Circulaire nr. Ci.RH.244/446.194 dd. 04.03.1993
CIRC 04.03.93/1
Circulaire nr. Ci.RH.244/446.194 dd. 04.03.1993
Bull. nr. 726
BEDRIJFSVOORHEFFING
Belastbare grondslag van de BV
Werknemer bezoldigd met fooien
Bezoldiging
Loonfiche
Fiche 281.10
Samenvattende opgave
Opgave 325.10
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 en 3.
I. INLEIDING
1. Er bestaat blijkbaar twijfel omtrent de juiste toepassing van de richtlijnen betreffende de berekening van de bedrijfsvoorheffing en het opstellen van loonfiches nr. 281.10 voor werknemers die met fooien bezoldigd worden. Deze circulaire heeft tot doel aan de ter zake geldende richtlijnen te herinneren en ze met enkele voorbeelden te verduidelijken.
II. BEDRIJFSVOORHEFFING
2. Voor werknemers wier bezoldiging volledig, gedeeltelijk of bijkomstig uit fooien bestaat, zijn de bedragen die in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de BV op hun gewone bezoldigingen (met inbegrip van de waarde van de voordelen van alle aard, maar met uitsluiting van het vakantiegeld, van de exceptionele vergoedingen, enz.) verschillend naargelang die fooien al dan niet worden berekend op de ontvangsten van de onderneming die deze werknemers in dienst heeft (cf. nr. 3 van Bijlage III van het KB/WIB zoals laatst vervangen door de bijlage van het KB 19.12.1991 - BS 25.12.1991 en Com.IB 184/10 en 11).
In die gevallen moet de BV worden berekend op de hoogste van de twee volgende grondslagen :
5. Het bedrag dat in deze gevallen tot grondslag voor de berekening van de BV dient is het bedrag van de forfaitaire bezoldigingen die tot grondslag hebben gediend voor de berekening van de RSZ-bijdragen van de werknemer en de werkgever, verminderd met de door de werknemer zelf gedragen sociale bijdragen.
6. Er wordt aangestipt dat wegens het feit dat het gewone vakantiegeld opgenomen was in de bezoldigingen die tot grondslag voor de berekening van de RSZ-bijdragen dienen, het bedrag van de eventueel in aanmerking te nemen gewone forfaitaire bezoldigingen tot 31.12.1989, 100/108 was van het bedrag dat geldt inzake sociale zekerheid.
7. Met ingang van 1.1.1990 is het gewone vakantiegeld (8 %) niet meer opgenomen in de forfaitaire basislonen waarop de bijdragen voor sociale zekerheid moeten worden berekend. Derhalve moet 100/100 van het bedrag dat als basis geldt voor de RSZ, als forfaitaire bezoldiging worden aangemerkt.
8. De bedragen van de gewone forfaitaire onbegrensde bezoldigingen die eventueel in aanmerking moeten worden genomen, zijn opgenomen in de tabel die in Com.IB 29/2, is vermeld.
Voorbeeld.
9. Een kelner (alleenstaande zonder gezinslasten) werkte in oktober 1992 vijf dagen per week in een taverne. Hij werd uitsluitend met fooien bezoldigd. Zijn vergoedingen schommelen tussen 1.500 F tot 2.400 F per dag. Zo verkreeg hij op 3.10.1992, 2.200 F aan fooien en op 4.10.1992, 1.600 F.
Berekening van de BV verschuldigd voor 3.10.1992.
Het totaal van de fooien (brutobedrag voor inhouding RSZ) bedraagt 2.200 F. De gewone forfaitaire bezoldiging die voor de bedoelde kelner vanaf 1.10.1992 in aanmerking moet worden genomen bedraagt 1.821 F (= brutobedrag voor RSZ - cf. tabel in Com.IB 29/2).
Het totaal van de fooien (brutobedrag voor RSZ) bedraagt 1.600 F. De gewone forfaitaire bezoldiging die voor de betrokkene in aanmerking moet genomen worden bedraagt 1.821 F (= brutobedrag voor RSZ, zie voorbeeld 1).
III. PERSONENBELASTING
10. Het belastingstelsel van de bezoldigingen van werknemers die met fooien bezoldigd worden, is ter uitvoering van art. 31, vierde lid, WIB 1992 (art. 29, oud WIB) bepaald in art. 14 KB/WIB (cf. Com.IB 29/1 tot 7).
11. De werknemers die volledig, hoofdzakelijk of bijkomstig worden bezoldigd met fooien die rechtstreeks worden betaald door de clientele van de inrichting waar ze zijn tewerkgesteld, zijn in principe de belasting verschuldigd op het bedrag van de bedragen die zij in werkelijkheid hebben ontvangen, eventueel verhoogd met de voordelen die zij hebben genoten. Hetzelfde geldt voor het personeel dat werkt in een inrichting waar de door de clientele betaalde prijzen een dienstpercentage bevatten dat de fooien vervangt.
Wanneer de fooien of dienstpercenten, verhoogd met de voordelen van alle aard, evenwel lager zijn dan de forfaitaire bezoldigingen die tot grondslag hebben gediend voor de berekening van de RSZ-bijdragen, moeten deze laatste ten name van de werknemers als belastbare brutobezoldiging in aanmerking worden genomen. Dit bedrag wordt geacht de voordelen van alle aard, maar niet de vakantiegelden, de exceptionele vergoedingen, enz. te omvatten.
12. Rekening houdende met de gegevens van het voorbeeld sub 9 en met een inhouding inzake sociale zekerheid van 13,07 %, zijn de belastbare inkomsten van de betrokken werknemer voor 3 en 4.10.1992 de volgende :
13. De werkgevers die werknemers in dienst hebben die volledig, hoofdzakelijk of bijkomstig met fooien worden bezoldigd, moeten bij het opstellen van de loonfiches 281.10 als volgt handelen (cf. nr. 38, van het Bericht aan de werkgevers, gepubliceerd als bijvoegsel bij het Belgisch Staatsblad van 11.1.1992) :
Voor 3.10.1992
Het bedrag van de lonen en wedden dat aftrekbaar is van de winst van de werkgever is steeds gelijk aan de werkelijk door hem ten laste genomen sommen; dat bedrag stemt niet noodzakelijk overeen met datgene dat als totaal in de opgave 325.10 voorkomt (cf. Com.IB 44/368).
Circulaire nr. Ci.RH.244/446.194 dd. 04.03.1993
Bull. nr. 726
BEDRIJFSVOORHEFFING
Belastbare grondslag van de BV
Werknemer bezoldigd met fooien
Bezoldiging
Loonfiche
Fiche 281.10
Samenvattende opgave
Opgave 325.10
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 en 3.
I. INLEIDING
1. Er bestaat blijkbaar twijfel omtrent de juiste toepassing van de richtlijnen betreffende de berekening van de bedrijfsvoorheffing en het opstellen van loonfiches nr. 281.10 voor werknemers die met fooien bezoldigd worden. Deze circulaire heeft tot doel aan de ter zake geldende richtlijnen te herinneren en ze met enkele voorbeelden te verduidelijken.
II. BEDRIJFSVOORHEFFING
2. Voor werknemers wier bezoldiging volledig, gedeeltelijk of bijkomstig uit fooien bestaat, zijn de bedragen die in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de BV op hun gewone bezoldigingen (met inbegrip van de waarde van de voordelen van alle aard, maar met uitsluiting van het vakantiegeld, van de exceptionele vergoedingen, enz.) verschillend naargelang die fooien al dan niet worden berekend op de ontvangsten van de onderneming die deze werknemers in dienst heeft (cf. nr. 3 van Bijlage III van het KB/WIB zoals laatst vervangen door de bijlage van het KB 19.12.1991 - BS 25.12.1991 en Com.IB 184/10 en 11).
1e geval : de fooien worden berekend op de ontvangsten van de onderneming3. Hier worden de gevallen bedoeld waarin de fooi berekend wordt op de ontvangsten van de onderneming, ongeacht de wijze waarop de fooien verkregen worden en ongeacht of ze al dan niet rechtstreeks in de door de klanten betaalde prijs begrepen zijn.
In die gevallen moet de BV worden berekend op de hoogste van de twee volgende grondslagen :
4. Het betreft hier gevallen waarin de fooi op geen enkele wijze afhankelijk is van de ontvangsten van de onderneming (inzonderheid de gevallen waarin het bedrag van de fooi volledig willekeurig door de klant wordt bepaald) of nog, gevallen waarin de met fooien bezoldigde werknemer geen enkele som voor rekening van de onderneming ontvangt (inzonderheid programmaverkoopsters en vestiairebedienden van theaters, bioscopen, enz., toiletvrouwen en kruiers).2de geval : de fooien worden niet berekend op de ontvangsten van de onderneming
- het bedrag van de eventuele vaste bezoldigingen (met inbegrip van de waarde van de voordelen van alle aard) verhoogd met het aandeel van de werknemer in de fooien, met dien verstande dat het totaal van die fooien niet lager mag zijn dan het produkt van de ontvangsten die aanleiding geven tot de inning van fooien met het percent dat in de onderneming gewoonlijk als fooi wordt toegepast; dat bedrag wordt verminderd met de door de werknemer gedragen sociale bijdragen.
- het bedrag van de forfaitaire bezoldigingen die tot grondslag hebben gediend voor de berekening van de bijdragen welke door de werknemers en hun werkgever ter uitvoering van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid verschuldigd zijn, verminderd met de door de werknemer gedragen sociale bijdragen.
5. Het bedrag dat in deze gevallen tot grondslag voor de berekening van de BV dient is het bedrag van de forfaitaire bezoldigingen die tot grondslag hebben gediend voor de berekening van de RSZ-bijdragen van de werknemer en de werkgever, verminderd met de door de werknemer zelf gedragen sociale bijdragen.
6. Er wordt aangestipt dat wegens het feit dat het gewone vakantiegeld opgenomen was in de bezoldigingen die tot grondslag voor de berekening van de RSZ-bijdragen dienen, het bedrag van de eventueel in aanmerking te nemen gewone forfaitaire bezoldigingen tot 31.12.1989, 100/108 was van het bedrag dat geldt inzake sociale zekerheid.
7. Met ingang van 1.1.1990 is het gewone vakantiegeld (8 %) niet meer opgenomen in de forfaitaire basislonen waarop de bijdragen voor sociale zekerheid moeten worden berekend. Derhalve moet 100/100 van het bedrag dat als basis geldt voor de RSZ, als forfaitaire bezoldiging worden aangemerkt.
8. De bedragen van de gewone forfaitaire onbegrensde bezoldigingen die eventueel in aanmerking moeten worden genomen, zijn opgenomen in de tabel die in Com.IB 29/2, is vermeld.
Voorbeeld.
9. Een kelner (alleenstaande zonder gezinslasten) werkte in oktober 1992 vijf dagen per week in een taverne. Hij werd uitsluitend met fooien bezoldigd. Zijn vergoedingen schommelen tussen 1.500 F tot 2.400 F per dag. Zo verkreeg hij op 3.10.1992, 2.200 F aan fooien en op 4.10.1992, 1.600 F.
Berekening van de BV verschuldigd voor 3.10.1992.
Het totaal van de fooien (brutobedrag voor inhouding RSZ) bedraagt 2.200 F. De gewone forfaitaire bezoldiging die voor de bedoelde kelner vanaf 1.10.1992 in aanmerking moet worden genomen bedraagt 1.821 F (= brutobedrag voor RSZ - cf. tabel in Com.IB 29/2).
- Voor de berekening van de RSZ-bijdragen wordt de forfaitaire bezoldiging van 1.821 F in aanmerking genomen. De werknemersbijdrage inzake RSZ is vanaf 1.7.1992 vastgesteld op 13,07 % en bedraagt hier dus 1.821 x 13,07 % = 238 F.
- Voor de berekening van de verschuldigde BV wordt het totaal van de verkregen vergoedingen in aanmerking genomen, aangezien dit bedrag (2.200 F) meer bedraagt dan de forfaitaire bezoldiging RSZ (1.821 F). De berekeningsgrondslag van de BV is hier 2.200 F - 238 F = 1.962 F. Voor de per werkdag betaalde bezoldigingen bedraagt de BV het twintigste van de voorheffing die volgens de regels en de schalen per maand verschuldigd is op twintigmaal de bezoldiging per werkdag (cf. nr. 14, van de voormelde Bijlage III). De verschuldigde BV wordt derhalve berekend als volgt : Bezoldiging per werkdag : 1.962 F x 20 dagen = 39.240 F per maand. De BV vastgesteld overeenkomstig schaal I (alleenstaande) bedraagt : 7.430 F. Op de dagbezoldiging dd. 3.10.1992 van 2.200 F moet dus 7.430 F = 371 F worden ingehouden. 20
Het totaal van de fooien (brutobedrag voor RSZ) bedraagt 1.600 F. De gewone forfaitaire bezoldiging die voor de betrokkene in aanmerking moet genomen worden bedraagt 1.821 F (= brutobedrag voor RSZ, zie voorbeeld 1).
- Voor de berekening van de RSZ-bijdragen wordt de forfaitaire bezoldiging van 1.821 F (= brutobedrag voor RSZ) in aanmerking genomen (zie voorbeeld 1).
- De verschuldigde BV moet worden berekend op de hoogste van de twee volgende grondslagen :
De BV moet dus worden berekend op een bezoldiging van 1.583 F. Bezoldiging per werkdag : 1.583 F x 20 dagen = 31.660 F per maand. De BV vastgesteld volgens schaal I (alleenstaande) bedraagt 4.440 F. De op de dagbezoldiging van 4.10.1992 in te houden BV bedraagt 4.440 F = 222 F. 201 . bezoldiging (fooien) : 1.600 F - 238 F (RSZ) = 1.362 F;
2. het bedrag van de forfaitaire bezoldigingen die tot grondslag hebben gediend voor de berekening van de RSZ-bijdragen, verminderd met de werknemersbijdrage RSZ : 1.821 F - 238 F (RSZ) = 1.583 F.
III. PERSONENBELASTING
10. Het belastingstelsel van de bezoldigingen van werknemers die met fooien bezoldigd worden, is ter uitvoering van art. 31, vierde lid, WIB 1992 (art. 29, oud WIB) bepaald in art. 14 KB/WIB (cf. Com.IB 29/1 tot 7).
11. De werknemers die volledig, hoofdzakelijk of bijkomstig worden bezoldigd met fooien die rechtstreeks worden betaald door de clientele van de inrichting waar ze zijn tewerkgesteld, zijn in principe de belasting verschuldigd op het bedrag van de bedragen die zij in werkelijkheid hebben ontvangen, eventueel verhoogd met de voordelen die zij hebben genoten. Hetzelfde geldt voor het personeel dat werkt in een inrichting waar de door de clientele betaalde prijzen een dienstpercentage bevatten dat de fooien vervangt.
Wanneer de fooien of dienstpercenten, verhoogd met de voordelen van alle aard, evenwel lager zijn dan de forfaitaire bezoldigingen die tot grondslag hebben gediend voor de berekening van de RSZ-bijdragen, moeten deze laatste ten name van de werknemers als belastbare brutobezoldiging in aanmerking worden genomen. Dit bedrag wordt geacht de voordelen van alle aard, maar niet de vakantiegelden, de exceptionele vergoedingen, enz. te omvatten.
12. Rekening houdende met de gegevens van het voorbeeld sub 9 en met een inhouding inzake sociale zekerheid van 13,07 %, zijn de belastbare inkomsten van de betrokken werknemer voor 3 en 4.10.1992 de volgende :
3.10.1992IV. LOONFICHES (NR. 281.10) EN SAMENVATTENDE OPGAVE (NR. 325.10)
4.10.1992
- gewone bezoldigingen : 2.200 F - 238 F (RSZ) = 1.962 F; (op te nemen in het bedrag dat naast kenletter "T" moet worden vermeld);
- bedrijfsvoorheffing : de BV op een dagelijkse bezoldiging van 1.962 F, zijnde 371 F (op te nemen in het bedrag dat naast kenletter "Z" moet worden vermeld).
- gewone bezoldigingen (op te nemen in het bedrag naast kenletter "T") : de forfaitaire dagelijkse bezoldiging RSZ moet hier in aanmerking worden genomen : 1.821 F - 238 F (RSZ) = 1.583 F;
- bedrijfsvoorheffing (op te nemen in het bedrag naast kenletter "Z") : de BV op een forfaitaire dagelijkse bezoldiging van 1.583 F, zijnde 222 F.
13. De werkgevers die werknemers in dienst hebben die volledig, hoofdzakelijk of bijkomstig met fooien worden bezoldigd, moeten bij het opstellen van de loonfiches 281.10 als volgt handelen (cf. nr. 38, van het Bericht aan de werkgevers, gepubliceerd als bijvoegsel bij het Belgisch Staatsblad van 11.1.1992) :
- onder de overeenkomstige rubrieken van vak 2, de betaalde bezoldigingen (eventueel vaste bezoldigingen en belastbare voordelen van alle aard, vakantiegeld, enz.) vermelden; bovendien in littera a, van dat vak onder de gewone bezoldigingen het bedrag van de fooien opnemen zoals het voor de berekening van de BV in aanmerking diende te worden genomen, verminderd evenwel met de inhouding van de bijzondere bijdrage ten laste van de alleenstaanden en van de gezinnen zonder kinderen
- in vak 6, onder rubriek "Code" de numerieke aanwijzing 01, 02 of 03, naargelang de werknemer geheel, hoofdzakelijk of bijkomstig met fooien wordt bezoldigd vermelden;
- in vak 6, onder de rubriek "Forfait RSZ", de forfaitaire (onbegrensde) bezoldigingen die eventueel als grondslag hebben gediend voor de berekening van de RSZ-bijdragen vermelden, onverminderd de in nr. 22, lid 2, van het voormelde bericht, opgenomen richtlijnen.
- eventueel vak 7, "Voordelen van alle aard" invullen.
Voor 3.10.1992
- in vak 2, a, "gewone bezoldigingen" tegenover kenletter "T" : bezoldiging (fooien) = 2.200 F - 238 F (RSZ) = 1.962 F;
- in vak 5, "bedrijfsvoorheffing" tegenover kenletter "Z" : de BV verschuldigd op een dagelijkse bezoldiging van 1.962 F, zijnde 371 F;
- in vak 6, "fooien" onder de rubriek "forfait RSZ" : 1.821 F.
- in vak 2, a, "gewone bezoldigingen" tegenover kenletter "T" de forfaitaire bezoldiging die tot grondslag heeft gediend voor de berekening van de bijdragen RSZ : 1.821 F - 238 F (RSZ) = 1.583 F;
- in vak 5 "bedrijfsvoorheffing", tegenover kenletter "Z" de BV verschuldigd op een forfaitaire bezoldiging van 1.821 F, zijnde 222 F.
- in vak 6 "fooien" onder de rubriek "forfait RSZ" : 1.821 F.
Het bedrag van de lonen en wedden dat aftrekbaar is van de winst van de werkgever is steeds gelijk aan de werkelijk door hem ten laste genomen sommen; dat bedrag stemt niet noodzakelijk overeen met datgene dat als totaal in de opgave 325.10 voorkomt (cf. Com.IB 44/368).
Voor de Directeur-generaal :
De Inspecteur-generaal,
G.A. DE GROOTE.
Bron: FisconetPlus
