Circulaire nr. AFZ/2007-0423-1 (AFZ 8/2007) dd. 26.06.2007
CIRC 26.06.07/1
Circulaire nr. AFZ/2007-0423-1 (AFZ 8/2007) dd. 26.06.2007
BEDRIJFSVOORHEFFING
Vrijstelling van storting van de BV
KADASTRAAL INKOMEN
Herziening van het KI
OVEREENKOMST
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
PERSONENBELASTING
Aftrekbare besteding
Belastingvermindering
Berekening van de PB
Co-ouderschap
Internet voor iedereen
Kind ten laste
Kwalificatie van inkomsten
Toeslag op de belastingvrije som
VERDRAG
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap
WET
Programmawet 2006
Wet houdende diverse bepalingen
WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992
Wijzigingswet
Eerste commentaar op :
In bijlage volgt een eerste commentaar inzake personenbelasting betreffende :
1. De programmawet (I) van 27 december 2006 (BS 28.12.2006, err. 24.1.2007, Ed. 3) meer bepaald over de bepalingen inzake :
NAMENS DE MINISTER :
De Adjunct-administrateur-generaal,
Paul NECKEBROECK
BIJLAGEN
Bijlage 1 - Programmawet (I) van 27 december 2006
Bijlage 2 - Wet houdende diverse bepalingen (I) van 27 december 2006
Bijlage 3 - Wet houdende diverse bepalingen (III) van 1 maart 2007
BIJLAGE 1 - PROGRAMMAWET (I) VAN 27 DECEMBER 2006
I. VERMINDERING VOOR ENERGIEBESPARENDE UITGAVEN
A. Wettekst
(...)
Art. 11. In artikel 145^24, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de programmawet van 5 augustus 2003, bij de wet van 31 juli 2004 en bij de programmawet van 27 december 2005, worden de woorden "1.000 euro" vervangen door de woorden "2.000 euro".
Art. 18. (…) De artikelen 11, 14 en 15 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2008.
B. Commentaar
1. Maximumbedrag
Het maximumbedrag van de vermindering voor energiebesparende uitgaven wordt verdubbeld en dus opgetrokken tot 2.000 EUR (niet-geïndexeerd bedrag - geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2008 : 2.600 EUR) per belastbaar tijdperk/ per woning.
2. Inwerkingtreding
De wijzigingen betreffende artikel 145 24, vierde lid, WIB 92, zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2008.
II. VERMINDERING VOOR UITGAVEN VOOR DE VERWERVING VAN EEN VOERTUIG MET EEN MAXIMALE UITSTOOT VAN 115 GRAM CO2 PER KILOMETER OF VAN EEN DIESELVOERTUIG UITGERUST MET EEN ROETFILTER
A. Wettekst en reglementaire bepaling
Programmawet (I) van 27 december 2006
(…)
Art. 12. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van hetzelfde Wetboek, wordt het opschrift van onderafdeling IInonies, ingevoegd bij de programmawet van 9 juli 2004, vervangen als volgt :
"Onderafdeling IInonies - Vermindering voor uitgaven voor de verwerving van een voertuig met een maximale uitstoot van 115 gram CO² per kilometer of van een dieselvoertuig uitgerust met een roetfilter".
Art 13. Artikel 145^28 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 9 juli 2004, waarvan de huidige tekst § 1 wordt, wordt aangevuld met een § 2, luidende :
"§ 2. Er wordt een belastingvermindering verleend voor uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald om een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus met dieselmotor in nieuwe staat te verwerven voor zover die motor standaard is uitgerust met een roetfilter en met een uitstoot van minder dan 130 gram CO² per kilometer.
De in het eerste lid bedoelde voertuigen zijn de voertuigen waarvoor het bezit van een Belgisch rijbewijs geldig voor voertuigen van categorie B of een gelijkwaardig Europees of buitenlands rijbewijs vereist is voor de besturing ervan.
De in het eerste lid bedoelde belastingvermindering is gelijk aan 150 EUR.
Voor de toepassing van deze paragraaf, mag de roetfilter maximaal 5 mg deeltjes per kilometer uitstoten.
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de belastingvermindering en de manier waarop het bewijs moet worden geleverd dat de roetfilter aan de voornoemde norm voldoet."
Koninklijk besluit van 14 februari 2007 (BS 23 februari 2007, Ed. 2) tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de vermindering voor uitgaven voor de verwerving van een dieselvoertuig uitgerust met een roetfilter
(…)
Artikel 1. In hoofdstuk I van het KB/WIB 92, wordt de afdeling XXVnonies, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 2004, vervangen als volgt :
"Afdeling XXVnonies - Vermindering voor uitgaven voor de verwerving van een voertuig met een maximale uitstoot van 155 gram CO2 per kilometer of van een dieselvoertuig standaard uitgerust met een roetfilter (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145^28, §§ 1 en 2)".
Art. 2. In artikel 63^13 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 16 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, waarvan de huidige tekst a wordt, worden de woorden "in artikel 145^28 " telkens vervangen door de woorden "in artikel 145^28, § 1, ";
2° in de inleidende zin van § 2, a, worden de woorden "de in dat artikel bedoelde" vervangen door de woorden "in die paragraaf bedoelde";
3° § 2 wordt aangevuld met een b en c luidende :
"b) de uitgaven beoogd in artikel 145^28, § 2, van hetzelfde wetboek worden slechts in aanmerking genomen voor de in die paragraaf bedoelde belastingvermindering wanneer de factuur afgeleverd door de verkoper de volgende formule bevat :
"Verklaring in toepassing van artikel 63^13 van het KB/WIB 92, betreffende een dieselvoertuig beoogd in artikel 145^28, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met een maximale uitstoot van 130 gram CO2 per kilometer en die standaard is uitgerust met een roetfilter die maximaal 5 mg deeltjes per kilometer mag uitstoten.
Ik ondergetekende … bevestig dat het voertuig beschreven in deze factuur nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een inschrijving in België of in het buitenland.";
c) wanneer het gekochte voertuig beantwoordt aan de voorwaarden van de beide belastingverminderingen die zijn beoogd in artikel 145^28, §§ 1 en 2, van hetzelfde Wetboek, worden de erin bedoelde uitgaven slechts in aanmerking genomen voor de belastingvermindering wanneer de factuur afgeleverd door de verkoper de volgende formule bevat :
"Verklaring in toepassing van artikel 63^13 van het KB/WIB 92, betreffende een dieselvoertuig beoogd in artikel 145^28, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met een maximale uitstoot van 115 gram CO2 per kilometer en die standaard is uitgerust met een roetfilter die maximaal 5 mg deeltjes per kilometer mag uitstoten.
Ik ondergetekende … bevestig dat het voertuig beschreven in deze factuur nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een inschrijving in België of in het buitenland.";
4° in § 3 worden de woorden "de in artikel 145^28 van hetzelfde Wetboek beoogde belastingvermindering" vervangen door de woorden "de toepassing van artikel 145^28 van hetzelfde Wetboek ".
Art. 3. Dit besluit is van toepassing op de uitgaven gedaan voor de aankoop van een voertuig vanaf 1 januari 2007.
(….)
B. Commentaar
1. Algemeen
Om de fiscaliteit ecologischer te maken en om beter te voldoen aan de verplichtingen van het Kyoto-protocol, heeft de regering beslist om, bovenop de reeds bestaande belastingvermindering voor uitgaven voor de verwerving van een voertuig met een maximale uitstoot van 115 gr. CO 2 per kilometer een belastingvermindering te verlenen voor de aankoop van een dieselvoertuig uitgerust met een roetfilter en met een uitstoot van minder dan 130 gr. CO 2 per kilometer.
2. Bedoelde voertuigen
Het moet gaan om een personenauto, een auto of dubbel gebruik of een minibus waarvoor het bezit van een Belgisch rijbewijs geldig voor voertuigen van categorie B of een gelijkwaardig Europees of buitenlands rijbewijs vereist is voor de besturing ervan.
3. Voorwaarden
De belastingvermindering is gelijk aan 150 EUR (niet-geïndexeerd bedrag - geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2008 : 200 EUR).
5. Toepassingsmodaliteiten
In artikel 63 13, KB/WIB 92, wordt gepreciseerd dat de uitgaven beoogd in artikel 145 28, § 2, WIB 92, slechts in aanmerking worden genomen voor de belastingvermindering wanneer de factuur afgeleverd door de verkoper de volgende formule bevat :
"Verklaring in toepassing van artikel 63 13 van het KB/WIB 92, betreffende een dieselvoertuig beoogd in artikel 145 28, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met een maximale uitstoot van 130 gram CO 2 per kilometer en die standaard is uitgerust met een roetfilter die maximaal 5 mg deeltjes per kilometer mag uitstoten.
Ik ondergetekende … bevestig dat het voertuig beschreven in deze factuur nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een inschrijving in België of in het buitenland."
Wanneer het gekochte voertuig beantwoordt aan de voorwaarden van beide belastingverminderingen beoogd in artikel 145 28, §§ 1 en 2, WIB 92, worden de erin bedoelde uitgaven slechts in aanmerking genomen voor de belastingvermindering wanneer de factuur afgeleverd door de verkoper de volgende formule bevat :
"Verklaring in toepassing van artikel 63 13 van het KB/WIB 92, betreffende een dieselvoertuig beoogd in artikel 145 28, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met een maximale uitstoot van 115 gram CO 2 per kilometer en die standaard is uitgerust met een roetfilter die maximaal 5 mg deeltjes per kilometer mag uitstoten.
Ik ondergetekende … bevestig dat het voertuig beschreven in deze factuur nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een inschrijving in België of in het buitenland."
6. Inwerkingtreding
De belastingvermindering treedt in werking met ingang van 1 januari 2007 (*).
[(*) Vanaf 1 juli 2007 wordt de belastingvermindering vervangen door een korting op factuur (zie Programmawet (I) van 27 april 2007, art. 147).]
III. VERMINDERING VOOR UITGAVEN GEDAAN VOOR VERNIEUWING VAN TEGEN EEN REDELIJKE HUURPRIJS IN HUUR GEGEVEN WONINGEN
A. Wettekst en reglementaire bepalingen
Programmawet (I) van 27 december 2006
(…)
Art. 14. In titel II, hoofdstuk III, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek, wordt een onderafdeling IIundecies ingevoegd, die een artikel 145^30 bevat, luidende :
"Onderafdeling IIundecies. - Vermindering voor uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen.
Art. 145^30 .- Er wordt een belastingvermindering verleend voor de volgende uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald voor de vernieuwing van een woning gelegen in België waarvan de belastingplichtige eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is en welke hij verhuurt via een sociaal verhuurkantoor.
De vermindering is niet van toepassing voor de uitgaven die :
a) genomen zijn als werkelijke beroepskosten;
b) recht geven op de in artikel 69 bedoelde investeringsaftrek;
c) in aanmerking komen voor de toepassing van de artikel 104, 8°, 145^24 of 145^25.
De vermindering wordt toegekend onder de volgende voorwaarden :
1° de woning is op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste 15 jaar in gebruik genomen;
2° de totale kostprijs van de werken, inclusief de belasting over de toegevoegde waarde, bedraagt ten minste 7.500 EUR;
3° de dienstverrichtingen met betrekking tot die werken worden verricht door een persoon die op het ogenblik van het sluiten van het aannemingscontract als aannemer is geregistreerd overeenkomstig artikel 401.
De belastingvermindering wordt toegekend voor een periode van negen opeenvolgende belastbare tijdperken waarin het kadastraal inkomen van de woning begrepen is in de belastbare inkomsten en dit tegen 5 pct. van de werkelijke gedane uitgaven voor elk van de belastbare tijdperken, met een jaarlijks maximum van 750 EUR, tot zolang de woning onder de vereiste voorwaarden in huur wordt gegeven.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering proportioneel verdeeld in functie van het gedeelte van elke echtgenoot in het kadastraal inkomen van de woning waarin de werken werden uitgevoerd.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de aard van de werken bedoeld in het derde lid, 3°.
Het zal bij de wetgevende kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het vorige lid genomen besluiten.
De Koning bepaalt tevens de toepassingsmodaliteiten van de vermindering.
Koninklijk besluit van 25 februari 2007 (BS 12.3.2007) tot wijziging van het KB/WIB 92, wat de aard van de dienstverrichtingen betreft, verricht in het kader van de belastingverminderingen voor uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen
(…)
Artikel 1. In Hoofdstuk I van het KB/WIB 92, wordt een afdeling XXVdecies ingevoegd, luidende :
"Afdeling XXVdecies - Vermindering voor uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145^30)
Art. 63^14 . De dienstverrichtingen die aan de basis liggen van de in artikel 145^30 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, bedoelde uitgaven zijn deze vermeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven."
Art. 2. Dit besluit treedt in werking met ingang van aanslagjaar 2008.
Koninklijk besluit van 28 februari 2007 (BS 12.3.2007) tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake belastingvermindering voor uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen
(…)
Artikel 1. Artikel 63^14 van het KB/WIB 92, ingevoegd bij koninklijk besluit van 25 februari 2007, waarvan de huidige tekst de § 1 zal vormen, wordt aangevuld met de volgende paragrafen :
"§ 2. de geregistreerde aannemer die de werken uitvoert, moet een factuur afgeven waarop het volgende staat vermeld :
a) het adres van de woning waar de werken worden uitgevoerd;
b) de verklaring, met een attest van de afnemer, dat de woning op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste 15 jaar in gebruik is genomen;
c) het attest dat de uitgevoerde werken binnen de toepassingssfeer van § 1 vallen door de vermelding van de formule "Uitvoering van werken die zijn bedoeld in artikel 63^14, KB/WIB 92" en desnoods de verdeling van de kosten van de werken volgens hun aard tussen deze bedoeld in § 1 en de andere werken.
§ 3. De belastingplichtige die het voordeel vermeld in artikel 145^30 van het genoemde Wetboek aanvraagt, moet de volgende documenten ter beschikking van de Federale overheidsdienst Financiën houden :
(…)
B. Commentaar
1. Algemeen
In ons land is er een onvoldoende aanbod van kwaliteitshuurwoningen tegen een aanvaardbare prijs. De regering heeft dit willen verhelpen door een belastingvermindering toe te kennen voor gerenoveerde woningen die op de huurmarkt worden gebracht tegen een gematigde huurprijs. Om dit op een zo correct mogelijke manier te laten verlopen, werd er geopteerd om het onroerend goed te laten verhuren via een sociaal verhuurkantoor.
2. Belastingvermindering
De maatregel bestaat erin dat de belastingplichtige een belastingvermindering zal krijgen voor de vernieuwing van zijn in België gelegen woning, waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is en die wordt verhuurd via een sociaal verhuurkantoor.
3. Voorwaarden voor het verkrijgen van de vermindering
De dienstverrichtingen zijn deze vermeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.
5. Uitgesloten uitgaven
De vermindering is niet van toepassing voor de uitgaven die :
a) in aanmerking genomen zijn als werkelijke beroepskosten;
b) recht geven op de in artikel 69, WIB 92, bedoelde investeringsaftrek;
c) in aanmerking komen voor de toepassing van de artikelen 104, 8°, 145 24 of 145 25, WIB 92.
6. Bedrag van de vermindering en periode van toekenning
De belastingvermindering wordt toegekend voor een periode van negen opeenvolgende belastbare tijdperken waarin het kadastraal inkomen van de woning is begrepen in de belastbare inkomsten.
Ze bedraagt 5 % van de werkelijk gedane uitgaven voor elke van de belastbare tijdperken met een jaarlijks maximum van 750 EUR (niet-geïndexeerd bedrag - geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2008 : 980 EUR), tot zolang de woning onder de vereiste voorwaarden in huur wordt gegeven.
7. Bijzonderheden
Bij echtgenoten en wettelijk samenwonenden waarvoor een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering proportioneel verdeeld in functie van het gedeelte van elke partner in het kadastraal inkomen van de woning waarin de werken werden uitgevoerd.
8. Toepassingsmodaliteiten
In artikel 63 14, KB/WIB 92, wordt gepreciseerd dat de geregistreerde aannemer die de werken uitvoert, een factuur moet uitreiken waarop het volgende staat vermeld :
a) het adres van de woning waar de werken worden uitgevoerd;
b) de verklaring, met een attest van de afnemer, dat de woning op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste 15 jaar in gebruik is genomen;
c) het attest dat de uitgevoerde werken binnen de toepassingssfeer van § 1 vallen door de vermelding van de formule "Uitvoering van werken die zijn bedoeld in artikel 63 14, KB/WIB 92" en desnoods de verdeling van de kosten van de werken volgens hun aard tussen deze bedoeld in § 1 en de andere werken.
Van zijn kant moet de belastingplichtige die het voordeel aanvraagt ter beschikking van de FOD Financiën houden :
De belastingvermindering treedt in werking met ingang van aanslagjaar 2008.
IV. VERMINDERING VOOR UITGAVEN TER BEVEILIGING VAN WONINGEN TEGEN INBRAAK OF BRAND
Wettekst en reglementaire bepaling
Programmawet van 27 december 2006
(…)
Art. 15. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van hetzelfde wetboek wordt een onderafdeling IIduodecies ingevoegd, die een artikel 145^31 bevat, luidende :
"Onderafdeling IIduodecies - Vermindering voor uitgaven ter beveiliging van woningen tegen inbraak of brand.
Art. 145^31 . - Een belastingvermindering wordt verleend voor de uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald voor de beveiliging van een woning tegen inbraak of brand waarvan de belastingplichtige eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder, vruchtgebruiker of huurder is.
De belastingvermindering is niet van toepassing op uitgaven die
a) genomen zijn als werkelijke beroepskosten;
b) recht geven op de in artikel 69 bedoelde investeringsaftrek;
c) in aanmerking komen voor de toepassing van de artikelen 104, 8°, 145^24, 145^25 of 145^30.
De belastingvermindering is gelijk aan 50 pct. van de in het eerste lid bedoelde uitgaven.
Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 130 EUR per woning bedragen.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering voor de uitgaven met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde woning evenredig omgedeeld in functie van :
Het zal bij de wetgevende kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het vorige lid genomen besluiten.
De Koning bepaalt tevens de toepassingsmodaliteiten van de vermindering."
Koninklijk besluit van 25 februari 2007 (BS 2 maart 2007) tot wijziging van het KB/WIB 92, op het vlak van de belastingvermindering voor uitgaven voor beveiliging van een woning tegen inbraak of brand
(…)
Artikel 1. In het hoofdstuk 1 van het KB/WIB 92, wordt een afdeling XXV undecies ingevoegd, omvattende de artikelen 63^15 tot 63^18, opgesteld als volgt :
"Afdeling XXV undecies - Vermindering voor uitgaven voor beveiliging van een privé-woning tegen inbraak en brand (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145^31).
Art. 63^15 .- de uitgaven voor de beveiliging van privé-woningen tegen inbraak worden in aanmerking genomen voor zover ze zijn opgenomen in één van de volgende categorieën :
a) de uitgaven betreffende de levering en de plaatsing van de volgende inbraakvertragende gevelelementen :
1° specifiek inbraakwerend glas;
2° beveiligingssystemen voor deuren, ramen, luiken, garagepoorten, lichtkoepels, dakvensters, keldergaten en hekken zoals veiligheidssloten, slotbeveiligingssystemen, grendelbeveiligingssystemen en kierstandhouders;
3° gepantserde deuren;
a) de uitgaven betreffende de levering en de plaatsing van alarmsystemen en de componenten ervan, bedoeld in het artikel 1, § 4, van de Wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, en betreffende de kosten die gepaard gaan met het beheer van alarmen door een in het kader van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, vergunde alarmcentrale ;
b) de uitgaven betreffende de levering en plaatsing van een camerasysteem uitgerust met een registratiesysteem.
De dienstverrichtingen betreffende de uitgaven vermeld in het eerste lid, moeten worden uitgevoerd door een persoon die, op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst voor de uit te voeren werken, overeenkomstig artikel 401 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen geregistreerd is als aannemer.
Naast de voorwaarde bedoeld in het tweede lid, moeten de dienstverrichtingen betreffende de uitgaven vermeld in het eerste lid, b, worden uitgevoerd, wat de plaatsing van het alarmsysteem betreft, door een overeenkomstig de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid erkende beveiligingsonderneming, en moeten, wat het alarmbeheer betreft, deze dienstverrichtingen worden verzekerd door een in het kader van dezelfde wet vergunde alarmcentrale.
Art. 63^16 .- De uitgaven voor de beveiliging van privé-woningen tegen brand worden in aanmerking genomen voor zover ze zijn opgenomen in één van de volgende categorieën :
a) de uitgaven betreffende de levering en de plaatsing van waterblussers met additief van 6 kg of polyvalente poederblussers van 6 kg, conform de reeks normen NBN EN 3 "Draagbare blustoestellen", met inbegrip van het blustoestel dat wordt geplaatst voor het automatisch blussen in verwarmingslokalen op stookolie;
b) de uitgaven betreffende de levering en de plaatsing van deuren met een brandweerstand van "een half uur" geplaatst :
1° tussen de garage en de woning;
2° aan de binnenkant van de keuken;
3° tussen het slaap en woongedeelte van de woning;
4° aan de binnenkant van het verwarmingslokaal.
De dienstverrichtingen betreffende de uitgaven vermeld in het eerste lid moeten worden uitgevoerd door een geregistreerde aannemer zoals in artikel 63^15, tweede lid.
Naast de voorwaarde bedoeld in het tweede lid, moeten de dienstverrichtingen betreffende de uitgaven vermeld in het eerste lid, b, worden uitgevoerd conform de geldende reglementering inzake de preventie van brand en ontploffing.
Art. 63^17 . - de aannemer of de onderneming bedoeld in de artikelen 63^15 en 63^16 garandeert de conformiteit van de werken op basis van de elementen die voorkomen in bijlage IIter.
Te dien einde moet de door de geregistreerde aannemer of erkende onderneming uitgereikte factuur, of de bijlage ervan :
a) de woning aangeven waar de werken worden uitgevoerd ;
b) de volgende formule bevatten;
"Verklaring met toepassing van artikel 63^15 en/of artikel 63^16 van het KB/WIB 92 betreffende de uitgevoerde werken die zijn bedoeld in artikel 145^31 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Ik, ondergetekende ……, bevestig dat :
Art. 2. Dit besluit treedt in werking vanaf het aanslagjaar 2008.
(…)
B. Commentaar
1. Algemeen
In het kader van een betere beveiliging van de privé-woning tegen inbraak of brand wordt er een belastingvermindering verleend.
2. Belastingvermindering
De maatregel bestaat erin dat de belastingplichtige voor de beveiliging tegen inbraak of brand van zijn in België gelegen woning, waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder, vruchtgebruiker of huurder is, een belastingvermindering zal krijgen.
3. Aard van de werken
Beveiliging tegen inbraak
De uitgaven voor de beveiliging van woningen tegen inbraak worden in aanmerking genomen voor zover ze zijn opgenomen in één van de volgende categorieën :
a) de uitgaven betreffende de levering en de plaatsing van de volgende inbraakvertragende gevelelementen :
1° specifiek inbraakwerend glas;
2° beveiligingssystemen voor deuren, ramen, luiken, garagepoorten, lichtkoepels, dakvensters, keldergaten en hekken zoals veiligheidssloten, slotbeveiligingssystemen, grendelbeveiligingssystemen en kierstandhouders;
3° gepantserde deuren;
b) de uitgaven betreffende de levering en de plaatsing van alarmsystemen en de componenten ervan, bedoeld in het artikel 1, § 4, van de Wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, en betreffende de kosten die gepaard gaan met het beheer van alarmen door een in het kader van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, vergunde alarmcentrale;
c) de uitgaven betreffende de levering en plaatsing van een camerasysteem uitgerust met een registratiesysteem.
De dienstverrichtingen betreffende de uitgaven voor de beveiliging tegen inbraak moeten worden uitgevoerd door een persoon die, op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst voor de uit te voeren werken, overeenkomstig artikel 401, WIB 92, geregistreerd is als aannemer.
Naast de hierboven vermelde voorwaarde, moeten de dienstverrichtingen betreffende plaatsing van een alarmsysteem worden uitgevoerd door een veiligheidsonderneming die is erkend overeenkomstig de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, en moeten, wat het alarmbeheer betreft, deze dienstverrichtingen worden verzekerd door een in het kader van dezelfde wet vergunde alarmcentrale.
Beveiliging tegen brand
De uitgaven voor de beveiliging van woningen tegen brand worden in aanmerking genomen voor zover ze zijn opgenomen in één van de volgende categorieën :
a) de uitgaven betreffende de levering en de plaatsing van waterblussers met additief van 6 kg of polyvalente poederblussers van 6 kg, conform de reeks normen NBN EN 3 "Draagbare blustoestellen", met inbegrip van het blustoestel dat wordt geplaatst voor het automatisch blussen in verwarmingslokalen op stookolie;
b) de uitgaven betreffende de levering en de plaatsing van deuren met een brandweerstand van "een half uur" geplaatst :
1° tussen de garage en de woning;
2° aan de binnenkant van de keuken;
3° tussen het slaap- en woongedeelte van de woning;
4° aan de binnenkant van het verwarmingslokaal.
De dienstverrichtingen betreffende de beveiliging van woningen tegen brand moeten eveneens worden uitgevoerd door een geregistreerde aannemer.
Daarnaast moeten de dienstverrichtingen betreffende de uitgaven betreffende de levering en plaatsing van brandwerende deuren worden uitgevoerd conform de geldende reglementering inzake de preventie van brand en ontploffing.
4. Uitgesloten uitgaven
De vermindering is niet van toepassing voor de uitgaven die :
a) in aanmerking genomen zijn als werkelijke beroepskosten;
b) recht geven op de in artikel 69, WIB 92, bedoelde investeringsaftrek;
c) in aanmerking komen voor de toepassing van de artikelen 104, 8°, 145 24 of 145 25 of 145 30, WIB 92.
5. Bedrag van de vermindering
De belastingvermindering is gelijk aan 50 pct. van de gedane uitgaven.
Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 130 EUR (niet-geïndexeerd bedrag - geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2008 : 170 EUR) per woning bedragen.
6. Bijzonderheden
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering proportioneel verdeeld in functie van :
De aannemer of onderneming bedoeld in artikelen 63 15 of 63 16, KB/WIB 92, garandeert de conformiteit van de werken op basis van de elementen die voorkomen in bijlage IIter, KB/WIB 92.
Ten dien einde moet de door de geregistreerde aannemer of erkende onderneming uitgereikte factuur, of de bijlage ervan :
a) de woning aangeven waar de werken worden uitgevoerd;
b) de volgende formule bevatten :
"Verklaring met toepassing van artikel 63 15 en/of artikel 63 16, van het KB/WIB 92, betreffende de uitgevoerde werken die zijn bedoeld in artikel 145 31 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Ik, ondergetekende ……, bevestig dat :
8. Inwerkingtreding
De belastingvermindering treedt in werking vanaf aanslagjaar 2008.
V. VERMINDERING VOOR BEZOLDIGINGEN INGEVOLGE HET PRESTEREN VAN OVERWERK DAT RECHT GEEFT OP EEN OVERWERKTOESLAG
A. Wettekst
Programmawet van 27 december 2006
Art. 16. In artikel 154bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005, wordt tussen het tweede en het derde lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende :
"De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het in het tweede lid bedoelde percentage tot maximaal 66,81 pct. verhogen. (*)
[(*) De wet van 17 mei 2007 (BS 19-6-2007) vervangt deze bepaling door een nieuwe tekst vanaf dezelfde datum van inwerkingtreding.]
B. Commentaar
1. Algemeen
Op verzoek van de sociale partners heeft de regering beslist de bestaande lastenverlaging op overuren te versterken. De nieuwe lastenverlaging zorgt ervoor dat de werknemer netto meer overhoudt en het niet langer interessant wordt om overuren in het zwart te presteren. De werknemer bouwt zo meer pensioenrechten op, hij werkt verzekerd en hij houdt er meer aan over.
Om de sociale partners de kans te geven de juiste verhoging in onderling overleg vast te leggen, wordt in artikel 154bis, tweede lid, WIB 92, aan de Koning de mogelijkheid geboden het bestaande percentage van 24,75 %. te verhogen tot 66,81 %.
2. Belastingvermindering
Werknemers die overuren presteren en daarvoor een "overwerktoeslag" ontvangen hebben onder bepaalde voorwaarden recht op een belastingvermindering (art. 154bis, WIB 92). Deze belastingvermindering was gelijk aan 24,75 % van "het totaal van de berekeningsgrondslagen voor de overwerktoeslag betreffende de uren die de werknemer tijdens het belastbare tijdperk als overwerk heeft gepresteerd". De aanvulling in artikel 154bis , WIB 92, geeft aan de Koning de mogelijkheid om dit percentage te verhogen naar maximaal 66,81 %.
3. Inwerkingtreding
De machtiging geldt voor de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende de uren die als overwerk zijn gepresteerd.
VI. SCHATTING EN HERSCHATTING VAN DE KADASTRALE INKOMENS
A. Wettekst
Programmawet van 27 december 2006
"Art. 17. Artikel 494, § 6, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 april 2003, wordt vervangen als volgt :
"§ 6. In afwijking van § 5 hebben, voor de toepassing van dit Wetboek, met uitzondering van de bepalingen van titel VI, hoofdstuk I, afdeling II, de uit een herschatting voortspruitende verhoging van de kadastrale inkomens slechts uitwerking :
Aan de periodes van 6 en 9 jaar komt een einde bij de eerstvolgende algemene perequatie."
B. Commentaar
1. Bevriezing van het kadastraal inkomen
In geval van vernieuwing van een gebouwd onroerend goed wordt overgegaan tot een herziening van het kadastraal inkomen (KI).
Overeenkomstig artikel 494, § 5, WIB 92, wordt het nieuw KI geacht te bestaan vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de voltooiing van de werken.
Er bestond reeds een afwijking op die regel, nl. de bevriezing van het kadastraal inkomen voor woningen die volledig gelegen zijn in een zone voor positief grootstedelijk beleid. Zij houdt in dat de eventuele verhoging van het KI als gevolg van een herschatting (zoals bedoeld in art. 494, § 1, 2° en 3°, WIB 92), met zes jaar wordt uitgesteld.
Nu wordt deze afwijking uitgebreid tot de eventuele verhoging van het KI ingevolge een herschatting die voortvloeit uit de vernieuwing van een huurwoning met recht op belastingvermindering voor uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen. De bevriezing van het KI zal gelden voor een periode van 9 jaar.
Aan de periode van zes of negen jaar komt onmiddellijk een einde bij de eerstvolgende algemene perequatie van de kadastrale inkomens.
Er wordt opgemerkt dat artikel 494, § 6, WIB 92, een afwijking is op de algemene regel en enkel geldt inzake PB. De afwijking geldt derhalve niet voor de berekening van de OV.
2. Inwerkingtreding
Deze maatregel treedt in werking op 1 januari 2007.
VII. VRIJSTELLING VAN DOORSTORTING VAN BEDRIJFSVOORHEFFING
1° Vrijstelling per bijkomende aangeworven personeelseenheid voor wetenschappelijk onderzoek
A. Wettekst
Programmawet (I) van 27 december 2006
(…)
Art. 28. In artikel 67 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wet van 27 oktober 1997 en de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 13 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de § 1, 1°, en § 3 worden opgeheven;
2° § 5 wordt vervangen als volgt :
"§ 5. De Koning regelt de wijze van uitvoering van dit artikel.";
3° in § 6 worden de woorden "de in de §§ 1 tot 3 vermelde bedragen" vervangen door de woorden "de in §§ 1 en 2 vermelde bedragen".
(…)
Art. 31. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 531 ingevoegd luidende :
"Art. 531. - De bepalingen van artikel 67, § 4, blijven van toepassing op de voorheen vrijgestelde winst bij toepassing van artikel 67, § 1, 1° en § 3, zoals die bestonden vóór ze werden opgeheven bij de programmawet (I) van 27 december 2006."
B. Commentaar
De vrijstelling per bijkomende aangeworven personeelseenheid voor wetenschappelijk onderzoek wordt opgeheven.
Er wordt evenwel in een overgangsmaatregel voorzien. De reeds verkregen vrijstelling blijft behouden voor zover de voorwaarden, zoals ze bestonden voor de maatregel werd ingetrokken, nog steeds worden nageleefd.
Inwerkingtreding
Deze maatregel is van toepassing vanaf aanslagjaar 2008.
2° Overuren
A. Wettekst
Art. 29. In artikel 275^1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005, wordt tussen het derde en vierde lid een nieuw lid ingevoegd, luidende :
"De Koning kan, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, het in het derde lid bedoelde percentage tot maximaal 32,19 pct. verhogen." (*)
[(*) De wet van 17 mei 2007 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2007-2008 (BS 19-06-2007) vervangt deze bepaling door een nieuwe tekst vanaf dezelfde datum van inwerkingtreding.]
B. Commentaar
Om dezelfde redenen als vermeld in punt V, wordt aan de Koning de mogelijkheid geboden het percentage van 24,75 % dat is vermeld in artikel 275 1, derde lid, WIB 92, te verhogen tot 32,19 %.
Inwerkingtreding
Deze maatregel is van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd.
3° Wetenschappelijk personeel
A. Wettekst
Art. 30. In artikel 275^3 van hetzelfde wetboek, ingevoegd en gewijzigd bij de wet van 23 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de huidige tekst die § 1 wordt, wordt het derde lid, 3°, vervangen als volgt :
"3° met dien verstande dat het percentage van 50 pct. wordt verminderd tot 25 pct., aan ondernemingen die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld in onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's en die een in § 2 bedoeld diploma hebben."
2° § 1 wordt aangevuld als volgt :
"Eenzelfde bezoldiging of eenzelfde deel ervan kan slechts in aanmerking komen voor één van de in deze paragraaf bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing."
3° het artikel wordt aangevuld met een § 2 luidende :
"§ 2. De in § 1, derde lid, 3°, bedoelde diploma's zijn :
1° ofwel, een diploma van doctor in de toegepaste wetenschappen, in de exacte wetenschappen, in de geneeskunde, in de diergeneeskunde of in de farmaceutische wetenschappen, of van burgerlijk ingenieur ;
2° ofwel, een diploma van master of een gelijkwaardig diploma in de studiegebieden of combinaties van studiegebieden van :
a) door de Vlaamse gemeenschap :
De ministerraad keurde in 2005 een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing goed voor samenwerkingsverbanden tussen de academische en de privé-sector.
De vrijstelling wordt ook toegekend aan onderzoekers uit de privé-sector :
Inwerkingtreding
Deze maatregel is van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2007 worden betaald of toegekend.
BIJLAGE 2 - WET HOUDENDE DIVERSE BEPALINGEN (I) VAN 27 DECEMBER 2006
I. INTERNET VOOR IEDEREEN
A. Wettekst
(…)
Art. 5. In artikel 185 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen worden de woorden "gedurende het jaar 2006" vervangen door de woorden "van 1 januari 2006 tot 18 april 2007".
Art. 6 . De erkenningen verleend in uitvoering van artikel 191 van dezelfde wet worden verlengd van 1 januari 2006 tot 18 april 2007."
B. Commentaar
De maatregel "internet voor iedereen" en het daaraan gekoppeld fiscaal voordeel (belastingkrediet) wordt verlengd tot en met 18 april 2007. De verlenging van de maatregel tot en met 18 april 2007 zorgt ervoor dat de actie in de praktijk gedurende een volledig jaar geldig is vermits de "internet voor iedereen" pakketten pas op 19 april 2006 op de markt werden gebracht.
II. ARTIKEL 31BIS, WIB 92
A. Wettekst
(…)
Art. 276. Artikel 31bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005, wordt vervangen als volgt :
"Art. 31bis. De in artikel 31, tweede lid, 4°, bedoelde vergoedingen omvatten eveneens :
1° de volgende aanvullende vergoedingen die de werknemer heeft verkregen tijdens een periode van inactiviteit, van werkhervatting bij een andere werkgever of van werkhervatting als zelfstandige, voor zover de verplichting van de gewezen werkgever tot doorbetaling van die vergoedingen na werkhervatting wel is opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een individuele overeenkomst die voorziet in de uitbetaling van de aanvullende vergoeding :
Voor de periode tot 31 december 2007, worden deze aanvullende vergoedingen gelijkgeschakeld met de in het eerste lid, 1°, bedoelde vergoedingen wanneer de regeling door middel van een collectieve arbeidsovereenkomst of een individuele overeenkomst niet expliciet vermeldt dat er niets wordt doorbetaald bij werkhervatting."
B. Commentaar
1. Algemeen
Er werd vastgesteld dat de regeling die werd ingevoerd bij de artikelen 94 tot 100 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, niet echt het beoogde doel bereikt.
Het was de bedoeling dat een welbepaalde categorie van aanvullende vergoedingen door de kwalificatie als loon een minder gunstige fiscale behandeling zou ondergaan. Gebleken is dat de als loon gekwalificeerde aanvullende vergoedingen door het belang van de aftrek van de forfaitaire beroepskosten in vergelijking met het beperkte verlies aan belastingvermindering voor vervangingsinkomsten een meer voordelige behandeling ondergaan.
Aangezien dit probleem zich voordoet in de periode vóór werkhervatting en aangezien daardoor het opzet om mensen aan te sporen terug aan de slag te gaan, dreigt verloren te gaan, heeft de regering onmiddellijk ingegrepen en de regeling vervangen door een nieuwe regeling.
2. Kwalificatie
De herkwalificatie van sommige in artikel 31bis, WIB 92, bedoelde aanvullende vergoedingen in loon wordt vervangen door een kwalificatie als vervangingsinkomen.
3. Belastingvermindering
Deze specifieke categorie van aanvullende vergoedingen komt, in de periode die voorafgaat aan de werkhervatting, niet in aanmerking voor de belastingvermindering die normaliter geldt voor vervangingsinkomsten.
Na werkhervatting zal diezelfde groep van vergoedingen, zoals de andere vervangingsinkomsten, wel in aanmerking komen voor de belastingvermindering voor vervangingsinkomsten en dus rekening houdend, bij de berekening van de vermindering, met het loon dat bij de nieuwe werkgever wordt verkregen of van het inkomen dat uit een nieuwe zelfstandige beroepsactiviteit wordt verkregen.
4. Inwerkingtreding
De nieuwe regeling is van toepassing op de aanvullende vergoedingen die vanaf 1 januari 2006 zijn betaald of toegekend (*).
[(*) De wet van 17 mei 2007 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2007-2008 (BS 19-06-2007)heeft het niet-toepassen van de belastingvermindering vóór werkhervat-ting met 1 jaar uitgesteld.]
Dit houdt in dat geen enkele vergoeding effectief zal onderworpen zijn aan de regeling zoals die werd ingesteld door de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.
III. AFTREKBARE BESTEDINGEN
A. Wettekst
(…)
Art. 277. In artikel 104, van hetzelfde wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 27 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het 1° worden de woorden "Evenwel zijn de uitkeringen betaald voor de kinderen voor welke de toepassing van artikel 132bis werd gevraagd, niet aftrekbaar" opgeheven;
2° in het 2° worden de woorden "de toepassing van artikel 132bis werd gevraagd, vervangen door de woorden "artikel 132bis werd toegepast";
3° in het 3°, b, worden de woorden "aan het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen, " ingevoegd tussen de woorden "aan het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, " en "zomede";
4° in het 3°, h, wordt het woord "Executieve" vervangen door het woord "gewestregering";
5° het 7° wordt vervangen als volgt :
"7° uitgaven voor de oppas van één of meer kinderen :
ofwel ten laste van de belastingplichtige;
ofwel voor wie aan de belastingplichtige bij toepassing van artikel 132bis de helft van de toeslagen op de belastingvrije som bedoeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 5°, wordt toegekend;".
B. Commentaar
De wijzigingen in artikel 104, 1° en 2°, WIB 92, worden samen besproken met de wijzigingen in artikel 132bis, WIB 92 (zie Hoofdstuk IV Co-ouderschap, blz. 4).
1. Artikel 104, 3°, b, WIB 92
De stichting van openbaar nut "Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen" wordt opgenomen in het WIB 92, als instelling die fiscaal aftrekbare giften in geld kan ontvangen.
2. Artikel 104, 3°, h, WIB 92
Het betreft hier enkel een aanpassing van de in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 opgenomen terminologie in functie van de Grondwetsherziening van 25 februari 2005 (BS 11 maart 2005). Naar aanleiding van die Grondwetsherziening hebben de wetgevende vergaderingen van de gemeenschappen en de gewesten een nieuwe benaming gekregen.
De notie "Executieve" wordt naargelang het geval vervangen door de notie "regering" of "gewestregering".
3. Artikel 104, 7°, WIB 92
In de bestaande regeling van de aftrek van uitgaven voor kinderoppas kon enkel de aftrek worden gevraagd door de ouder die het kind ten laste heeft (doorgaans de ouder bij wie het kind op 1 januari van het aanslagjaar is gedomicilieerd). Voor kinderen in een co-ouderschapsregeling is het nochtans mogelijk dat niet enkel de ouder die het kind ten laste heeft, maar ook de ouder aan wie de helft van de toeslagen op de belastingvrije sommen voor dat kind wordt toegekend, (een deel van de) uitgaven doet voor de opvang van dat kind.
De basisidee achter de invoering van artikel 132bis, WIB 92, is dat de ouders die gezamenlijk de lasten delen van het kind, ook de fiscale voordelen zouden verkrijgen. Binnen deze logica mag de co-ouder aan wie de helft van de toeslagen op de belastingvrije som voor dat kind wordt toegekend, eveneens de door hem gedane uitgaven voor kinderoppas aftrekken.
IV. CO-OUDERSCHAP
A. Wettekst
Art. 279. Artikel 132bis, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999, wordt vervangen als volgt :
"Art. 132bis. De toeslagen bedoeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, worden verdeeld over twee belastingplichtigen die geen deel uitmaken van hetzelfde gezin maar samen het ouderlijk gezag uitoefenen over één of meer kinderen ten laste die recht geven op de bovenvermelde toeslagen en waarvan de huisvesting gelijkmatig is verdeeld over de beide belastingplichtigen :
In het geval bedoeld in het eerste lid wordt de in artikel 132, eerste lid, 6° bedoelde toeslag, voor de helft toegekend aan de belastingplichtige die geen aftrek vraagt van de uitgaven voor kinderoppas bedoeld in artikel 104, 7°.
Een afschrift van de rechterlijke beslissing of de overeenkomst bedoeld in het eerste lid, moet ter beschikking van de administratie worden gehouden zolang minstens één van de kinderen waarover het ouderlijk gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend en waarvan de huisvesting gelijkmatig is verdeeld, recht geeft op de in dit artikel bedoelde toeslagen.
Dit artikel is slechts van toepassing indien uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar de in het eerste lid bedoelde overeenkomst is geregistreerd of gehomologeerd of de in het eerste lid bedoelde rechterlijke beslissing is genomen.
Dit artikel is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde toeslagen met betrekking tot een kind waarvoor onderhoudsuitkeringen als bedoeld in 104, 1°, worden afgetrokken door één van de hierboven bedoelde belastingplichtigen."
B. Commentaar
1. Aanpassingen aan de begrippen van het burgerlijk recht
Gelet op o.m. de wet van 18 mei 2006 die adoptie mogelijk maakt voor personen van hetzelfde geslacht, is het aangewezen de tekst van artikel 132bis, WIB 92, te herformuleren zodat de fiscale co-ouderschapregeling ook mogelijk wordt als het ouderlijk gezag en het hoederecht niet gezamenlijk door de "vader en de moeder" worden uitgeoefend. In de nieuwe regeling wordt de neutrale term "belastingplichtige" gebruikt.
Verder wordt ook de terminologie van artikel 132bis , WIB 92, aangepast aan de civielrechtelijke regeling. Het begrip "hoederecht" komt sinds 1995 niet meer in het Burgerlijk Wetboek voor. De wet van 18 juli 2006 (BS 4 september 2006) heeft het begrip "gelijkmatig verdeelde huisvesting" ingevoerd, dat nauw aansluit bij wat werd bedoeld met "gezamenlijk hoederecht". In artikel 132bis, WIB 92, wordt dus het begrip "hoederecht" vervangen door "gelijkmatig verdeelde huisvesting".
2. Versoepeling van de te vervullen formaliteiten
De formaliteiten voor de aanvraag van het fiscaal co-ouderschap worden vereenvoudigd. De belastingplichtigen moeten niet meer elk jaar een gezamenlijke schriftelijke aanvraag bij hun aangifte voegen. Het volstaat dat ze in hun aangifte vermelden dat één of meer van hun kinderen zich in een situatie bevindt als bedoeld in artikel 132bis, WIB 92.
Op vraag van de administratie moeten wel bepaalde verantwoordingsstukken worden voorgelegd. Indien de rechter heeft beslist om de huisvesting van de kinderen op een gelijkmatige manier over de ouders te verdelen, moeten de belastingplichtigen een afschrift van die beslissing kunnen voorleggen. Als de huisvesting van de kinderen wordt verdeeld over beide ouders op grond van een overeenkomst, moet de overeenkomst gehomologeerd zijn door een rechter (b.v. in het geval van een echtscheiding met onderlinge toestemming) of kosteloos geregistreerd zijn opdat ze een vaste datum heeft.
Zowel de overeenkomst als de rechterlijke beslissing moeten uitdrukkelijk vermelden dat de huisvesting van de kinderen gelijkmatig wordt verdeeld over beide ouders. Bovendien moet in het geval van gelijkmatig verdeelde huisvesting op grond van een overeenkomst uitdrukkelijk in de overeenkomst zijn vermeld dat de belastingplichtigen akkoord gaan om, voor de kinderen waarvoor een gelijkmatig verdeelde huisvesting van toepassing is, het voordeel van de toeslagen op de belastingvrije som voor kinderen ten laste te delen.
De nieuwe vormvereisten gelden vanaf aanslagjaar 2008. Bestaande gehomologeerde of geregistreerde overeenkomsten die de verplichte fiscale clausule bevatten maar waarin de term "(verblijfs)co-ouderschap, "gedeeld hoederecht" of "bilocatie" wordt gebruikt in plaats van het ingevoerde begrip "gelijkmatig verdeelde huisvesting" kunnen voor de gewijzigde fiscale co-ouderschapregeling als geldig verantwoordingsstuk worden voorgelegd. Hetzelfde geldt voor de bestaande rechterlijke beslissingen die een "co-ouderschapregeling", een "regeling gedeeld hoederecht" of "bilocatie" opleggen.
Artikel 132bis, WIB 92, kan slechts van toepassing zijn als er op 1 januari van het aanslagjaar een geregistreerde of rechterlijke beslissing is genomen inzake de gelijkmatig verdeelde huisvesting. Hierbij wordt rekening gehouden met de datum zelf van de rechterlijke beslissing.
3. Bijkomende toeslag voor een kind jonger dan 3 jaar
De toeslagen die konden worden verdeeld op basis van artikel 132bis, WIB 92, waren enkel de gewone toeslagen voor kinderen ten laste (artikel 132, eerste lid, 1° tot 5°, WIB 92). Artikel 132, eerste lid, 6°, WIB 92, kent een bijkomende toeslag toe voor ieder kind ten laste dat de leeftijd van 3 jaar niet heeft bereikt op 1 januari van het aanslagjaar, met dien verstande dat deze toeslag niet kan samengaan met de aftrek van uitgaven voor kinderoppas voor dat kind. Deze toeslag wordt nu ook verdeeld over de beide belastingplichtigen die de co-ouderschapregeling toepassen.
Door de nieuwe regeling wordt de aftrek van uitgaven voor kinderoppas mogelijk voor de ouder die een kind niet ten laste heeft, maar aan wie de helft van de toeslag op de belastingvrije som voor dat kind wordt toegekend. Er moet dus per ouder wel worden nagegaan of aan de voorwaarde is voldaan dat er geen aftrek wordt gevraagd van uitgaven voor kinderoppas voor het kind.
4. Onderhoudsuitkeringen
Tot nu toe was de aftrek van onderhoudsuitkeringen uitgesloten voor de kinderen waarvoor ook het fiscale co-ouderschap was aangevraagd.
Het kan voor een ouder die onderhoudsgeld betaalt voor een kind in een co-ouderschapregeling echter fiscaal interessanter zijn om de aftrek van die onderhoudsuitkeringen te vragen, eerder dan de overdracht van de helft van de toeslagen waarop dat kind recht geeft. Om de belastingplichtige toe te laten deze fiscaal voordelige keuze te maken, wordt bepaald dat artikel 132bis, WIB 92, niet wordt toegepast (en dat dus toeslagen op de belastingvrije som waarop een kind recht geeft niet worden verdeeld over de twee ouders) indien een ouder regelmatig onderhoudsuitkeringen betaalt die fiscaal in aftrek worden gebracht (toepassing van artikel 104, 1°, WIB 92). Die beperking geldt niet voor achterstallige onderhoudsuitkeringen (artikel 104, 2°, WIB 92), op voorwaarde dat voor geen enkel vorig aanslagjaar artikel 132bis , WIB 92, is toegepast. Wie dus voor de eerste keer de fiscale co-ouderschapsregeling toepast, kan tegelijk nog achterstallige onderhoudsuitkeringen van vorige jaren aftrekken.
V. VERHOOGDE TOESLAG VOOR ALLEENSTAANDE OUDER
A. Wettekst
Art. 280. Artikel 133, 1°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 juni 2002, wordt vervangen als volgt :
"1° 870 EUR voor een belastingplichtige die alleen wordt belast en :
Het arrest van het Arbitragehof van 12 januari 2005 stelt dat artikel 133, 1°, WIB 92, discriminerend is als het niet toestaat dat de toeslag op de belastingvrije som voor alleenstaande ouder met kinderlast wordt verdeeld tussen twee alleenstaande ouders die het gezamenlijke hoederecht over hun kinderen hebben en die daartoe een gezamenlijke aanvraag indienen.
Ouders die opteren voor de toepassing van de fiscale co-ouderschapregeling zijn echter niet altijd beiden fiscaal alleenstaand. Een wettelijke regeling die voorziet in een loutere verdeling van de toeslag voor alleenstaande ouder met kinderlast zou in bepaalde gevallen dan ook problematisch zijn.
De toeslag voor alleenstaande ouder met kinderlast kan eigenlijk best worden beschouwd als een persoonlijk recht van een belastingplichtige. In de bestaande regeling werd immers toegekend aan elke belastingplichtige die als alleenstaande wordt belast en kinderen ten laste heeft, ongeacht het aantal kinderen ten laste.
Artikel 133, 1°, WIB 92, wordt gewijzigd zodat niet enkel de ouder die alleen wordt belast en die één of meer kinderen ten laste heeft, maar ook de ouder die alleen wordt belast en aan wie bij toepassing van artikel 132bis, WIB 92, de helft van de toeslagen op de belastingvrije som voor één of meer kinderen wordt toegekend, recht heeft op de toeslag voor alleenstaande ouder met kinderlast.
VI. TENLASTENEMING VAN VERMISTE OF ONTVOERDE KINDEREN
A. Wettekst
Art. 281 . Artikel 138, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 6 juli 2004, wordt aangevuld als volgt :
"Een in de loop van het belastbaar tijdperk vermist of ontvoerd kind dat op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt, wordt geacht op die datum deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige, op voorwaarde dat het reeds voor het vorige aanslagjaar te zijnen laste was en op voorwaarde dat de belastingplichtige aantoont dat hij de verdwijning of ontvoering uiterlijk op 31 december van het belastbaar tijdperk heeft aangegeven bij de politie of ter zake een klacht heeft ingediend bij het parket of bij de Belgische overheden die bevoegd zijn inzake ontvoeringen van kinderen."
B. Commentaar
1. Algemeen
Om een kind als persoon ten laste te beschouwen moet volgens artikel 136, WIB 92, het kind op 1 januari van het aanslagjaar deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige.
Strikt genomen betekent dit dat een kind dat in de loop van het belastbaar tijdperk is vermist of door één van de ouders of door derden is ontvoerd, voor het betreffende aanslagjaar niet meer ten laste kan worden genomen door de andere ouder van wiens gezin het kind vóór de ontvoering deel uitmaakte.
De wetgeving inzake kinderbijslag houdt wel rekening met ontvoerde kinderen tot de leeftijd van 18 jaar. De regering heeft beslist om vermiste en ontvoerde kinderen, onder bepaalde voorwaarden, als kinderen ten laste te beschouwen.
2. Voorwaarden voor de tenlasteneming
Om beschouwd te worden als personen die deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar moeten de ontvoerde of vermiste kinderen voldoen aan volgende voorwaarden :
de belastingplichtige moet aantonen dat hij de ontvoering of de verdwijning uiterlijk op 31 december van het belastbaar tijdperk heeft aangegeven bij de politie of ter zake een klacht heeft ingediend bij het parket of bij de Belgische overheden die bevoegd zijn inzake ontvoeringen van kinderen.
Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan kunnen de ontvoerde en vermiste kinderen overeenkomstig artikel 138, WIB 92, worden beschouwd als kinderen ten laste.
3. Inwerkingtreding
Deze maatregel treedt in werking vanaf aanslagjaar 2008.
VII. VERMINDERING VOOR BEZOLDIGINGEN INGEVOLGE HET PRESTEREN VAN OVERWERK DAT RECHT GEEFT OF EEN OVERWERKTOESLAG
A. Wettekst
(…)
Art. 284. In artikel 154bis, derde lid, hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005, worden de woorden "met betrekking tot de netto belastbare bezoldigingen die zijn begrepen in de netto belastbare beroepsinkomsten." Vervangen door de woorden "met betrekking tot het netto bedrag van de in artikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen, andere dan de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen."
B. Commentaar
De bepaling van artikel 154bis, WIB 92, heeft tot doel een specifieke belastingvermindering te creëren voor de bezoldigingen die betrekking hebben op overwerk. Hier worden enkel de bezoldigingen strictu sensu beoogd en dus niet de vervangingsinkomsten die door artikel 31, WIB 92, als bezoldigingen van werknemers worden omschreven.
Inwerkingtreding
De nieuwe regel is van toepassing op de vanaf 1 januari 2006 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd.
VIII. WIJZIGINGEN VAN SOMMIGE BEPALINGEN VAN HET WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN TENEINDE ZE IN OVEREENSTEMMING TE BRENGEN MET BEPAALDE PRINCIPES VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE OVEREENKOMST BETREFFENDE DE EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE
In dit hoofdstuk worden de bepalingen van het WIB 92 die handelen over de aanvullende pensioenen, de individuele levensverzekeringscontracten en het pensioensparen aangepast aan een aantal principes opgenomen in het Verdrag tot Oprichting van de Europese Gemeenschap en de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
Bovendien heeft de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen een nieuwe vorm van instelling gecreëerd die bevoegd is om pensioenuitkeringen te beheren. De artikelen in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, die een opsomming van dergelijke instellingen bevatten, is vervolledigd door ook de nieuwe instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen op te nemen in die teksten.
Inwerkingtreding
Dit hoofdstuk is van toepassing vanaf aanslagjaar 2007, met uitzondering van artikel 348, B, (nieuwe 80%-regel) dat op 1 januari 2007 in werking treedt.
1° Aanpassingen aan artikel 38, § 3, en artikel 59, WIB 92
A. Wettekst
Art. 347. In artikel 38, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 28 april 2003, worden de woorden "door de verzekeringsonderneming of voorzorgsinstelling" vervangen door de woorden "door de verzekeringsonderneming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen".
Art. 348. A. In artikel 59 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in § 1, 1°, worden de woorden "aan een in België gevestigde verzekeringsonderneming of voorzorgsinstelling" vervangen door de woorden "aan een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeringsonderneming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen";
b) § 5, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
"Hij bepaalt de voorwaarden en de wijze van toepassing van deze bepaling.";
c) het artikel wordt aangevuld met een § 6, luidende : "§ 6. Voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten voor het waarborgen van een lening en de toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet vormen geen beletsel voor de definitieve storting van de bijdragen en premies die in § 1, 1°, wordt geëist wanneer ze worden toegestaan om het de werknemer mogelijk te maken in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen onroerende goederen die in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte belastbare inkomsten opbrengen, te verwerven, te bouwen, te verbeteren, te herstellen of te verbouwen en op voorwaarde dat de voorschotten en leningen terugbetaald worden zodra de voormelde goederen uit het vermogen van de werknemer verdwijnen.De beperking bedoeld in het eerste lid moet zijn ingeschreven in de reglementen van groepsverzekering, de verzekeringscontracten, de pensioenreglementen, de aanvullende pensioentoezeggingen bedoeld in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid en de aanvullende pensioenovereenkomsten voor zelfstandigen bedoeld in de programmawet (I) van 24 december 2002.".
B. In hetzelfde artikel worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) § 1, 2°, wordt aangevuld als volgt :
"wat de overeenkomsten betreft die geen toezeggingen van het type "vaste prestatie" zijn, worden de daaraan verbonden bovenwettelijke uitkeringen vastgesteld door rekening te houden met de eigenschappen van de overeenkomst, de aan de overeenkomst verbonden verworven reserves en de volgende parameters :
"§ 5. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad :
1° wat onder "normale bruto jaarbezoldiging", "laatste normale bruto jaarbezoldiging" en "normale duur van een beroepswerkzaamheid" in de zin van § 1, 2° en 3°, moet worden verstaan;
2° de verschillende in § 1, 2°, bedoelde percentages. Hij zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het eerste lid, 2°, genomen besluiten.".
B. Commentaar
1. Vestiging van de verzekeringsonderneming
Momenteel vereist artikel 59, § 1, 1°, WIB 92, dat werkgeversbijdragen voor de vorming van een aanvullend pensioen aan een in België gevestigde onderneming wordt gestort teneinde ze als beroepskost te kunnen aftrekken.
Met de aanpassing van artikel 59, § 1, 1°, WIB 92, wordt het interne recht in overeenstemming gebracht met de bepalingen van het EG-verdrag en de EER-Overeenkomst zodanig dat de beoogde bijdragen als een beroepskost worden aangemerkt wanneer ze zijn gestort aan een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeringsonderneming of voorzorgsinstelling.
2. Voorschotten en inpandgeving
De bepalingen inzake het opnemen van voorschotten op prestaties en de inpandgeving van pensioenrechten uit het KB/WIB 92 worden overgebracht naar de wettekst.
Volgens het huidig artikel 35, § 1, 4°, KB/WIB 92, moet in het reglement van de groepsverzekering, het verzekeringscontract, het pensioenreglement, de aanvullende pensioentoezegging en de solidariteitstoezegging worden bepaald dat voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten voor het waarborgen van een lening en toewijzingen van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet slechts mogen worden toegestaan om het de werknemer mogelijk te maken in België gelegen onroerende goederen die belastbare inkomsten opbrengen te verwerven, te bouwen, te verbouwen, te verbeteren of te herstellen en op voorwaarde dat de voorschotten en leningen worden terugbetaald zodra de voormelde goederen uit het vermogen van de werknemer verdwijnen.
Die bepaling lijkt in strijd met de vereiste van definitieve storting vervat in artikel 59, § 1, 1°, WIB 92.
Evenwel bevat het sociale luik van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, een gelijkaardige regel.
Omwille van de rechtszekerheid wordt die "afwijking" op de regel van de definitieve storting nu opgenomen in de wet.
3. 80%-regel
In artikel 59, § 1, 2°, WIB 92, wordt verduidelijkt op welke wijze de bovenwettelijke uitkeringen moeten worden berekend bij contracten die niet voorzien in de uitkering van een vooraf vastgelegde bovenwettelijke uitkering op de eindvervaldag. Inzonderheid worden hier de zogenaamde "vaste bijdragen" (defined contribution) contracten bedoeld.
Oorspronkelijk werd de bepaling van artikel 59, WIB 92, geschreven uitsluitend rekening houdend met de specificiteiten van het stelsel "vaste prestaties" (defined benefit). Het is eigen aan dat stelsel dat de aangeslotene weet op welke bovenwettelijke uitkering hij op de eindvervaldag aanspraak zal kunnen maken.
Die bovenwettelijke uitkering vormt derhalve één van de parameters die nodig zijn voor een correcte berekening van de 80 %-grens, bedoeld in artikel 59, § 1, 2°, WIB 92, . De bijdragen kunnen in dat stelsel fluctueren in verhouding tot de reeds gerealiseerde pensioenopbouw en het nog in te vullen gedeelte.
Anders is het bij een stelsel "vaste bijdragen" waarbij pas op eindvervaldag kan worden uitgemaakt tot welke bovenwettelijke uitkering die hebben geleid.
Een belangrijke parameter voor de berekening van de vermelde 80 % grens (de bovenwettelijke uitkering naar aanleiding van de pensionering) ontbreekt bijgevolg in dat stelsel.
De voorgestelde aanvulling van artikel 59, § 1, 2°, WIB 92, strekt er dan ook toe de parameters vast te leggen die in aanmerking moeten worden genomen om de bovenwettelijke uitkeringen vast te stellen in het stelsel van de "vaste bijdragen".
Zo zal onder meer rekening worden gehouden met de eigenschappen van de overeenkomsten en met de verworven reserves die reeds in het kader van het contract zijn gevormd. De FOD Financiën zal daartoe gebruik maken van de informatie die is opgenomen in de pensioengegevensbank.
Wat de specifieke parameters betreft, wordt in artikel 59, § 5, WIB 92, aan de Koning delegatie verleend om die parameters concreet in te vullen. Inzonderheid betreft het de percentages die moeten worden toegepast teneinde rekening te houden met :
2° Aanpassingen aan artikel 145^1, WIB 92
A. Wettekst
Art. 349. In artikel 145^1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de wetten van 17 november 1998, 25 januari 1999, 17 mei 2000, 24 december 2002, 28 april 2003 en 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het 3° worden de woorden "een in België gelegen woning" vervangen door de woorden "een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen woning";
2° het 4° wordt vervangen als volgt :
"4° als betalingen in geld voor aandelen waarop de belastingplichtige als werknemer heeft ingeschreven en die een fractie vertegenwoordigen van het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap met maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die de belastingplichtige tewerkstelt of waarvan de vennootschap - werkgeefster in de zin van het Wetboek van vennootschappen of van een daarmee vergelijkbare regelgeving van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte onweerlegbaar wordt geacht een dochter- of kleindochteronderneming te zijn;"
B. Commentaar
1. Woning gelegen in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte
Artikel 145 1, 3°, WIB 92, bepaalt dat er slechts een belastingvermindering in het kader van het lange termijnsparen kan worden verkregen voor betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening die is aangegaan om een in België gelegen woning, andere dan de enige, eigen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen.
Concreet wordt de investering in een tweede woning aangemerkt als een vorm van lange termijnsparen en wordt daar een fiscaal voordeel aan toegekend indien de woning althans in België is gelegen.
Werknemers en zelfstandigen die hun beroepsactiviteiten en hun woonplaats naar België verplaatsen, maken momenteel geen aanspraak op een fiscaal voordeel voor de woning die zij in het buitenland wensen te behouden en waarvoor eventueel nog een lening loopt.
Deze belemmering wordt opgeheven, zodanig dat een woning, andere dan de enige eigen woning, als een vorm van lange termijnsparen wordt aangemerkt wanneer die woning gelegen is in de Europese Economische Ruimte.
2. Verwerving van werkgeversaandelen
Het artikel 145 1, 4°, WIB 92, wordt in overeenstemming gebracht met het EG-Verdrag en de EER-Overeenkomst .
De huidige bepaling belemmert het lange termijnsparen indien de belastingplichtige zou willen investeren in het kapitaal van een buitenlandse vennootschap.
Het Belgisch intern recht ter zake wordt verruimd zodanig dat investeringen in het kapitaal van ondernemingen die hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer in de Europese Economische Ruimte hebben gevestigd, eveneens in aanmerking worden genomen voor de toekenning van een fiscaal voordeel voor het lange termijnsparen.
De voorwaarde dat het moet gaan om investeringen in een vennootschap die de belastingplichtige tewerkstelt of waarvan de vennootschap-werkgeefster in de zin van het Wetboek van vennootschappen onweerlegbaar wordt geacht een dochter- of kleindochteronderneming te zijn, moet bijgevolg eveneens aan die ruimere toepassingssfeer worden aangepast.
Aan die voorwaarde wordt dan ook toegevoegd dat de notie "dochter of kleindochteronderneming" ook mag worden getoetst aan de regelgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte die vergelijkbaar is met de betreffende bepalingen uit het Belgisch Wetboek van vennootschappen.
Tevens wordt er van de gelegenheid gebruik gemaakt om de verouderde terminologie "wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen" te vervangen door de correcte verwijzing naar het Wetboek van vennootschappen (artikel 5 van de Wet van 7 mei 1999 houdende het wetboek van vennootschappen - BS van
6-8-1999).
3° Aanpassingen aan artikel 145^3, WIB 92
A. Wettekst
Art. 350. In artikel 145^3 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de wet van 28 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, worden de woorden "aan een in België gevestigde verzekeringsonderneming of voorzorgsinstelling" vervangen door de woorden "aan een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeringsonderneming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen";
2° het vierde lid wordt vervangen als volgt :
"De Koning bepaalt de voorwaarden en de wijze van toepassing van deze bepaling.";
3° het artikel wordt aangevuld met de volgende leden :
"Voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten voor het waarborgen van een lening en de toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet vormen geen beletsel voor de definitieve storting van de bijdragen en premies die in § 1, 1°, wordt geëist wanneer ze worden toegestaan om het de werknemer mogelijk te maken in de Europese Economische Ruimte gelegen onroerende goederen die in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte belastbare inkomsten opbrengen, te verwerven, te bouwen, te verbeteren, te herstellen of te verbouwen en op voorwaarde dat de voorschotten en leningen terugbetaald worden zodra de voormelde goederen uit het vermogen van de werknemer verdwijnen.De beperking vermeld in het vijfde lid moet zijn ingeschreven in de reglementen van groepsverzekering, de verzekeringscontracten, de pensioenreglementen, de aanvullende pensioentoezeggingen bedoeld in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid en de aanvullende pensioenovereenkomsten voor zelfstandigen bedoeld in de programmawet (I) van 24 december 2002.".
B. Commentaar
Artikel 145 3, WIB 92, bepaalt momenteel dat de persoonlijke bijdragen die voor de vorming van een aanvullend pensioen in het kader van de tweede pijler worden gestort, slechts voor een belastingvermindering lange termijnsparen in aanmerking komen wanneer zij zijn gestort aan een in België gevestigde verzekeringsonderneming.
Deze bepaling wordt aangepast aan de Europese regelgeving zodanig dat de stortingen aan een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeringsondernemingen of voorzorgsinstellingen eveneens voor een belastingvermindering in aanmerking komen.
Met betrekking tot de voorschotten op contracten en de inpandgeving van pensioenrechten dringen zich hier dezelfde aanpassingen op als in artikel 59, WIB 92, (zie commentaar op de aanpassingen aan artikel 59, WIB 92, blz. 11).
4° Aanpassingen aan artikel 145^9, en artikel 243, WIB 92
A. Wettekst
Art. 351. In artikel 145^9, eerste lid, 1°, a), van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden "of een inwoner van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte" ingevoegd tussen de woorden "door een rijksinwoner" en de woorden "vanaf de leeftijd van 18 jaar".
(...)
Art. 353. In artikel 243, laatste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 6 juli 1994 en gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994 en 22 december 2003, worden de woorden "4°, 145^2 tot 145^7" vervangen door de woorden "5°, 145^2 tot 145^16".
B. Commentaar
Door de aanpassing van deze artikelen worden de bepalingen inzake pensioensparen zodanig aangepast dat elke inwoner van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte in aanmerking komt voor de belastingvermindering die wordt toegepast op de betalingen die voor het pensioensparen gebeuren.
5° Aanpassingen aan artikel 169, WIB 92
A. Wettekst
Art. 352. In artikel 169, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 april 2003, worden de woorden "in België" vervangen door de woorden "in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte".
B. Commentaar
Overeenkomstig het huidige artikel 169, § 1, tweede lid, WIB 92, worden kapitalen of afkoopwaarden van aanvullende pensioenen als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°, eerste lid, a tot c, WIB 92, waarop voorschotten zijn opgenomen of die hebben gediend voor het waarborgen van een lening of het wedersamenstellen van een hypothecair krediet, voor de vaststelling van de belastbare grondslag slechts in aanmerking genomen tot het bedrag van de lijfrente die voortvloeit uit de omzetting van die kapitalen en afkoopwaarden volgens de in een koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 92 vastgestelde coëfficiënten.
Dat omzettingsstelsel is slechts van toepassing wanneer die voorschotten of de leningen hebben gediend om een in België gelegen woning te bouwen, verwerven, verbouwen, verbeteren of herstellen.
Niettegenstaande deze bepaling niet rechtstreeks wordt geviseerd door het gemotiveerd advies van de Europese Commissie, houdt zij een beperking in die door de Europese Commissie kan worden bekritiseerd op basis van de principes van het vrij verkeer van personen en vrij verkeer van werknemers en zelfstandigen en de vrijheid van vestiging.
Omwille van de coherentie in het WIB 92, en teneinde een volgende inbreukprocedure te vermijden, wordt het artikel 169, § 1, 2 de lid, WIB 92, eveneens in overeenstemming gebracht met de Europese regelgeving.
6° Aanpassingen aan artikel 364bis, WIB 92
A. Wettekst
Art. 354. In artikel 364bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden "naar het buitenland" vervangen door de woorden "naar een buiten de Europese Economische Ruimte gelegen Staat".
B. Commentaar
Artikel 364bis, WIB 92, bepaalt dat de in artikel 34, WIB 92, vermelde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden worden geacht te zijn betaald of toegekend daags voor een eventuele overbrenging van de woonplaats van de belastingplichtige naar het buitenland.
Die fictie biedt de mogelijkheid om de bedoelde kapitalen en afkoopwaarden - behoudens vrijstellingen ingevolge de toepassing van door België gesloten verdragen tot voorkoming van dubbele belasting - in België aan een belastingheffing te onderwerpen.
Artikel 364bis, WIB 92, wordt in overeenstemming gebracht met de Europese regelgeving zodanig dat de wettelijke fictie niet wordt toegepast wanneer de belastingplichtige zijn woonplaats of de zetel van zijn fortuin heeft overgebracht naar een lidstaat van de Europese Economische Ruimte.
7° Aanpassingen aan artikel 364ter, WIB 92
A. Wettekst
Art. 355. In artikel 364ter van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "door de voorzorgsinstelling of de verzekeringsonderneming" vervangen door de woorden "door de verzekeringsonderneming, de voorzorgsinstelling of de instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen";
2° in het tweede lid worden de woorden "naar een in het buitenland gevestigde voorzorgsinstelling of verzekeringsonderneming" vervangen door de woorden "naar een buiten de Europese Economische Ruimte gevestigde voorzorgsinstelling, verzekeringsonderneming of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen".
Commentaar
Artikel 364ter, tweede lid, WIB 92, bepaalt dat de overdracht van een aanvullend pensioenkapitaal voor werknemers of zelfstandigen naar een buiten de Europese Economische Unie gevestigde voorzorgsinstelling, verzekeringonderneming of instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, als een betaling of toekenning wordt aangemerkt en bijgevolg een belastingheffing in België tot gevolg heeft.
Artikel 364ter, WIB 92, wordt op die manier in overeenstemming gebracht met de Europese regelgeving.
8° Aanpassingen aan artikel 515sexies en artikel 515septies, WIB 92
A. Wettekst
Art. 356. In artikel 515sexies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "door de verzekeringsonderneming" vervangen door de woorden "door de verzekeringsonderneming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen";
2° in het laatste lid worden de woorden "naar een in het buitenland gevestigde voorzorgsinstelling of verzekeringsonderneming" vervangen door de woorden "naar een buiten de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeringsonderneming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen".
Art. 357. In artikel 515septies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "naar een voorzorgsinstelling of een verzekeringsonderneming, " vervangen door de woorden "naar een verzekeringsonderneming, een voorzorgsinstelling of een instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen, ";
2° in het tweede lid worden de woorden "een in het buitenland gevestigde voorzorgsinstelling of verzekeringsonderneming" vervangen door de woorden "een buiten de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeringsonderneming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen".
B. Commentaar
De aanpassingen aan de artikelen 515sexies, laatste lid en 515septies, tweede lid, WIB 92, zijn een rechtstreeks gevolg van de aanpassing die is uitgevoerd aan artikel 364ter, tweede lid, WIB 92.
BIJLAGE 3 - WET HOUDENDE DIVERSE BEPALINGEN (III) VAN 1 MAART 2007
A. Wettekst
(…)
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van de wetgeving inzake inkomstenbelastingen :
Art. 129 . In artikel 27, tweede lid, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 7 maart 2002, wordt het woord "Raden" telkens vervangen door de woorden "gemeenschaps- en gewestparlementen".
Art. 130. In artikel 52bis, 1°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de Wet van 8 april 2003, wordt het woord "Executieve" vervangen door het woord "Regering".
Art. 131. In artikel 53, 17°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 maart 2002, wordt het woord "Raden" vervangen door de woorden "Gemeenschaps- en Gewestparlementen".
Art. 132. In artikel 64bis, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 juli 1993, worden de woorden "Gewest Executieve" vervangen door het woord "gewestregering".
Art. 133. In artikel 113, § 1, 3°, a), van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 6 juli 2004, wordt het woord "Executieve" vervangen door het woord "Regering".
B. Commentaar
Het betreft hier een aanpassing van de in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 opgenomen terminologie in functie van de Grondwetsherziening van 25 februari 2005, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 11 maart 2005.
Naar aanleiding van die Grondwetsherziening hebben de wetgevende vergaderingen van de gemeenschappen en gewesten een nieuwe benaming gekregen.
Voortaan zijn zij niet langer Raden, maar wel Parlementen.
Derhalve wordt de notie "Raden" in het WIB 92, stelselmatig vervangen door de notie "Gemeenschaps- en Gewestparlementen".
De notie "Executieve" wordt naargelang het geval vervangen door de notie "regering" of "gewestregering".
C. Inwerkingtreding
Aangezien het om een loutere aanpassing van terminologie betreft is geen specifieke inwerkingtreding vereist.
Circulaire nr. AFZ/2007-0423-1 (AFZ 8/2007) dd. 26.06.2007
BEDRIJFSVOORHEFFING
Vrijstelling van storting van de BV
KADASTRAAL INKOMEN
Herziening van het KI
OVEREENKOMST
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
PERSONENBELASTING
Aftrekbare besteding
Belastingvermindering
Berekening van de PB
Co-ouderschap
Internet voor iedereen
Kind ten laste
Kwalificatie van inkomsten
Toeslag op de belastingvrije som
VERDRAG
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap
WET
Programmawet 2006
Wet houdende diverse bepalingen
WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992
Wijzigingswet
Eerste commentaar op :
- Programmawet (I) van 27.12.2006.
- Wet houdende diverse bepalingen (I) van 27.12.2006.
- Wet houdende diverse bepalingen (III) van 1.3.2007.
In bijlage volgt een eerste commentaar inzake personenbelasting betreffende :
1. De programmawet (I) van 27 december 2006 (BS 28.12.2006, err. 24.1.2007, Ed. 3) meer bepaald over de bepalingen inzake :
- vermindering voor energiebesparende uitgaven;
- vermindering voor uitgaven voor de verwerving van een voertuig met een maximale uitstoot van 115 gr. CO2 per kilometer of van een dieselvoertuig uitgerust met een roetfilter;
- vermindering voor uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen;
- vermindering voor uitgaven ter beveiliging van woningen tegen inbraak of brand;
- vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag;
- schatting en herschatting van de kadastrale inkomens;
- vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.
- internet voor iedereen;
- aanvullende vergoedingen die de werknemer heeft verkregen tijdens een periode van inactiviteit, van werkhervatting bij een andere werkgever of van werkhervatting als zelfstandige voor zover de verplichting van de gewezen werkgever tot doorbetaling van die vergoedingen na werkhervatting wel is opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een individuele overeenkomst die voorziet in de uitbetaling van de aanvullende vergoeding;
- aftrekbare bestedingen;
- co-ouderschap;
- verhoogde toeslag op belastingvrije som voor alleenstaande ouder;
- tenlasteneming van vermiste of ontvoerde kinderen;
- vermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag;
- wijzigingen van sommige bepalingen van het WIB 92 teneinde ze in overeenstemming te brengen met bepaalde principes van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
NAMENS DE MINISTER :
De Adjunct-administrateur-generaal,
Paul NECKEBROECK
BIJLAGEN
Bijlage 1 - Programmawet (I) van 27 december 2006
Bijlage 2 - Wet houdende diverse bepalingen (I) van 27 december 2006
Bijlage 3 - Wet houdende diverse bepalingen (III) van 1 ma
BIJLAGE 1 - PROGRAMMAWET (I) VAN 27 DECEMBER 2006
| INHOUDSTAFEL | |
| I. | VERMINDERING VOOR ENERGIEBESPARENDE UITGAVEN |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 1. | Maximumbedrag |
| 2. | Inwerkingtreding |
| II. | VERMINDERING VOOR UITGAVEN VOOR DE VERWERVING VAN EEN VOERTUIG MET EEN MAXIMALE UITSTOOT VAN 115 GRAM CO2 PER KILOMETER OF VAN EEN DIESELVOERTUIG UITGERUST MET EEN ROETFILTER |
| A. | Wettekst en reglementaire bepaling |
| B. | Commentaar |
| 1. | Algemeen |
| 2. | Bedoelde voertuigen |
| 3. | Voorwaarden |
| 4. | Bedrag van de vermindering |
| 5. | Toepassingsmodaliteiten |
| 6. | Inwerkingtreding |
| III. | VERMINDERING VOOR UITGAVEN GEDAAN VOOR VERNIEUWING VAN TEGEN EEN REDELIJKE HUURPRIJS IN HUUR GEGEVEN WONINGEN |
| A. | Wettekst en reglementaire bepalingen |
| B. | Commentaar |
| 1. | Algemeen |
| 2. | Belastingvermindering |
| 3. | Voorwaarden voor het verkrijgen van de vermindering |
| 4. | Aard van de werken |
| 5. | Uitgesloten uitgaven |
| 6. | Bedrag van de vermindering en periode van toekenning |
| 7. | Bijzonderheden |
| 8. | Toepassingsmodaliteiten |
| 9. | Inwerkingtreding |
| IV. | VERMINDERING VOOR UITGAVEN TER BEVEILIGING VAN WONINGEN TEGEN INBRAAK OF BRAND |
| A. | Wettekst en reglementaire bepaling |
| B. | Commentaar |
| 1. | Algemeen |
| 2. | Belastingvermindering |
| 3. | Aard van de werken |
| 4. | Uitgesloten uitgaven |
| 5. | Bedrag van de vermindering |
| 6. | Bijzonderheden |
| 7. | Toepassingsmodaliteiten |
| 8. | Inwerkingtreding |
| V. | VERMINDERING VOOR BEZOLDIGINGEN INGEVOLGE HET PRESTEREN VAN OVERWERK DAT RECHT GEEFT OP EEN OVERWERKTOESLAG |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 1. | Algemeen |
| 2. | Belastingvermindering |
| 3. | Inwerkingtreding |
| VI. | SCHATTING EN HERSCHATTING VAN DE KADASTRALE INKOMENS |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 1. | Bevriezing van het kadastraal inkomen |
| 2. | Inwerkingtreding |
| VII. | VRIJSTELLING VAN DOORSTORTING VAN BEDRIJFSVOORHEFFING |
| 1° | Vrijstelling per bijkomende aangeworven personeelseenheid voor wetenschappelijk onderzoek |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 2° | Overuren |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 3° | Wetenschappelijk personeel |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
I. VERMINDERING VOOR ENERGIEBESPARENDE UITGAVEN
A. Wettekst
(...)
Art. 11. In artikel 145^24, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de programmawet van 5 augustus 2003, bij de wet van 31 juli 2004 en bij de programmawet van 27 december 2005, worden de woorden "1.000 euro" vervangen door de woorden "2.000 euro".
Art. 18. (…) De artikelen 11, 14 en 15 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2008.
B. Commentaar
1. Maximumbedrag
Het maximumbedrag van de vermindering voor energiebesparende uitgaven wordt verdubbeld en dus opgetrokken tot 2.000 EUR (niet-geïndexeerd bedrag - geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2008 : 2.600 EUR) per belastbaar tijdperk/ per woning.
2. Inwerkingtreding
De wijzigingen betreffende artikel 145 24, vierde lid, WIB 92, zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2008.
II. VERMINDERING VOOR UITGAVEN VOOR DE VERWERVING VAN EEN VOERTUIG MET EEN MAXIMALE UITSTOOT VAN 115 GRAM CO2 PER KILOMETER OF VAN EEN DIESELVOERTUIG UITGERUST MET EEN ROETFILTER
A. Wettekst en reglementaire bepaling
Programmawet (I) van 27 december 2006
(…)
Art. 12. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van hetzelfde Wetboek, wordt het opschrift van onderafdeling IInonies, ingevoegd bij de programmawet van 9 juli 2004, vervangen als volgt :
"Onderafdeling IInonies - Vermindering voor uitgaven voor de verwerving van een voertuig met een maximale uitstoot van 115 gram CO² per kilometer of van een dieselvoertuig uitgerust met een roetfilter".
Art 13. Artikel 145^28 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 9 juli 2004, waarvan de huidige tekst § 1 wordt, wordt aangevuld met een § 2, luidende :
"§ 2. Er wordt een belastingvermindering verleend voor uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald om een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus met dieselmotor in nieuwe staat te verwerven voor zover die motor standaard is uitgerust met een roetfilter en met een uitstoot van minder dan 130 gram CO² per kilometer.
De in het eerste lid bedoelde voertuigen zijn de voertuigen waarvoor het bezit van een Belgisch rijbewijs geldig voor voertuigen van categorie B of een gelijkwaardig Europees of buitenlands rijbewijs vereist is voor de besturing ervan.
De in het eerste lid bedoelde belastingvermindering is gelijk aan 150 EUR.
Voor de toepassing van deze paragraaf, mag de roetfilter maximaal 5 mg deeltjes per kilometer uitstoten.
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de belastingvermindering en de manier waarop het bewijs moet worden geleverd dat de roetfilter aan de voornoemde norm voldoet."
Koninklijk besluit van 14 februari 2007 (BS 23 februari 2007, Ed. 2) tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de vermindering voor uitgaven voor de verwerving van een dieselvoertuig uitgerust met een roetfilter
(…)
Artikel 1. In hoofdstuk I van het KB/WIB 92, wordt de afdeling XXVnonies, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 2004, vervangen als volgt :
"Afdeling XXVnonies - Vermindering voor uitgaven voor de verwerving van een voertuig met een maximale uitstoot van 155 gram CO2 per kilometer of van een dieselvoertuig standaard uitgerust met een roetfilter (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145^28, §§ 1 en 2)".
Art. 2. In artikel 63^13 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 16 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, waarvan de huidige tekst a wordt, worden de woorden "in artikel 145^28 " telkens vervangen door de woorden "in artikel 145^28, § 1, ";
2° in de inleidende zin van § 2, a, worden de woorden "de in dat artikel bedoelde" vervangen door de woorden "in die paragraaf bedoelde";
3° § 2 wordt aangevuld met een b en c luidende :
"b) de uitgaven beoogd in artikel 145^28, § 2, van hetzelfde wetboek worden slechts in aanmerking genomen voor de in die paragraaf bedoelde belastingvermindering wanneer de factuur afgeleverd door de verkoper de volgende formule bevat :
"Verklaring in toepassing van artikel 63^13 van het KB/WIB 92, betreffende een dieselvoertuig beoogd in artikel 145^28, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met een maximale uitstoot van 130 gram CO2 per kilometer en die standaard is uitgerust met een roetfilter die maximaal 5 mg deeltjes per kilometer mag uitstoten.
Ik ondergetekende … bevestig dat het voertuig beschreven in deze factuur nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een inschrijving in België of in het buitenland.";
c) wanneer het gekochte voertuig beantwoordt aan de voorwaarden van de beide belastingverminderingen die zijn beoogd in artikel 145^28, §§ 1 en 2, van hetzelfde Wetboek, worden de erin bedoelde uitgaven slechts in aanmerking genomen voor de belastingvermindering wanneer de factuur afgeleverd door de verkoper de volgende formule bevat :
"Verklaring in toepassing van artikel 63^13 van het KB/WIB 92, betreffende een dieselvoertuig beoogd in artikel 145^28, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met een maximale uitstoot van 115 gram CO2 per kilometer en die standaard is uitgerust met een roetfilter die maximaal 5 mg deeltjes per kilometer mag uitstoten.
Ik ondergetekende … bevestig dat het voertuig beschreven in deze factuur nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een inschrijving in België of in het buitenland.";
4° in § 3 worden de woorden "de in artikel 145^28 van hetzelfde Wetboek beoogde belastingvermindering" vervangen door de woorden "de toepassing van artikel 145^28 van hetzelfde Wetboek ".
Art. 3. Dit besluit is van toepassing op de uitgaven gedaan voor de aankoop van een voertuig vanaf 1 januari 2007.
(….)
B. Commentaar
1. Algemeen
Om de fiscaliteit ecologischer te maken en om beter te voldoen aan de verplichtingen van het Kyoto-protocol, heeft de regering beslist om, bovenop de reeds bestaande belastingvermindering voor uitgaven voor de verwerving van een voertuig met een maximale uitstoot van 115 gr. CO 2 per kilometer een belastingvermindering te verlenen voor de aankoop van een dieselvoertuig uitgerust met een roetfilter en met een uitstoot van minder dan 130 gr. CO 2 per kilometer.
2. Bedoelde voertuigen
Het moet gaan om een personenauto, een auto of dubbel gebruik of een minibus waarvoor het bezit van een Belgisch rijbewijs geldig voor voertuigen van categorie B of een gelijkwaardig Europees of buitenlands rijbewijs vereist is voor de besturing ervan.
3. Voorwaarden
- De uitgaven moeten tijdens het belastbaar tijdperk werkelijk zijn betaald om een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus met dieselmotor in nieuwe staat te verwerven;
- de dieselmotor moet standaard zijn uitgerust met een roetfilter;
- de motor moet een uitstoot hebben van minder dan 130 gram CO2 per kilometer;
- de roetfilter mag maximaal 5 mg deeltjes per kilometer uitstoten.
De belastingvermindering is gelijk aan 150 EUR (niet-geïndexeerd bedrag - geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2008 : 200 EUR).
5. Toepassingsmodaliteiten
In artikel 63 13, KB/WIB 92, wordt gepreciseerd dat de uitgaven beoogd in artikel 145 28, § 2, WIB 92, slechts in aanmerking worden genomen voor de belastingvermindering wanneer de factuur afgeleverd door de verkoper de volgende formule bevat :
"Verklaring in toepassing van artikel 63 13 van het KB/WIB 92, betreffende een dieselvoertuig beoogd in artikel 145 28, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met een maximale uitstoot van 130 gram CO 2 per kilometer en die standaard is uitgerust met een roetfilter die maximaal 5 mg deeltjes per kilometer mag uitstoten.
Ik ondergetekende … bevestig dat het voertuig beschreven in deze factuur nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een inschrijving in België of in het buitenland."
Wanneer het gekochte voertuig beantwoordt aan de voorwaarden van beide belastingverminderingen beoogd in artikel 145 28, §§ 1 en 2, WIB 92, worden de erin bedoelde uitgaven slechts in aanmerking genomen voor de belastingvermindering wanneer de factuur afgeleverd door de verkoper de volgende formule bevat :
"Verklaring in toepassing van artikel 63 13 van het KB/WIB 92, betreffende een dieselvoertuig beoogd in artikel 145 28, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met een maximale uitstoot van 115 gram CO 2 per kilometer en die standaard is uitgerust met een roetfilter die maximaal 5 mg deeltjes per kilometer mag uitstoten.
Ik ondergetekende … bevestig dat het voertuig beschreven in deze factuur nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een inschrijving in België of in het buitenland."
6. Inwerkingtreding
De belastingvermindering treedt in werking met ingang van 1 januari 2007 (*).
[(*) Vanaf 1 juli 2007 wordt de belastingvermindering vervangen door een korting op factuur (zie Programmawet (I) van 27 april 2007, art. 147).]
III. VERMINDERING VOOR UITGAVEN GEDAAN VOOR VERNIEUWING VAN TEGEN EEN REDELIJKE HUURPRIJS IN HUUR GEGEVEN WONINGEN
A. Wettekst en reglementaire bepalingen
Programmawet (I) van 27 december 2006
(…)
Art. 14. In titel II, hoofdstuk III, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek, wordt een onderafdeling IIundecies ingevoegd, die een artikel 145^30 bevat, luidende :
"Onderafdeling IIundecies. - Vermindering voor uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen.
Art. 145^30 .- Er wordt een belastingvermindering verleend voor de volgende uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald voor de vernieuwing van een woning gelegen in België waarvan de belastingplichtige eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is en welke hij verhuurt via een sociaal verhuurkantoor.
De vermindering is niet van toepassing voor de uitgaven die :
a) genomen zijn als werkelijke beroepskosten;
b) recht geven op de in artikel 69 bedoelde investeringsaftrek;
c) in aanmerking komen voor de toepassing van de artikel 104, 8°, 145^24 of 145^25.
De vermindering wordt toegekend onder de volgende voorwaarden :
1° de woning is op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste 15 jaar in gebruik genomen;
2° de totale kostprijs van de werken, inclusief de belasting over de toegevoegde waarde, bedraagt ten minste 7.500 EUR;
3° de dienstverrichtingen met betrekking tot die werken worden verricht door een persoon die op het ogenblik van het sluiten van het aannemingscontract als aannemer is geregistreerd overeenkomstig artikel 401.
De belastingvermindering wordt toegekend voor een periode van negen opeenvolgende belastbare tijdperken waarin het kadastraal inkomen van de woning begrepen is in de belastbare inkomsten en dit tegen 5 pct. van de werkelijke gedane uitgaven voor elk van de belastbare tijdperken, met een jaarlijks maximum van 750 EUR, tot zolang de woning onder de vereiste voorwaarden in huur wordt gegeven.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering proportioneel verdeeld in functie van het gedeelte van elke echtgenoot in het kadastraal inkomen van de woning waarin de werken werden uitgevoerd.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de aard van de werken bedoeld in het derde lid, 3°.
Het zal bij de wetgevende kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het vorige lid genomen besluiten.
De Koning bepaalt tevens de toepassingsmodaliteiten van de vermindering.
Koninklijk besluit van 25 februari 2007 (BS 12.3.2007) tot wijziging van het KB/WIB 92, wat de aard van de dienstverrichtingen betreft, verricht in het kader van de belastingverminderingen voor uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen
(…)
Artikel 1. In Hoofdstuk I van het KB/WIB 92, wordt een afdeling XXVdecies ingevoegd, luidende :
"Afdeling XXVdecies - Vermindering voor uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145^30)
Art. 63^14 . De dienstverrichtingen die aan de basis liggen van de in artikel 145^30 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, bedoelde uitgaven zijn deze vermeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven."
Art. 2. Dit besluit treedt in werking met ingang van aanslagjaar 2008.
Koninklijk besluit van 28 februari 2007 (BS 12.3.2007) tot wijziging van het KB/WIB 92, inzake belastingvermindering voor uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen
(…)
Artikel 1. Artikel 63^14 van het KB/WIB 92, ingevoegd bij koninklijk besluit van 25 februari 2007, waarvan de huidige tekst de § 1 zal vormen, wordt aangevuld met de volgende paragrafen :
"§ 2. de geregistreerde aannemer die de werken uitvoert, moet een factuur afgeven waarop het volgende staat vermeld :
a) het adres van de woning waar de werken worden uitgevoerd;
b) de verklaring, met een attest van de afnemer, dat de woning op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste 15 jaar in gebruik is genomen;
c) het attest dat de uitgevoerde werken binnen de toepassingssfeer van § 1 vallen door de vermelding van de formule "Uitvoering van werken die zijn bedoeld in artikel 63^14, KB/WIB 92" en desnoods de verdeling van de kosten van de werken volgens hun aard tussen deze bedoeld in § 1 en de andere werken.
§ 3. De belastingplichtige die het voordeel vermeld in artikel 145^30 van het genoemde Wetboek aanvraagt, moet de volgende documenten ter beschikking van de Federale overheidsdienst Financiën houden :
- de facturen betreffende de dienstverrichtingen die aan de basis liggen van de uitgaven die zijn vermeld in artikel 145^30, van hetzelfde Wetboek;
- het betalingsbewijs van de bedragen die voorkomen op die facturen;
- een afschrift van het huurcontract van negen jaar tussen de belastingplichtige en het sociaal verhuurkantoor."
(…)
B. Commentaar
1. Algemeen
In ons land is er een onvoldoende aanbod van kwaliteitshuurwoningen tegen een aanvaardbare prijs. De regering heeft dit willen verhelpen door een belastingvermindering toe te kennen voor gerenoveerde woningen die op de huurmarkt worden gebracht tegen een gematigde huurprijs. Om dit op een zo correct mogelijke manier te laten verlopen, werd er geopteerd om het onroerend goed te laten verhuren via een sociaal verhuurkantoor.
2. Belastingvermindering
De maatregel bestaat erin dat de belastingplichtige een belastingvermindering zal krijgen voor de vernieuwing van zijn in België gelegen woning, waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is en die wordt verhuurd via een sociaal verhuurkantoor.
3. Voorwaarden voor het verkrijgen van de vermindering
- de betrokken woning moet op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste 15 jaar in gebruik zijn genomen;
- de totale kostprijs van de werken, inclusief BTW, bedraagt ten minste 7.500 EUR (niet-geïndexeerd bedrag - geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2008 : 9.760 EUR);
- de dienstverrichtingen met betrekking tot die werken worden verricht door een persoon die op het ogenblik van het sluiten van het aannemingscontract als aannemer is geregistreerd overeenkomstig artikel 401, WIB 92.
De dienstverrichtingen zijn deze vermeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.
5. Uitgesloten uitgaven
De vermindering is niet van toepassing voor de uitgaven die :
a) in aanmerking genomen zijn als werkelijke beroepskosten;
b) recht geven op de in artikel 69, WIB 92, bedoelde investeringsaftrek;
c) in aanmerking komen voor de toepassing van de artikelen 104, 8°, 145 24 of 145 25, WIB 92.
6. Bedrag van de vermindering en periode van toekenning
De belastingvermindering wordt toegekend voor een periode van negen opeenvolgende belastbare tijdperken waarin het kadastraal inkomen van de woning is begrepen in de belastbare inkomsten.
Ze bedraagt 5 % van de werkelijk gedane uitgaven voor elke van de belastbare tijdperken met een jaarlijks maximum van 750 EUR (niet-geïndexeerd bedrag - geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2008 : 980 EUR), tot zolang de woning onder de vereiste voorwaarden in huur wordt gegeven.
7. Bijzonderheden
Bij echtgenoten en wettelijk samenwonenden waarvoor een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering proportioneel verdeeld in functie van het gedeelte van elke partner in het kadastraal inkomen van de woning waarin de werken werden uitgevoerd.
8. Toepassingsmodaliteiten
In artikel 63 14, KB/WIB 92, wordt gepreciseerd dat de geregistreerde aannemer die de werken uitvoert, een factuur moet uitreiken waarop het volgende staat vermeld :
a) het adres van de woning waar de werken worden uitgevoerd;
b) de verklaring, met een attest van de afnemer, dat de woning op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste 15 jaar in gebruik is genomen;
c) het attest dat de uitgevoerde werken binnen de toepassingssfeer van § 1 vallen door de vermelding van de formule "Uitvoering van werken die zijn bedoeld in artikel 63 14, KB/WIB 92" en desnoods de verdeling van de kosten van de werken volgens hun aard tussen deze bedoeld in § 1 en de andere werken.
Van zijn kant moet de belastingplichtige die het voordeel aanvraagt ter beschikking van de FOD Financiën houden :
- de facturen betreffende de dienstverrichtingen die aan de basis liggen van de uitgaven die zijn vermeld in artikel 145^30, WIB 92;
- het betalingsbewijs van de bedragen die voorkomen op die facturen;
- een afschrift van het huurcontract van negen jaar tussen de belastingplichtige en het sociaal verhuurkantoor.
De belastingvermindering treedt in werking met ingang van aanslagjaar 2008.
IV. VERMINDERING VOOR UITGAVEN TER BEVEILIGING VAN WONINGEN TEGEN INBRAAK OF BRAND
Wettekst en reglementaire bepaling
Programmawet van 27 december 2006
(…)
Art. 15. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van hetzelfde wetboek wordt een onderafdeling IIduodecies ingevoegd, die een artikel 145^31 bevat, luidende :
"Onderafdeling IIduodecies - Vermindering voor uitgaven ter beveiliging van woningen tegen inbraak of brand.
Art. 145^31 . - Een belastingvermindering wordt verleend voor de uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald voor de beveiliging van een woning tegen inbraak of brand waarvan de belastingplichtige eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder, vruchtgebruiker of huurder is.
De belastingvermindering is niet van toepassing op uitgaven die
a) genomen zijn als werkelijke beroepskosten;
b) recht geven op de in artikel 69 bedoelde investeringsaftrek;
c) in aanmerking komen voor de toepassing van de artikelen 104, 8°, 145^24, 145^25 of 145^30.
De belastingvermindering is gelijk aan 50 pct. van de in het eerste lid bedoelde uitgaven.
Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 130 EUR per woning bedragen.
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering voor de uitgaven met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde woning evenredig omgedeeld in functie van :
- het aandeel van elk der echtgenoten in het kadastraal inkomen van die woning, voor de echtgenoten die eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker zijn;
- het belastbaar inkomen van elk der echtgenoten ten opzichte van de som van de belastbare inkomsten van de beide echtgenoten, voor echtgenoten die huurder zijn.
Het zal bij de wetgevende kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het vorige lid genomen besluiten.
De Koning bepaalt tevens de toepassingsmodaliteiten van de vermindering."
Koninklijk besluit van 25 februari 2007 (BS 2 maart 2007) tot wijziging van het KB/WIB 92, op het vlak van de belastingvermindering voor uitgaven voor beveiliging van een woning tegen inbraak of brand
(…)
Artikel 1. In het hoofdstuk 1 van het KB/WIB 92, wordt een afdeling XXV undecies ingevoegd, omvattende de artikelen 63^15 tot 63^18, opgesteld als volgt :
"Afdeling XXV undecies - Vermindering voor uitgaven voor beveiliging van een privé-woning tegen inbraak en brand (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145^31).
Art. 63^15 .- de uitgaven voor de beveiliging van privé-woningen tegen inbraak worden in aanmerking genomen voor zover ze zijn opgenomen in één van de volgende categorieën :
a) de uitgaven betreffende de levering en de plaatsing van de volgende inbraakvertragende gevelelementen :
1° specifiek inbraakwerend glas;
2° beveiligingssystemen voor deuren, ramen, luiken, garagepoorten, lichtkoepels, dakvensters, keldergaten en hekken zoals veiligheidssloten, slotbeveiligingssystemen, grendelbeveiligingssystemen en kierstandhouders;
3° gepantserde deuren;
a) de uitgaven betreffende de levering en de plaatsing van alarmsystemen en de componenten ervan, bedoeld in het artikel 1, § 4, van de Wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, en betreffende de kosten die gepaard gaan met het beheer van alarmen door een in het kader van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, vergunde alarmcentrale ;
b) de uitgaven betreffende de levering en plaatsing van een camerasysteem uitgerust met een registratiesysteem.
De dienstverrichtingen betreffende de uitgaven vermeld in het eerste lid, moeten worden uitgevoerd door een persoon die, op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst voor de uit te voeren werken, overeenkomstig artikel 401 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen geregistreerd is als aannemer.
Naast de voorwaarde bedoeld in het tweede lid, moeten de dienstverrichtingen betreffende de uitgaven vermeld in het eerste lid, b, worden uitgevoerd, wat de plaatsing van het alarmsysteem betreft, door een overeenkomstig de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid erkende beveiligingsonderneming, en moeten, wat het alarmbeheer betreft, deze dienstverrichtingen worden verzekerd door een in het kader van dezelfde wet vergunde alarmcentrale.
Art. 63^16 .- De uitgaven voor de beveiliging van privé-woningen tegen brand worden in aanmerking genomen voor zover ze zijn opgenomen in één van de volgende categorieën :
a) de uitgaven betreffende de levering en de plaatsing van waterblussers met additief van 6 kg of polyvalente poederblussers van 6 kg, conform de reeks normen NBN EN 3 "Draagbare blustoestellen", met inbegrip van het blustoestel dat wordt geplaatst voor het automatisch blussen in verwarmingslokalen op stookolie;
b) de uitgaven betreffende de levering en de plaatsing van deuren met een brandweerstand van "een half uur" geplaatst :
1° tussen de garage en de woning;
2° aan de binnenkant van de keuken;
3° tussen het slaap en woongedeelte van de woning;
4° aan de binnenkant van het verwarmingslokaal.
De dienstverrichtingen betreffende de uitgaven vermeld in het eerste lid moeten worden uitgevoerd door een geregistreerde aannemer zoals in artikel 63^15, tweede lid.
Naast de voorwaarde bedoeld in het tweede lid, moeten de dienstverrichtingen betreffende de uitgaven vermeld in het eerste lid, b, worden uitgevoerd conform de geldende reglementering inzake de preventie van brand en ontploffing.
Art. 63^17 . - de aannemer of de onderneming bedoeld in de artikelen 63^15 en 63^16 garandeert de conformiteit van de werken op basis van de elementen die voorkomen in bijlage IIter.
Te dien einde moet de door de geregistreerde aannemer of erkende onderneming uitgereikte factuur, of de bijlage ervan :
a) de woning aangeven waar de werken worden uitgevoerd ;
b) de volgende formule bevatten;
"Verklaring met toepassing van artikel 63^15 en/of artikel 63^16 van het KB/WIB 92 betreffende de uitgevoerde werken die zijn bedoeld in artikel 145^31 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Ik, ondergetekende ……, bevestig dat :
- …(per maatregel de vermeldingen overnemen die worden opgelegd door bijlage IIter van het KB/WIB 92)
- (…)
…(datum)
…(naam)
…(handtekening)."
- de facturen betreffende de leveringen en de prestaties die aan de basis liggen van de uitgaven bedoeld in artikel 145^31 van hetzelfde wetboek;
- het betalingsbewijs van de bedragen die voorkomen op die facturen.
Art. 2. Dit besluit treedt in werking vanaf het aanslagjaar 2008.
(…)
B. Commentaar
1. Algemeen
In het kader van een betere beveiliging van de privé-woning tegen inbraak of brand wordt er een belastingvermindering verleend.
2. Belastingvermindering
De maatregel bestaat erin dat de belastingplichtige voor de beveiliging tegen inbraak of brand van zijn in België gelegen woning, waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder, vruchtgebruiker of huurder is, een belastingvermindering zal krijgen.
3. Aard van de werken
Beveiliging tegen inbraak
De uitgaven voor de beveiliging van woningen tegen inbraak worden in aanmerking genomen voor zover ze zijn opgenomen in één van de volgende categorieën :
a) de uitgaven betreffende de levering en de plaatsing van de volgende inbraakvertragende gevelelementen :
1° specifiek inbraakwerend glas;
2° beveiligingssystemen voor deuren, ramen, luiken, garagepoorten, lichtkoepels, dakvensters, keldergaten en hekken zoals veiligheidssloten, slotbeveiligingssystemen, grendelbeveiligingssystemen en kierstandhouders;
3° gepantserde deuren;
b) de uitgaven betreffende de levering en de plaatsing van alarmsystemen en de componenten ervan, bedoeld in het artikel 1, § 4, van de Wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, en betreffende de kosten die gepaard gaan met het beheer van alarmen door een in het kader van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, vergunde alarmcentrale;
c) de uitgaven betreffende de levering en plaatsing van een camerasysteem uitgerust met een registratiesysteem.
De dienstverrichtingen betreffende de uitgaven voor de beveiliging tegen inbraak moeten worden uitgevoerd door een persoon die, op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst voor de uit te voeren werken, overeenkomstig artikel 401, WIB 92, geregistreerd is als aannemer.
Naast de hierboven vermelde voorwaarde, moeten de dienstverrichtingen betreffende plaatsing van een alarmsysteem worden uitgevoerd door een veiligheidsonderneming die is erkend overeenkomstig de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, en moeten, wat het alarmbeheer betreft, deze dienstverrichtingen worden verzekerd door een in het kader van dezelfde wet vergunde alarmcentrale.
Beveiliging tegen brand
De uitgaven voor de beveiliging van woningen tegen brand worden in aanmerking genomen voor zover ze zijn opgenomen in één van de volgende categorieën :
a) de uitgaven betreffende de levering en de plaatsing van waterblussers met additief van 6 kg of polyvalente poederblussers van 6 kg, conform de reeks normen NBN EN 3 "Draagbare blustoestellen", met inbegrip van het blustoestel dat wordt geplaatst voor het automatisch blussen in verwarmingslokalen op stookolie;
b) de uitgaven betreffende de levering en de plaatsing van deuren met een brandweerstand van "een half uur" geplaatst :
1° tussen de garage en de woning;
2° aan de binnenkant van de keuken;
3° tussen het slaap- en woongedeelte van de woning;
4° aan de binnenkant van het verwarmingslokaal.
De dienstverrichtingen betreffende de beveiliging van woningen tegen brand moeten eveneens worden uitgevoerd door een geregistreerde aannemer.
Daarnaast moeten de dienstverrichtingen betreffende de uitgaven betreffende de levering en plaatsing van brandwerende deuren worden uitgevoerd conform de geldende reglementering inzake de preventie van brand en ontploffing.
4. Uitgesloten uitgaven
De vermindering is niet van toepassing voor de uitgaven die :
a) in aanmerking genomen zijn als werkelijke beroepskosten;
b) recht geven op de in artikel 69, WIB 92, bedoelde investeringsaftrek;
c) in aanmerking komen voor de toepassing van de artikelen 104, 8°, 145 24 of 145 25 of 145 30, WIB 92.
5. Bedrag van de vermindering
De belastingvermindering is gelijk aan 50 pct. van de gedane uitgaven.
Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 130 EUR (niet-geïndexeerd bedrag - geïndexeerd bedrag aanslagjaar 2008 : 170 EUR) per woning bedragen.
6. Bijzonderheden
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering proportioneel verdeeld in functie van :
- het aandeel van elk der echtgenoten in het kadastraal inkomen van die woning, voor de echtgenoten die eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker zijn;
- het belastbaar inkomen van elk der echtgenoten ten opzichte van de som van de belastbare inkomsten van de beide echtgenoten, voor echtgenoten die huurder zijn.
De aannemer of onderneming bedoeld in artikelen 63 15 of 63 16, KB/WIB 92, garandeert de conformiteit van de werken op basis van de elementen die voorkomen in bijlage IIter, KB/WIB 92.
Ten dien einde moet de door de geregistreerde aannemer of erkende onderneming uitgereikte factuur, of de bijlage ervan :
a) de woning aangeven waar de werken worden uitgevoerd;
b) de volgende formule bevatten :
"Verklaring met toepassing van artikel 63 15 en/of artikel 63 16, van het KB/WIB 92, betreffende de uitgevoerde werken die zijn bedoeld in artikel 145 31 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Ik, ondergetekende ……, bevestig dat :
- …(per maatregel de vermeldingen overnemen die worden opgelegd door bijlage IIter van het KB/WIB 92)
- …
…(datum)
…(naam)
…(handtekening)."
- de facturen betreffende de leveringen en de prestaties die aan de basis liggen van de uitgaven bedoeld in artikel 145^31, WIB 92;
- het betalingsbewijs van de bedragen die voorkomen op die facturen.
8. Inwerkingtreding
De belastingvermindering treedt in werking vanaf aanslagjaar 2008.
V. VERMINDERING VOOR BEZOLDIGINGEN INGEVOLGE HET PRESTEREN VAN OVERWERK DAT RECHT GEEFT OP EEN OVERWERKTOESLAG
A. Wettekst
Programmawet van 27 december 2006
Art. 16. In artikel 154bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005, wordt tussen het tweede en het derde lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende :
"De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het in het tweede lid bedoelde percentage tot maximaal 66,81 pct. verhogen. (*)
[(*) De wet van 17 mei 2007 (BS 19-6-2007) vervangt deze bepaling door een nieuwe tekst vanaf dezelfde datum van inwerkingtreding.]
B. Commentaar
1. Algemeen
Op verzoek van de sociale partners heeft de regering beslist de bestaande lastenverlaging op overuren te versterken. De nieuwe lastenverlaging zorgt ervoor dat de werknemer netto meer overhoudt en het niet langer interessant wordt om overuren in het zwart te presteren. De werknemer bouwt zo meer pensioenrechten op, hij werkt verzekerd en hij houdt er meer aan over.
Om de sociale partners de kans te geven de juiste verhoging in onderling overleg vast te leggen, wordt in artikel 154bis, tweede lid, WIB 92, aan de Koning de mogelijkheid geboden het bestaande percentage van 24,75 %. te verhogen tot 66,81 %.
2. Belastingvermindering
Werknemers die overuren presteren en daarvoor een "overwerktoeslag" ontvangen hebben onder bepaalde voorwaarden recht op een belastingvermindering (art. 154bis, WIB 92). Deze belastingvermindering was gelijk aan 24,75 % van "het totaal van de berekeningsgrondslagen voor de overwerktoeslag betreffende de uren die de werknemer tijdens het belastbare tijdperk als overwerk heeft gepresteerd". De aanvulling in artikel 154bis , WIB 92, geeft aan de Koning de mogelijkheid om dit percentage te verhogen naar maximaal 66,81 %.
3. Inwerkingtreding
De machtiging geldt voor de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende de uren die als overwerk zijn gepresteerd.
VI. SCHATTING EN HERSCHATTING VAN DE KADASTRALE INKOMENS
A. Wettekst
Programmawet van 27 december 2006
"Art. 17. Artikel 494, § 6, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 april 2003, wordt vervangen als volgt :
"§ 6. In afwijking van § 5 hebben, voor de toepassing van dit Wetboek, met uitzondering van de bepalingen van titel VI, hoofdstuk I, afdeling II, de uit een herschatting voortspruitende verhoging van de kadastrale inkomens slechts uitwerking :
- vanaf de eerste dag van het zesde jaar dat volgt op het feit waarvan de aangifte bij artikel 473 is voorgeschreven, wat de onroerende goederen betreft die volledig gelegen zijn in een zone voor positief grootstedelijk beleid in de zin van artikel 145^25;
- vanaf de eerste dag van het negende jaar dat volgt op het feit waarvan de aangifte bij artikel 473 is voorgeschreven, wat de onroerende goederen betreft bedoeld in artikel 145^30.
Aan de periodes van 6 en 9 jaar komt een einde bij de eerstvolgende algemene perequatie."
B. Commentaar
1. Bevriezing van het kadastraal inkomen
In geval van vernieuwing van een gebouwd onroerend goed wordt overgegaan tot een herziening van het kadastraal inkomen (KI).
Overeenkomstig artikel 494, § 5, WIB 92, wordt het nieuw KI geacht te bestaan vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de voltooiing van de werken.
Er bestond reeds een afwijking op die regel, nl. de bevriezing van het kadastraal inkomen voor woningen die volledig gelegen zijn in een zone voor positief grootstedelijk beleid. Zij houdt in dat de eventuele verhoging van het KI als gevolg van een herschatting (zoals bedoeld in art. 494, § 1, 2° en 3°, WIB 92), met zes jaar wordt uitgesteld.
Nu wordt deze afwijking uitgebreid tot de eventuele verhoging van het KI ingevolge een herschatting die voortvloeit uit de vernieuwing van een huurwoning met recht op belastingvermindering voor uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen. De bevriezing van het KI zal gelden voor een periode van 9 jaar.
Aan de periode van zes of negen jaar komt onmiddellijk een einde bij de eerstvolgende algemene perequatie van de kadastrale inkomens.
Er wordt opgemerkt dat artikel 494, § 6, WIB 92, een afwijking is op de algemene regel en enkel geldt inzake PB. De afwijking geldt derhalve niet voor de berekening van de OV.
2. Inwerkingtreding
Deze maatregel treedt in werking op 1 januari 2007.
VII. VRIJSTELLING VAN DOORSTORTING VAN BEDRIJFSVOORHEFFING
1° Vrijstelling per bijkomende aangeworven personeelseenheid voor wetenschappelijk onderzoek
A. Wettekst
Programmawet (I) van 27 december 2006
(…)
Art. 28. In artikel 67 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wet van 27 oktober 1997 en de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 13 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de § 1, 1°, en § 3 worden opgeheven;
2° § 5 wordt vervangen als volgt :
"§ 5. De Koning regelt de wijze van uitvoering van dit artikel.";
3° in § 6 worden de woorden "de in de §§ 1 tot 3 vermelde bedragen" vervangen door de woorden "de in §§ 1 en 2 vermelde bedragen".
(…)
Art. 31. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 531 ingevoegd luidende :
"Art. 531. - De bepalingen van artikel 67, § 4, blijven van toepassing op de voorheen vrijgestelde winst bij toepassing van artikel 67, § 1, 1° en § 3, zoals die bestonden vóór ze werden opgeheven bij de programmawet (I) van 27 december 2006."
B. Commentaar
De vrijstelling per bijkomende aangeworven personeelseenheid voor wetenschappelijk onderzoek wordt opgeheven.
Er wordt evenwel in een overgangsmaatregel voorzien. De reeds verkregen vrijstelling blijft behouden voor zover de voorwaarden, zoals ze bestonden voor de maatregel werd ingetrokken, nog steeds worden nageleefd.
Inwerkingtreding
Deze maatregel is van toepassing vanaf aanslagjaar 2008.
2° Overuren
A. Wettekst
Art. 29. In artikel 275^1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005, wordt tussen het derde en vierde lid een nieuw lid ingevoegd, luidende :
"De Koning kan, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, het in het derde lid bedoelde percentage tot maximaal 32,19 pct. verhogen." (*)
[(*) De wet van 17 mei 2007 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2007-2008 (BS 19-06-2007) vervangt deze bepaling door een nieuwe tekst vanaf dezelfde datum van inwerkingtreding.]
B. Commentaar
Om dezelfde redenen als vermeld in punt V, wordt aan de Koning de mogelijkheid geboden het percentage van 24,75 % dat is vermeld in artikel 275 1, derde lid, WIB 92, te verhogen tot 32,19 %.
Inwerkingtreding
Deze maatregel is van toepassing op de vanaf 1 april 2007 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd.
3° Wetenschappelijk personeel
A. Wettekst
Art. 30. In artikel 275^3 van hetzelfde wetboek, ingevoegd en gewijzigd bij de wet van 23 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de huidige tekst die § 1 wordt, wordt het derde lid, 3°, vervangen als volgt :
"3° met dien verstande dat het percentage van 50 pct. wordt verminderd tot 25 pct., aan ondernemingen die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld in onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's en die een in § 2 bedoeld diploma hebben."
2° § 1 wordt aangevuld als volgt :
"Eenzelfde bezoldiging of eenzelfde deel ervan kan slechts in aanmerking komen voor één van de in deze paragraaf bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing."
3° het artikel wordt aangevuld met een § 2 luidende :
"§ 2. De in § 1, derde lid, 3°, bedoelde diploma's zijn :
1° ofwel, een diploma van doctor in de toegepaste wetenschappen, in de exacte wetenschappen, in de geneeskunde, in de diergeneeskunde of in de farmaceutische wetenschappen, of van burgerlijk ingenieur ;
2° ofwel, een diploma van master of een gelijkwaardig diploma in de studiegebieden of combinaties van studiegebieden van :
a) door de Vlaamse gemeenschap :
b) voor de Franstalige Gemeenschap :
- wetenschappen;
- toegepaste wetenschappen;
- toegepaste biologische wetenschappen;
- geneeskunde;
- diergeneeskunde;
- farmaceutische wetenschappen;
- biomedische wetenschappen;
- industriële wetenschappen, technologie en nautische wetenschappen ;
- biotechniek;
- architectuur;
- productontwikkeling;
B. Commentaar
- ingenieur;
- landbouwkunde en biologisch ingenieur ;
- geneeskunde;
- diergeneeskunde;
- biomedische en farmaceutische wetenschappen;
- architectuur en urbanisme;
- industriële wetenschappen;
- industriële landbouwwetenschappen."
De ministerraad keurde in 2005 een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing goed voor samenwerkingsverbanden tussen de academische en de privé-sector.
De vrijstelling wordt ook toegekend aan onderzoekers uit de privé-sector :
- vanaf 1 januari 2006, aan de onderzoekers met een diploma van doctor of burgerlijk ingenieur ;
- vanaf 1 juli 2006, aan de onderzoekers tewerkgesteld in "Young innovative companies".
Inwerkingtreding
Deze maatregel is van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2007 worden betaald of toegekend.
BIJLAGE 2 - WET HOUDENDE DIVERSE BEPALINGEN (I) VAN 27 DECEMBER 2006
| INHOUDSTAFEL | |
| I. | INTERNET VOOR IEDEREEN |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| II. |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 1. | Algemeen |
| 2. | Kwalificatie |
| 3. | Belastingvermindering |
| 4. | Inwerkingtreding |
| III. | AFTREKBARE BESTEDINGEN |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 1. | Artikel 104, 3°, b, WIB 92 |
| 2. | Artikel 104, 3°, h, WIB 92 |
| 3. | Artikel 104, 7°, WIB 92 |
| IV. | CO-OUDERSCHAP |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 1. | Aanpassingen aan de begrippen van het burgerlijk recht |
| 2. | Versoepeling van de te vervullen formaliteiten |
| 3. | Bijkomende toeslag voor een kind jonger dan 3 jaar |
| 4. | Onderhoudsuitkeringen |
| V. | VERHOOGDE TOESLAG VOOR ALLEENSTAANDE OUDER |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| VI. | TENLASTENEMING VAN VERMISTE OF ONTVOERDE KINDEREN |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 1. | Algemeen |
| 2. | Voorwaarden voor de tenlasteneming |
| 3. | Inwerkingtreding |
| VII. | VERMINDERING VOOR BEZOLDIGINGEN INGEVOLGE HET PRESTEREN VAN OVERWERK DAT RECHT GEEFT OP EEN OVERWERKTOESLAG |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 1° | Aanpassingen aan artikel 38, § 3, en artikel 59, WIB 92 |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 1. | Vestiging van de verzekeringsonderneming |
| 2. | Voorschotten en inpandgeving |
| 3. | 80%-regel |
| 2° | Aanpassingen aan artikel 145^1, WIB 92 |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 1. | Woning gelegen in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte |
| 2. | Verwerving van werkgeversaandelen |
| 3. |
| 3° | Aanpassingen aan artikel 145^3, WIB 92 |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 4° | Aanpassingen aan artikel 145^9, en artikel 243, WIB 92 |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 5° | Aanpassingen aan artikel 169, WIB 92 |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 6° | Aanpassingen aan artikel 364bis, WIB 92 |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 7° | Aanpassingen aan artikel 364ter, WIB 92 |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
| 8° | Aanpassingen aan artikel 515sexies en artikel 515septies, WIB 92 |
| A. | Wettekst |
| B. | Commentaar |
I. INTERNET VOOR IEDEREEN
A. Wettekst
(…)
Art. 5. In artikel 185 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen worden de woorden "gedurende het jaar 2006" vervangen door de woorden "van 1 januari 2006 tot 18 april 2007".
Art. 6 . De erkenningen verleend in uitvoering van artikel 191 van dezelfde wet worden verlengd van 1 januari 2006 tot 18 april 2007."
B. Commentaar
De maatregel "internet voor iedereen" en het daaraan gekoppeld fiscaal voordeel (belastingkrediet) wordt verlengd tot en met 18 april 2007. De verlenging van de maatregel tot en met 18 april 2007 zorgt ervoor dat de actie in de praktijk gedurende een volledig jaar geldig is vermits de "internet voor iedereen" pakketten pas op 19 april 2006 op de markt werden gebracht.
II. ARTIKEL 31BIS, WIB 92
A. Wettekst
(…)
Art. 276. Artikel 31bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005, wordt vervangen als volgt :
"Art. 31bis. De in artikel 31, tweede lid, 4°, bedoelde vergoedingen omvatten eveneens :
1° de volgende aanvullende vergoedingen die de werknemer heeft verkregen tijdens een periode van inactiviteit, van werkhervatting bij een andere werkgever of van werkhervatting als zelfstandige, voor zover de verplichting van de gewezen werkgever tot doorbetaling van die vergoedingen na werkhervatting wel is opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een individuele overeenkomst die voorziet in de uitbetaling van de aanvullende vergoeding :
2° die in het 1° bedoelde aanvullende vergoedingen voor zover de verplichting van de gewezen werkgever tot doorbetaling van die vergoedingen na werkhervatting niet is opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een individuele overeenkomst die voorziet in de uitbetaling van die aanvullende vergoeding.
- de aanvullende vergoedingen die bovenop een brugpensioen zijn verkregen door een gewezen werknemer die de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt;
- de aanvullende vergoedingen die een gewezen werknemer die werkloosheidsuitkeringen als volledige werkloze verkrijgt of zou kunnen verkrijgen indien hij het werk niet had hervat bij een andere werkgever, rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen;
Voor de periode tot 31 december 2007, worden deze aanvullende vergoedingen gelijkgeschakeld met de in het eerste lid, 1°, bedoelde vergoedingen wanneer de regeling door middel van een collectieve arbeidsovereenkomst of een individuele overeenkomst niet expliciet vermeldt dat er niets wordt doorbetaald bij werkhervatting."
B. Commentaar
1. Algemeen
Er werd vastgesteld dat de regeling die werd ingevoerd bij de artikelen 94 tot 100 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, niet echt het beoogde doel bereikt.
Het was de bedoeling dat een welbepaalde categorie van aanvullende vergoedingen door de kwalificatie als loon een minder gunstige fiscale behandeling zou ondergaan. Gebleken is dat de als loon gekwalificeerde aanvullende vergoedingen door het belang van de aftrek van de forfaitaire beroepskosten in vergelijking met het beperkte verlies aan belastingvermindering voor vervangingsinkomsten een meer voordelige behandeling ondergaan.
Aangezien dit probleem zich voordoet in de periode vóór werkhervatting en aangezien daardoor het opzet om mensen aan te sporen terug aan de slag te gaan, dreigt verloren te gaan, heeft de regering onmiddellijk ingegrepen en de regeling vervangen door een nieuwe regeling.
2. Kwalificatie
De herkwalificatie van sommige in artikel 31bis, WIB 92, bedoelde aanvullende vergoedingen in loon wordt vervangen door een kwalificatie als vervangingsinkomen.
3. Belastingvermindering
Deze specifieke categorie van aanvullende vergoedingen komt, in de periode die voorafgaat aan de werkhervatting, niet in aanmerking voor de belastingvermindering die normaliter geldt voor vervangingsinkomsten.
Na werkhervatting zal diezelfde groep van vergoedingen, zoals de andere vervangingsinkomsten, wel in aanmerking komen voor de belastingvermindering voor vervangingsinkomsten en dus rekening houdend, bij de berekening van de vermindering, met het loon dat bij de nieuwe werkgever wordt verkregen of van het inkomen dat uit een nieuwe zelfstandige beroepsactiviteit wordt verkregen.
4. Inwerkingtreding
De nieuwe regeling is van toepassing op de aanvullende vergoedingen die vanaf 1 januari 2006 zijn betaald of toegekend (*).
[(*) De wet van 17 mei 2007 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2007-2008 (BS 19-06-2007)heeft het niet-toepassen van de belastingvermindering vóór werkhervat-ting met 1 jaar uitgesteld.]
Dit houdt in dat geen enkele vergoeding effectief zal onderworpen zijn aan de regeling zoals die werd ingesteld door de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.
III. AFTREKBARE BESTEDINGEN
A. Wettekst
(…)
Art. 277. In artikel 104, van hetzelfde wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 27 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het 1° worden de woorden "Evenwel zijn de uitkeringen betaald voor de kinderen voor welke de toepassing van artikel 132bis werd gevraagd, niet aftrekbaar" opgeheven;
2° in het 2° worden de woorden "de toepassing van artikel 132bis werd gevraagd, vervangen door de woorden "artikel 132bis werd toegepast";
3° in het 3°, b, worden de woorden "aan het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen, " ingevoegd tussen de woorden "aan het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, " en "zomede";
4° in het 3°, h, wordt het woord "Executieve" vervangen door het woord "gewestregering";
5° het 7° wordt vervangen als volgt :
"7° uitgaven voor de oppas van één of meer kinderen :
ofwel ten laste van de belastingplichtige;
ofwel voor wie aan de belastingplichtige bij toepassing van artikel 132bis de helft van de toeslagen op de belastingvrije som bedoeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 5°, wordt toegekend;".
B. Commentaar
De wijzigingen in artikel 104, 1° en 2°, WIB 92, worden samen besproken met de wijzigingen in artikel 132bis, WIB 92 (zie Hoofdstuk IV Co-ouderschap, blz. 4).
1. Artikel 104, 3°, b, WIB 92
De stichting van openbaar nut "Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen" wordt opgenomen in het WIB 92, als instelling die fiscaal aftrekbare giften in geld kan ontvangen.
2. Artikel 104, 3°, h, WIB 92
Het betreft hier enkel een aanpassing van de in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 opgenomen terminologie in functie van de Grondwetsherziening van 25 februari 2005 (BS 11 maart 2005). Naar aanleiding van die Grondwetsherziening hebben de wetgevende vergaderingen van de gemeenschappen en de gewesten een nieuwe benaming gekregen.
De notie "Executieve" wordt naargelang het geval vervangen door de notie "regering" of "gewestregering".
3. Artikel 104, 7°, WIB 92
In de bestaande regeling van de aftrek van uitgaven voor kinderoppas kon enkel de aftrek worden gevraagd door de ouder die het kind ten laste heeft (doorgaans de ouder bij wie het kind op 1 januari van het aanslagjaar is gedomicilieerd). Voor kinderen in een co-ouderschapsregeling is het nochtans mogelijk dat niet enkel de ouder die het kind ten laste heeft, maar ook de ouder aan wie de helft van de toeslagen op de belastingvrije sommen voor dat kind wordt toegekend, (een deel van de) uitgaven doet voor de opvang van dat kind.
De basisidee achter de invoering van artikel 132bis, WIB 92, is dat de ouders die gezamenlijk de lasten delen van het kind, ook de fiscale voordelen zouden verkrijgen. Binnen deze logica mag de co-ouder aan wie de helft van de toeslagen op de belastingvrije som voor dat kind wordt toegekend, eveneens de door hem gedane uitgaven voor kinderoppas aftrekken.
IV. CO-OUDERSCHAP
A. Wettekst
Art. 279. Artikel 132bis, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999, wordt vervangen als volgt :
"Art. 132bis. De toeslagen bedoeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, worden verdeeld over twee belastingplichtigen die geen deel uitmaken van hetzelfde gezin maar samen het ouderlijk gezag uitoefenen over één of meer kinderen ten laste die recht geven op de bovenvermelde toeslagen en waarvan de huisvesting gelijkmatig is verdeeld over de beide belastingplichtigen :
- hetzij op grond van een geregistreerde of door een rechter gehomologeerde overeenkomst waarin uitdrukkelijk is vermeld dat de huisvesting van die kinderen gelijkmatig is verdeeld over beide belastingplichtigen en dat zij bereid zijn de toeslagen op de belastingvrije som voor die kinderen te verdelen;
- hetzij op grond van een rechterlijke beslissing waarin uitdrukkelijk is vermeld dat de huisvesting van die kinderen gelijkmatig is verdeeld over beide belastingplichtigen.
In het geval bedoeld in het eerste lid wordt de in artikel 132, eerste lid, 6° bedoelde toeslag, voor de helft toegekend aan de belastingplichtige die geen aftrek vraagt van de uitgaven voor kinderoppas bedoeld in artikel 104, 7°.
Een afschrift van de rechterlijke beslissing of de overeenkomst bedoeld in het eerste lid, moet ter beschikking van de administratie worden gehouden zolang minstens één van de kinderen waarover het ouderlijk gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend en waarvan de huisvesting gelijkmatig is verdeeld, recht geeft op de in dit artikel bedoelde toeslagen.
Dit artikel is slechts van toepassing indien uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar de in het eerste lid bedoelde overeenkomst is geregistreerd of gehomologeerd of de in het eerste lid bedoelde rechterlijke beslissing is genomen.
Dit artikel is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde toeslagen met betrekking tot een kind waarvoor onderhoudsuitkeringen als bedoeld in 104, 1°, worden afgetrokken door één van de hierboven bedoelde belastingplichtigen."
B. Commentaar
1. Aanpassingen aan de begrippen van het burgerlijk recht
Gelet op o.m. de wet van 18 mei 2006 die adoptie mogelijk maakt voor personen van hetzelfde geslacht, is het aangewezen de tekst van artikel 132bis, WIB 92, te herformuleren zodat de fiscale co-ouderschapregeling ook mogelijk wordt als het ouderlijk gezag en het hoederecht niet gezamenlijk door de "vader en de moeder" worden uitgeoefend. In de nieuwe regeling wordt de neutrale term "belastingplichtige" gebruikt.
Verder wordt ook de terminologie van artikel 132bis , WIB 92, aangepast aan de civielrechtelijke regeling. Het begrip "hoederecht" komt sinds 1995 niet meer in het Burgerlijk Wetboek voor. De wet van 18 juli 2006 (BS 4 september 2006) heeft het begrip "gelijkmatig verdeelde huisvesting" ingevoerd, dat nauw aansluit bij wat werd bedoeld met "gezamenlijk hoederecht". In artikel 132bis, WIB 92, wordt dus het begrip "hoederecht" vervangen door "gelijkmatig verdeelde huisvesting".
2. Versoepeling van de te vervullen formaliteiten
De formaliteiten voor de aanvraag van het fiscaal co-ouderschap worden vereenvoudigd. De belastingplichtigen moeten niet meer elk jaar een gezamenlijke schriftelijke aanvraag bij hun aangifte voegen. Het volstaat dat ze in hun aangifte vermelden dat één of meer van hun kinderen zich in een situatie bevindt als bedoeld in artikel 132bis, WIB 92.
Op vraag van de administratie moeten wel bepaalde verantwoordingsstukken worden voorgelegd. Indien de rechter heeft beslist om de huisvesting van de kinderen op een gelijkmatige manier over de ouders te verdelen, moeten de belastingplichtigen een afschrift van die beslissing kunnen voorleggen. Als de huisvesting van de kinderen wordt verdeeld over beide ouders op grond van een overeenkomst, moet de overeenkomst gehomologeerd zijn door een rechter (b.v. in het geval van een echtscheiding met onderlinge toestemming) of kosteloos geregistreerd zijn opdat ze een vaste datum heeft.
Zowel de overeenkomst als de rechterlijke beslissing moeten uitdrukkelijk vermelden dat de huisvesting van de kinderen gelijkmatig wordt verdeeld over beide ouders. Bovendien moet in het geval van gelijkmatig verdeelde huisvesting op grond van een overeenkomst uitdrukkelijk in de overeenkomst zijn vermeld dat de belastingplichtigen akkoord gaan om, voor de kinderen waarvoor een gelijkmatig verdeelde huisvesting van toepassing is, het voordeel van de toeslagen op de belastingvrije som voor kinderen ten laste te delen.
De nieuwe vormvereisten gelden vanaf aanslagjaar 2008. Bestaande gehomologeerde of geregistreerde overeenkomsten die de verplichte fiscale clausule bevatten maar waarin de term "(verblijfs)co-ouderschap, "gedeeld hoederecht" of "bilocatie" wordt gebruikt in plaats van het ingevoerde begrip "gelijkmatig verdeelde huisvesting" kunnen voor de gewijzigde fiscale co-ouderschapregeling als geldig verantwoordingsstuk worden voorgelegd. Hetzelfde geldt voor de bestaande rechterlijke beslissingen die een "co-ouderschapregeling", een "regeling gedeeld hoederecht" of "bilocatie" opleggen.
Artikel 132bis, WIB 92, kan slechts van toepassing zijn als er op 1 januari van het aanslagjaar een geregistreerde of rechterlijke beslissing is genomen inzake de gelijkmatig verdeelde huisvesting. Hierbij wordt rekening gehouden met de datum zelf van de rechterlijke beslissing.
3. Bijkomende toeslag voor een kind jonger dan 3 jaar
De toeslagen die konden worden verdeeld op basis van artikel 132bis, WIB 92, waren enkel de gewone toeslagen voor kinderen ten laste (artikel 132, eerste lid, 1° tot 5°, WIB 92). Artikel 132, eerste lid, 6°, WIB 92, kent een bijkomende toeslag toe voor ieder kind ten laste dat de leeftijd van 3 jaar niet heeft bereikt op 1 januari van het aanslagjaar, met dien verstande dat deze toeslag niet kan samengaan met de aftrek van uitgaven voor kinderoppas voor dat kind. Deze toeslag wordt nu ook verdeeld over de beide belastingplichtigen die de co-ouderschapregeling toepassen.
Door de nieuwe regeling wordt de aftrek van uitgaven voor kinderoppas mogelijk voor de ouder die een kind niet ten laste heeft, maar aan wie de helft van de toeslag op de belastingvrije som voor dat kind wordt toegekend. Er moet dus per ouder wel worden nagegaan of aan de voorwaarde is voldaan dat er geen aftrek wordt gevraagd van uitgaven voor kinderoppas voor het kind.
4. Onderhoudsuitkeringen
Tot nu toe was de aftrek van onderhoudsuitkeringen uitgesloten voor de kinderen waarvoor ook het fiscale co-ouderschap was aangevraagd.
Het kan voor een ouder die onderhoudsgeld betaalt voor een kind in een co-ouderschapregeling echter fiscaal interessanter zijn om de aftrek van die onderhoudsuitkeringen te vragen, eerder dan de overdracht van de helft van de toeslagen waarop dat kind recht geeft. Om de belastingplichtige toe te laten deze fiscaal voordelige keuze te maken, wordt bepaald dat artikel 132bis, WIB 92, niet wordt toegepast (en dat dus toeslagen op de belastingvrije som waarop een kind recht geeft niet worden verdeeld over de twee ouders) indien een ouder regelmatig onderhoudsuitkeringen betaalt die fiscaal in aftrek worden gebracht (toepassing van artikel 104, 1°, WIB 92). Die beperking geldt niet voor achterstallige onderhoudsuitkeringen (artikel 104, 2°, WIB 92), op voorwaarde dat voor geen enkel vorig aanslagjaar artikel 132bis , WIB 92, is toegepast. Wie dus voor de eerste keer de fiscale co-ouderschapsregeling toepast, kan tegelijk nog achterstallige onderhoudsuitkeringen van vorige jaren aftrekken.
V. VERHOOGDE TOESLAG VOOR ALLEENSTAANDE OUDER
A. Wettekst
Art. 280. Artikel 133, 1°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 juni 2002, wordt vervangen als volgt :
"1° 870 EUR voor een belastingplichtige die alleen wordt belast en :
- die één of meer kinderen ten laste heeft;
- aan wie bij toepassing van artikel 132bis de helft van de toeslagen op de belastingvrije som bedoeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, wordt toegekend;".
Het arrest van het Arbitragehof van 12 januari 2005 stelt dat artikel 133, 1°, WIB 92, discriminerend is als het niet toestaat dat de toeslag op de belastingvrije som voor alleenstaande ouder met kinderlast wordt verdeeld tussen twee alleenstaande ouders die het gezamenlijke hoederecht over hun kinderen hebben en die daartoe een gezamenlijke aanvraag indienen.
Ouders die opteren voor de toepassing van de fiscale co-ouderschapregeling zijn echter niet altijd beiden fiscaal alleenstaand. Een wettelijke regeling die voorziet in een loutere verdeling van de toeslag voor alleenstaande ouder met kinderlast zou in bepaalde gevallen dan ook problematisch zijn.
De toeslag voor alleenstaande ouder met kinderlast kan eigenlijk best worden beschouwd als een persoonlijk recht van een belastingplichtige. In de bestaande regeling werd immers toegekend aan elke belastingplichtige die als alleenstaande wordt belast en kinderen ten laste heeft, ongeacht het aantal kinderen ten laste.
Artikel 133, 1°, WIB 92, wordt gewijzigd zodat niet enkel de ouder die alleen wordt belast en die één of meer kinderen ten laste heeft, maar ook de ouder die alleen wordt belast en aan wie bij toepassing van artikel 132bis, WIB 92, de helft van de toeslagen op de belastingvrije som voor één of meer kinderen wordt toegekend, recht heeft op de toeslag voor alleenstaande ouder met kinderlast.
VI. TENLASTENEMING VAN VERMISTE OF ONTVOERDE KINDEREN
A. Wettekst
Art. 281 . Artikel 138, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 6 juli 2004, wordt aangevuld als volgt :
"Een in de loop van het belastbaar tijdperk vermist of ontvoerd kind dat op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt, wordt geacht op die datum deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige, op voorwaarde dat het reeds voor het vorige aanslagjaar te zijnen laste was en op voorwaarde dat de belastingplichtige aantoont dat hij de verdwijning of ontvoering uiterlijk op 31 december van het belastbaar tijdperk heeft aangegeven bij de politie of ter zake een klacht heeft ingediend bij het parket of bij de Belgische overheden die bevoegd zijn inzake ontvoeringen van kinderen."
B. Commentaar
1. Algemeen
Om een kind als persoon ten laste te beschouwen moet volgens artikel 136, WIB 92, het kind op 1 januari van het aanslagjaar deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige.
Strikt genomen betekent dit dat een kind dat in de loop van het belastbaar tijdperk is vermist of door één van de ouders of door derden is ontvoerd, voor het betreffende aanslagjaar niet meer ten laste kan worden genomen door de andere ouder van wiens gezin het kind vóór de ontvoering deel uitmaakte.
De wetgeving inzake kinderbijslag houdt wel rekening met ontvoerde kinderen tot de leeftijd van 18 jaar. De regering heeft beslist om vermiste en ontvoerde kinderen, onder bepaalde voorwaarden, als kinderen ten laste te beschouwen.
2. Voorwaarden voor de tenlasteneming
Om beschouwd te worden als personen die deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar moeten de ontvoerde of vermiste kinderen voldoen aan volgende voorwaarden :
- zij mogen de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt;
- zij moeten reeds voor het vorige aanslagjaar ten laste zijn geweest van de belastingplichtige;
de belastingplichtige moet aantonen dat hij de ontvoering of de verdwijning uiterlijk op 31 december van het belastbaar tijdperk heeft aangegeven bij de politie of ter zake een klacht heeft ingediend bij het parket of bij de Belgische overheden die bevoegd zijn inzake ontvoeringen van kinderen.
Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan kunnen de ontvoerde en vermiste kinderen overeenkomstig artikel 138, WIB 92, worden beschouwd als kinderen ten laste.
3. Inwerkingtreding
Deze maatregel treedt in werking vanaf aanslagjaar 2008.
VII. VERMINDERING VOOR BEZOLDIGINGEN INGEVOLGE HET PRESTEREN VAN OVERWERK DAT RECHT GEEFT OF EEN OVERWERKTOESLAG
A. Wettekst
(…)
Art. 284. In artikel 154bis, derde lid, hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005, worden de woorden "met betrekking tot de netto belastbare bezoldigingen die zijn begrepen in de netto belastbare beroepsinkomsten." Vervangen door de woorden "met betrekking tot het netto bedrag van de in artikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen, andere dan de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen."
B. Commentaar
De bepaling van artikel 154bis, WIB 92, heeft tot doel een specifieke belastingvermindering te creëren voor de bezoldigingen die betrekking hebben op overwerk. Hier worden enkel de bezoldigingen strictu sensu beoogd en dus niet de vervangingsinkomsten die door artikel 31, WIB 92, als bezoldigingen van werknemers worden omschreven.
Inwerkingtreding
De nieuwe regel is van toepassing op de vanaf 1 januari 2006 betaalde of toegekende bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd.
VIII. WIJZIGINGEN VAN SOMMIGE BEPALINGEN VAN HET WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN TENEINDE ZE IN OVEREENSTEMMING TE BRENGEN MET BEPAALDE PRINCIPES VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE OVEREENKOMST BETREFFENDE DE EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE
In dit hoofdstuk worden de bepalingen van het WIB 92 die handelen over de aanvullende pensioenen, de individuele levensverzekeringscontracten en het pensioensparen aangepast aan een aantal principes opgenomen in het Verdrag tot Oprichting van de Europese Gemeenschap en de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
Bovendien heeft de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen een nieuwe vorm van instelling gecreëerd die bevoegd is om pensioenuitkeringen te beheren. De artikelen in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, die een opsomming van dergelijke instellingen bevatten, is vervolledigd door ook de nieuwe instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen op te nemen in die teksten.
Inwerkingtreding
Dit hoofdstuk is van toepassing vanaf aanslagjaar 2007, met uitzondering van artikel 348, B, (nieuwe 80%-regel) dat op 1 januari 2007 in werking treedt.
1° Aanpassingen aan artikel 38, § 3, en artikel 59, WIB 92
A. Wettekst
Art. 347. In artikel 38, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 28 april 2003, worden de woorden "door de verzekeringsonderneming of voorzorgsinstelling" vervangen door de woorden "door de verzekeringsonderneming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen".
Art. 348. A. In artikel 59 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in § 1, 1°, worden de woorden "aan een in België gevestigde verzekeringsonderneming of voorzorgsinstelling" vervangen door de woorden "aan een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeringsonderneming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen";
b) § 5, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
"Hij bepaalt de voorwaarden en de wijze van toepassing van deze bepaling.";
c) het artikel wordt aangevuld met een § 6, luidende : "§ 6. Voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten voor het waarborgen van een lening en de toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet vormen geen beletsel voor de definitieve storting van de bijdragen en premies die in § 1, 1°, wordt geëist wanneer ze worden toegestaan om het de werknemer mogelijk te maken in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen onroerende goederen die in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte belastbare inkomsten opbrengen, te verwerven, te bouwen, te verbeteren, te herstellen of te verbouwen en op voorwaarde dat de voorschotten en leningen terugbetaald worden zodra de voormelde goederen uit het vermogen van de werknemer verdwijnen.De beperking bedoeld in het eerste lid moet zijn ingeschreven in de reglementen van groepsverzekering, de verzekeringscontracten, de pensioenreglementen, de aanvullende pensioentoezeggingen bedoeld in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid en de aanvullende pensioenovereenkomsten voor zelfstandigen bedoeld in de programmawet (I) van 24 december 2002.".
B. In hetzelfde artikel worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) § 1, 2°, wordt aangevuld als volgt :
"wat de overeenkomsten betreft die geen toezeggingen van het type "vaste prestatie" zijn, worden de daaraan verbonden bovenwettelijke uitkeringen vastgesteld door rekening te houden met de eigenschappen van de overeenkomst, de aan de overeenkomst verbonden verworven reserves en de volgende parameters :
b) § 5, eerste lid, wordt vervangen door de twee volgende leden :
- het verhogingspercentage van de bezoldigingen, indexering inbegrepen;
- het percentage van kapitalisatie dat moet worden toegepast op de verworven reserves;
- het percentage van de deelnemingen in de winst;";
"§ 5. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad :
1° wat onder "normale bruto jaarbezoldiging", "laatste normale bruto jaarbezoldiging" en "normale duur van een beroepswerkzaamheid" in de zin van § 1, 2° en 3°, moet worden verstaan;
2° de verschillende in § 1, 2°, bedoelde percentages. Hij zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het eerste lid, 2°, genomen besluiten.".
B. Commentaar
1. Vestiging van de verzekeringsonderneming
Momenteel vereist artikel 59, § 1, 1°, WIB 92, dat werkgeversbijdragen voor de vorming van een aanvullend pensioen aan een in België gevestigde onderneming wordt gestort teneinde ze als beroepskost te kunnen aftrekken.
Met de aanpassing van artikel 59, § 1, 1°, WIB 92, wordt het interne recht in overeenstemming gebracht met de bepalingen van het EG-verdrag en de EER-Overeenkomst zodanig dat de beoogde bijdragen als een beroepskost worden aangemerkt wanneer ze zijn gestort aan een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeringsonderneming of voorzorgsinstelling.
2. Voorschotten en inpandgeving
De bepalingen inzake het opnemen van voorschotten op prestaties en de inpandgeving van pensioenrechten uit het KB/WIB 92 worden overgebracht naar de wettekst.
Volgens het huidig artikel 35, § 1, 4°, KB/WIB 92, moet in het reglement van de groepsverzekering, het verzekeringscontract, het pensioenreglement, de aanvullende pensioentoezegging en de solidariteitstoezegging worden bepaald dat voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten voor het waarborgen van een lening en toewijzingen van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet slechts mogen worden toegestaan om het de werknemer mogelijk te maken in België gelegen onroerende goederen die belastbare inkomsten opbrengen te verwerven, te bouwen, te verbouwen, te verbeteren of te herstellen en op voorwaarde dat de voorschotten en leningen worden terugbetaald zodra de voormelde goederen uit het vermogen van de werknemer verdwijnen.
Die bepaling lijkt in strijd met de vereiste van definitieve storting vervat in artikel 59, § 1, 1°, WIB 92.
Evenwel bevat het sociale luik van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, een gelijkaardige regel.
Omwille van de rechtszekerheid wordt die "afwijking" op de regel van de definitieve storting nu opgenomen in de wet.
3. 80%-regel
In artikel 59, § 1, 2°, WIB 92, wordt verduidelijkt op welke wijze de bovenwettelijke uitkeringen moeten worden berekend bij contracten die niet voorzien in de uitkering van een vooraf vastgelegde bovenwettelijke uitkering op de eindvervaldag. Inzonderheid worden hier de zogenaamde "vaste bijdragen" (defined contribution) contracten bedoeld.
Oorspronkelijk werd de bepaling van artikel 59, WIB 92, geschreven uitsluitend rekening houdend met de specificiteiten van het stelsel "vaste prestaties" (defined benefit). Het is eigen aan dat stelsel dat de aangeslotene weet op welke bovenwettelijke uitkering hij op de eindvervaldag aanspraak zal kunnen maken.
Die bovenwettelijke uitkering vormt derhalve één van de parameters die nodig zijn voor een correcte berekening van de 80 %-grens, bedoeld in artikel 59, § 1, 2°, WIB 92, . De bijdragen kunnen in dat stelsel fluctueren in verhouding tot de reeds gerealiseerde pensioenopbouw en het nog in te vullen gedeelte.
Anders is het bij een stelsel "vaste bijdragen" waarbij pas op eindvervaldag kan worden uitgemaakt tot welke bovenwettelijke uitkering die hebben geleid.
Een belangrijke parameter voor de berekening van de vermelde 80 % grens (de bovenwettelijke uitkering naar aanleiding van de pensionering) ontbreekt bijgevolg in dat stelsel.
De voorgestelde aanvulling van artikel 59, § 1, 2°, WIB 92, strekt er dan ook toe de parameters vast te leggen die in aanmerking moeten worden genomen om de bovenwettelijke uitkeringen vast te stellen in het stelsel van de "vaste bijdragen".
Zo zal onder meer rekening worden gehouden met de eigenschappen van de overeenkomsten en met de verworven reserves die reeds in het kader van het contract zijn gevormd. De FOD Financiën zal daartoe gebruik maken van de informatie die is opgenomen in de pensioengegevensbank.
Wat de specifieke parameters betreft, wordt in artikel 59, § 5, WIB 92, aan de Koning delegatie verleend om die parameters concreet in te vullen. Inzonderheid betreft het de percentages die moeten worden toegepast teneinde rekening te houden met :
- een verhoging en de indexering van de bezoldigingen;
- het beleggingsrendement;
- het aandeel van de winstdeelname in de bovenwettelijke uitkering.
2° Aanpassingen aan artikel 145^1, WIB 92
A. Wettekst
Art. 349. In artikel 145^1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de wetten van 17 november 1998, 25 januari 1999, 17 mei 2000, 24 december 2002, 28 april 2003 en 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het 3° worden de woorden "een in België gelegen woning" vervangen door de woorden "een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen woning";
2° het 4° wordt vervangen als volgt :
"4° als betalingen in geld voor aandelen waarop de belastingplichtige als werknemer heeft ingeschreven en die een fractie vertegenwoordigen van het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap met maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die de belastingplichtige tewerkstelt of waarvan de vennootschap - werkgeefster in de zin van het Wetboek van vennootschappen of van een daarmee vergelijkbare regelgeving van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte onweerlegbaar wordt geacht een dochter- of kleindochteronderneming te zijn;"
B. Commentaar
1. Woning gelegen in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte
Artikel 145 1, 3°, WIB 92, bepaalt dat er slechts een belastingvermindering in het kader van het lange termijnsparen kan worden verkregen voor betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening die is aangegaan om een in België gelegen woning, andere dan de enige, eigen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen.
Concreet wordt de investering in een tweede woning aangemerkt als een vorm van lange termijnsparen en wordt daar een fiscaal voordeel aan toegekend indien de woning althans in België is gelegen.
Werknemers en zelfstandigen die hun beroepsactiviteiten en hun woonplaats naar België verplaatsen, maken momenteel geen aanspraak op een fiscaal voordeel voor de woning die zij in het buitenland wensen te behouden en waarvoor eventueel nog een lening loopt.
Deze belemmering wordt opgeheven, zodanig dat een woning, andere dan de enige eigen woning, als een vorm van lange termijnsparen wordt aangemerkt wanneer die woning gelegen is in de Europese Economische Ruimte.
2. Verwerving van werkgeversaandelen
Het artikel 145 1, 4°, WIB 92, wordt in overeenstemming gebracht met het EG-Verdrag en de EER-Overeenkomst .
De huidige bepaling belemmert het lange termijnsparen indien de belastingplichtige zou willen investeren in het kapitaal van een buitenlandse vennootschap.
Het Belgisch intern recht ter zake wordt verruimd zodanig dat investeringen in het kapitaal van ondernemingen die hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer in de Europese Economische Ruimte hebben gevestigd, eveneens in aanmerking worden genomen voor de toekenning van een fiscaal voordeel voor het lange termijnsparen.
De voorwaarde dat het moet gaan om investeringen in een vennootschap die de belastingplichtige tewerkstelt of waarvan de vennootschap-werkgeefster in de zin van het Wetboek van vennootschappen onweerlegbaar wordt geacht een dochter- of kleindochteronderneming te zijn, moet bijgevolg eveneens aan die ruimere toepassingssfeer worden aangepast.
Aan die voorwaarde wordt dan ook toegevoegd dat de notie "dochter of kleindochteronderneming" ook mag worden getoetst aan de regelgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte die vergelijkbaar is met de betreffende bepalingen uit het Belgisch Wetboek van vennootschappen.
Tevens wordt er van de gelegenheid gebruik gemaakt om de verouderde terminologie "wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen" te vervangen door de correcte verwijzing naar het Wetboek van vennootschappen (artikel 5 van de Wet van 7 mei 1999 houdende het wetboek van vennootschappen - BS van
6-8-1999).
3° Aanpassingen aan artikel 145^3, WIB 92
A. Wettekst
Art. 350. In artikel 145^3 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de wet van 28 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, worden de woorden "aan een in België gevestigde verzekeringsonderneming of voorzorgsinstelling" vervangen door de woorden "aan een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeringsonderneming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen";
2° het vierde lid wordt vervangen als volgt :
"De Koning bepaalt de voorwaarden en de wijze van toepassing van deze bepaling.";
3° het artikel wordt aangevuld met de volgende leden :
"Voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten voor het waarborgen van een lening en de toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet vormen geen beletsel voor de definitieve storting van de bijdragen en premies die in § 1, 1°, wordt geëist wanneer ze worden toegestaan om het de werknemer mogelijk te maken in de Europese Economische Ruimte gelegen onroerende goederen die in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte belastbare inkomsten opbrengen, te verwerven, te bouwen, te verbeteren, te herstellen of te verbouwen en op voorwaarde dat de voorschotten en leningen terugbetaald worden zodra de voormelde goederen uit het vermogen van de werknemer verdwijnen.De beperking vermeld in het vijfde lid moet zijn ingeschreven in de reglementen van groepsverzekering, de verzekeringscontracten, de pensioenreglementen, de aanvullende pensioentoezeggingen bedoeld in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid en de aanvullende pensioenovereenkomsten voor zelfstandigen bedoeld in de programmawet (I) van 24 december 2002.".
B. Commentaar
Artikel 145 3, WIB 92, bepaalt momenteel dat de persoonlijke bijdragen die voor de vorming van een aanvullend pensioen in het kader van de tweede pijler worden gestort, slechts voor een belastingvermindering lange termijnsparen in aanmerking komen wanneer zij zijn gestort aan een in België gevestigde verzekeringsonderneming.
Deze bepaling wordt aangepast aan de Europese regelgeving zodanig dat de stortingen aan een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeringsondernemingen of voorzorgsinstellingen eveneens voor een belastingvermindering in aanmerking komen.
Met betrekking tot de voorschotten op contracten en de inpandgeving van pensioenrechten dringen zich hier dezelfde aanpassingen op als in artikel 59, WIB 92, (zie commentaar op de aanpassingen aan artikel 59, WIB 92, blz. 11).
4° Aanpassingen aan artikel 145^9, en artikel 243, WIB 92
A. Wettekst
Art. 351. In artikel 145^9, eerste lid, 1°, a), van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden "of een inwoner van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte" ingevoegd tussen de woorden "door een rijksinwoner" en de woorden "vanaf de leeftijd van 18 jaar".
(...)
Art. 353. In artikel 243, laatste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 6 juli 1994 en gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994 en 22 december 2003, worden de woorden "4°, 145^2 tot 145^7" vervangen door de woorden "5°, 145^2 tot 145^16".
B. Commentaar
Door de aanpassing van deze artikelen worden de bepalingen inzake pensioensparen zodanig aangepast dat elke inwoner van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte in aanmerking komt voor de belastingvermindering die wordt toegepast op de betalingen die voor het pensioensparen gebeuren.
5° Aanpassingen aan artikel 169, WIB 92
A. Wettekst
Art. 352. In artikel 169, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 april 2003, worden de woorden "in België" vervangen door de woorden "in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte".
B. Commentaar
Overeenkomstig het huidige artikel 169, § 1, tweede lid, WIB 92, worden kapitalen of afkoopwaarden van aanvullende pensioenen als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°, eerste lid, a tot c, WIB 92, waarop voorschotten zijn opgenomen of die hebben gediend voor het waarborgen van een lening of het wedersamenstellen van een hypothecair krediet, voor de vaststelling van de belastbare grondslag slechts in aanmerking genomen tot het bedrag van de lijfrente die voortvloeit uit de omzetting van die kapitalen en afkoopwaarden volgens de in een koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 92 vastgestelde coëfficiënten.
Dat omzettingsstelsel is slechts van toepassing wanneer die voorschotten of de leningen hebben gediend om een in België gelegen woning te bouwen, verwerven, verbouwen, verbeteren of herstellen.
Niettegenstaande deze bepaling niet rechtstreeks wordt geviseerd door het gemotiveerd advies van de Europese Commissie, houdt zij een beperking in die door de Europese Commissie kan worden bekritiseerd op basis van de principes van het vrij verkeer van personen en vrij verkeer van werknemers en zelfstandigen en de vrijheid van vestiging.
Omwille van de coherentie in het WIB 92, en teneinde een volgende inbreukprocedure te vermijden, wordt het artikel 169, § 1, 2 de lid, WIB 92, eveneens in overeenstemming gebracht met de Europese regelgeving.
6° Aanpassingen aan artikel 364bis, WIB 92
A. Wettekst
Art. 354. In artikel 364bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden "naar het buitenland" vervangen door de woorden "naar een buiten de Europese Economische Ruimte gelegen Staat".
B. Commentaar
Artikel 364bis, WIB 92, bepaalt dat de in artikel 34, WIB 92, vermelde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden worden geacht te zijn betaald of toegekend daags voor een eventuele overbrenging van de woonplaats van de belastingplichtige naar het buitenland.
Die fictie biedt de mogelijkheid om de bedoelde kapitalen en afkoopwaarden - behoudens vrijstellingen ingevolge de toepassing van door België gesloten verdragen tot voorkoming van dubbele belasting - in België aan een belastingheffing te onderwerpen.
Artikel 364bis, WIB 92, wordt in overeenstemming gebracht met de Europese regelgeving zodanig dat de wettelijke fictie niet wordt toegepast wanneer de belastingplichtige zijn woonplaats of de zetel van zijn fortuin heeft overgebracht naar een lidstaat van de Europese Economische Ruimte.
7° Aanpassingen aan artikel 364ter, WIB 92
A. Wettekst
Art. 355. In artikel 364ter van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "door de voorzorgsinstelling of de verzekeringsonderneming" vervangen door de woorden "door de verzekeringsonderneming, de voorzorgsinstelling of de instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen";
2° in het tweede lid worden de woorden "naar een in het buitenland gevestigde voorzorgsinstelling of verzekeringsonderneming" vervangen door de woorden "naar een buiten de Europese Economische Ruimte gevestigde voorzorgsinstelling, verzekeringsonderneming of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen".
Commentaar
Artikel 364ter, tweede lid, WIB 92, bepaalt dat de overdracht van een aanvullend pensioenkapitaal voor werknemers of zelfstandigen naar een buiten de Europese Economische Unie gevestigde voorzorgsinstelling, verzekeringonderneming of instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, als een betaling of toekenning wordt aangemerkt en bijgevolg een belastingheffing in België tot gevolg heeft.
Artikel 364ter, WIB 92, wordt op die manier in overeenstemming gebracht met de Europese regelgeving.
8° Aanpassingen aan artikel 515sexies en artikel 515septies, WIB 92
A. Wettekst
Art. 356. In artikel 515sexies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "door de verzekeringsonderneming" vervangen door de woorden "door de verzekeringsonderneming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen";
2° in het laatste lid worden de woorden "naar een in het buitenland gevestigde voorzorgsinstelling of verzekeringsonderneming" vervangen door de woorden "naar een buiten de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeringsonderneming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen".
Art. 357. In artikel 515septies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "naar een voorzorgsinstelling of een verzekeringsonderneming, " vervangen door de woorden "naar een verzekeringsonderneming, een voorzorgsinstelling of een instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen, ";
2° in het tweede lid worden de woorden "een in het buitenland gevestigde voorzorgsinstelling of verzekeringsonderneming" vervangen door de woorden "een buiten de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeringsonderneming, voorzorgsinstelling of instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen".
B. Commentaar
De aanpassingen aan de artikelen 515sexies, laatste lid en 515septies, tweede lid, WIB 92, zijn een rechtstreeks gevolg van de aanpassing die is uitgevoerd aan artikel 364ter, tweede lid, WIB 92.
BIJLAGE 3 - WET HOUDENDE DIVERSE BEPALINGEN (III) VAN 1 MAART 2007
A. Wettekst
(…)
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van de wetgeving inzake inkomstenbelastingen :
Art. 129 . In artikel 27, tweede lid, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 7 maart 2002, wordt het woord "Raden" telkens vervangen door de woorden "gemeenschaps- en gewestparlementen".
Art. 130. In artikel 52bis, 1°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de Wet van 8 april 2003, wordt het woord "Executieve" vervangen door het woord "Regering".
Art. 131. In artikel 53, 17°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 maart 2002, wordt het woord "Raden" vervangen door de woorden "Gemeenschaps- en Gewestparlementen".
Art. 132. In artikel 64bis, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 juli 1993, worden de woorden "Gewest Executieve" vervangen door het woord "gewestregering".
Art. 133. In artikel 113, § 1, 3°, a), van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 6 juli 2004, wordt het woord "Executieve" vervangen door het woord "Regering".
B. Commentaar
Het betreft hier een aanpassing van de in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 opgenomen terminologie in functie van de Grondwetsherziening van 25 februari 2005, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 11 maart 2005.
Naar aanleiding van die Grondwetsherziening hebben de wetgevende vergaderingen van de gemeenschappen en gewesten een nieuwe benaming gekregen.
Voortaan zijn zij niet langer Raden, maar wel Parlementen.
Derhalve wordt de notie "Raden" in het WIB 92, stelselmatig vervangen door de notie "Gemeenschaps- en Gewestparlementen".
De notie "Executieve" wordt naargelang het geval vervangen door de notie "regering" of "gewestregering".
C. Inwerkingtreding
Aangezien het om een loutere aanpassing van terminologie betreft is geen specifieke inwerkingtreding vereist.
Bron: FisconetPlus
