Circulaire nr. Ci.RH.21/453.572 van 17.09.1993

CIRC 17.09.93/1
Bull. nr. 732, pag. 3069
FISCALE, FINANCIELE EN DIVERSE BEPALINGEN 1992
Jaarlijkse indexering

JAARLIJKSE INDEXERING
Bevriezing van de jaarlijkse indexering
INHOUDSTABEL Nrs. I. WETTEKSTEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1 II. ALGEMEEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2 III. NIET-BEDOELDE BEPALINGEN . . . . . . . . . . . . . . 4 IV. BEDRAGEN WAARVAN DE INDEXERING NIET IS OPGESCHORT A. Algemeen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 B. Belastingvrije som. . . . . . . . . . . . . . . . 6 C. Maxima inzake bestaansmiddelen. . . . . . . . . . 8 V. ANDERE BEPALINGEN. . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 VI. BEPERKING VAN DE NIET-INDEXERING . . . . . . . . . . 12 VII. TOEKOMSTIGE INDEXERINGSCOEFFICIENT . . . . . . . . . 14 VIII. INWERKINGTREDING . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
1. WETTEKSTEN
1. Art. 5, W 28.12.1992 (V 2212 - Bull. 725) heeft in art. 178, WIB 92 de volgende wijzigingen aangebracht :
  • enerzijds is § 1 aangevuld met de woorden "onverminderd de toepassing van de bepalingen van § 3";
  • anderzijds is in de plaats van § 3, die § 4 wordt, een nieuwe tekst ingevoegd.
Ingevolge die wijzigingen luidt de tekst van art. 178, WIB 92 voortaan als volgt :
§ 1. De bedragen die in deze titel en in de desbetreffende bijzondere wetsbepalingen zijn uitgedrukt in franken, worden met betrekking tot inkomstengrenzen en -schijven, vrijstellingen, verminderingen, aftrekken en beperkingen of begrenzingen ervan, jaarlijks en gelijktijdig aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast onverminderd de toepassing van de bepalingen van § 3.
§ 2. De aanpassing gebeurt met behulp van de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988.
Bij berekening van de coëfficiënt worden de volgende afrondingen toegepast :
1° het gemiddelde van de indexcijfers wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdste van een punt naargelang het cijfer van de duizendsten van een punt al of niet 5 bereikt;
2° de coëfficiënt wordt afgerond tot het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet 5 bereikt;
Na toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond tot het hogere of lagere duizendtal naargelang het cijfer van de honderdtallen al of niet 5 bereikt.
§ 3. In afwijking van § 2, eerste lid, wordt, behoudens wat de artikelen 131 tot 134 en 148 vermelde belastingvrije sommen, eventueel verhoogd, en de grenzen van de in de artikelen 136 en 140 tot 142 vermelde bestaansmiddelen betreft, de aanpassing verwezenlijkt :
1° voor de aanslagjaren 1994 tot 1997 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1991 te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988;
2° voor de aanslagjaren 1998 en volgende met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1995 en 1991.
§ 4. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de in artikel 16, § 1 vermelde bedragen van 120.000 frank en 10.000 frank.
Art. 6, W 28.12.1992
De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit, de toepassing van het artikel 178, § 3, van hetzelfde Wetboek, beperken tot de aanslagjaren 1994 en 1995 of 1994 tot 1996 en bijgevolg § 3, 2°, van hetzelfde artikel wijzigen.
De Koning zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van het ter uitvoering van deze bepaling genomen besluit.
II. ALGEMEEN
2. In de vroegere versie regelde art. 178, WIB 92 (oorspronkelijk art. 8, hervormingswet 1988, waarvan § 3 intussen vervangen is door art. 29, W 28.12.1990) - inzake PB en dit met ingang van het aj. 1991 (Wat de in art. 16, § 1, WIB 92 vermelde bedragen van 120.000 F en 10.000 F betreft, is de automatische indexering evenwel pas met ingang van aj. 1992 van toepassing en dit volgens bijzondere regels, zie circ. 23.8.1991, Ci.RH.21/429.638 - Bull. 709) - de automatische jaarlijkse indexering van alle in franken uitgedrukte bedragen betreffende de grondslag en de berekening van de belasting die zowel in het WIB zelf als in de bijzondere wetsbepalingen voorkomen.
Gelet op de begrotingsproblemen en om de in het kader van het Verdrag van Maastricht bepaalde doelstellingen van het convergentieplan met het oog op de Europese integratie te halen, zonder evenwel de voornaamste verworvenheden van de hervorming van 1988 in gevaar te brengen, heeft de Regering beslist de automatische jaarlijkse indexering voorlopig te bevriezen. Die opschorting is voor ten hoogste 4 aanslagjaren (nl. 1994 tot en met 1997) voorzien.
De Koning kan evenwel bij in Ministerraad overlegd besluit (te bekrachtigen door het Parlement) de bevriezing van de indexering tot twee of drie aj. (aj. 1994 en 1995 of 1994 tot 1996) beperken.
In een zorg naar rechtvaardigheid ten opzichte van belastingplichtigen die slechts over lage inkomsten beschikken en om rekening te houden met de gezinstoestand blijven de belastingvrije sommen (vrijgesteld minimum en toeslagen voor personen ten laste) echter geïndexeerd.
De grensbedragen inzake bestaansmiddelen (60.000 F, 90.000 F en 120.000 F) om als ten laste te worden beschouwd, blijven eveneens geïndexeerd teneinde te vermijden dat alleen door het spel van de indexering een persoon ten laste dit statuut verliest.
De KI's en de gewone woningaftrek (120.000 F en 10.000 F) blijven overigens eveneens geïndexeerd, daar het indexeringsmechanisme van deze elementen verschilt van dat ingevoerd door de hervormingswet van 1988.
3. Tenslotte wordt er op gewezen dat op het einde van de periode van opschorting van de indexering (ongeacht de werkelijke duur ervan) geen "inloopmaatregel" voorzien is om de niet toegestane indexering te compenseren; dergelijke maatregel zou immers het effect van die opschorting grotendeels teniet doen.
III. NIET-BEDOELDE BEPALINGEN
4. Art. 178, § 4, WIB 92 stelt uitdrukkelijk dat § 1 van hetzelfde art. niet van toepassing is op de in art. 16, § 1, WIB 92 vermelde bedragen van 120.000 F en 10.000 F (gewone woningaftrek). De indexering van die bedragen gebeurt inderdaad op een totaal verschillende wijze dan die van de andere bedragen en is in feite gebaseerd op de indexering van de KI's (zie dienaangaande art. 518, WIB 92).
Daar de bevriezing van de indexering slechts de in art. 178, § 1, WIB 92 vermelde bedragen betreft, blijven de bedragen van de gewone woningaftrek (niet bedoeld in de voormelde bepaling) geïndexeerd, hetgeen overigens slechts het logische gevolg is van het feit dat de KI's eveneens geïndexeerd blijven tot de volgende kadastrale perekwatie (voor meer bijzonderheden inzake de modaliteiten van die indexering, zie circ. Ci.RH.21/429.638 van 23.8.1991, nrs. 12 tot 22 - Bull. 709).
De onderstaande tabel bevat de geïndexeerde bedragen inzake woningaftrek voor de aj. 1993 en 1994.
Geïndexeerde bedragen Woningaftrek Bedrag vóór indexering Aj. 1993 Aj. 1994 basisbedrag . . . . 120.000 F 129.900 F 133.100 F verhoging . . . . . 10.000 F 10.800 F 11.100 F
IV. BEDRAGEN WAARVAN DE INDEXERING NIET WORDT OPGESCHORT
A. Algemeen
5. Uit een oogpunt van rechtvaardigheid ten opzichte van de minder begoede belastingplichtigen of van die met zware gezinslasten, is de opschorting van de indexering niet van toepassing op de belastingvrije som of zijn toeslagen, noch op de grensbedragen inzake bestaansmiddelen.
De desbetreffende bedragen worden verder geïndexeerd volgens de modaliteiten beschreven in de nrs. II/988 tot 991 van de circ. Ci.D.19/402.192 van 18.5.1990.
B. Belastingvrije som
6. De jaarlijkse indexering blijft gehandhaafd voor de belastingvrije som, zowel voor het in art. 131, WIB 92 bedoelde basisbedrag (165.000 F voor een alleenstaande belastingplichtige of 130.000 F voor elke echtgenoot) als voor de toeslagen voor kinderen en andere personen ten laste (art. 132, WIB 92) of voor de niet-hertrouwde weduwnaar of weduwe met kind ten laste, ongehuwde ouder met kind ten laste, gehandicapte, enz. (art. 133, WIB 92).
7. Het behoud van de indexering van de belastingvrije som heeft tot gevolg dat eveneens geïndexeerd blijven :
  • het in art. 134, eerste lid, WIB 92 vermelde grensbedrag van 130.000 F, waaronder een overdracht van de belastingvrije som tussen echtgenoten mogelijk is;
  • de in art. 148, WIB 92 vermelde bedragen van 165.000 F en 130.000 F, waarmee rekening wordt gehouden bij de berekening van de belastingverminderingen voor vervangingsinkomsten.
De tabellen hierna bevatten de geïndexeerde bedragen inzake de belastingvrije som voor de aj. 1993 en 1994.
Geïndexeerde bedragen Belastingvrije Bedrag vóór som voor indexering Aj. 1993 Aj. 1994 alleenstaande. . . . 165.000 F 181.000 F 186.000 F elke echtgenoot. . . 130.000 F 143.000 F 146.000 F kinderen ten laste : - 1 kind . . . . . . 35.000 F 38.000 F 39.000 F - 2 kinderen . . . . 90.000 F 99.000 F 101.000 F - 3 kinderen . . . . 202.500 F 223.000 F 228.000 F - 4 kinderen . . . . 327.500 F 360.000 F 369.000 F - supplement per kind boven het vierde . 125.000 F 137.000 F 141.000 F - bijkomend bedrag per kind jonger dan 3 jaar voor wie geen uitgaven voor opvang worden afgetrokken 10.000 F 11.000 F 11.000 F iedere andere persoon ten laste. . . . . . . 35.000 F 38.000 F 39.000 F Geïndexeerde bedragen Toeslag op de Bedrag vóór belastingvrije som indexering Aj. 1993 Aj. 1994 voor weduwnaar, weduwe of ongehuwde ouder met kind ten laste. . . . 35.000 F 38.000 F 39.000 F handicap. . . . . . . 35.000 F 38.000 F 39.000 F het jaar van huwelijk en onvoldoende bestaansmiddelen van de echtgenoot. . . . . . 35.000 F 38.000 F 39.000 F het jaar van overlijden en onvoldoende bestaansmiddelen van de echtgenoot. . . . . . 95.000 F 104.000 F 107.000 F
C. Maxima inzake bestaansmiddelen
8. Art. 136, WIB 92 bepaalt het maximumbedrag (60.000 F) van de nettobestaansmiddelen om als ten laste te kunnen worden aangemerkt. Hetzelfde bedrag is trouwens vermeld in art. 140, WIB 92 dat de overheveling van personen ten laste mogelijk maakt.
Art. 141, WIB 92 stelt dat de in art. 136 en 140, WIB 92 vermelde bedragen van 60.000 F voor kinderen ten laste van een alleenstaande worden gebracht op :
  • 120.000 F voor zwaar gehandicapte kinderen;
  • 90.000 F voor andere kinderen.
Tenslotte stelt art. 142, WIB 92 de wijze vast waarop het nettobedrag van de bestaansmiddelen moet berekend worden en bepaalt het dat wanneer de bestaansmiddelen in bezoldigingen van werknemers of in baten bestaan en de desbetreffende kosten forfaitair op 20 % van het brutobedrag van die bestaansmiddelen worden vastgesteld, de aftrekbare kosten ten minste 10.000 F bedragen.
9. De bovenvermelde bedragen van 60.000 F, 90.000 F en 120.000 F, evenals het minimum van 10.000 F inzake de forfaitaire kosten voor bestaansmiddelen, blijven op dezelfde wijze als voorheen geïndexeerd.
De tabel hierna bevat de geïndexeerde bedragen inzake netto-bestaansmiddelen voor de aj. 1993 en 1994.
Geïndexeerde bedragen Maximumbedrag van de Bedrag vóór nettobestaansmiddelen indexering Aj. 1993 Aj. 1994 algemene regel. . . . . 60.000 F 66.000 F 68.000 F kinderen ten laste. . . 90.000 F 99.000 F 101.000 F gehandicapte kinderen ten laste van alleenstaanden. . . . . 120.000 F 132.000 F 135.000 F
V. ANDERE BEPALINGEN
10. Wat de in de andere dan de sub III of IV hierboven vermelde bepalingen bedoelde bedragen betreft, stelt art. 178, § 3, 1°, WIB 92 dat de aanpassing voor de aanslagjaren 1994 tot 1997 wordt verwezenlijkt met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1991 te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988.
11. De bedragen die voor de aj. 1994 tot 1997 in aanmerking moeten genomen worden, zijn met andere woorden dezelfde als die welke voor het aj. 1993 van toepassing waren.
VI. BEPERKING VAN DE NIET-INDEXERING
12. Art. 6, W 28.12.1992 biedt de Koning de mogelijkheid de opschorting van de automatische jaarlijkse indexering te beperken :
  • ofwel tot de aj. 1994 en 1995;
  • ofwel tot de aj. 1994 tot 1996.
Diezelfde bepaling machtigt de Koning eveneens om bijgevolg § 3, 2° van art. 178, WIB 92 (die de modaliteiten vastlegt volgens welke de indexering - behoudens wijzigend koninklijk besluit - opnieuw vanaf aj. 1998 moet toegepast worden) te wijzigen.
De indexering is hoe dan ook wettelijk bevroren voor ten minste twee aj. (1994 en 1995) en voor ten hoogste vier aj. (in de veronderstelling dat de Koning geen gebruik maakt van de Hem door voormeld art. 6 geboden mogelijkheid).
13. Indien het Staatshoofd een koninklijk besluit houdende beperking van de opschorting van de automatische jaarlijkse indexering zou treffen, dan zou Hij bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet moeten indienen tot bekrachtiging van dat besluit (art. 6, tweede lid, W 28.12.1992).
VII. TOEKOMSTIGE INDEXERINGSCOEFFICIENT
14. Art. 178, § 3, 2°, WIB 92 stelt dat voor de aj. 1998 en volgende de aanpassing zal worden verwezenlijkt met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1995 en 1991.
Die maatregel strekt ertoe elk inloopeffect na de periode van niet- indexering, te weten ten vroegste vanaf aj. 1996 en ten laatste vanaf aj. 1998, uit te sluiten. Om dit doel te bereiken, wordt het gemiddelde van de indexcijfers van het referentiejaar (het jaar 1988) verbeterd ten opzichte van het gemiddelde van de indexcijfers van de jaren 1995 en 1991, te weten de jaren die aan de jaren voorafgaan waarin de inkomsten werden behaald. Op die wijze wordt de weerslag van de evolutie van de indexcijfers in de periode waarvoor de indexering werd opgeschort (jaren 1992 tot 1995) volledig uitgeschakeld. Het spreekt van zelf dat indien de periode van niet-indexering bij koninklijk besluit zou worden ingekort, de teller van de breuk 1995/1991 dienovereenkomstig zou moeten worden aangepast (Kamer, gewone zitting 1992-1993, Stuk 717/3, blz. 11 en 12 en Stuk 717/5, blz. 68).
Voorbeeld
15. Volgend voorbeeld komt uit het Verslag namens de Commissie voor de Financiën van de Senaat, zitting 1992-1993, Stuk 591/2, blz. 48.
Voor de thans geldende indexcijfers, bedraagt het gemiddelde van het jaar 1988 100. Het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1991, dat in aanmerking komt voor het aj. 1993 (inkomsten 1992) bedraagt 109,98.
Gaat men uit van een inflatie van 3 % tijdens elk van de vier volgende jaren, dan bedraagt het gemiddelde indexcijfer voor 1995 dat in aanmerking komt voor het aj. 1997 (inkomsten 1996) :
109,98 x 1,03 x 1,03 x 1,03 x 1,03 of 123,78.
Om de prijsstijging tussen 1991 en 1995 te neutraliseren, moet men het basisgemiddelde (100, d.i. het prijzengemiddelde van het jaar 1988) vermenigvuldigen met de breuk 123,78/109,98 en dat geeft dan een nieuwe referentiecoëfficiënt van 112,55.
VIII. INWERKINGTREDING
16. Art. 178, § 3, 1°, WIB 92 bepaalt dat de bevriezing van de automatische jaarlijkse indexering van de belastingschalen geldt voor de aj. 1994 tot en met 1997.