Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 25.09.1989 (12e afl.)

CIRC 25.09.89/1

Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 25.09.1989 (12e afl.)


Bull. nr. 688, pag. 2341

HERVORMINGSWET 1988
Investeringsaftrek.

INVESTERINGSAFTREK
Energiebesparende investeringen.
Gespreide investeringsaftrek.
Gewone investeringen.
Indexering van het basispercentage.
Investeringen voor onderzoek en ontwikkeling.
Percentages.
Toekenningsvoorwaarden.


INHOUDSTABEL Nrs. I. WETTEKSTEN II/151 II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE II/152 - II/153 III. BETROKKEN BELASTINGPLICHTIGEN II/154 IV. IN AANMERKING KOMENDE INVESTERINGEN II/155 V. CATEGORIEEN VAN INVESTERINGEN A. Algemeen II/156 B. Energiebesparende investeringen II/157 C. Milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling II/158 D. Andere investeringen II/159 VI. PERCENTAGES A. Algemeen II/160 B. Basispercentage II/161 - II/166 C. Verhoogd percentage II/167 D. Gespreide aftrek II/168 - II/171 E. Percentages voor het aj. 1990 II/172 - II/173 F. Verhoging van het basispercentage bij KB II/174 VII. INWERKINGTREDING II/175 I. WETTEKSTEN

II/151 Art. 20

§ 1. De in artikel 42ter, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bepaalde percentages van de investeringsaftrek worden vervangen als volgt :



a)als basispercentage van de aftrek geldt de percentagegewijs uitgedrukte stijging van het gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen van het Rijk voor het jaar dat het jaar van de investering voorafgaat ten opzichte van het gemiddelde van de indexcijfers van het eraan voorafgaande jaar, afgerond tot de hogere of lagere eenheid naargelang de breuk al dan niet vijftig honderdsten bedraagt, en verhoogd met 3 percentpunten zonder dat het aldus bekomen percentage minder dan 5 pct. of meer dan 12 pct. mag bedragen;
b)het basispercentage wordt verhoogd :
ofwel met 10 percentpunten wanneer het gaat hetzij om bestanddelen die worden gebruikt ter bevordering van het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe produkten en toekomstgerichte technologieën die ofwel geen effecten hebben op het leefmilieu of die beogen de negatieve effecten op het leefmilieu te minimaliseren hetzij om bestanddelen waarmede een rationeler energieverbruik, de verbetering van de industriële processen uit energetische overwegingen en, in het bijzonder, de terugwinning van energie in de industrie wordt beoogd;
ofwel met 7 percentpunten in de gevallen bedoeld in artikel 42ter, § 3, van hetzelfde Wetboek.
Wanneer de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, het in het eerste lid, a), bedoelde basispercentage van de aftrek verhogen.

§ 2. Het genoemd artikel 42ter, is ook van toepassing op de in artikel 20, 3°, van hetzelfde Wetboek bedoelde baten.

§ 3. ... (Die bepaling betreft uitsluitend de in art. 68, W. 31.7.1984 bedoelde innovatievennootschappen).



Art.35
§1. In het Wetboek van de inkomstenbelastingen worden opgeheven :
...



artikel 42ter, § 8;
...



Art.39
Titel I van deze wet is van toepassing :



met betrekking tot ... de artikelen 14 tot 20, ... en 32 tot 35, ..., met ingang van het aanslagjaar 1990;
...



Art.40
...

§ 4. Elke wijziging die vanaf 1 januari 1988 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van hoofdstuk II van titel I van deze wet.

II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE

II/152 Het stelsel van de in art. 42ter WIB bedoelde investeringsaftrek, waarvan de toepassingsregels sinds de invoering ervan (KB nr. 48 van 22.6.1982 - aj. 1983) reeds een aantal wijzigingen hebben ondergaan, wordt opnieuw substantieel gewijzigd door art. 20 van de hervormingswet.

Hoewel de nagestreefde doeleinden (nl. het aanmoedigen van nieuwe investeringen die in België voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt) en de aangewende methode (belastingvrijstelling als correctief van de inflatie) ongewijzigd blijven, wijzen de nieuwe regels die met ingang van het aj. 1990 van toepassing zijn, niettemin op een evolutie in de economische benadering van de maatregel.

II/153 De in de regels en in de wijze van toepassing van de investeringsaftrek aangebrachte wijzigingen kunnen schematisch als volgt worden samengevat :



het basispercentage van de aftrek is voortaan gelijk aan het verschil (uitgedrukt in percent) tussen het gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen van het Rijk van het jaar dat het jaar van de investering voorafgaat en het gemiddelde van die indexcijfers van het eraan voorafgaande jaar, afgerond tot de hogere of lagere eenheid en verhoogd met 3 percentpunten;
als correctief van dat basispercentage gelden een minimum van 5 pct. en een maximum van 12 pct.;
wanneer de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen, kan de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit het basispercentage van de aftrek verhogen;
het basispercentage is voortaan ook van toepassing op investeringen in meubelen en kantoormaterieel;
het basispercentage wordt evenwel verhoogd met :
  • 10 percentpunten voor investeringen die dienen voor onderzoek en ontwikkeling, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat die investeringen milieuvriendelijk zijn; dezelfde verhoging is van toepassing op energiebesparende investeringen;
  • 7 percentpunten wanneer de in art. 42ter, § 3, WIB bedoelde gespreide aftrek wordt toegepast;
  • 5 percentpunten voor investeringen van in art. 68, W. 31.7.1984 bedoelde innovatievennootschappen (Deze materie zal afzonderlijk worden besproken);




voor beoefenaars van vrije beroepen, enz. als vermeld in art. 20, 3°, WIB, is de investeringsaftrek voortaan niet meer afhankelijk van de verplichting een of meer hoofdarbeiders aan te werven.

De regels en de wijze van toepassing van de investeringsaftrek, en in het bijzonder die welke in art. 42ter, §§ 1 en 4 tot 7, WIB zijn vermeld, ondergaan voor het overige geen wijzigingen.

Opgemerkt worde nog dat de mogelijkheid om de gespreide aftrek toe te passen wordt behouden voor belastingplichtigen die minder dan 20 werknemers tewerkstellen.
III. BETROKKEN BELASTINGPLICHTIGEN

II/154 Zoals vroeger geldt de investeringsaftrek voor natuurlijke personen (De investeringsaftrek geldt ook voor aan de Ven.B onderworpen belastingplichtigen. De bijzonderheden daaromtrent zullen later besproken worden) die winsten behalen uit een nijverheids-, handels- of landbouwbedrijf (zie ter zake Com.IB 42ter/3 tot 5).

Met betrekking tot beoefenaars van vrije beroepen, ambten, posten of winstgevende bezigheden (art. 20, 3°, WIB) blijkt uit :

  • art. 20, § 2, van de hervormingswet, dat zij verder aanspraak kunnen maken op de aftrek;
  • de opheffing van art. 42ter, § 8, WIB door art. 35, § 1, 3°, van de hervormingswet, dat het verkrijgen van de investeringsaftrek voor hen niet meer afhankelijk is van de aanwerving van een of meer hoofdarbeiders.


Aldus is een einde gemaakt aan de discriminatie tussen die twee categorieën van belastingplichtigen.

Tenslotte wordt gepreciseerd dat beoefenaars van vrije beroepen, enz. eveneens aanspraak kunnen maken op de gespreide aftrek.

IV. IN AANMERKING KOMENDE INVESTERINGEN

II/155 Daar de hervormingswet de §§ 1 en 6 van art. 42ter, WIB - die betrekking hebben op de voor de investeringsaftrek in aanmerking komende investeringen - niet heeft gewijzigd, kan zonder meer worden verwezen naar de nrs. 42ter/7 tot 19.8, Com.IB.

V. CATEGORIEEN VAN INVESTERINGEN

A. Algemeen

II/156 De investeringsaftrek wordt in principe verkregen door de afschrijfbare aanschaffings- of beleggingswaarde van de in aanmerking komende activa te vermenigvuldigen met het basispercentage.

Dat percentage wordt verhoogd door :



energiebesparende investeringen;
investeringen voor onderzoek en ontwikkeling "die geen effect hebben op het leefmilieu of die beogen de negatieve effecten op het leefmilieu te minimaliseren", hierna "milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling" genoemd.
Hieruit volgt dat voor de toepassing van de investeringsaftrek drie categorieën van investeringen moeten worden onderscheiden.

B. Energiebesparende investeringen

II/157 Met betrekking tot energiebesparende investeringen, herneemt art. 20, § 1, eerste lid, b, 1°, van de hervormingswet precies dezelfde bewoordingen als die welke in art. 42ter, § 2, a, WIB zijn gebruikt. Geen enkele wijziging van art. 12septies, KB/WIB of van Bijlage X bij dat besluit is dus vereist. De in de nrs. 42ter/21 en 22, Com.IB voorkomende richtlijnen blijven derhalve van toepassing.

C. Milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling

II/158 Art. 20, § 1, eerste lid, b, 1°, van de hervormingswet gebruikt weliswaar dezelfde bewoordingen voor investeringen voor onderzoek en ontwikkeling als die waarvan sprake is in art. 42ter, § 2, a, WIB, maar voegt er een nieuwe voorwaarde aan toe die de bedoelde investeringen beperkt tot die welke geen effect hebben op het leefmilieu of beogen het negatieve effect op het leefmilieu te minimaliseren.

De parlementaire werkzaamheden preciseren niet wat de wetgever met milieuvriendelijke investeringen heeft bedoeld. Er wordt thans gewerkt aan een nieuw KB, te nemen ter uitvoering van art. 42ter, § 7, WIB, waarin dat begrip zal worden omschreven; het zal later afzonderlijk gecommentarieerd worden.

D. Andere investeringen

II/159 De investeringen die niet als energiebesparende investeringen of niet als milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling kunnen worden aangemerkt, vormen de categorie waarop het basispercentage van de aftrek van toepassing is.

Meubelen en kantoormaterieel vormen geen afzonderlijke categorie meer die slechts op een lagere aftrek recht geeft. Die discriminatie veroorzaakte inderdaad veel moeilijkheden bij het maken van het onderscheid tussen kantoormaterieel en exploitatiematerieel, inzonderheid voor informaticamaterieel dat voor verschillende opdrachten werd gebruikt. De bedoelde investeringen worden voortaan als "andere investeringen" aangemerkt, waarop het basispercentage van de aftrek van toepassing is.

VI. PERCENTAGES VAN DE AFTREK

A. Algemeen

II/160 Art. 20, § 1, eerste lid, a, van de hervormingswet bepaalt het basispercentage van de investeringsaftrek en de berekeningswijze, en stelt een beneden- en een bovengrens vast.

Art. 20, § 1, eerste lid, b, 1°, van de hervormingswet stelt een verhoging met 10 percentpunten van het basispercentage in met betrekking tot :

  • milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling;
  • energiebesparende investeringen.


Art. 20, § 1, eerste lid, b, 2°, van de hervormingswet bepaalt dat het basispercentage met 7 percentpunten wordt verhoogd wanneer de gespreide aftrek ingevolge art. 42ter, § 3, WIB wordt toegepast.

Tenslotte verleent art. 20, § 1, tweede lid, van de hervormingswet aan de Koning de macht om het basispercentage te verhogen wanneer de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen.

B. Basispercentage

II/161 De percentages van de investeringsaftrek werden aanvankelijk bepaald met inachtneming van de toen heersende hoge inflatie, om de demotiverende gevolgen daarvan voor ondernemingen, die op fiscaal gebied hun afschrijvingen wensten te berekenen op de vervangingswaarde (inflatieboekhouding), teniet te doen.

De wetgever heeft gemeend dat het huidige percentage van de jaarlijkse inflatie het behoud van de destijds bepaalde vaste percentages niet meer verantwoordt en heeft derhalve beslist het stelsel te wijzigen door het aan de thans vastgestelde inflatie te verbinden (zie Senaat, zitting 1988-1989, Stuk 440-2, blz. 94).

II/162 Krachtens art. 20, § 1, eerste lid, a, van de hervormingswet is het basispercentage van de aftrek gelijk aan de percentsgewijs uitgedrukte stijging van het gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen van het Rijk voor het jaar dat het jaar van de investering voorafgaat ten opzichte van het gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen van het eraan voorafgaande jaar, afgerond tot de hogere of lagere eenheid naargelang de breuk al dan niet vijftig honderdsten bedraagt, en verhoogd met 3 percentpunten, zonder dat het aldus verkregen percentage minder dan 5 pct. of meer dan 12 pct. mag bedragen.

II/163 Het is belangrijk te weten dat het basispercentage van de investeringsaftrek voortaan afhangt van het kalenderjaar waarin de investering is verricht. Hieruit volgt dat voor eenzelfde belastbare tijdperk twee basispercentages van toepassing kunnen zijn, nl. wanneer het boekjaar zich uitstrekt over twee opeenvolgende kalenderjaren (BV van 1 juli 1989 tot 30 juni 1990) en mits in dat boekjaar tijdens elk van die twee jaren investeringen zijn verricht.

II/164 De werkwijze om het basispercentage te bepalen ziet er schematisch als volgt uit (het kalenderjaar waarin de investering is verricht wordt voorgesteld door n) :



het rekenkundig gemiddelde maken van de 12 indexcijfers van de consumptieprijzen van het Rijk over het jaar n-1;
hetzelfde doen voor het jaar n-2;
het verschil tussen de sub 1° en 2° verkregen gemiddelden bepalen;
het verschil door het sub 2° verkregen gemiddelde delen indien het positief is (In het tegenovergestelde geval zijn de volgende bewerkingen overbodig en bedraagt het basispercentage uiteraard 5 pct.);
het sub 4° verkregen quotiënt met 100 vermenigvuldigen;
het sub 5° verkregen produkt afronden tot de hogere of lagere eenheid naargelang de breuk al dan niet vijftig honderdsten bedraagt;
tenslotte, het sub 6° verkregen resultaat verhogen met 3 punten.
Hoe dan ook mag het sub 7° hiervoren verkregen resultaat noch minder dan 5 pct., noch meer dan 12 pct. bedragen.

Voorbeeld 1

II/165 Investeringen tijdens het kalenderjaar 1988 (Hier wordt het geval bedoeld van een belastingplichtige (natuurlijke persoon) die zijn boekhouding op 30 juni afsluit en die tijdens het boekjaar 1988-1989 (waarvan de resultaten aan het aj. 1990 moeten worden verbonden) bijvoorbeeld in september 1988 investeringen heeft verricht (zie ook nr. II/175). 1° gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen over het jaar 1987 (n-1) : 1.603,20/12 = 133,60 2° gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen over het jaar 1986 (n-2) : 1.578,66/12 = 131,56 3° verschil : 133,60 - 131,56 = 2,04 4° 2,04/131,56 = 0,0155 5° 0,0155 x 100 = 1,55 6° afronding (0,55 > 0,50) : 2 7° verhoging : 2 + 3 = 5 Het resultaat (5 pct.) stemt overeen met het minimum dat in de wet is bepaald.

Voorbeeld 2

II/166 Investeringen tijdens het kalenderjaar 1989. 1° gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen over het jaar 1988 (n-1) : 1.621,83/12 = 135,15 2° gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen over het jaar 1987 (n-2) : 1.603,20/12 = 133,60 3° verschil : 135,15 - 133,60 = 1,55 4° 1,55/133,60 = 0,0166 5° 0,016 x 100 = 1,16 6° afronding (0,16 0,50) : 1 7° verhoging : 1 + 3 = 4 Het resultaat is lager dan het bij de wet vastgestelde minimum. Derhalve moet als basispercentage 5 pct. worden genomen.

C. Verhoogd percentage

II/167 Art. 20, § 1, eerste lid, b, 1°, van de hervormingswet bepaalt dat het basispercentage van de aftrek met 10 percentpunten wordt verhoogd voor :

  • energiebesparende investeringen (zie nr. II/157);
  • milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling (zie nr. II/158).


Dit betekent dat indien het basispercentage bijvoorbeeld gelijk is aan 7 pct., het verhoogde percentage voor de bedoelde investeringen (7 + 10 =) 17 pct. zal bedragen.

Evenzo mag het percentage van de aftrek voor die investeringen niet lager zijn dan (5 + 10 =) 15 pct., noch hoger zijn dan (12 + 10 =) 22 pct.

D. Gespreide aftrek

II/168 Wanneer de gespreide aftrek wordt toegepast onder de in art. 42ter, § 3, WIB bepaalde voorwaarden, is het percentage van de aftrek, ongeacht de aard van de investering, gelijk aan het basispercentage verhoogd met 7 punten (art. 20, § 1, eerste lid, b, 2°, van de hervormingswet).

Er is geen afzonderlijk percentage meer voor meubelen en kantoormaterieel.

Ter zake bedragen het minimum- en het maximumpercentage respectievelijk (5 + 7 =) 12 pct. en (12 + 7 =) 19 pct.

II/169 De gespreide aftrek geldt ook voor beoefenaars van vrije beroepen, enz.

II/170 Het toepasselijke percentage is afhankelijk van het basispercentage van het kalenderjaar waarin de investering is verricht en blijft ongewijzigd gedurende de gehele afschrijvingsperiode (een in 1989 verrichte investering geeft aanleiding tot een gespreide aftrek van 5 + 7 = 12 pct. - zie nr. II/173 - ongeacht het inflatiepeil in 1989 en de volgende jaren).

II/171 Indien de investering is verricht tijdens een belastbaar tijdperk dat voorafgaat aan datgene dat aan het aj. 1990 moet worden verbonden (zie nr. II/173), blijven de oude percentages van 5 pct. (meubelen en kantoormaterieel) en van 20 pct. (andere vaste activa) van toepassing, naar het onderscheid dat wordt gemaakt in art. 42ter, § 3, WIB, zoals dit luidde alvorens door de hervormingswet te zijn gewijzigd.

E. Percentages voor het aj. 1990

II/172 Uit de in voorbeelden 1 en 2 berekende gegevens (zie nrs. II/165 en 166) blijkt dat voor de kalenderjaren 1988 en 1989 het basispercentage van de aftrek telkens gelijk is aan 5 pct.

II/173 Ongeacht of de belastingplichtige (natuurlijke persoon) geen boekhouding voert of zijn boekhouding per kalenderjaar (1989) of anders (boekjaar 1988-1989) voert, zijn de percentages voor investeringen die zijn verricht gedurende het tijdperk waarvan de resultaten verbonden worden aan het aj. 1990, bijgevolg : - energiebesparende investeringen : 15 pct. - milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling : 15 pct. - andere investeringen : 5 pct. - gespreide aftrek : 12 pct. De administratie zal elk jaar de geldende percentages mededelen.

F. Verhoging van het basispercentage bij KB

II/174 De wetgever heeft uitdrukkelijk aan de Koning de macht verleend om, bij in Ministerraad overlegd besluit, het basispercentage van de investeringsaftrek te verhogen wanneer de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen (zie art. 20, § 1, tweede lid, van de hervormingswet).

Die bepaling biedt de mogelijkheid de aftrek vlugger aan een onverwachte stijging van de inflatie aan te passen, zonder tussenkomst van het Parlement.

VII. INWERKINGTREDING

II/175 Overeenkomstig art. 39, eerste lid, 1°, van de hervormingswet, treden de bepalingen van de art. 20 en 35 van dezelfde wet in werking met ingang van het aj. 1990.

In de praktijk en voor aan de PB onderworpen belastingplichtigen zijn de nieuwe regels inzake de investeringsaftrek dus voor de eerste maal van toepassing :

  • op investeringen die in 1989 zijn verricht, indien geen boekhouding wordt gevoerd of indien de boekhouding per kalenderjaar wordt gevoerd;
  • op investeringen die zijn verricht tijdens het in 1989 afgesloten boekjaar indien de boekhouding anders dan per kalenderjaar wordt gevoerd.


Er wordt aan herinnerd dat, overeenkomstig art. 40, § 4, van de hervormingswet, elke wijziging die vanaf 1.1.1988 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht, zonder uitwerking is voor de toepassing van onder meer art. 20 van dezelfde wet.