Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 18.05.1990 (18e afl.)
CIRC 18.05.90/1
Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 18.05.1990 (18e afl.)
Bull. Bel. 696, pag. 1834
AUTOMATISCHE INDEXERING
Aanslagjaar 1991
HERVORMINGSWET 1988
Automatische indexering.
AUTOMATISCHE INDEXERING INHOUDSTABEL NRS. I. Wetteksten................................ II/981 II. Algemene draagwijdte...................... II/982 III. Bedoelde bepalingen.......................II/983-II/985 IV. Niet bedoelde bepalingen..................II/986-II/987 V. Berekening van de indexeringscoëfficiënt..II/988-II/989 VI. Indexeringsregels.........................II/990-II/991 VII. Bijzondere gevallen A. Hypothecaire leningen..................II/992-II/995 B. Omzettingsrenten....................... II/996 VIII. Uitzondering.............................. II/997 IX. Controlemaatregelen....................... II/998 AUTOMATISCHE INDEXERING
I. Wetteksten
II/981 ART. 8
§ 1. De bedragen die in deze wet, in titel II van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en in de desbetreffende bijzondere wetsbepalingen zijn uitgedrukt in franken, worden, met betrekking tot enigerlei inkomstengrenzen en -schijven, vrijstellingen, verminderingen, aftrekken en beperkingen of begrenzingen ervan, jaarlijks en gelijktijdig aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast.
§ 2. De in § bedoelde aanpassing gebeurt met behulp van de coëfficiënt die bekomen wordt door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988.
Bij de berekening van de coëfficiënt worden de volgende afrondingen toegepast:
a) het gemiddelde van de indexcijfers wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdste van een punt naargelang het cijfer van de duizendsten van een punt al of niet vijf bereikt;
b) de coëfficiënt wordt afgerond tot het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt.
Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond tot het hogere of lagere duizendtal naargelang het cijfer van de honderdtallen al of niet vijf bereikt.
Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond tot het hogere of lagere duizendtal naargelang het cijfer van de honderdtallen al of niet vijf bereikt.
§ 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de in artikel 10, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek gestelde bedragen van 120.000 frank en 10.000 frank.
ART. 35
...
18° artikel 80bis;
...
ART. 39
Titel I van deze wet is van toepassing:
1° met betrekking tot de artikelen... 32 tot 35, ..., met ingang van het aanslagjaar 1990;
...
3° met betrekking tot artikel 8, met ingang van het aanslagjaar 1991;
...
II. Algemene draagwijdte
II/ 982
Met ingang van het aj. 1987 regelde art. 80bis, WIB inzake PB reeds de indexering van de belastingschalen, het belastbare minimum en de grenzen inzake splitsing en afscheiding, waarbij de voor elk aj. geldende bedragen en percentages door de art. 2 tot 5, W. 1.8.1985 houdende fiscale en andere bepalingen (V. 1785 - B. 642) werden bepaald.
Aangezien de hervormingswet 1988 nieuwe regelingen voor het belasten van de beroepsinkomsten van het gezin zomede een nieuw belastingtarief heeft ingevoerd, had art. 80bis, WIB, dat naar de (thans opgeheven) art. 77 tot 80, WIB verwees geen bestaansredenen meer en werd het daarom eveneens opgeheven.
Met de opheffing van art. 80bis, WIB is een nieuw indexeringsstelsel ingevoerd door art. 8, hervormingswet, dat vergeleken bij het vroegere stelsel gekenmerkt wordt door:
Alhoewel het nieuwe stelsel met betrekking tot inkomstengrenzen en - schijven, vrijstellingen, verminderingen, aftrekken en beperkingen of begrenzingen daarvan, de automatische indexering vooropstelt van alle bedragen die in de hervormingswet 1988, in titel II, WIB en in de desbetreffende bijzondere wetsbepalingen in franken zijn uitgedrukt, heeft de Wetgever toch geoordeeld dat voor de beperking van de woningaftrek een uitzondering moet worden gemaakt.
In tegenstelling tot het merendeel van de bepalingen van de hervormingswet 1988, is art. 8 slechts met ingang van het aj. 1991 van toepassing. Dit betekent dat de in franken uitgedrukte bedragen die voor het aj. 1990 van toepassing zijn, overeenstemmen met de bedragen die in de tekst zelf van de betreffende bepalingen voorkomen.
III. Bedoelde bepalingen
II/983
De automatische indexering heeft in de eerste plaats betrekking op de bepalingen van de hervormingswet inzake PB, die in franken uitgedrukte bedragen bevatten, zoals bijvoorbeeld:
II/984
De automatische indexering heeft eveneens betrekking op de in Titel II ("Personenbelasting" genoemd) van het WIB in franken uitgedrukte bedragen, met uitzondering van art. 10, § 1, eerste lid, WIB dat de grens inzake de woningaftrek bepaalt.
Het betreft:
II/985
Naast de hierboven vermelde bepalingen bevatten sommige bijzondere wettelijke of reglementaire bepalingen eveneens bedragen uitgedrukt in franken die ook dienen geïndexeerd te worden, met name:
IV. Niet bedoelde bepaling
II/986
Art. 8, § 3, hervormingswet bepaalt uitdrukkelijk dat de indexering niet van toepassing is op de bedragen van 120.000 F en 10.000 F die vermeld zijn in art. 10, § 1, eerste lid, WIB (woningaftrek).
Die uitzondering is verantwoord omdat de K.I.'s enerzijds niet aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen zijn gebonden, en anderzijds, sedert meer dan 10 jaar niet meer zijn geperekwateerd. Het basisbedrag van de woningaftrek (120.000 F) en de verhoging van 10.000 F voor de echtgenoot en voor iedere persoon ten laste blijven derhalve voorlopig ongewijzigd.
Er wordt echter overwogen die bedragen bij elke latere kadastrale perekwatie aan te passen (cf. Verslag namens de Commissie voor de Financiën van de Senaat, zitting 1988-1989, Doc. 440-2, blz. 68).
II/987
Hierbij wordt echter opgemerkt dat het grensbedrag van 950.000 F van de gezamenlijke netto-inkomsten, dat vermeld is in art. 10, § 1, derde en vierde lid, WIB voor de toepassing van de bijkomende woningaftrek net zoals de overige grensbedragen wel geïndexeerd is.
V. Berekening van de indexeringscoëfficiënt
II/988
Art.8, § 2, hervormingswet bepaalt dat de automatische indexering gebeurt met behulp van de coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988.
Bij de berekening van de indexering wordt niet de levensduurte van het jaar van de inkomsten, maar wel die van het daaraan voorafgaande jaar in aanmerking genomen; het wordt altijd vergeleken met die van het jaar 1988, die bijgevolg als enig referentiepunt geldt.
II/989
Bij de berekening van de indexeringscoëfficiënt worden de volgende afrondingen toegepast:
a) het gemiddelde van de indexcijfers wordt tot het hogere of lagere honderdste van een punt afgerond naargelang het cijfer van de duizendsten van een punt al of niet vijf bereikt;
b) de coëfficiënt wordt tot het hogere of lagere tienduizendste afgerond naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt.
VOORBEELD
Voor de berekening van de indexeringscoëfficiënt die voor het aj. 1991 (inkomsten van 1990) van toepassing is, moet als volgt gehandeld worden: 1) het gemiddelde nemen van de indexcijfers van de consumptieprijzen van 1989, afgerond tot het hogere of lagere honderdste van een punt: 139,35 2) hetzelfde doen voor het gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen van 1988: 135,15 3) het sub 1) door het sub 2) verkregen bedrag delen: 139,35/135,15 = 1,03107 4) het resultaat afronden tot op het tienduizendste: 1,0311 Het getal 1,0311 is de verhogingscoëfficiënt voor het aj. 1991.
VI. Indexeringsregels
II/990
Na de toepassing van de indexeringscoëfficiënt worden de nieuwe bedragen tot het hogere of lagere duizendtal afgerond naargelang het cijfer van de honderdtallen al of niet vijf bereikt.
Voorbeelden (aj. 1991). 1) 10.000 x 1,0311 = 10.311 wordt afgerond tot 10.000; 2) 202.500 x 1,0311 = 208.798 wordt afgerond tot 209.000; 3)10.000.000 x 1,0311 = 10.311.000 (geen afronding nodig); II/991
De administratie zal jaarlijks op het passende tijdstip voor alle betreffende wettelijke of reglementaire bepalingen, de geïndexeerde bedragen publiceren die voor het volgende aanslagjaar van toepassing zullen zijn.
Aldus bevat de tabel in bijlage reeds de geïndexeerde bedragen voor het aj. 1991.
VII. Bijzondere gevallen
A. HYPOTHECAIRE LENINGEN
II/992
De aandacht wordt erop gevestigd dat voor de toepassing van art. 13, § 2, b, hervormingswet of van art. 71, § 2ter, eerste lid, WIB, d.w.z. voor de vaststelling van het maximumbedrag van de eerste schijf van het aanvangsbedrag van de lening dat in aanmerking wordt genomen voor de aftrek van de kapitaalaflossingen en voor de bijkomende interestaftrek, steeds het grensbedrag (eventueel geïndexeerd) in aanmerking moet worden genomen, zoals het is bepaald voor het aj. verbonden aan het belastbare tijdperk waarin de lening is aangegaan, ongeacht het aj. waarvoor de voormelde aftrekken worden gevraagd.
Anders gezegd, het grensbedrag van een hypothecaire lening wordt bij de aanvang bepaald en kan later niet meer worden herzien uit hoofde van de indexering.
II/993
Voorbeeld
Een alleenstaande belastingplichtige heeft in 1989 een hypothecaire lening van 2.200.000 F aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen.
Wat bijvoorbeeld de aftrek van de kapitaalaflossingen betreft, mag die lening slechts in aanmerking worden genomen ten belope van een aanvangsbedrag van 2.000.000 F (zie art. 13, § 2, b, hervormingswet) en dit mag niet alleen voor het aj. 1990 maar eveneens voor de volgende jaren.
Indien diezelfde belastingplichtige zijn lening in 1990 had aangegaan, dan zou zij ten belope van 2.062.000 F (indexering met 3,11 pct.) in aanmerking worden genomen en dit gedurende de volle looptijd van de lening.
II/994
Rekening houdend met wat voorafgaat, wordt het grensbedrag van 400.000 F met betrekking tot leningen voor het verwerven, het bouwen of het verbouwen van een middelgrote woning als bedoeld in art. 56, § 2, 2°, WIB (opgeheven door art. 35, § 1, 7°, hervormingswet maar van toepassing blijvend, overeenkomstig art. 40, § 2, van diezelfde wet, voor de sommen betaald ter uitvoering van vóór 1.1.1989 gesloten contracten van leningen of van met ingang van 1.1.1989 gesloten contracten die voor die datum bestaande contracten vervangen) niet geïndexeerd. Hetzelfde geldt voor het grensbedrag van 2.000.000 F, vermeld in art. 56, § 3, WIB (contracten gesloten met ingang van 1.5.1986 voor het bouwen of het in nieuwe staat verwerven van een middelgrote woning).
II/995
Dezelfde redenering als geformuleerd in de nrs. II/992 tot 994 wordt gevolgd met betrekking tot de totale kostprijs van de in art. 71, § 1, 11°, b, WIB bedoelde vernieuwingswerken, die overeenkomstig art. 71, § 2ter, derde lid, a, WIB ten minste 800.000 F (inclusief BTW) moet bedragen om de aftrek van de bijkomende interesten van leningen, aangegaan ter financiering van die werken, te kunnen toestaan. Daaruit volgt dat het vereiste minimumbedrag (eventueel geïndexeerd) het bedrag is dat geldt voor het aj., verbonden aan het belastbare tijdperk waarin de lening is aangegaan (en niet het belastbare tijdperk waarin de werken zijn uitgevoerd daar die over meerdere jaren gespreid kunnen zijn).
B. OMZETTINGSRENTEN
II/996
Uit art. 92, § 1, tweede lid, WIB volgt dat de eerste schijf van 2.000.000 F van het kapitaal of de afkoopwaarde van bepaalde levensverzekeringscontracten jaarlijks belast wordt ten belope van de omzettingsrente, berekend aan de hand van door de Koning vastgestelde coëfficiënten (cf. art. 57, KB/WIB).
Het spreekt vanzelf dat de eerste schijf van 2.000.000 F (eventueel geïndexeerd) eens en voor altijd moet worden bepaald met inachtneming van het aj. verbonden aan het belastbare tijdperk waarin de kapitalen zijn uitbetaald, daar het overschot in éénmaal voor het jaar van toekenning tegen een afzonderlijke aanslagvoet van 16,5 pct. belast wordt.
Met andere woorden, de aanvankelijk vastgestelde omzettingsrente kan later niet meer geïndexeerd worden.
VIII. Uitzondering
II/997
Er is beslist het in art. 15, § 3, hervormingswet bepaalde bedrag van 160 F niet te indexeren. Dit bedrag is het absolute minimum van het door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit te bepalen maximumbedrag voor de aftrek per oppasdag en per kind van de opvangkosten voor kinderen van minder dan drie jaar.
Rekening houdend met de afrondingsregels bepaald door art. 8, § 2; derde lid, hervormingswet, zou de indexering dat bedrag immers tot nul terugbrengen.
Bovendien is het bedrag van 160 F praktisch van geen belang aangezien het maximaal aftrekbare bedrag van de opvangkosten bij KB van 17.1.1989 (v. 1972 - B. 681) op 345 F is vastgesteld. Om dezelfde reden kan dit laatste bedrag evenmin geïndexeerd worden.
IX. Controlemaatregelen
II/998
De taxatieambtenaren dienen in verband met hypothecaire leningen in voorkomend geval het grensbedrag dat in aanmerking komt voor het eerst aj. waarvoor de maatregel van toepassing is en voor de volgende aj. (zie nrs. II/992 tot 995), in het permanent dossier van de betrokken belastingplichtige in te schrijven.
Wanneer het een belastingplichtige betreft die kapitaalaflossingen aftrekt, dient men slechts op de fiche 281 F in de kolom "Opmerkingen" de vermelding "In aanmerking te nemen aanvangsbedrag van de lening: .... F" aan te brengen.
Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 18.05.1990 (18e afl.)
Bull. Bel. 696, pag. 1834
AUTOMATISCHE INDEXERING
Aanslagjaar 1991
HERVORMINGSWET 1988
Automatische indexering.
AUTOMATISCHE INDEXERING INHOUDSTABEL NRS. I. Wetteksten................................ II/981 II. Algemene draagwijdte...................... II/982 III. Bedoelde bepalingen.......................II/983-II/985 IV. Niet bedoelde bepalingen..................II/986-II/987 V. Berekening van de indexeringscoëfficiënt..II/988-II/989 VI. Indexeringsregels.........................II/990-II/991 VII. Bijzondere gevallen A. Hypothecaire leningen..................II/992-II/995 B. Omzettingsrenten....................... II/996 VIII. Uitzondering.............................. II/997 IX. Controlemaatregelen....................... II/998 AUTOMATISCHE INDEXERING
I. Wetteksten
II/981 ART. 8
§ 1. De bedragen die in deze wet, in titel II van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en in de desbetreffende bijzondere wetsbepalingen zijn uitgedrukt in franken, worden, met betrekking tot enigerlei inkomstengrenzen en -schijven, vrijstellingen, verminderingen, aftrekken en beperkingen of begrenzingen ervan, jaarlijks en gelijktijdig aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast.
§ 2. De in § bedoelde aanpassing gebeurt met behulp van de coëfficiënt die bekomen wordt door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988.
Bij de berekening van de coëfficiënt worden de volgende afrondingen toegepast:
a) het gemiddelde van de indexcijfers wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdste van een punt naargelang het cijfer van de duizendsten van een punt al of niet vijf bereikt;
b) de coëfficiënt wordt afgerond tot het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt.
Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond tot het hogere of lagere duizendtal naargelang het cijfer van de honderdtallen al of niet vijf bereikt.
Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond tot het hogere of lagere duizendtal naargelang het cijfer van de honderdtallen al of niet vijf bereikt.
§ 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de in artikel 10, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek gestelde bedragen van 120.000 frank en 10.000 frank.
ART. 35
| § | 1. In het Wetboek van de inkomstenbelastingen worden opgeheven: |
18° artikel 80bis;
...
| § | 2. Worden eveneens opgeheven: |
| 1° |
artikel 2, 4°, van de wet van 1 augustus 1985, houdende fiscale en andere bepalingen; |
| 2° |
artikel 3, 4°, van dezelfde wet; |
| 3° |
artikel 4, 4°, van dezelfde wet; |
| 4° |
artikel 5, 1°, d, 2°, d, en 4°, c, van dezelfde wet. |
Titel I van deze wet is van toepassing:
1° met betrekking tot de artikelen... 32 tot 35, ..., met ingang van het aanslagjaar 1990;
...
3° met betrekking tot artikel 8, met ingang van het aanslagjaar 1991;
...
II. Algemene draagwijdte
II/ 982
Met ingang van het aj. 1987 regelde art. 80bis, WIB inzake PB reeds de indexering van de belastingschalen, het belastbare minimum en de grenzen inzake splitsing en afscheiding, waarbij de voor elk aj. geldende bedragen en percentages door de art. 2 tot 5, W. 1.8.1985 houdende fiscale en andere bepalingen (V. 1785 - B. 642) werden bepaald.
Aangezien de hervormingswet 1988 nieuwe regelingen voor het belasten van de beroepsinkomsten van het gezin zomede een nieuw belastingtarief heeft ingevoerd, had art. 80bis, WIB, dat naar de (thans opgeheven) art. 77 tot 80, WIB verwees geen bestaansredenen meer en werd het daarom eveneens opgeheven.
Met de opheffing van art. 80bis, WIB is een nieuw indexeringsstelsel ingevoerd door art. 8, hervormingswet, dat vergeleken bij het vroegere stelsel gekenmerkt wordt door:
- enerzijds, de veralgemening van de automatische indexering die voortaan is uitgebreid tot praktisch alle bedragen die zowel voor het bepalen van de belastbare grondslag, als voor de berekening van de PB in de fiscale wetgeving in franken zijn uitgedrukt;
- en anderzijds, een vereenvoudiging in de bepaling van de indexeringscoëfficiënt die, om rekening te houden met de evolutie van de levensduurte, voortaan het indexcijfer van de consumptieprijzen van 1988 als enig referentiepunt neemt.
Alhoewel het nieuwe stelsel met betrekking tot inkomstengrenzen en - schijven, vrijstellingen, verminderingen, aftrekken en beperkingen of begrenzingen daarvan, de automatische indexering vooropstelt van alle bedragen die in de hervormingswet 1988, in titel II, WIB en in de desbetreffende bijzondere wetsbepalingen in franken zijn uitgedrukt, heeft de Wetgever toch geoordeeld dat voor de beperking van de woningaftrek een uitzondering moet worden gemaakt.
In tegenstelling tot het merendeel van de bepalingen van de hervormingswet 1988, is art. 8 slechts met ingang van het aj. 1991 van toepassing. Dit betekent dat de in franken uitgedrukte bedragen die voor het aj. 1990 van toepassing zijn, overeenstemmen met de bedragen die in de tekst zelf van de betreffende bepalingen voorkomen.
III. Bedoelde bepalingen
II/983
De automatische indexering heeft in de eerste plaats betrekking op de bepalingen van de hervormingswet inzake PB, die in franken uitgedrukte bedragen bevatten, zoals bijvoorbeeld:
- art. 3 dat een beperking tot 350.000 F instelt voor de toekenning van winst, baten of bezoldigingen van werkend vennoot aan de medehelpende echtgenoot;
- art. 4 dat het maximumbedrag van het aan de echtgenoot toe te rekenen huwelijksquotiënt tot 270.000 F beperkt;
- art. 6 dat de verschillende belastingvrije sommen (basisbedragen en toeslagen) bepaalt;
- art. 7 dat de verschillende belastingtariefschijven vastlegt;
- art. 13, § 2, a betreffende de beperking van het aftrekbare bedrag van levensverzekeringspremies en kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen;
- art. 13, § 2, b dat de aftrek van kapitaalaflossingen beperkt in verhouding tot het aanvangsbedrag van 2.000.000 F van de lening;
- art. 13, § 3 dat het aftrekbare bedrag inzake de aanschaffing van aandelen van de vennootschapswerkgeefster vaststelt (40.000 F thans beperkt tot 20.000 F);
- art. 14 dat de aftrek van de bezoldigingen van huisbedienden beperkt tot 50 pct van 400.000 F;
- art. 24 dat de inkomstenschijven vaststelt voor de berekening van de forfaitaire beroepskosten, zomede het maximumbedrag daarvan (100.000 F);
- art. 38 betreffende het bedrag van 490.000 F waarboven de bijzondere heffing op roerende inkomsten verschuldigd is.
II/984
De automatische indexering heeft eveneens betrekking op de in Titel II ("Personenbelasting" genoemd) van het WIB in franken uitgedrukte bedragen, met uitzondering van art. 10, § 1, eerste lid, WIB dat de grens inzake de woningaftrek bepaalt.
Het betreft:
- art. 10, § 1, derde en vierde lid: maximumbedrag van de gezamenlijke netto-inkomsten (950.000 F) voor de toepassing van de bijkomende woningaftrek;
- art. 19, 7°: vrijgestelde inkomsten uit spaardeposito's (50.000 F);
- art. 19, 8°: vrijgestelde inkomsten uit belegde kapitalen in erkende coöperatieve vennootschappen (5.000 F);
- art. 41, § 2, 1°: vrijgestelde terugbetaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling (5.000 F);
- art. 42bis: vrijgesteld winst per bijkomende personeelseenheid voor wetenschappelijk onderzoek in België (100.000 F);
- art. 67, 2°: vrijgestelde prijzen en gedurende twee jaar ontvangen subsidies van geleerden, schrijvers of kunstenaars (100.000 F);
- art. 71, § 1, 9°: maximaal aftrekbare uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde onroerende goederen (250.000 F);
- art. 71, § 2: giften (minimum van 1.000 F en maxima van 350.000 F en 10.000.000 F);
- art. 71, § 2bis, 2°: minimumbedrag van de bezoldigingen van een huisbediende (100.000 F);
- art. 71, § 2ter, eerste lid: eerste schijf van het aanvangsbedrag van de leningen bedoelt in art. 71, § 1, 11°, a en b, WIB (2.000.000 F en 1.000.000 F);
- art. 71, § 2ter, derde lid, a: minimale kostprijs van vernieuwingswerken voor de toepassing van art. 71, § 1, 11°, b, WIB (800.000 F);
- art. 72, § 2, tweede lid: maximaal aftrekbare storting voor pensioensparen (40.000 F);
- art. 82: maximumbedrag van de netto-bestaansmiddelen (60.000 F);
- art. 85, tweede lid: minimumbedrag van de aftrekbare uitgaven en lasten wanneer de bestaansmiddelen uit bezoldigingen of baten bestaan (10.000 F);
- art. 87ter: berekening en beperkingen van de belastingverminderingen voor pensioenen, vervangingsinkomsten, brugpensioenen, werkloosheidsuitkeringen en wettelijke vergoedingen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering;
- art. 89, § 9: minimumbedrag van de vermeerderingen in geval geen of ontoereikende V.A. gedaan zijn (1.000 F);
- art. 92, § 1, tweede lid: eerste schijf van het kapitaal of de afkoopwaarde van groepsverzekeringscontracten voor de toepassing van het omzettingsstelsel (2.000.000 F);
- art. 93, § 1, 3°, a: grensbedrag inzake afzonderlijk belastbare opzeggingsvergoedingen (25.000 F).
II/985
Naast de hierboven vermelde bepalingen bevatten sommige bijzondere wettelijke of reglementaire bepalingen eveneens bedragen uitgedrukt in franken die ook dienen geïndexeerd te worden, met name:
- art. 49, § 2, W. 8.8.1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979- 1980: vrijgestelde schijf (75.000 F) van inkomsten uit aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen voor inbrengen in geld tussen 1.3.1977 en 31.12.1981 bij de oprichting van nieuwe vennootschappen of bij kapitaalverhoging in bestaande vennootschappen;
- art.K 9, § 3, KB 22.12.1986 tot invoering van een stelsel van derdeleeftijds- of pensioensparen: beperking van het bedrag van de in art. 72, § 2, eerste lid, WIB vermelde stortingen tot 20.000 F per belastbaar tijdperk.
IV. Niet bedoelde bepaling
II/986
Art. 8, § 3, hervormingswet bepaalt uitdrukkelijk dat de indexering niet van toepassing is op de bedragen van 120.000 F en 10.000 F die vermeld zijn in art. 10, § 1, eerste lid, WIB (woningaftrek).
Die uitzondering is verantwoord omdat de K.I.'s enerzijds niet aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen zijn gebonden, en anderzijds, sedert meer dan 10 jaar niet meer zijn geperekwateerd. Het basisbedrag van de woningaftrek (120.000 F) en de verhoging van 10.000 F voor de echtgenoot en voor iedere persoon ten laste blijven derhalve voorlopig ongewijzigd.
Er wordt echter overwogen die bedragen bij elke latere kadastrale perekwatie aan te passen (cf. Verslag namens de Commissie voor de Financiën van de Senaat, zitting 1988-1989, Doc. 440-2, blz. 68).
II/987
Hierbij wordt echter opgemerkt dat het grensbedrag van 950.000 F van de gezamenlijke netto-inkomsten, dat vermeld is in art. 10, § 1, derde en vierde lid, WIB voor de toepassing van de bijkomende woningaftrek net zoals de overige grensbedragen wel geïndexeerd is.
V. Berekening van de indexeringscoëfficiënt
II/988
Art.8, § 2, hervormingswet bepaalt dat de automatische indexering gebeurt met behulp van de coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988.
Bij de berekening van de indexering wordt niet de levensduurte van het jaar van de inkomsten, maar wel die van het daaraan voorafgaande jaar in aanmerking genomen; het wordt altijd vergeleken met die van het jaar 1988, die bijgevolg als enig referentiepunt geldt.
II/989
Bij de berekening van de indexeringscoëfficiënt worden de volgende afrondingen toegepast:
a) het gemiddelde van de indexcijfers wordt tot het hogere of lagere honderdste van een punt afgerond naargelang het cijfer van de duizendsten van een punt al of niet vijf bereikt;
b) de coëfficiënt wordt tot het hogere of lagere tienduizendste afgerond naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt.
VOORBEELD
Voor de berekening van de indexeringscoëfficiënt die voor het aj. 1991 (inkomsten van 1990) van toepassing is, moet als volgt gehandeld worden: 1) het gemiddelde nemen van de indexcijfers van de consumptieprijzen van 1989, afgerond tot het hogere of lagere honderdste van een punt: 139,35 2) hetzelfde doen voor het gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen van 1988: 135,15 3) het sub 1) door het sub 2) verkregen bedrag delen: 139,35/135,15 = 1,03107 4) het resultaat afronden tot op het tienduizendste: 1,0311 Het getal 1,0311 is de verhogingscoëfficiënt voor het aj. 1991.
VI. Indexeringsregels
II/990
Na de toepassing van de indexeringscoëfficiënt worden de nieuwe bedragen tot het hogere of lagere duizendtal afgerond naargelang het cijfer van de honderdtallen al of niet vijf bereikt.
Voorbeelden (aj. 1991). 1) 10.000 x 1,0311 = 10.311 wordt afgerond tot 10.000; 2) 202.500 x 1,0311 = 208.798 wordt afgerond tot 209.000; 3)10.000.000 x 1,0311 = 10.311.000 (geen afronding nodig); II/991
De administratie zal jaarlijks op het passende tijdstip voor alle betreffende wettelijke of reglementaire bepalingen, de geïndexeerde bedragen publiceren die voor het volgende aanslagjaar van toepassing zullen zijn.
Aldus bevat de tabel in bijlage reeds de geïndexeerde bedragen voor het aj. 1991.
VII. Bijzondere gevallen
A. HYPOTHECAIRE LENINGEN
II/992
De aandacht wordt erop gevestigd dat voor de toepassing van art. 13, § 2, b, hervormingswet of van art. 71, § 2ter, eerste lid, WIB, d.w.z. voor de vaststelling van het maximumbedrag van de eerste schijf van het aanvangsbedrag van de lening dat in aanmerking wordt genomen voor de aftrek van de kapitaalaflossingen en voor de bijkomende interestaftrek, steeds het grensbedrag (eventueel geïndexeerd) in aanmerking moet worden genomen, zoals het is bepaald voor het aj. verbonden aan het belastbare tijdperk waarin de lening is aangegaan, ongeacht het aj. waarvoor de voormelde aftrekken worden gevraagd.
Anders gezegd, het grensbedrag van een hypothecaire lening wordt bij de aanvang bepaald en kan later niet meer worden herzien uit hoofde van de indexering.
II/993
Voorbeeld
Een alleenstaande belastingplichtige heeft in 1989 een hypothecaire lening van 2.200.000 F aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen.
Wat bijvoorbeeld de aftrek van de kapitaalaflossingen betreft, mag die lening slechts in aanmerking worden genomen ten belope van een aanvangsbedrag van 2.000.000 F (zie art. 13, § 2, b, hervormingswet) en dit mag niet alleen voor het aj. 1990 maar eveneens voor de volgende jaren.
Indien diezelfde belastingplichtige zijn lening in 1990 had aangegaan, dan zou zij ten belope van 2.062.000 F (indexering met 3,11 pct.) in aanmerking worden genomen en dit gedurende de volle looptijd van de lening.
II/994
Rekening houdend met wat voorafgaat, wordt het grensbedrag van 400.000 F met betrekking tot leningen voor het verwerven, het bouwen of het verbouwen van een middelgrote woning als bedoeld in art. 56, § 2, 2°, WIB (opgeheven door art. 35, § 1, 7°, hervormingswet maar van toepassing blijvend, overeenkomstig art. 40, § 2, van diezelfde wet, voor de sommen betaald ter uitvoering van vóór 1.1.1989 gesloten contracten van leningen of van met ingang van 1.1.1989 gesloten contracten die voor die datum bestaande contracten vervangen) niet geïndexeerd. Hetzelfde geldt voor het grensbedrag van 2.000.000 F, vermeld in art. 56, § 3, WIB (contracten gesloten met ingang van 1.5.1986 voor het bouwen of het in nieuwe staat verwerven van een middelgrote woning).
II/995
Dezelfde redenering als geformuleerd in de nrs. II/992 tot 994 wordt gevolgd met betrekking tot de totale kostprijs van de in art. 71, § 1, 11°, b, WIB bedoelde vernieuwingswerken, die overeenkomstig art. 71, § 2ter, derde lid, a, WIB ten minste 800.000 F (inclusief BTW) moet bedragen om de aftrek van de bijkomende interesten van leningen, aangegaan ter financiering van die werken, te kunnen toestaan. Daaruit volgt dat het vereiste minimumbedrag (eventueel geïndexeerd) het bedrag is dat geldt voor het aj., verbonden aan het belastbare tijdperk waarin de lening is aangegaan (en niet het belastbare tijdperk waarin de werken zijn uitgevoerd daar die over meerdere jaren gespreid kunnen zijn).
B. OMZETTINGSRENTEN
II/996
Uit art. 92, § 1, tweede lid, WIB volgt dat de eerste schijf van 2.000.000 F van het kapitaal of de afkoopwaarde van bepaalde levensverzekeringscontracten jaarlijks belast wordt ten belope van de omzettingsrente, berekend aan de hand van door de Koning vastgestelde coëfficiënten (cf. art. 57, KB/WIB).
Het spreekt vanzelf dat de eerste schijf van 2.000.000 F (eventueel geïndexeerd) eens en voor altijd moet worden bepaald met inachtneming van het aj. verbonden aan het belastbare tijdperk waarin de kapitalen zijn uitbetaald, daar het overschot in éénmaal voor het jaar van toekenning tegen een afzonderlijke aanslagvoet van 16,5 pct. belast wordt.
Met andere woorden, de aanvankelijk vastgestelde omzettingsrente kan later niet meer geïndexeerd worden.
VIII. Uitzondering
II/997
Er is beslist het in art. 15, § 3, hervormingswet bepaalde bedrag van 160 F niet te indexeren. Dit bedrag is het absolute minimum van het door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit te bepalen maximumbedrag voor de aftrek per oppasdag en per kind van de opvangkosten voor kinderen van minder dan drie jaar.
Rekening houdend met de afrondingsregels bepaald door art. 8, § 2; derde lid, hervormingswet, zou de indexering dat bedrag immers tot nul terugbrengen.
Bovendien is het bedrag van 160 F praktisch van geen belang aangezien het maximaal aftrekbare bedrag van de opvangkosten bij KB van 17.1.1989 (v. 1972 - B. 681) op 345 F is vastgesteld. Om dezelfde reden kan dit laatste bedrag evenmin geïndexeerd worden.
IX. Controlemaatregelen
II/998
De taxatieambtenaren dienen in verband met hypothecaire leningen in voorkomend geval het grensbedrag dat in aanmerking komt voor het eerst aj. waarvoor de maatregel van toepassing is en voor de volgende aj. (zie nrs. II/992 tot 995), in het permanent dossier van de betrokken belastingplichtige in te schrijven.
Wanneer het een belastingplichtige betreft die kapitaalaflossingen aftrekt, dient men slechts op de fiche 281 F in de kolom "Opmerkingen" de vermelding "In aanmerking te nemen aanvangsbedrag van de lening: .... F" aan te brengen.
Bron: FisconetPlus
