Duitsland - Circulaire Ci.R.9 D/250.178 dd. 09.10.1969
Belgisch-Duits dubbelbelastingverdrag van 11.4.1967 (V. 1246).
belastingen naar het inkomen, Duitsland, overeenkomst, dubbele belasting.
Federale Overheidsdienst Financien, op 12.09.2019
Administratie general Beleidsexpertise en -ondersteuning - INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN
Overeenkomst van 30 juni 1969 tussen België en Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen
https://gcloudbelgium.sharepoint.com/sites/minfin-fisconet_private/Pages/fisconet-compare.aspx?original=27c5818d-7978-4749-a1ee-4f4816d3306d#target=79c7d922-05fb-443c-8257-61339c03b980
Table des matières
I. - Belastingheffing van onroerende inkomsten. · Beperking van de A.O.V.
II. - Regeling van toepassing op roerende inkomsten (
III. – Grensarbeidersregeling (
IV. – Pensioenen en andere sociale uitkeringen.
VI - Bijzondere bepalingen in de wet houdende goedkeuring van de overeenkomst.
Dubbelbelastingverdragen. - Bondsrepubliek Duitsland.Bepalingen
Belgisch-Duits dubbelbelastingverdrag van 11.4.1967 (V. 1246).
Bepalingen van onmiddellijk belang.
van onmiddellijk belang. Dbr, 9.10.1969, n° Ci.R 9 D/250.178.
1. In het Belgisch Staatsblad van 30 juni 1969 werd de wet van 9 juli 1969 gepubliceerd houdende goedkeuring van het dubbelbelastingverdrag,
a) op de bij de bron verschuldigde belastingen met betrekking tor inkomsten welke zijn toegekend of betaalbaar gesteld na 31.12.1965;
b) op de andere belastingen geheven van de inkomsten van belastbare tijdperken die na 31.12.1965 eindigen.
2. De circ. van 25.7.1969, nr Ci. R 9 D/250.074, heeft voorgeschreven sommige aanslagen over het aanslagjaar 1968 voor 1.8.1969 in te kohieren. Voor het aanslagjaar 1967 is een speciale aanslagtermijn in de goedkeuringswet geopend (cf. nr 13 hierna).
3. Onderhavige circ. heeft tot doel de aandacht vooral te vestigen op enkele bepalingen van de overeenkomst die van onmiddellijk belang zijn. Aldus moeten de hangende geschillen zomede de geschillen die ten gevolge van het in werking treden van de overeenkomst zouden rijzen, zonder uitstel worden afgehandeld. In verband daarmede dienen de lnsp. van de geschillen zo spoedig mogelijk aan de bevoegde Ontv. (eventueel op aanvraag van deze laatsten) het onbetwistbaar verschuldigd bedrag van de -bestreden aanslagen te laten kennen.
I. - Belastingheffing van onroerende inkomsten. · Beperking van de A.O.V.
4. Ingevolge art. 6 en art. 23, § 1, 1°, zijn de inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen, die aan verblijfhouders van Duitsland toebehoren, uitsluitend in België belastbaar. Die verblijfhouders van Duitsland zijn dus onderworpen aan de A.0.V. (art. 163, W.I.B.) op hun onroerende inkomsten van Belgische oorsprong ; krachtens punt 3 van het bij de overeenkomst gevoegde slotprotocol wordt die belasting evenwel beperkt tot het deel van de eventueel fictief op het totaal van de Belgische inkomsten berekende B.N.V., dat op de onroerende inkomsten betrekking heeft.
5. Dezelfde regeling is reeds ingevolge de Belgisch-Franse overeenkomst van 10.3.1964 (V. 1120) van toepassing op onroerende inkomsten van Belgische oorsprong behaald door verblijfhouders van Frankrijk. Voor de vestiging en de inkohiering van de met ingang van het jaar 1966 (aanslagjaar 1967) verschuldigde A.O.V., gelden dan ook, mutatis mutandis, de richtlijnen van hoofdstuk lll, nr 2, circ. 920, alsmede van de nrs 163/1 en volgende van de Corn.LB.
6. De aanslagen in de A.O.V. moeten binnen de bij art. 259, W.I.B., bedoelde termijn worden ingekohierd. Evenwel mogen de aanslagen over het aanslagjaar 1967 (inkomsten van het jaar 1966) tot uiterlijk 29 juli 1970 worden ingekohierd op grond van art. 4 der wet houdende goedkeuring van de overeenkomst (cf. nr 13 hierna).
II. - Regeling van toepassing op roerende inkomsten (art. 10 tot 12, overeenkomst).
7. Hiervoor wordt verwezen naar de berichten die in het Belgisch Staatsblad van 17.9.1969 werden gepubliceerd (cf. Bulletin der Belastingen, nr 468).
Voor de wijze van berekening en toekenning van de vermindering van R.V. op dividenden en interesten van Belgische oorsprong verkregen door verblijfhouders van de Bondsrepubliek Duitsland, moet worden gehandeld volgens de richtlijnen van circ. 925bis van 29.1.1968.
Wanneer interesten van Belgische oorsprong van Belgische belasting zijn vrijgesteld omdat ze door ondernemingen van de
Bondsrepubliek Duitsland zijn behaald (art. 11, § 3, overeenkomst), client aan de genieter eventueel het bedrag van de werkelijk: geïnde belasting te worden terugbetaald ongeacht of de schuldenaar de belasting heeft ingehouden dan wel te zijnen laste heeft genomen.
Alleen in het geval dat de R.V. tegen hct normale tarief van 20 t.h. werd geheven is de terugbetaling gelijk aan een vierde (20/80) van de netto-interest. In de andere gevallen is de terugbetaling gelijk aan het bedrag van de werkelijk volgens het gemeen recht betaalde belasting, zonder dat de terugbetaling minder dan 6,25 t.h. van de netto-interest mag bedragen (regeling voor de beperking van de R.V. rot 15 t.h. ingevolge overeenkomst – cf. circ. 925bis, nr 10).
Bijzonder geval: R. V. op dividenden van Duitse oorsprong geincasseerd door Belgische vennootschappen (art. 23, § 2, 3°, b).
8. Dividenden van Duitse oorsprong verkregen door Belgische vennootschappen die de aanslag van hun winsten in de P.B. niet hebben gekozen, kunnen vrijgesteld worden van de R.V. van 10 t.h. verschuldigd bij de incassering van de dividenden, maar zij zijn dan aan de R.V. onderworpen bij de wederuitkering aan de aandeelhouders van de Belgische vennootschap. Deze facultatieve regeling bestaat reeds naar aanleiding van de overeenkomsten met Frankrijk (art. 3, goedkeuringswet, V. 1120), de Verenigde Staten en Zweden.
De vrijstelling van de R.V. bij het binnenkomen mag slechts worden toegekend voor dividenden, die begrepen zijn in de belastbare winsten van het aanslagjaar waarvoor de vennootschap haar schriftelijke aanvraag heeft gedaan binnen de termijn, welke voor het indienen van haar aangifte in de Ven.B. is
voorgeschreven ; dit sluit de terugwerkende kracht van deze vrijstelling uit.
Voor de toepassing van deze bepaling wordt verwezen naar de nrs 12 tot 16, circ. Van 16.4.1968, nr Ci. R 9 S/244.214.
III. – Grensarbeidersregeling (art. 15, § 3, 1 °, over.),
9. Hiervoor wordt verwezen naar het bericht, dat in het Belgisch Staatsblad van 17.9.1969 werd gepubliceerd (cf. Bulletin der Belastingen, nr 468).
Anderdeels heeft de dbr. van 19 juli 1968, nr Ci. R 9 D/ 242.875, voorgeschreven de invordering tot nader bevel te schorsen van de aanslagen, welke in · uitvoering van nr 4, lid 1, van de dbr. van 29 april 1968, zelfde nummer, ten laste van in Duitsland tewerkgestelde Belgische grensarbeiders werden gevestigd. Voor zover de rechten van de Schatkist niet in het gedrang komen wordt die maatregel uitgebreid tot al de over de aanslagjaren 1967 en 1968, ten laste van dezelfde belastingplichtigen, gevestigde aanslagen.
IV. – Pensioenen en andere sociale uitkeringen.
10. Pensioenen en andere uitkeringen, die tot uitvoering van de Belgische sociale wetgeving, met ingang van 1.1.1966 aan verblijfhouders van de Bondsrepubliek Duitsland worden betaald (met name wettelijke pensioenen door pensioenkassen betaald ter zake van een vroeger in de particuliere sector uitgeoefende dienstbetrekking), zijn uitsluitend in België belastbaar (over. art. 19, § 3) ; zij moeten dus eventueel de B.V. bij de bron volgens het gemeen recht ondergaan. Pensioenen, die benevens het wettelijk pensioen (extra-wettelijke pensioenen) aan de hierboven bedoelde verblijfhouders worden betaald, zijn alleen in de Bondsrepubliek Duitsland belastbaar (art. 18, over.) ; zij zijn derhalve vrijgesteld van Belgische belastingen en ontsnappen aan de heffing van de B.V.
Pensioenen en andere uitkeringen van dezelfde aard ais de hierboven vermelde, welke verblijfhouders van België met ingang van 1 januari 1966 uit Duitse bronnen verkrijgen, zijn op dezelfde voorwaarden, hetzij in de P.B. tegen het volle tarief belastbaar, hetzij van Belgische belastingen vrijgesteld.
V. - Geldbedragen door de Bondsrepubliek Duitsland toegekend ais vergoeding voor schade, die ais gevolg van oorlogshandelingen of politieke vervolging is ontstaan.
11. Geldbedragen, die in de vorm van pensioenen, lijfrenten en andere al dan niet periodieke uitkeringen, (er zijn ook uitkeringen in kapitaal) aan verblijfhouders van België worden toegekend door de Bondsrepubliek Duitsland ais vergoeding voor schade ten gevolge van oorlogshandelingen of politieke vervolging, zijn van Belgische belastingen vrijgesteld (art. 19, § 4, over.). Bij wijze van uitzondering op de gewone regel, mag België
daarenboven de aldus vrijgestelde inkomsten niet in aanroering nemen Am het belastingtarief te bepalen dat van toepassing is op de belastbare inkomsten van de genieters (art. 23, § 2, 1°, over.).
VI - Bijzondere bepalingen in de wet houdende goedkeuring van de overeenkomst.
12. Art. 3 van de goedkeuringswet opent een speciale termijn voor bezwaar of ontheffing van ambtswege met betrekking tot aanslagen die in strijd met de bepalingen van de overeenkomst gevestigd of gekweten zijn. Die termijn (een jaar vanaf de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad) verstrijkt op 29 juli 1970.
13. Art. 4 van dezelfde wet maakt het daarentegen mogelijk binnen dezelfde termijn de belastingen en belastingsupplementen te vestigen, die op grond van de overeenkomst verschuldigd zijn ter zake van inkomsten van het jaar l 966 of van inkomsten welke voor het aanslagjaar 1967 belastbaar zijn. De aanslagen over het aanslagjaar 1967 die na de inwerkingtreding van de overeenkomst, eisbaar zijn met name de belastingen op de inkomsten waarvan sprake in de circ. van 25 juli 1969, nr Ci. R 9 D/250.074, moeten dus ten laatste op 29 juli 1970, worden ingekohierd.
