Oostenrijk - Circulaire Circ. 975 d.d. 18.12.1973

Bulletin nr. 515, p. 250-268

Dubbelbelastingverdragen. - Oostenrijk.

Onderrichtingen betreffende de toepassing van de Belgisch-Oostenrijkse Overeenkomst van 29 december 1971 tot bet vermijden van dubbele belasting en tot regeling van sommige andere aangelegenheden inzake belastingen naar bet inkomen en naar het vermogen, met inbegrip van de ondernemingsbelasting en de grondbelastingen.

Circ. 975 van 18 december 1973

KORTE INHOUD

I. - Algemene beschouwingen.

II. - Nadere toelichting en wijze van uitvoering van sommige bepalingen.

A. Inkomsten uit onroerende goederen.

B. Winsten van ondernemingen.

C. Belastingheffing van roerende inkomsten in de bronstaat.

1. Roerende inkomsten uit bronnen in België verkregen door verblijfhouders van Oostenrijk.

a) Dividenden.

b) Interest.

c) Royalty’s

d) Bovenmatig deel van interest en royalty's.

2. Roerende inkomsten uit bronnen in Oostenrijk verkregen door verblijf houders van België.

D. Inkomsten uit vrije beroepen of andere zelfstandige werkzaamheden van soortgelijke aard.

E. Meerwaarden uit de vervreemding van een participatie en van sommige andere goederen.

F. Beheerders en commissarissen van vennootschappen.

G. Artiesten en sportbeoefenaars.

H. Particuliere pensioenen en andere sociale uitkeringen.

l. Openbare beloningen en pensioenen.

J. Studenten, leerlingen en stagiairs.

K. Niet uitdrukkelijk vermelde inkomsten.

L. Regeling lot vermijding van dubbele belasting met betrekking tot inkomsten uit bronnen in Oostenrijk verkregen door verblijfhouders van België.

M. Non-discriminatie.

N. Regeling voor onderling overleg.

O. Uitwisseling van inlichtingen (art. 26).

I. - Algemene beschouwingen.

A. Belangrijke data.

1. Ondertekening van de overeenkomst: 29 december 1971.

Goedkeuring: W. 1 juni 1973.

Publicatie in het Belgisch Staatsblad : 11 juli 1973.

Uitwisseling van de bekrachtigingsoorkonden : 13 juni 1973.

Inwerkingtreding: 28 juni 1973 (art. 28, § 2, ov.).

Toepassing:

in België:

a) op de bij de bron verschuldigde belastingen op inkomsten die na 31 december 1973 zijn toegekend ;

b) op de andere belastingen geheven naar inkomsten van belastbare tijdperken die na 31 december 1973 eindigen.

in Oostenrijk :

a) op de bij de bron verschuldigde belastingen op inkomsten die na 31 december 1973 zijn toegekend ;

b) op de andere belastingen die voor de jaren 1974 en volgende worden geheven.

B. Algemene kenmerken van de overeenkomst.

2. De Belgisch-Oostenrijkse overeenkomst beoogt vooral de vermijding van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (art. 6 tot 23, ov.). Zij voorziet tevens in wederzijdse administratieve bijstand voor de vestiging - maar niet voor de invordering - van de in de overeenkomst bedoelde belastingen (art. 26, ov.) en bevat verder bepalingen betreffende verschillende aangelegenheden die gewoonlijk in dubbelbelastingverdragen worden geregeld.

3. Zoals de gelijkaardige overeenkomsten die België thans met nagenoeg alle Westeuropese landen heeft gesloten, volgt de Belgisch-Oostenrijkse overeenkomst in ruime mate het modelverdrag van de OESO.

De hierna volgende onderrichtingen bevatten een algemene commentaar van de voornaamste bepalingen uit de overeenkomst.

II. - Nadere toelichting en wijze van uitvoering van sommige bepalingen.

A. Inkomsten uit onroerende goederen.

4. Ingevolge art. 6, § 1, ov., zijn inkomsten uit onroerende goederen belastbaar in de overeenkomstsluitende Staat waar de goederen zijn gelegen. Dit geldt ook voor de meerwaarden op onroerende goederen (art. 13, § 1, ov.).

De uitdrukking « inkomsten uit onroerende goederen » omvat o.m. de winsten van landbouw- en bosbouwbedrijven, alsmede inkomsten uit onroerende goederen van een onderneming of uit onroerende goederen die voor de uitoefening van een vrij beroep worden gebezigd (afwijking van de regel van de vaste inrichting - zie nr. 5 - en van de vaste basis).

België heeft dus het recht de inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen, die door verblijfhouders van Oostenrijk worden verkregen, volgens zijn interne wetgeving zonder beperking te belasten.

B. Winsten van ondernemingen.

1. Algemeen.

5. Winsten van een onderneming van een der overeenkomstsluitende Staten mogen in de andere Staat slechts worden belast voor zover zij aan een in die andere Staat gelegen vaste inrichting kunnen worden toegerekend (art. 7, § 1). Die bepaling is ook van toepassing op de winsten van een vennoot in een « stille Gesellschaft » naar Oostenrijks recht.

Van deze regel wordt evenwel afgeweken voor de belastingheffing van .de winsten van zee- en luchtvaartondernemingen (zie nr. 9 hierna).

2. Definitie van de vaste inrichting.

Het begrip vaste inrichting is omschreven in art. 5. Dienaangaande wordt opgemerkt dat:

- de uitvoering van een bouwwerk of van constructiewerkzaamheden een vaste inrichting uitmaakt indien de duur van de werkzaamheden twaalf maanden overschrijdt (art. 5, § 2, 7°, ov.) ;

- een verzekeringsonderneming wordt geacht een vaste inrichting in een overeenkomstsluitende Staat te hebben indien zij in die Staat premies int of aldaar gelegen risico's verzekert door bemiddeling van een niet-onafhankelijke vertegenwoordiger of door een onafhankelijke vertegenwoordiger die een machtiging bezit (en gewoonlijk uitoefent) om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten (art. 5, § 6, ov.).

3. Bepaling van de aan de vaste inrichting toe te rekenen winst.

6. De aan de vaste inrichting toe te rekenen winst is die welke de inrichting had kunnen behalen indien zij een onafhankelijke en zelfstandige onderneming zou zijn, die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen en die geheel onafhankelijk zou handelen (art. 7, § 2, ov.).

Bij het bepalen van de winst van een vaste inrichting, moet rekening worden gehouden met de kosten, daaronder begrepen de kosten van leiding en de algemene beheerskosten, die ten behoeve van die vaste inrichting zijn gemaakt hetzij in de Staat waar de vaste inrichting is gelegen, hetzij buiten die Staat (b.v. in de Staat waar de plaats van de leiding van de onderneming is gelegen) (art. 7, § 3, ov.).

Indien geen afdoende gegevens voorhanden zijn om de winst van de vaste inrichting te bepalen, mag de Belgische belasting worden gevestigd op een volgens de Belgische wetgeving vastgestelde grondslag (art. 7, § 4, ov.). Dit sluit o.m. de mogelijkheid in, de methode van vergelijking, met inbegrip van de bij art. 146, K.B. tot uitv. W.I.B., bepaalde forfaits, toe te passen.

4. Winsten van onderling afhankelijke ondernemingen.

7. Winsten van verwante of onderling afhankelijke ondernemingen mogen worden verbeterd om overdreven winstafvloeiingen te voorkomen (art. 9, ov.).

5. Meerwaarden op roerende goederen van een onderneming.

8. Meerwaarden uit de vervreemding van roerende goederen van een onderneming zijn in de regel belastbaar in de Staat waar de vaste inrichting, tot het bedrijfsvermogen waarvan die goederen behoren, is gevestigd (art. 13, § 2, ov.).

6. Zee en luchtvaartondernemingen

9. Ingevolge art. 8, ov., zijn winsten uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer, slechts belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding der onderneming is gelegen.

Daaruit volgt dat de in België behaalde winsten van Oostenrijkse zee- en luchtvaartondernemingen vrijgesteld zijn van Belgische belasting.

10. Uit de combinatie van art. 13, § 2, lid 2, en art. 22, § 3, ov., volgt dat de meerwaarden uit de vervreemding van schepen en luchtvaartuigen, geëxploiteerd in internationaal verkeer, zomede van roerende zaken die voor de exploitatie daarvan worden gebezigd, in de bronstaat van belastingen worden vrijgesteld, aangezien die meerwaarden uitsluitend belastbaar zijn in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

C. Belastingheffing van roerende inkomsten in de bronstaat.

1. Roerende inkomsten uit bronnen in België verkregen door verblijfhouders van Oostenrijk.

a) Dividenden.

11. Ingevolge art. 10, § 2, ov., moet België de R.V. op dividenden (inkomsten van belegde kapitalen daaronder begrepen) die met ingang van 1.1.1974 door een Belgische vennootschap aan een verblijfhouder van Oostenrijk worden toegekend, beperken tot 15 pct. van het brutobedrag van de belastbare inkomsten. De beperking is evenwel niet van toepassing indien de participatie die de dividenden oplevert wezenlijk is verbonden met een vaste inrichting waarover de genieter in België beschikt (art. 10, § 4, ov.).

12. De vermindering wordt verleend aan de hand van een formulier nr. 276 Div. (A) (1) ; voor de wijze van berekening en voor de ter zake te volgen procedure, wordt mutatis mutandis verwezen naar de toelichting op het formulier en de onderrichtingen betreffende de toepassing van andere overeenkomsten.

--------------

(1) De formulieren waarvan sprake in deze onderrichting kunnen in België bekomen worden bij de Documentatiedienst der directe belastingen, Belliardstraat 45, 1040 Brussel, en in Oostenrijk bij de « Finanzlandesdirektionen ».

b) Interest.

13. Ingevolge art. 11, §§ 2, 4 en 7, ov., moet de R.V. op het normale bedrag van interest uit Belgische bronnen, die met in gang van 1.1.1974 aan een verblijfhouder van Oostenrijk wordt toegekend, worden beperkt tot 15 pct. indien de lening, de schuldvordering of het deposito die de interest opleveren, niet wezenlijk verbonden zijn met een vaste inrichting waarover de genieter van de interest in België beschikt, ·

14. De vermindering wordt verleend aan de hand van een aanvraag nr. 276 Int. (A) (2) ; de ter zake te volgen procedure en de wijze van berekening zijn dezelfde als voor dividenden (zie nr. 12 hiervoren).

De in nr. 13 vermelde regeling is niet van toepassing op interesten die door de Belgische wetgeving ais inkomsten van belegde kapitalen worden beschouwd en onder de in nr. 11 hierboven omschreven regeling voor dividenden vallen (art. 11, § 4, 1°, ov.).

----------------

(2) Zie voetnoot (1) onder nr. 12.

15. Deze regeling is ingevolge art. 11, § 4, 2°, 3° en 4°, ov., evenmin van toepassing op :

1° interest van handelsschuldvorderingen - met inbegrip van vorderingen vertegenwoordigd door handelspapier - wegens termijnbetalingen, door een Belgische onderneming aan een Oostenrijkse onderneming voor levering van koopwaar, goederen of diensten ;

2° interest van rekeningen-courant of van voorschotten door een Belgische bankonderneming betaald aan een Oostenrijkse bankonderneming;

3° interest van niet in effecten aan toonder verdeelde gelddeposito's bij bankondernemingen, daaronder begrepen Belgische openbare kredietinstellingen.

Ingevolge art. 11, § 4, lid 2, is de in 1 ° tot 3° hierboven bedoelde interest, naar het geval, onderworpen aan de regeling voor winsten van ondernemingen (zie nr. 5 hierboven) of in de bronstaat vrijgesteld onder de voorwaarden van art. 21, ov.

Deze regeling doet geen afbreuk aan de vrijstellingen van R.V. waarin het gemeen recht voorziet ten gunste van niet-verblijfhouders; zij is integendeel in grote mate op de Belgische wetgeving afgestemd. Verblijfhouders van Oostenrijk die de voormelde vrijstelling wensen te genieten, kunnen deze derhalve normaal bekomen onder de voorwaarden en met inachtneming van de in het interne recht voorgeschreven formaliteiten (zie o.m. nrs. 164/145 tot 149.3, 152, 153, 198, 199 en 199.1, Com.I.B.).

c) Royalty’s

Algemene regel.

16. Royalty’s uit Belgische bronnen toegekend aan een verblijfhouder van Oostenrijk zijn tot het normale bedrag vrijgesteld van R.V. indien het recht of het goed dat de royalty’s oplevert niet wezenlijk is verbonden met een vaste inrichting waarover de genieter in België beschikt (art. 12, §§ 1, 4 en 6, ov.)

Uitzondering

17. Royalty’s die door een Belgische vennootschap worden betaald aan een aandeelhouder, verblijfhouder van Oostenrijk, die meer dan de helft van het kapitaal van de uitbetalende vennootschap bezit, mogen in België worden onderworpen aan een beperkte belasting van 10 pct. Op het normale bedrag, op voorwaarde dat het recht of het goed dat de royalty’s oplevert niet wezenlijk is verbonden met een in België gelegen vaste inrichting (art.12, §§ 2, 4 en 6, ov.).

18. De voor de vrijstelling of de beperking te volgen procedure is gelijkaardig als die welke hierboven onder de nrs. 12 en 14 voor dividenden en interest is aangegeven. De vrijstelling of beperking mag echter normaal bij de bron worden verleend. De genieter van de royalty’s moet een aanvraag in tweevoud overleggen door middel van een formulier nr. 276 (A) (3). Dit formulier moet ter waarmerking aan de Oostenrijkse belastingdienst worden gezonden en het door deze dienst behoorlijk gewaarmerkte exemplaar moet vervolgens worden gestuurd of wel aan de Belgische schuldenaar van de royalty's ten laatste binnen 10 dagen na de vervaldag van de royalty's (om de inhouding van de R.V. te ontgaan of de R.V. te doen beperken), of wel aan de Hfd.cr. te Sint-Joost-ten-Node 1 (om teruggaaf van de bij de bron ingehouden, of te veel ingehouden, R.V. te bekomen).

---------------

(3) Zie voetnoot (1) onder nr. 12.

d) Bovenmatig deel van interest en royalty's.

19. Indien tussen de schuldenaar en de schuldeiser of tussen hen beiden en derden enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bestaat en het bedrag van de interest of de royalty's hoger is dan het bedrag dat, zonder zulke band, voor gelijkaardige prestaties zou worden bedongen, mag België op dat bovenmatige deel de bepalingen van zijn interne wetgeving toe passen, wat namelijk insluit :

- dat dit bovenmatige deel, des voorkomend, op grond van de artikelen 24 en 50, W.I.B., aan de belastbare winst van de schuldenaar dient te worden toegevoegd (zie ook art. 9, ov.) ;

- dat de R.V. op het bovenmatige deel aan geen beperking is onderworpen, behalve dat zij evenwel zoals bij dividenden, tot 15 pct. zou worden beperkt ingeval de bovenmatige betalingen vermomde dividenden zouden uitmaken, wat het geval zou kunnen zijn indien zij door een Belgische dochtervennootschap aan een Oostenrijkse moedervennootschap worden betaald.

2. Roerende inkomsten uit bronnen in Oostenrijk verkregen door verblijf houders van België.

Algemeen.

20. Ingevolge de artikelen 10, 11 en 12, ov., zijn roerende inkomsten uit Oostenrijkse bronnen die met in gang van 1.1.1974 worden verkregen door verblijfhouders van België, onder bepaalde voorwaarden aan de volgende beperkingen of vrijstellingen van Oostenrijkse belasting onderworpen :

a) Dividenden : de inhouding van de Oostenrijkse belasting wordt in de regel beperkt tot 15 pct. van het brutobedrag der dividenden en de daarmede gelijkgestelde inkomsten ;

b) Interest : de Oostenrijkse belasting wordt in beginsel beperkt tot 15 pct. van het brutobedrag van de interest ;

c) Royalty's : worden in de regel vrijgesteld van Oostenrijkse belasting. Deze vrijstelling is evenwel niet van toepassing voor royalty's betaald aan een persoon, verblijfhouder van België, die meer dan 50 pct. bezit van het kapitaal van de Oostenrijkse vennootschap die de royalty's betaalt. In een zodanig geval is de Oostenrijkse bronbelasting beperkt tot 10 pct. van het brutobedrag van de royalty's.

Voorwaarden voor de beperking of vrijstelling van de Oostenrijkse bronbelasting.

21. De Oostenrijkse belasting wordt slechts beperkt :

- indien de genieter van de inkomsten een verblijfhouder van België (natuurlijke persoon of rechtspersoon) is in de zin van de overeenkomst ;

- indien de genieter in Oostenrijk geen vaste inrichting heeft waarmede de deelneming, de schuldvordering, de lening, het deposito, de obligatie, het recht of het goed die de inkomsten opleveren, wezenlijk zijn verbonden;

- op het bedrag van de interest en royalty's dat als normaal kan worden beschouwd indien tussen de schuldenaar en de schuldeiser of tussen hen beiden en een derde persoon bijzondere verhoudingen bestaan.

Toepassingsmodaliteiten voor de beperking of de vrijstelling van de Oostenrijkse belasting.

22. De Oostenrijkse toepassingsmodaliteiten tot het bekomen van de beperking of vrijstelling van belasting op roerende inkomsten uit Oostenrijkse bronnen maken, zoals in a en b hierna uiteengezet, een onderscheid tussen de inkomsten die onderworpen zijn aan de Oostenrijkse bronbelasting op inkomsten uit roerende kapitalen (Kapitalertragsteuer) (d.w.z. dividenden en interest van converteerbare of winstdelende obligaties), of de inkomsten die niet onderworpen zijn aan de « Kapitalertragsteuer » d.w.z. royalty's en de interest behalve die van converteerbare of winstgevende obligaties.

a) Dividenden en interest van converteerbare of winstdelende obligaties.

23. De Oostenrijkse bronbelasting (Kapitalertragsteuer thans volgens het gemeen recht tegen het tarief van 20 pct. geheven) wordt bij de uitbetaling van die inkomsten ten volle ingehouden. De genieter van de inkomsten, verblijfhouder van België, kan evenwel op grond van de bepalingen van de overeenkomst om teruggaaf van de teveel geïnde belasting verzoeken op voorwaarde dat hij op het ogenblik van het verkrijgen van de inkomsten de eigendom of het genot gehad heeft van de kapitalen die de inkomsten opleverden.

Hij moet daartoe het exemplaar nr. 1 en, naargelang het geval, het exemplaar nr. 2 (in de Franse taal) of het exemplaar nr. 3 (in de Nederlandse taal), van een formulier R-B invullen, ondertekenen en indienen bij de Belgische bevoegde belastingdienst (de hoofdcontroleur der belastingen tot wiens ambtsgebied hij behoort). De verschillende aanvragen tot terugbetaling met betrekking tot een kalenderjaar dienen zo mogelijk op één formulier te worden opgenomen. Op drie jaar betrekking hebbende aanvragen mogen ook op één formulier worden opgenomen. Afzonderlijke verzoeken moeten worden ingediend voor zover de in Oostenrijk gevestigde schuldenaar van de opbrengsten niet door toedoen van een en dezelfde belastingdienst in de « Körperschaftsteuer » wordt aangeslagen.

De Belgische belastingdienst gaat na of de verzoeker een verblijfhouder van België is (artikel 4 van de overeenkomst). Eventueel bevestigt hij dit op het exemplaar nr. 1 van de aanvraag dat hij aan de verzoeker terugbezorgt; bij bewaart het andere exemplaar (or. 2 of 3 naar het geval).

De verzoeker stuurt dit exemplaar zo vlug mogelijk en in ieder geval vóór het einde van het derde kalenderjaar volgend op het jaar waarin de opbrengsten vorderbaar zijn geworden naar de Oostenrijkse belastingdienst die voor de vennootschapsbelasting (Körperschaftsteuer) van de schuldenaar van de inkomsten bevoegd is (de Oostenrijkse belastingdiensten en het gebied waarvoor zij bevoegd zijn komen voor op de keerzijde van het formulier R-B). Die belastingdienst moet over het verzoek beslissen.

Het exemplaar nr. 1 van iedere aanvraag moet gestaafd zijn met de bewijsstukken waaruit blijkt dat de inkomsten wel degelijk betaald of toegekend zijn (opgave der dividenden of couponborderellen, bewijs van incassering). Indien de aanvraag door een vertegenwoordiger werd ondertekend dient een volmacht daartoe te worden overgelegd.

b) Royalty’s en interest behalve, die voortkomend van converteerbare of winstdelende obligaties.

24. Volgens het gemeen recht zijn deze inkomsten niet aan de « Kapitalertragsteuer » onderworpen, maar bepaalde onder die inkomsten ondergaan de Oostenrijkse inkomstenbelasting die eventueel bij de bron verschuldigd is (royalty’s, interest van hypothecaire leningen die niet door obligaties vertegenwoordigd zijn).

Voor de gezegde inkomsten mag de in de overeenkomst neergelegde beperking of vrijstelling van belasting onmiddellijk worden verleend.

De Belgische rechthebbende op de inkomsten dient hiertoe geen speciale formaliteiten te vervullen. De Oostenrijkse schuldenaar is evenwel gehouden zich ervan te vergewissen dat aan de in overeenkomst gestelde voorwaarden voor het bekomen van de beperking of vrijstelling voldaan is.

D. Inkomsten uit vrije beroepen of andere zelfstandige werkzaamheden van soortgelijke aard.

25. Ingevolge art. 14, § 1, ov. Zijn die inkomsten belastbaar in de Staat waar de genieter zijn fiscale woonplaats heeft, tenzij hij in de andere Staat voor het verrichten van zijn werkzaamheden geregeld over een vaste basis beschikt.

Een verblijfhouder van Oostenrijk is bijgevolg in België belastbaar op de inkomsten uit een vrij beroep, voor zover deze inkomsten kunnen worden toegerekend aan een vaste basis waarover hij in België beschikt.

26. De meerwaarden uit de vervreemding van roerende goederen die behoren tot een vaste basis van een beoefenaar van een vrij beroep, zijn belastbaar in de Staat waar die vaste basis is gelegen (art. 13, § 2, ov.)

E. Meerwaarden uit de vervreemding van een participatie en van sommige andere goederen.

27. Meerwaarden uit de vervreemding van een participatie in een vennootschap op aandelen of in een andere kapitaalvennootschap, die geen deel uitmaakt van een vaste inrichting, zijn uitsluitend belastbaar in de Staat waarvan de vervreemder verblijfhouder is (art. 13, § 3, ov.).

Dezelfde regeling is van toepassing op de winsten uit de vervreemding van alle andere goederen dan die welke bedoeld zijn in de nrs. 4, 8, 10 en 26, hiervoren.

F. Beheerders en commissarissen van vennootschappen.

28. De uitkeringen die uit hoofde van hun mandaat worden verleend aan beheerders en commissarissen van vennootschappen op aandelen of van andere kapitaalvennootschappen, zijn belastbaar in de Staat waarvan de uitkerende vennootschap een verblijfhouder is (art. 16, § 1, ov.) ; de beloningen die de betrokkenen evenwel in een andere hoedanigheid verkrijgen, namelijk uit dagelijkse werkzaamheden verricht in een vaste inrichting van de onderneming, zijn belastbaar in de Staar waar de vaste inrichting is gelegen indien de beloningen door de vaste inrichting worden gedragen (art. 16, § 2, ov.).

G. Artiesten en sportbeoefenaars.

29. Overeenkomstig art. 17, ov., zijn beroepsartiesten en sportbeoefenaars, verblijfhouders van Oostenrijk, in België volgens het interne recht belastbaar op inkomsten die zij als zelfstandige of als loontrekker uit in België uitgeoefende werkzaamheden behalen, ongeacht de duur van die werkzaamheden.

H. Particuliere pensioenen en andere sociale uitkeringen.

30. Pensioenen en andere uitkeringen die ter uitvoering van de Belgische sociale wetgeving aan verblijfhouders van Oostenrijk worden betaald (inzonderheid de wettelijke pensioenen door de pensioenkassen betaald ter zake van een vroegere dienstbetrekking in de particuliere sector) zijn uitsluitend in België belastbaar (art. 18, § 2, ov.) ; zij moeten dus eventueel de volgens het gemeen recht verschuldigde B.V. bij de bron onder, gaan. De andere pensioenen uit de particuliere sector die aan die verblijfhouders worden betaald (extra-wettelijke pensioenen) zijn uitsluitend in Oostenrijk belastbaar (art. 18, § 1, ov.); bijgevolg zijn zij vrijgesteld van Belgische belastingen en aan de inhouding van de B.V. onttrokken.

Pensioenen en andere uitkeringen van dezelfde aard ais de hierboven bedoelde, welke verblijfhouders van België uit Oostenrijkse bronnen verkrijgen, zijn op dezelfde voorwaarden hetzij van Belgische belastingen vrijgesteld, hetzij in de P.B. tegen het voile tarief belastbaar.

l. Openbare beloningen en pensioenen.

Algemene regel.

31. Beloningen en pensioenen door een Staat, een staatkundig onderdeel of een plaatselijke gemeenschap daarvan betaald, zijn in beginsel slechts in die Staat belastbaar (art. 19, § 1, ov.).

Afwijkingen.

32. De regel volgens welke de Staat die de beloningen of pensioenen uitbetaalt het recht heeft om belastingen te heffen, is niet van toepassing :

- indien de genieter onderdaan is van de andere Staat zonder terzelfder tijd onderdaan te zijn van de Staat die de inkomsten betaalt (art. 19, § 1, lid 2, ov.);

- indien de beloningen of pensioenen worden betaald ter zake van huidige of vroegere diensten, verricht in verband met enig handels- of nijverheidsbedrijf uitgeoefend door de schuldenaar van de inkomsten (art. 19, § 2, ov.).

In beide gevallen is op de desbetreffende beloningen en pensioenen de regeling van art. 15, of 18, naar het geval van toepassing.

J. Studenten, leerlingen en stagiairs.

33. Overeenkomstig art. 20, ov., zijn studenten, leerlingen of voor een beroep of bedrijf in opleiding zijnde personen, verblijfhouders van Oostenrijk, die enkel naar België komen om hun onderwijs of opleiding voort te zetten, van Belgische belastingen vrijgesteld :

- ter zake van de bedragen die zij uit het buitenland ontvangen om hun onderhoud, onderwijs of opleiding te bekostigen ;

- ter zake van de beloningen die zij ontvangen uit een dienstbetrekking die zij in België uitoefenen, op voorwaarde dat de duur van die dienstbetrekking 183 dagen in het kalenderjaar niet te boven gaat en de dienstbetrekking uitsluitend wordt uitgeoefend om beroepservaring op te doen.

K. Niet uitdrukkelijk vermelde inkomsten.

34. De niet uitdrukkelijk in de overeenkomst vermelde inkomsten die een verblijfhouder van Oostenrijk in België verkrijgt, zijn in België vrijgesteld in zover die inkomsten niet kunnen worden toegerekend aan een vaste inrichting of een vaste basis waarover die verblijfhouder van Oostenrijk in België zou beschikken (art. 21, ov.).

L. Regeling tot vermijding van dubbele belasting met betrekking tot inkomsten uit bronnen in Oostenrijk verkregen door verblijfhouders van België.

35. De volgende regels zijn overeenkomstig art. 23, § 2, ov. van toepassing :

1ste regel.

36. Inkomsten die volgens de overeenkomst in Oostenrijk belastbaar zijn - dividenden, interesten en royalty's uitgezonderd - zijn in België vrijgesteld van P.B. of van Ven.B. Met die inkomsten wordt niettemin rekening gehouden om het tarief van de P.B. te bepalen dat van toepassing is op de andere belastbare inkomsten van de genieters (art. 23, § 2, 1°, ov.).

37. Deze 1e regel is eveneens van toepassing op de winsten (met uitzondering van de als I.B.K. belastbare winsten) verkregen door werkende vennoten van Belgische personenvennootschappen en die voortkomen uit de Oostenrijkse vaste inrichting van de vennootschap. Doch die winsten worden - voor de toepassing van de door het interne recht verleende vermindering tot de helft van de P.B. (art. 88, lid 1, 2°, W.I.B., gewijzigd door art. 22, W. 25.6.1973) - geacht voort te komen uit een buitenlandse inrichting voor zover zij worden toegerekend op de uitkomsten van die inrichting uit hoofde van werkzaamheden die de genieters ten behoeve van diezelfde inrichting uitoefenen.

Daaruit volgt dat de vennoten, verblijfhouders of niet-verblijfhouders, van een Belgische personenvennootschap die een vaste inrichting in Oostenrijk heeft, van Belgische belastingen worden vrijgesteld ter zake van bovengenoemde winsten voor zover zij de in de Oostenrijkse vaste inrichting uitgeoefende werkzaamheid vergoeden en op de uitkomsten van die inrichting worden toegerekend (art. 7, § 1, en 23, § 2, 4°, a, ov.).

38. Deze 1e regel geldt echter niet voor de inkomsten van verblijfhouders van België, vennoten van een V.G.N., een V.E.G. of een burgerlijke vennootschap naar Oostenrijks recht, waarvan de plaats van de werkelijke leiding in Oostenrijk is gelegen, indien die inkomsten aldaar volgens de Oostenrijkse interne wetgeving niet belastbaar zijn (art. 23, § 2, 5°, ov.). Die vennoten, verblijfhouders van België, kunnen dus alhier slechts van de P.B. worden vrijgesteld indien zij het bewijs leveren dat zij in Oostenrijk op hun inkomsten van vennoot daadwerkelijk werden belast.

39. De overeenkomst bevat ook een bepaling tot voorkoming van dubbele ontheffing ten gevolge van de verrekening van verliezen die een Belgische onderneming in een Oostenrijkse vaste inrichting zou hebben geleden (art. 23, § 3, ov.) ; zulke bepaling komt in alle recente overeenkomsten van België voor en is toegelicht in Circ. 920, nr. 39 (Frans-Belgische overeenkomst van 10 maart 1964).

2de regel.

40. Met betrekking tot in Oostenrijk belaste dividenden, interest en royalty's, vermijdt België de dubbele belasting op de hierna beschreven wijze.

a) Dividenden door Oostenrijkse vennootschappen toegekend aan Belgische vennootschappen.

41. Ingevolge art. 23, § 2, 3°, a, ov., zijn de dividenden die voortkomen uit een vaste deelneming van een Belgische vennootschap in een Oostenrijkse vennootschap tot hun nettobedrag (90 of 95 pct. van het werkelijk verkregen bedrag – na buitenlandse belasting - verhoogd met de fictieve R.V. van 5 pct.) vrijgesteld van Ven.B.

42. Voor de dividenden uit niet-vaste deelnemingen is de regeling sub b) hierna (nr. 45) van toepassing.

43. Anderzijds kunnen de dividenden uit Oostenrijkse bronnen, op verzoek en onder bepaalde voorwaarden, vrijgesteld worden van de R.V. bij de incassering door de Belgische vennootschap, met dien verstande dat in zulk geval, de R.V. door de Belgische vennootschap verschuldigd is bij de wederuitkering van die dividenden (art. 23, § 2, 3°, b, ov.).

44. Ingevolge de opheffing van de voorheen geïnde R.V. van 10 pct. bij de incassering van buitenlandse dividenden verkregen door Belgische vennootschappen, vindt art. 23, § 2, 3°, b, ov., voortaan automatisch toepassing.

b) Dividenden uit Oostenrijkse bronnen verkregen door natuurlijke personen, verblijfhouders van België, Interest en royalty's uit Oostenrijkse bronnen verkregen door verblijfhouders van België, natuurlijke personen of rechtspersonen.

45. De dubbele belasting wordt vermeden bij wege van verrekening op de wijze als bepaald in art. 23, § 2, 2°, ov. ; d.w.z. dat het F.B.B. overeenkomstig het interne recht wordt verrekend, op voorwaarde, wat interest en royalty's betreft, dat de genieter aantoont dat deze inkomsten werkelijk in Oostenrijk werden belast. Deze regeling is ook van toepassing op vennoten van een personenvennootschap die de aanslag van haar winsten in de personenbelasting heeft gekozen (art. 23, § 2, 4°, b, ov.).

3de regel.

46. Inkomsten die volgens de overeenkomst in Oostenrijk van belastingen zijn vrijgesteld, zijn in België tegen het volle tarief en volgens het interne recht belastbaar.

M. Non-discriminatie.

47. Art. 24, ov., garandeert dat onderdanen van een overeenkomstsluitende Staat in de andere overeenkomstsluitende Staat een gelijke fiscale behandeling ondergaan als onderdanen van die andere Staat die zich in gelijke omstandigheden bevinden.

Dit belet evenwel niet dat in België :

- natuurlijke personen, onderdanen van Oostenrijk, die geen verblijfhouder van België zijn maar alhier over een woning beschikken, mogen worden belast op een minimuminkomen gelijk aan tweemaal het kadastraal inkomen van die woning (art. 24, § 3, 2de lid, 3-0, ov.) ;

- de B.N.V.-Ven. op de totale winst van een Belgische vaste inrichting van een Oostenrijkse vennootschap, vereniging van personen of personenvennootschap, mag worden berekend tegen het tarief van het interne recht, op voorwaarde dat dit tarief in hoofdsom niet hoger is dan het hoogste tarief dat van toepassing is ter zake van het geheel of enig deel van de winsten van vennootschappen die verblijfhouders zijn van België (art. 24, § 3, 2de lid, 2°, ov.).

48. Rekening houdend met de tariefwijzigingen die met ingang van het aanslagjaar 1974 door de W. 25.6.1973 (V. 1369 - B. 510) zijn ingevoerd, moet de B.N.V.-Ven. van Oostenrijkse vennootschappen dus worden berekend tegen het eenvormige tarief van 42 pct. (in plaats van 48 pct. volgens het interne recht).

N. Regeling voor onderling overleg.

49. Art. 25, ov., stelt een bijzondere procedure in, die de bevoegde autoriteiten van de twee Staten machtigt overleg te plegen om in onderlinge overeenstemming een oplossing te vinden voor belastingheffingen die niet in overeentemming zijn met de overeenkomst.

In het kader van die procedure kan een verblijfhouder van België, onverminderd de rechtsmiddelen van het interne recht, een verzoek om herziening van een belastingheffing die niet in overeenstemming met de overeenkomst is, bij de Belgische bevoegde autoriteiten indienen binnen een termijn van twee jaar vanaf de betekening of de inhouding bij de bron van de belastingheffing.

50. Elk verzoek dat op grond van art. 25 strekt tot herziening van een belastingheffing die in strijd met de overeenkomst wordt geacht, moet door verblijfhouders van België normaal worden ingediend bij de gewestelijke directeur der belastingen van het ambtsgebied waar de betrokkenen hun woonplaats hebben. De verzoeken die aan de Minister van Financiën of aan de Directeur-generaal der directe belastingen zijn gericht worden echter eveneens beschouwd als zijnde geldig ingediend ten aanzien van art. 25.

51. Indien hij zelf geen oplossing aan het geschil kan geven, onderwerpt de gewestelijke directeur het dossier met een omstandig verslag aan het Hoofdbestuur (Directie l/3), dat zo nodig met de Oostenrijkse belastingadministratie overleg pleegt.

O. Uitwisseling van inlichtingen (art. 26).

52. Binnen de aldaar gestelde perken voorziet art. 26, ov., in de uitwisseling van inlichtingen tussen België en Oostenrijk die nodig zijn voor de uitvoering van de overeenkomst en voor de toepassing van de nationale wetten in verband met belastingen die onder de werking van de overeenkomst vallen en waarvan de heffing niet in strijd is met de overeenkomst.

53. De uitwisseling van inlichtingen kan uitsluitend op het vlak van de centrale besturen plaatsvinden. Derhalve moeten de plaatselijke diensten zich ervan onthouden rechtstreeks inlichtingen bij de Oostenrijkse belastingdiensten in te winnen ; evenmin mogen zij ingaan op verzoeken om inlichtingen die hen vanwege de Oostenrijkse diensten zouden bereiken.