Circulaire nr. Ci.RH.243/417.705 dd. 29.06.1995

CIRC 29.06.95/1

Circulaire nr. Ci.RH.243/417.705 dd. 29.06.1995


Bull. nr. 752, pag. 2167

BEROEPSKOSTEN
Niet-aftrekbare kosten.
Uitzendkantoor.

SOCIAAL VOORDEEL
Maaltijdcheque.


Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2.

Bij brief van 24.12.1990 heeft de Minister van Financiën aan de Beroepsvereniging van uitzendkantoren inlichtingen verstrekt aangaande de fiscale behandeling, in hoofde van de uitzendbureaus, van aan uitzendkrachten verstrekte maaltijdcheques die voor deze laatsten sociale voordelen zijn in de zin van art. 38, 11°, WIB 92.

In de praktijk is evenwel vastgesteld dat niet alle uitzendbureaus zich aan deze richtlijnen houden.

Daarom wordt de integrale versie van de bovenvernoemde brief hierbij ter kennisgeving en naricht medegedeeld. De oorspronkelijke verwijzingen naar de artikels van het WIB zijn evenwel vervangen door verwijzingen naar de thans van kracht zijnde artikels van het WIB 92.

NAMENS DE MINISTER :
Voor de Directeur-generaal :
De Auditeur-generaal,


M. CHERPION.


BIJLAGE

Brussel, 24 december 1990


Beroepsvereniging van uitzendkantoren
Internationaal Rogiercentrum


Internationale Doorgang 6, bus 325


1210 BRUSSEL


Mijne Heren,

Met uw bovenvermelde brieven vraagt U om het werkgeversaandeel in de maaltijdcheques, die uw leden ingevolge artikel 10 van de wet van 24 juli 1987 moeten uitreiken aan de uitzendkrachten die zij ter beschikking stellen van gebruikers die aan hun vaste werknemers dezelfde voordelen verlenen. in hoofde van uw leden niet als een verworpen uitgave aan te merken.

Anders gezegd wenst U dat de toekenning van maaltijdcheques in hoofde van het uitzendbureau als een "neutrale" uitgave wordt beschouwd, daar die uitgave in feite ten laste van de klant-gebruiker valt vermits zij begrepen is in de aan de gebruiker gefactureerde kostprijs van het ter beschikking stellen van de werknemer.

Artikel 7, 1° van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, omschrijft het uitzendbureau als zijnde "de onderneming waarvan de activiteit erin bestaat uitzendkrachten in dienst te nemen om hen ter beschikking van gebruiker te stellen met het oog op de uitvoering van een tijdelijke arbeid".

Daaruit volgt dat de uitzendbureaus, zoals U trouwens zelf in uw verzoekschrift hebt aangegeven, de eigenlijke werkgevers zijn van de uitzendkrachten die ze ter beschikking stellen van de klant-gebruikers.

De bezoldigingen en de erbij horende voordelen, zoals het werkgeversaandeel in de aan de uitzendkrachten toegekende maaltijdcheques, zijn derhalve kosten die voortvloeien uit een tussen de uitzendkrachten en het uitzendbureau gesloten arbeidsovereenkomst; zij zijn dus eigen aan het uitzendbureau en niet aan de gebruikers, zelfs indien die voordelen en bezoldigingen uiteindelijk worden gefactureerd aan de gebruikers, voor wie zij de vergoeding van een dienstprestatie vertegenwoordigen.

Daar het hier dus gaat om kosten die eigen zijn aan de uitzendbureaus, moet artikel 53, 14° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, dat de ingevolge artikel 38, 11° van hetzelfde Wetboek vrijgestelde sociale voordelen uit de aftrekbare beroepskosten sluit, in hoofde van de uitzendbureaus en niet in hoofde van de klantgebruikers worden toegepast.

Als besluit kan dus alleen maar worden gesteld dat voor zover de door de uitzendbureaus aan hun werknemers toegekende maaltijdcheques voor deze laatsten vrijgestelde sociale voordelen zijn, de ermede verband houdende uitgaven voor de betrokken ondernemingen geen aftrekbare beroepskosten zijn, en dit ongeacht het feit of die uitgaven rechtstreeks of onrechtstreeks op de klant-gebruiker worden verhaald.

Met de meeste hoogachting,



(w.g.)Philippe MAYSTADT