Circulaire nr. Ci.RH.241/473.556 dd. 02.10.1996
CIRC 02.10.96/1
Circulaire nr. Ci.RH.241/473.556 dd. 02.10.1996
Bull. nr. 765, pag. 2198
BEDRIJFSVOORHEFFING
Vervroegde uittredingsvergoeding.
LANDBOUWER
Vervroegde uittredingsvergoeding.
PENSIOEN
Pensioen met betrekking tot een beroepswerkzaamheid.
VERGOEDING
Vervroegde uittredingsvergoeding.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 en 3.
Bijgaand afschrift van brief wordt voor kennisneming toegezonden.
Een afschrift van de belangrijkste bepalingen van de W 23.12.1994 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector (BS 25.1.1995) is eveneens als bijlage toegevoegd.
BIJLAGE 1
1000 Brussel, 26.2.1996 Wetstraat, 12 Tel.: (02) 233 81 11 Fax: (02) 233 80 03 De Vice-Eerste Minister Minister van Financiën De heer Gabriël PERL en van Buitenlandse Handel Administrateur-generaal van de RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN Zuidertoren 1060 BRUSSEL O/ref.: 022001-MC-AG-PW-MR
Te vermelden ref.: F 112655-PW Bijlage: 1 U/ref.: JAM/WG Mijnheer de Administrateur-generaal, In antwoord op uw brieven van 2 juni en 1 september 1995 kan ik U meedelen dat de vervroegde uittredingsvergoeding die overeenkomstig de Wet van 23 december 1994 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector wordt toegekend, voor de toepassing van de inkomstenbelastingen als een pensioen in de zin van de artikelen 23, § 1, 5°, en 34, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) moet worden aangemerkt. Op het gebied van de bedrijfsvoorheffing zijn de volgende regels van toepassing: a) wanneer die vervroegde uittredingsvergoeding samen met het maandelijkse rust- en overlevingspensioen van zelfstandige wordt uitbetaald, moet de bedrijfsvoorheffing op het totale bedrag van die pensioenen worden berekend volgens de regels van de nrs. 28 tot 31 van Bijlage III van het Koninklijk Besluit tot uitvoering van het WIB 92 (cf. KB van 14 december 1995 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing - BS 29 december 1995 - V 2427 - Bull. 758, blz. 302); b) wanneer de uittredingsvergoeding afzonderlijk betaald wordt, moet zij naargelang het jaarbedrag onderworpen worden aan een tarief van 11,33 tot 38,11 % (cf. nr. 35, A, van dezelfde Bijlage III). Het bedrag dient op een pensioenfiche nr. 281.11 tegenover de kenletter "A" te worden vermeld. Met de meeste hoogachting, (w.g.) Ph. MAYSTADT BIJLAGE 2
Wet van 23 december 1994 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector (1)
Art. 2. Bij een in Ministerraad overlegd besluit kan de Koning de minimum oppervlakte van het bedrijf van de cedent, bepaalt in artikel 1, 5°, naar beneden toe herzien voor gespecialiseerde bedrijven van sectoren die in ernstige structurele problemen verkeren.
Art. 3. Met het oog op de uitvoering van verordening (EEG) nr. 2079/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector wordt de Koning gemachtigd, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de nadere regels voor de toepassing van deze communautaire steunregeling te bepalen.
Hij zal inzonderheid bepalen:
Art. 4. Om recht te hebben op deze communautaire steunregeling moet de cedent het vervroegd pensioen als zelfstandige genieten krachtens de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen en de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
Ter bevestiging dat de cedent voldoet aan al de voorwaarden van deze communautaire steunregeling zendt het Ministerie van Landbouw een attest over aan het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen.
De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, vorm en inhoud van dit attest.
Art. 5. De cedent, voor wie het Ministerie van Landbouw het in artikel 4 bedoelde attest heeft overgezonden aan het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, ontvangt vanaf de leeftijd van 60 jaar tot 65 jaar een jaarlijks supplement op het pensioenbedrag dat toegekend werd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen en de wet van 15 mei 1994 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
Dit jaarlijks supplement wordt verkregen door toepassing van de volgende formule:
97.100 frank + (6.060 frank/ha x aantal ha), waarin "aantal ha" staat voor de oppervlakte vrijgekomen grond die aan een of meer overnemers- landbouwers en/of overnemers-niet-landbouwers werd overgedragen.
Het aantal ha vrijgekomen grond dat in rekening gebracht kan worden, bedraagt minimum 5 en maximum 24 hectaren.
Het jaarlijks supplement mag evenwel niet meer bedragen dan het vervroegd pensioen als zelfstandige waar de cedent recht op heeft.
Bovendien mag de som van het overeenkomstig het eerste lid bepaalde pensioenbedrag en van het jaarlijkse supplement, op het ogenblik van de toekenning ervan, niet meer bedragen dan 485.000 frank per jaar. De Koning kan dit bedrag, bij een in Ministerraad overlegd besluit, per 1 januari 1997 aanpassen, rekening houdend met de evolutie van de kosten van levensonderhoud.
Het toegekende jaarlijks supplement wordt niet aangepast aan de evolutie van de kosten van levensonderhoud noch aan enige niet aan de loopbaan gebonden wijziging van de toegekende pensioenbijdragen.
Art. 6. De cedent voor wie het Ministerie van Landbouw het in artikel 4 bedoelde attest heeft overgezonden aan het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen ontvangt vanaf de leeftijd van 65 jaar tot 75 jaar een jaarlijks supplement op het pensioenbedrag dat toegekend werd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen en de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
Dit jaarlijks supplement wordt berekend als volgt:
In deze formules wordt verstaan onder:
M.P.: het bedrag van het minimumpensioen bedoeld in artikel 131bis van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen;
L.B.: de loopbaanbreuk zoals vastgesteld met toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen en de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, na eventuele toepassing van artikel 19 van voornoemd koninklijk besluit nr. 72.
J.V.: het aantal jaren vervroeging (van 1 tot maximum 5 jaar) in de zin van artikel 3, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen.
Het aldus toegekend jaarlijks supplement wordt niet aangepast aan de evolutie van de kosten van levensonderhoud noch aan enige niet aan de loopbaan gebonden wijziging van de toegekende pensioenbedragen.
Art. 7. Na het overlijden van de cedent-rechthebbende ontvangt de langstlevende echtgenoot die een overlevingspensioen als zelfstandige geniet, het jaarlijks supplement bedoeld in artikel 5 tot de maand waarin de cedent-rechthebbende de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt.
Het jaarlijks supplement mag evenwel niet meer bedragen dan het overlevingspensioen waar de langstlevende echtgenoot recht op heeft.
Bovendien mag de som van het overlevingspensioen en van het jaarlijks supplement waar de langstlevende echtgenoot recht op heeft, niet meer bedragen dan 485.000 frank per jaar. De Koning kan dit bedrag, bij een in Ministerraad overlegd besluit, per 1 januari 1997 aanpassen, rekening houdend met de evolutie van de kosten van levensonderhoud.
Hierna ontvangt de langstlevende echtgenoot die een overlevingspensioen als zelfstandige geniet, voor een periode van tien jaar het jaarlijks supplement bedoeld in artikel 6, tweede lid, 2°.
Art. 8. De uitgaven voor de prefinanciering door het sociaal statuut der zelfstandigen van de vervroegde pensioenen, genoten door de cedenten die de bij deze wet geregelde communautaire steun genieten, worden ten belope van 53,55 % ten laste gelegd van de wederbelegde middelen van de sociale solidariteitsbijdragen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 12 van 26 februari 1982 houdende de sociale solidariteitsbijdrage ten laste van de genieters van bedrijfsinkomsten die niet aan de index van de consumptieprijzen gebonden zijn en het koninklijk besluit nr. 186 van 30 december 1982 houdende de sociale solidariteitsbijdrage verschuldigd voor het jaar 1983 door de genieters van bedrijfsinkomsten die niet aan de index van de consumptieprijzen gebonden zijn. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de wijze waarop het hierboven genoemde percentage zal worden ten laste gelegd.
...
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Circulaire nr. Ci.RH.241/473.556 dd. 02.10.1996
Bull. nr. 765, pag. 2198
BEDRIJFSVOORHEFFING
Vervroegde uittredingsvergoeding.
LANDBOUWER
Vervroegde uittredingsvergoeding.
PENSIOEN
Pensioen met betrekking tot een beroepswerkzaamheid.
VERGOEDING
Vervroegde uittredingsvergoeding.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 en 3.
Bijgaand afschrift van brief wordt voor kennisneming toegezonden.
Een afschrift van de belangrijkste bepalingen van de W 23.12.1994 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector (BS 25.1.1995) is eveneens als bijlage toegevoegd.
NAMENS DE MINISTER:
Voor de Directeur-generaal:
De Auditeur-generaal,
V. KINDT
BIJLAGE 1
1000 Brussel, 26.2.1996 Wetstraat, 12 Tel.: (02) 233 81 11 Fax: (02) 233 80 03 De Vice-Eerste Minister Minister van Financiën De heer Gabriël PERL en van Buitenlandse Handel Administrateur-generaal van de RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN Zuidertoren 1060 BRUSSEL O/ref.: 022001-MC-AG-PW-MR
Te vermelden ref.: F 112655-PW Bijlage: 1 U/ref.: JAM/WG Mijnheer de Administrateur-generaal, In antwoord op uw brieven van 2 juni en 1 september 1995 kan ik U meedelen dat de vervroegde uittredingsvergoeding die overeenkomstig de Wet van 23 december 1994 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector wordt toegekend, voor de toepassing van de inkomstenbelastingen als een pensioen in de zin van de artikelen 23, § 1, 5°, en 34, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) moet worden aangemerkt. Op het gebied van de bedrijfsvoorheffing zijn de volgende regels van toepassing: a) wanneer die vervroegde uittredingsvergoeding samen met het maandelijkse rust- en overlevingspensioen van zelfstandige wordt uitbetaald, moet de bedrijfsvoorheffing op het totale bedrag van die pensioenen worden berekend volgens de regels van de nrs. 28 tot 31 van Bijlage III van het Koninklijk Besluit tot uitvoering van het WIB 92 (cf. KB van 14 december 1995 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing - BS 29 december 1995 - V 2427 - Bull. 758, blz. 302); b) wanneer de uittredingsvergoeding afzonderlijk betaald wordt, moet zij naargelang het jaarbedrag onderworpen worden aan een tarief van 11,33 tot 38,11 % (cf. nr. 35, A, van dezelfde Bijlage III). Het bedrag dient op een pensioenfiche nr. 281.11 tegenover de kenletter "A" te worden vermeld. Met de meeste hoogachting, (w.g.) Ph. MAYSTADT BIJLAGE 2
Wet van 23 december 1994 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector (1)
| Artikel | 1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: |
| 1° | Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen: Het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen opgericht bij het Ministerie van Middenstand bij het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen; |
| 2° | sociaal statuut der zelfstandigen: Het sociaal statuut der zelfstandigen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen; |
| 3° | Rijksdienst voor Pensioenen: De Rijksdienst voor Pensioenen, bedoeld in het koninklijk besluit nr. 513 van 27 maart 1987 tot afschaffing van de Rijkskas voor rust- en overlevingspensioenen en tot reorganisatie van de Rijksdienst voor werknemerspensioenen; |
| 4° | communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector: De steunregeling bedoeld in de verordening (EEG) nr. 2079/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector; |
| 5° | cedent: Het bedrijfshoofd van een bedrijf met een oppervlakte van ten minste 5 ha dat in het kader van de communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding zijn commerciële landbouwactiviteit volledig en definitief beëindigt; |
| 6° | overnemer-landbouwer: De persoon die de cedent aan het hoofd van het landbouwbedrijf opvolgt en het bedrijf vergroot, of het bedrijfshoofd dat de vrijgekomen grond van de cedent geheel of gedeeltelijk overneemt om zodoende zijn eigen bedrijf te vergroten; |
| 7° | overnemer-niet-landbouwer: Elke persoon of iedere instelling die de vrijgekomen grond geheel of gedeeltelijk overneemt en deze bestemt voor niet-agrarische doeleinden, bosbouw of de aanleg van ecologische reservaten; |
| 8° | vrijgekomen grond: De grond die de cedent vóór de beëindiging van de landbouwactiviteit voor commerciële doeleinden exploiteerde en die hij niet meer voor landbouwdoeleinden gebruikt; |
| 9° | toepassingsgebied: Het Belgisch grondgebied waar de communautaire steunregeling bedoeld in 4° van toepassing is. |
Art. 3. Met het oog op de uitvoering van verordening (EEG) nr. 2079/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector wordt de Koning gemachtigd, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de nadere regels voor de toepassing van deze communautaire steunregeling te bepalen.
Hij zal inzonderheid bepalen:
| 1° | de voorwaarden en verbintenissen waaraan respectievelijk moet worden voldaan door een cedent, een overnemer-landbouwer en een overnemer-niet-landbouwer; |
| 2° | de procedure inzake de indiening van de aanvraag en van het administratief beroep; |
| 3° | de administraties die met de uitvoering van deze communautaire steunregeling belast zijn, evenals hun taken, voor zover ze niet bij deze wet geregeld zijn; |
| 4° | de terugvordering en schorsing van de supplementen in geval van niet-naleving van een verbintenis; |
| 5° | de geldigheidsduur van deze communautaire steunregeling; |
| 6° | de nadere regels voor de financiering. |
Ter bevestiging dat de cedent voldoet aan al de voorwaarden van deze communautaire steunregeling zendt het Ministerie van Landbouw een attest over aan het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen.
De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, vorm en inhoud van dit attest.
Art. 5. De cedent, voor wie het Ministerie van Landbouw het in artikel 4 bedoelde attest heeft overgezonden aan het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, ontvangt vanaf de leeftijd van 60 jaar tot 65 jaar een jaarlijks supplement op het pensioenbedrag dat toegekend werd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen en de wet van 15 mei 1994 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
Dit jaarlijks supplement wordt verkregen door toepassing van de volgende formule:
97.100 frank + (6.060 frank/ha x aantal ha), waarin "aantal ha" staat voor de oppervlakte vrijgekomen grond die aan een of meer overnemers- landbouwers en/of overnemers-niet-landbouwers werd overgedragen.
Het aantal ha vrijgekomen grond dat in rekening gebracht kan worden, bedraagt minimum 5 en maximum 24 hectaren.
Het jaarlijks supplement mag evenwel niet meer bedragen dan het vervroegd pensioen als zelfstandige waar de cedent recht op heeft.
Bovendien mag de som van het overeenkomstig het eerste lid bepaalde pensioenbedrag en van het jaarlijkse supplement, op het ogenblik van de toekenning ervan, niet meer bedragen dan 485.000 frank per jaar. De Koning kan dit bedrag, bij een in Ministerraad overlegd besluit, per 1 januari 1997 aanpassen, rekening houdend met de evolutie van de kosten van levensonderhoud.
Het toegekende jaarlijks supplement wordt niet aangepast aan de evolutie van de kosten van levensonderhoud noch aan enige niet aan de loopbaan gebonden wijziging van de toegekende pensioenbijdragen.
Art. 6. De cedent voor wie het Ministerie van Landbouw het in artikel 4 bedoelde attest heeft overgezonden aan het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen ontvangt vanaf de leeftijd van 65 jaar tot 75 jaar een jaarlijks supplement op het pensioenbedrag dat toegekend werd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen en de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
Dit jaarlijks supplement wordt berekend als volgt:
| 1° | Indien het een rustpensioen betreft: (M.P. x L.B. x 5 % x J.V.) + (M.P. x J.V./45). |
| 2° | Indien het een overlevingspensioen betreft: (M.P. x J.V./45). |
M.P.: het bedrag van het minimumpensioen bedoeld in artikel 131bis van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen;
L.B.: de loopbaanbreuk zoals vastgesteld met toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen en de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, na eventuele toepassing van artikel 19 van voornoemd koninklijk besluit nr. 72.
J.V.: het aantal jaren vervroeging (van 1 tot maximum 5 jaar) in de zin van artikel 3, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen.
Het aldus toegekend jaarlijks supplement wordt niet aangepast aan de evolutie van de kosten van levensonderhoud noch aan enige niet aan de loopbaan gebonden wijziging van de toegekende pensioenbedragen.
Art. 7. Na het overlijden van de cedent-rechthebbende ontvangt de langstlevende echtgenoot die een overlevingspensioen als zelfstandige geniet, het jaarlijks supplement bedoeld in artikel 5 tot de maand waarin de cedent-rechthebbende de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt.
Het jaarlijks supplement mag evenwel niet meer bedragen dan het overlevingspensioen waar de langstlevende echtgenoot recht op heeft.
Bovendien mag de som van het overlevingspensioen en van het jaarlijks supplement waar de langstlevende echtgenoot recht op heeft, niet meer bedragen dan 485.000 frank per jaar. De Koning kan dit bedrag, bij een in Ministerraad overlegd besluit, per 1 januari 1997 aanpassen, rekening houdend met de evolutie van de kosten van levensonderhoud.
Hierna ontvangt de langstlevende echtgenoot die een overlevingspensioen als zelfstandige geniet, voor een periode van tien jaar het jaarlijks supplement bedoeld in artikel 6, tweede lid, 2°.
Art. 8. De uitgaven voor de prefinanciering door het sociaal statuut der zelfstandigen van de vervroegde pensioenen, genoten door de cedenten die de bij deze wet geregelde communautaire steun genieten, worden ten belope van 53,55 % ten laste gelegd van de wederbelegde middelen van de sociale solidariteitsbijdragen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 12 van 26 februari 1982 houdende de sociale solidariteitsbijdrage ten laste van de genieters van bedrijfsinkomsten die niet aan de index van de consumptieprijzen gebonden zijn en het koninklijk besluit nr. 186 van 30 december 1982 houdende de sociale solidariteitsbijdrage verschuldigd voor het jaar 1983 door de genieters van bedrijfsinkomsten die niet aan de index van de consumptieprijzen gebonden zijn. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de wijze waarop het hierboven genoemde percentage zal worden ten laste gelegd.
...
| Art. | 16. Deze wet treedt in werking op 1 januari 1995. |
Bron: FisconetPlus
