de teller is het aantal jaren of boekjaren die, met inbegrip van dat waarin de verandering van bestemming zich heeft voorgedaan, nog overblijven van de normale afschrijvingsduur;
- de noemer is het aantal jaren of boekjaren welke de normale afschrijvingsduur telt;
2. ingeval toepassing werd gemaakt van de gespreide aftrek, moet het tarief van 20 pct., met ingang van het jaar of boekjaar waarin de verandering van bestemming zich voordoet, worden vervangen door het tarief van 5 of 13 pct., naargelang van de aard van het vaste activum.
BIJLAGE 2
DIVERSE RICHTLIJNEN
I. OVERDRACHT VAN DE INVESTERINGSAFTREK BIJ BELASTINGVRIJEVERRICHTINGEN
1. Als regel geldt, dat de investeringsaftrek uitsluitend mag worden toegepast door de belastingplichtige die de in aanmerking komende investeringen heeft verricht.
Van die regel wordt evenwel afgeweken in geval van :
- overlating van het bedrijf of van de beroepswerkzaamheid aaneen natuurlijk persoon onder toepassing van het voortzettingsstelsel (art. 46, § 1, 1°, WIB 92);
- inbreng van één of meer takken van werkzaamheid in een bestaande of op te richten vennootschap (art. 46, § 1, 2°, a, WIB92);
- inbreng van een algemeenheid van goederen in een Belgische vennootschap (art. 40, § 1, 2°, b, WIB);
- inbreng van een landbouwbedrijf in een landbouwvennootschap(art. 46, § 1, 3°, WIB 92);
belastingvrije fusie, splitsing of omvorming van een vennootschap (art. 211, WIB 92).
In dergelijke gevallen mag de gespreide aftrek of de vereenvoudigde gespreide aftrek, voor de nog resterende belastbare tijdperken die begrepen zijn in de afschrijvingsduur van ingebrachte activa, worden voortgezet door de overnemer van die activa. Als dan mag uiteraard de aanvullende aftrek bedoeld in 68/59 aan de overlater niet verleend worden.
II. GEDEELTELIJKE TERUGNEMING VAN DE AFTREK OP INVESTERINGENVOOR ONDERZOEK EN ONTWIKKELING
2. De in Com.IB 42ter/67 en 68vermelde regels bij verandering van het gebruik van bepaalde investeringen voor onderzoek en ontwikkeling, zijn eveneens van toepassing in gevallen als bedoeld in art. 46, § 1, 2°, WIB 92(inbreng van één of meer takken van werkzaamheid of van algemeenheid van de goederen), en 211, WIB 92 (belastingvrije fusie of splitsing).
III. TOEPASSING VAN DE INVESTERINGSAFTREK BIJ VENNOOTSCHAPPEN
3. Art. 7, KB 23.12.1982 tot wijziging van het KB/WIB (V. 1646 - B. 614) brengt de volgende wijzigingen aan in art. 64bis van dit laatste KB:
1° er wordt een § 6bis ingevoegd, luidend als volgt :
"§ 6bis. De investeringsaftrek waarop de vennootschap aanspraak kan maken op grond van artikel 42ter van hetzelfde Wetboek, wordt vervolgens onder de vennoten verdeeld. Die aftrek mag niet meer bedragen dan de som van de restbedragen na toepassing van § 6, en het aandeel van elke vennoot in de aftrek wordt naar verhouding van de positieve restbedragen berekend".
2° in § 7, eerste lid, worden de woorden "na toepassing van § 6" vervangen door de woorden "na toepassing van § 6bis".
Anderdeels voegt art. 10 van voormeld KB 23.12.1982 een als volgt luidend art. 69bis in het KB/WIB :
"Art. 69bis. De in artikel 42ter van het Wetboek van deinkomstenbelastingen bedoelde investeringsaftrek wordt vervolgens afgetrokken van het bedrag van de Belgische winst die overblijft na toepassing van artikel 69".
4. Uit die wijzigingen volgt dat de investeringsaftrek bij vennootschappen wordt toegepast op de Belgische winst die overblijft na aftrek van de vorige verliezen. Vennootschappen die nog aanspraak hebben op een aftrek vooraanvullende investeringen (laatstelijk toegestaan door art. 50, W.4.8.1978 tot economische heroriëntering, V. 1478 - B. 566) mogen bovendien eerst, binnen de gestelde termijn van vijf jaar, de nog recupereerbare aftrek voor aanvullende investeringen toepassen.
5. In optievennootschappen mag de investeringsaftrek niet meer bedragen dan het (algebraïsche) totaal van de positieve en negatieve bedragen die overblijven na de vorige aftrekkingen. De investeringsaftrek wordt verdeeld onder de vennoten met een positief resultaat en het aandeel van elke vennoot wordt bepaald volgens de verhouding van zijn positief resultaat tot het geheel van de positieve resultaten.
IV. TERUGNEMING VAN VRIJSTELLINGEN IN 'T ALGEMEEN
6. Art. 9, 2°, van het voormelde KB23.12.1982 heeft art. 65, A, 2° en B, 2°, KB/WIB aangevuld met de woorden "evenals de voorheen vrijgestelde winsten die belastbaar worden in de loop van het belastbaar tijdperk, voor zover ze niet in 1° zijn begrepen."
7. Die wijziging strekt ertoe de administratieve praktijk te bevestigen volgens welke zekere voorheen verleende vrijstellingen die voor een bepaald aanslagjaarmoeten worden teruggenomen of verbeterd, samen met de "verworpen uitgaven" in de maatschappelijke winst worden opgenomen.
Dit is met name het geval met :
- de van belasting vrijgestelde toelagen en premies in kapitaal die, voor het boekjaar waarin ze op de resultatenrekening werden geboekt, uit de belastbare winst werden gesloten door een aanpassing van de begintoestand van de reserves maar die, bij de realisatie of buitengebruikstelling van de activa waarop ze betrekking hebben, in die winst moeten worden opgenomen ter compensatie van het op te nemen afschrijvingsexcedent (zie Com.IB98/13.3, voorbeelden 4, 5 en 6);
- de meerwaarden die belastbaar worden bij de realisatie van activabestanddelen welke deel uitmaakten van een met belastingvrijstelling ingebrachte tak van werkzaamheid (zie Com.IB105/42 en 43);
- de meerwaarden die belastbaar worden bij de realisatie van aandelen of delen die door een vennootschap zijn verkregen ter vergoeding van een tak van werkzaamheid die ze, tijdens een aj. Dat 1974 voorafging, belastingvrij heeft ingebracht (zie Com.IB105/44);
- de terug te nemen vrijstellingen voor bijkomend personeel (zie circ. Ci.D.19/324.587, nr. II/368 - V. 610);
) bepaalde meerwaarden die belastbaar worden in vennootschappen die voorheen hebben deelgenomen aan een belastingvrije fusie of splitsing van vennootschappen met onderlinge deelnemingen (zieCom.IB 124/73).
8. Dezelfde werkwijze moet voortaan worden toegepast met betrekking tot de eenmalige investeringsaftrek op "investeringen voor onderzoek en ontwikkeling" die gedeeltelijk moet worden teruggenomen wanneer die investeringen later tot andere doeleinden worden gebruikt (zie Com.IB 42ter/68).
