Circulaire nr. 11/2012 d.d. 22.10.2012

(Circulaire AFZ nr. 8/2012)

"Una via"-wet – Wijzigingen aan het Wetboek der registratie, -hypotheek en griffierechten, het Wetboek der successierechten en het Wetboek diverse rechten en taksen

FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN

Administratie van Fiscale Zaken

4de dienst - 2de directie

PATRIMONIUMDOCUMENTATIE

Kadaster, Registratie en Domeinen,

1 bijlage

In het Belgisch Staatsblad van 22 oktober 2012 werd de wet van 20 september 2012 "tot instelling van het "una via"-principe in de vervolging van overtredingen van de fiscale wetgeving en tot verhoging van de fiscale penale boetes" (1), bekendgemaakt.

----------

(1) Hierna genoemd "una via"-wet.

In deze circulaire wordt een eerste commentaar gegeven, in functie van de impact ervan voor de praktijk, van de wijzigingen die deze wet heeft doorgevoerd in het Wetboek der registratie-, hypotheek en griffierechten, in het Wetboek der successierechten en in het Wetboek diverse rechten en taksen. In de bijlage gaat een uittreksel uit de wet met de bepalingen die vernoemde wetboeken hebben gewijzigd. Voor de geconsolideerde teksten van de gewijzigde artikelen wordt verwezen naar fisconetplus.

Deze wet treedt in werking op 1 november 2012.

Commentaar

1. Het opzet van de "una via"-wet.

Vóór de inwerkingtreding van de "una via"-wet konden frauduleuze inbreuken op de vijf klassieke fiscale wetboeken zowel bestraft worden met een administratieve boete als met een strafrechtelijke sanctie (geldstraf en/of gevangenisstraf) (2).

----------

(2) Zie inleiding oud artikel 449 W.I.B. 1992, oud art. W. BTW, art. 206 W. Reg., 133 W. Succ. en 207 W.D.R.T. "Onverminderd de fiscale (administratieve) geldboeten, wordt hij die ... gestraft met gevangenisstraf ... en met geldboete ... of met één van die straffen alleen."

Vandaag is het gevestigde rechtspraak dat, in acht genomen de hoogte ervan, de in de fiscale wetboeken voorziene administratieve boetes een strafrechtelijk karakter kunnen hebben. Het bestraffen van frauduleuze inbreuken op de bepalingen van die wetboeken met een administratieve boete en met een strafsanctie (geldboete) kan bijgevolg botsen met het principe "non bis in idem" en aldus aanleiding geven tot vernietiging van de strafrechtelijke veroordeling. De wetgever heeft dit voor de toekomst willen vermijden.

2. Concretisering van het opzet.

De concretisering van het opzet veronderstelt in de eerste plaats het wegnemen van de rechtsgrond (3)voor de dubbele bestraffingsmogelijkheid. Daarmee samenhangend moet geregeld worden wat het gevolg is van de verschillende fasen (4) in de strafrechtelijke vervolging van de inbreuk, voor de opeisbaarheid en de verjaring van de (administratieve) fiscale geldboeten

----------

(3) Zie de artikelen vermeld in voetnoot 2

(4) Opsporingsonderzoek en uitoefening van de strafvordering voor de correctionele strafrechter.

Zij veronderstelt tevens het instellen van een georganiseerde overlegmogelijkheid tussen de fiscale administratie die een administratieve boete kan opleggen en het openbaar ministerie als vervolgende autoriteit in strafzaken, met de bedoeling dat in concrete dossiers de "via" wordt bepaald: ofwel de weg van de administratieve sanctionering ofwel de weg van de strafrechtelijke sanctionering, naargelang het dossier niet dan wel kwalificeert als zware fiscale fraude. De instelling van die overlegmogelijkheid brengt de noodzaak tot wijziging mee van:

  1. artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering;

  2. het verbod tot vervolging van feiten blijkende uit een aangifte door een ambtenaar die daartoe niet gemachtigd was;

  3. de mogelijkheid van de procureur des Konings om in concrete dossiers het advies te vragen van de bevoegde gewestelijke directeur.

Tenslotte moet het de administratie worden toegestaan om in het kader van het overleg mededeling te doen aan de procureur des Konings van de fiscale dossiers waaruit strafrechtelijk vervolgbare inbreuken op de fiscale wetgeving kunnen blijken.

3. Nog geen volledige concretisering van het opzet in de wetboeken waarvoor de Administratie van de Patrimoniumdocumentatie de dienst van de belasting verzekert.

Naast de aanpassing van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering en de opheffing van de rechtsgrond voor de dubbele bestraffing, heeft de "una via"-wet voor wat betreft de inkomstenbelastingen en de belasting over de toegevoegde waarde, alle andere nodige aanpassingen die in punt 2 zijn vermeld, in de betreffende wetboeken doorgevoerd.

In de wetboeken waarvoor de Administratie van de Patrimoniumdocumentatie de dienst van de belasting verzekert is dat nog niet volledig gebeurd. De opheffing van de rechtsgrond voor de dubbele bestraffing in het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten en in het Wetboek der successierechten vereist immers een overleg met de Gewesten, omdat die wetboeken ook belastingen bevatten die Gewestelijke belastingen zijn. De "una via"-wet is tot stand gekomen op initiatief van het parlement. Om die totstandkoming niet te vertragen - de grote fiscale fraude situeert zich vooral op het vlak van de inkomstenbelastingen en de belasting over de toegevoegde waarde - heeft de wetgever ervoor gekozen om de volledige concretisering van het "una via"-principe in de wetboeken waarvoor de Administratie van de Patrimoniumdocumentatie de dienst van de belasting verzekert, uit te stellen tot het bij de Bijzondere Financieringswet vereiste overleg met de Gewesten zal hebben plaatsgevonden.

4. Impact in de praktijk van de al aangebrachte wijzigingen aan de Wetboeken waarvoor de Administratie van de Patrimoniumdocumentatie de dienst van de belasting verzekert.

De aan bedoelde wetboeken al aangebrachte wijzigingen situeren zich op het vlak van het instellen van een georganiseerd overleg tussen de administratie en het openbaar ministerie (zie punt 2). Vermits de rechtsgrond voor de dubbele bestraffing in die wetboeken nog niet is weggenomen en ook nog de mogelijkheid moet ingeschreven worden voor de bevoegde gewestelijke directeur om in het kader van dat overleg aan de procureur des Konings mededeling te doen van de strafrechtelijk vervolgbare dossiers, moet besloten worden dat de "una via"-wet in de praktijk geen impact heeft voor de toepassing door de belastingsambtenaren (5)) van de wetboeken waarvan de Administratie van de Patrimoniumdocumentatie de dienst van de belasting verzekert.

----------

(5) De verhoging bij de "una via"-wet van de strafrechtelijke geldboeten in de Wetboeken waarvoor de Administratie van de Patrimoniumdocumentatie de dienst van de belasting verzekert, is uiteraard iets dat in de praktijk de strafrechters aangaat, niet de belastingsambtenaren.

Bijlage

Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 22 oktober 2012

Wet van 20 september 2012 tot instelling van het "una via"-principe in de vervolging van overtredingen van de fiscale wetgeving en tot verhoging van de fiscale penale boetes.

...

TITEL I.- Voorafgaande bepaling

Artikel 1.- Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

TITEL II.- Wijziging van het Wetboek van strafvordering

Art. 2. - Artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 maart 1999, wordt aangevuld met een derde lid, luidende:

"De in het tweede lid bedoelde gewestelijke directeur of de ambtenaar die hij aanwijst, kan in het kader van de strijd tegen de fiscale fraude over concrete dossiers overleg plegen met de procureur des Konings. De procureur des Konings kan de strafrechtelijk strafbare feiten waarvan hij kennis heeft genomen tijdens het overleg, vervolgen. Het overleg kan ook plaatsvinden op initiatief van de procureur des Konings. De bevoegde politionele overheden kunnen deelnemen aan het overleg."

TITEL III.- Financiën

HOOFDSTUK 1.- Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

...

HOOFDSTUK 2.- Wijzigingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde

...

HOOFDSTUK 3.- Wijzigingen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten

Art. 22.- In artikel 206, tweede lid, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, ingevoegd bij de programmawet (I) van 27 december 2006, worden de woorden "125.000 EUR" vervangen door de woorden "500.000 euro".

Art. 23.- In artikel 206bis, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet (I) van 27 december 2006, worden de woorden "125.000 EUR" vervangen door de woorden "500.000 euro".

Art. 24.- In artikel 207bis, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet (I) van 27 december 2006, worden de woorden "125.000 EUR" vervangen door de woorden "500.000 euro".

Art. 25.- In artikel 207ter, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1981, worden de woorden "vindt geen toepassing op" vervangen door de woorden "is van toepassing op".

Art. 26.- In artikel 207septies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1981, vervangen bij de wet van 4 augustus 1986 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 maart 1999, worden de §§ 2 en 3 vervangen als volgt:

"§ 2. Het openbaar ministerie kan geen vervolging instellen indien het kennis heeft gekregen van de feiten ten gevolge van een klacht of een aangifte van een ambtenaar die niet de machtiging had waarvan sprake is in artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering.

Het openbaar ministerie kan echter de strafrechtelijk strafbare feiten vervolgen waarvan het tijdens het in artikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg kennis heeft genomen.

§ 3. Onverminderd het in artikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg, kan de procureur des Konings, indien hij een vervolging instelt wegens feiten die strafrechtelijk strafbaar zijn ingevolge de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, het advies vragen van de bevoegde gewestelijke directeur. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies. De gewestelijke directeur antwoordt op dit verzoek binnen vier maanden na de ontvangst ervan.

In geen geval schorst het verzoek om advies de strafvordering."

Art. 27.- Artikel 207octies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1986 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 maart 2002, wordt aangevuld met een vierde lid, luidende:

"Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaren die deelnemen aan het in artikel 29, derde lid van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg."

HOOFDSTUK 4.- Wijzigingen van het Wetboek der successierechten

Art. 28.- In artikel 133nonies van het Wetboek der successierechten, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1981 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 maart 1999, worden de §§ 2 en 3 vervangen als volgt:

"§ 2. Het openbaar ministerie kan geen vervolging instellen indien het kennis heeft gekregen van de feiten ten gevolge van een klacht of een aangifte van een ambtenaar die niet de machtiging had waarvan sprake is in artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering.

Het openbaar ministerie kan echter de strafrechtelijk strafbare feiten vervolgen waarvan het tijdens het in artikel 29 derde lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg kennis heeft genomen.

§ 3. Onverminderd het in artikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg, kan de procureur des Konings, indien hij een vervolging instelt wegens feiten die strafrechtelijk strafbaar zijn ingevolge de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, het advies vragen van de bevoegde gewestelijke directeur. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies. De gewestelijke directeur antwoordt op dit verzoek binnen vier maanden na de ontvangst ervan.

In geen geval schorst het verzoek om advies de strafvordering."

Art. 29.- Artikel 133decies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1986 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 maart 2002 wordt aangevuld met een vierde lid, luidende:

"Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaren die deelnemen aan het in artikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg."

HOOFDSTUK 5.- Wijzigingen van het Wetboek diverse rechten en taksen

Art. 30.- In artikel 207 van het Wetboek diverse rechten en taksen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 28 februari 1935, vervangen bij de wet van 10 februari 1981 en laatstelijk gewijzigd bij de programmawet (I) van 27 december 2006, en de artikelen 207bis en 207quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1981 en laatstelijk gewijzigd bij de programmawet (I) van 27 december 2006, worden de woorden "125.000 EUR" telkens vervangen door de woorden "500.000 euro".

Art. 31.- In artikel 207quinquies, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1981, worden de woorden "vindt geen toepassing op" vervangen door de woorden "is van toepassing op".

Art. 32.- In artikel 207nonies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1986 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 maart 1999, worden §§ 2 en 3 vervangen als volgt:

"§ 2. Het openbaar ministerie kan geen vervolging instellen indien het kennis heeft gekregen van de feiten ten gevolge van een klacht of een aangifte van een ambtenaar die niet de machtiging had waarvan sprake is in artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering.

Het openbaar ministerie kan echter de strafrechtelijk strafbare feiten vervolgen waarvan het tijdens het in artikel 29 derde lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg kennis heeft genomen.

§ 3. Onverminderd het in artikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg, kan de procureur des Konings, indien hij een vervolging instelt wegens feiten die strafrechtelijk strafbaar zijn ingevolge de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, het advies vragen van de bevoegde gewestelijke directeur. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies. De gewestelijke directeur antwoordt op dit verzoek binnen vier maanden na de ontvangst ervan.

In geen geval schorst het verzoek om advies de strafvordering."

Art. 33.- Artikel 207decies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1986 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 maart 2002, wordt aangevuld met een vierde lid, luidende:

"Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaren die deelnemen aan het in artikel 29, derde lid van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg."

...

Interne ref.: AFZ: Dossier nr. 485