Circulaire nr. Ci.RH.251/296.575 dd. 30.06.1978
CIRC 30.06.78/1
Circulaire nr. Ci.RH.251/296.575 dd. 30.06.1978
Bull. nr. 565, pag. 1337
DIVERSE INKOMSTEN
Meerwaarden ingevolge de overdracht van belangrijke deelnemingen
Meerwaarden op bouwgronden
Meerwaarde op in België gelegen ongebouwde onroerende goederen
I. DRAAGWIJDTE VAN DE NIEUWE WETTELIJKE BEPALINGEN
1. De art. 33 en 34, W. 22.12.1977, V. 1465, brengen bepaalde wijzigingen aan de artikelen 67, 7° en 8°, 67ter, 69bis en 93, WIB.
De draagwijdte ervan kan als volgt worden samengevat.
2. Vooreerst ondergaat het aanslagstelsel van de als diverse inkomsten belastbare meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen een wijziging in twee opzichten :
II. MEERWAARDEN OP ONGEBOUWDE ONROERENDE GOEDEREN
A. UITBREIDING VAN DE BELASTBARE STOF
4. De meerwaarden die tot dusver belastbaar waren krachtens art. 67, 7°, litt. a en b, WIB zullen dit verder blijven. Het gaat hier om de meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen die bij een overdracht onder bezwarende titel worden verwezenlijkt binnen de acht jaar na verkrijging onder bezwarende titel (of binnen de drie jaar na verkrijging door een schenking onder levenden en binnen de acht jaar na de verkrijging onder bezwarende titel door de schenker).
5. Er wordt echter een litt. c ingevoegd in artikel 67, 7°, WIB waardoor een nieuwe groep meerwaarden belastbaar wordt, die verder meerwaarden op bouwgronden worden genoemd.
6. Het algemeen opzet van deze maatregel bestaat erin - nu de overheid verplicht is de eigenaars te vergoeden die schade ondervinden wegens een bouwverbod of wegens een verbod tot verkavelen - de meerwaarden die voortspruiten uit de indeling van gronden in de diverse typen van woongebieden aan de belasting te onderwerpen (cf. Memorie van Toelichting, Kamer, zitting 1977-1978, stuk 113/1, blz. 15; Verslag Senaatscommissie, zitting 1977-1978, stuk 181/2, blz. 25; en Verslag Kamercommissie, zitting 1977-1978, stuk 113/11, blz. 21).
7. Daarom worden voor de gronden die ingevolge de gewestplannen de bestemming van bouwgronden verkrijgen of zullen verkrijgen, de termijnen van 5 en 8 jaar verdubbeld (tot 10 en 16 jaar) en vangen zij aan zes maand vóór de inwerkingtreding van het gewestplan (1 oktober 1977 voor de gewestplannen die vóór 1 april 1978 in werking zijn getreden). Hieruit volgt tevens dat voor wat de meerwaarden op bouwgronden betreft noch de wijze van verkrijging (aankoop, erfenis, gift, enz.), noch de datum van die verkrijging van de gronden een rol spelen (geciteerd stuk 113/11, blz. 22).
8. De nieuwe meerwaardenregeling is enkel van toepassing op gronden gelegen in een woongebied of op zakelijke rechten die slaan op dergelijke gronden.
9. Steunend op de gangbare begrippen inzake stedebouw en ruimtelijke ordening moet worden aangenomen dat het gaat om alle percelen gelegen in:
11. Op het gewestplan zijn de betrokken gebieden als volgt aangeduid (zie legende) : Algemene aanduidingen Index Benaming Aanduiding 1.0 woongebied (algemeen) effen rood veld 1.1 woonuitbreidingsgebied wit veld met vierkantjes getrokken in rode lijnen Aanvullende aanduidingen 1.2.1.1 woongebieden met grote dichtheid rood veld met letter A 1.2.1.2 woongebieden met middelgrote rood veld met letter B dichtheid 1.2.1.3 woongebieden met geringe dichtheid rood veld met letter C 1.2.1.4 woonparken groen en rood schuin gestreept 1.2.2.1 woongebieden met een landelijk wit en rood schuin gestreept karakter 1.2.3 woongebieden met culturele, rood veld met fijne zwarte historische en/of esthetische waarde schuine strepen Bijkomende aanduidingen - reservegebieden voor woonwijken gele of groene velden met vierkantjes in rode lijnen 12. Alle in nr. 11 bedoelde gebieden moeten worden aangemerkt als woon- of woonuitbreidingsgebieden, met inbegrip van de reservegebieden voor woonwijken. 13. Hieronder vallen dus niet de gebieden die door het gewestplan een andere bestemming hebben gekregen dan woongebied, zoals inzonderheid de industriegebieden (index 2.0, 2.1 en 2.2), de gebieden bestemd voor ambachtelijke bedrijven (index 2.3), de dienstverleningsgebieden (index 3.0 en 3.1), de parkgebieden (index 4.4) en de gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen (index 6.2), zelfs indien zij volledig omsloten zijn door een woongebied. Uitgesloten zijn ook de recreatiegebieden, zelfs die bestemd voor verblijfrecreatie (indexen 5.0, 5.1 en 5.2).
14. Een gewestplan wordt vastgesteld bij koninklijk besluit en treedt in werking vijftien dagen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad.
Merk op dat een ontwerp-gewestplan, vastgesteld bij Ministerieel Besluit, op het fiscale vlak zonder uitwerking blijft, ook al heeft het bindende en verordenende kracht inzake stedebouw en ruimtelijke ordening.
Als bijlage werd een lijst opgenomen van alle gewestplannen die in werking zijn getreden vóór 1.5.1978.
15. Zelfs indien het onroerend goed gelegen is in een woongebied als bedoeld in nr. 11, dan nog is de nieuwe meerwaardenregeling niet van toepassing, indien dat goed gelegen is in een huizengroep of in een geagglomereerd gedeelte. Deze percelen zullen verder "bouwgronden de facto" worden genoemd.
16. "Bouwgronden de facto" zijn :
17. Het bepaalde sub 3° van nr. 16 moet restrictief worden uitgelegd en mag enkel worden ingeroepen voor percelen waarvan de bebouwbaarheid volgens de gangbare begrippen inzake stedebouw, niet te wijten is aan het gewestplan, maar aan feitelijke toestanden, nl. aan een bestaande drukke bebouwing.
Betreft het een perceel gelegen in een groep huizen aan een bebouwde straat, dan kan de vrijstelling enkel verleend worden indien de kant van de straat waar het perceel gelegen is reeds voor een groot gedeelte volbouwd is.
Bovendien moet het gaan om een enig bouwperceel (een bouwperceel zijnde een bouwgrond waarop men slechts één hoofdconstructie mag oprichten) (geciteerd stuk 113/11, blz. 21).
18. Gaat het om een huizengroep die geïsoleerd ligt ten opzichte van de aaneengebouwde gedeelten (dorpskom, gehucht), dan kan een vrijblijvend perceel midden deze huizengroep slechts aangezien worden als bebouwbaar "de facto" indien het om een voldoende grote groep huizen gaat. De groep moet bestaan uit minimum vijf huizen aan dezelfde kant van de straat, welke liggen op een straatlengte van maximum 50 m. en het perceel in kwestie moet in de groep liggen, d.w.z. dat er links en rechts bebouwing moet zijn.
19. Als "bouwgrond de facto" moet nochtans elk bouwperceel worden beschouwd dat gelegen is vlak naast een bestaande woning met een blinde gevel opgetrokken op de scheidingslijn.
20. Wat de percelen betreft die gelegen zijn in een goedgekeurde, nog geldig zijnde verkaveling is de nieuwe meerwaardenregeling van toepassing behalve wanneer het gaat om een enig onbebouwd perceel gelegen tussen bebouwde loten.
De bebouwbaarheid is - behalve voor wat de vorenbedoelde uitzondering betreft - immers niet te wijten aan de bestaande feitelijke toestand, maar wel aan een verkavelingsvergunning die in stand gehouden wordt dank zij het gewestplan (geciteerd stuk 113/11, blz. 22).
21. Het bepaalde in nr. 20 geldt mutatis mutandis voor percelen die als bouwgrond aangeduid zijn in een bijzonder plan van aanleg, daar de meerwaarde onrechtstreeks volgt uit het gewestplan dat het B.P.A. in stand houdt.
22. Zoals voor de meerwaarden bedoeld in litt. a en b van art. 67, 7°, WIB is het enige tot een belastbare meerwaarde aanleiding gevend feit de overdracht onder bezwarende titel; derhalve zijn de overgangen om niet tussen levenden of ingevolge overlijden niet bedoeld. Ook voor de meerwaarden op "bouwgronden" gelden de vrijstellingen bedoeld in art. 67bis, § 3, WIB (sommige ruilingen, verkopen van goederen toebehorend aan minderjarigen, onteigeningen).
De bepalingen van de Com.IB nrs. 67/31 tot 34 zijn derhalve ook van toepassing inzake de meerwaarden op "bouwgronden".
23. De meerwaarden op bouwgronden zijn slechts belastbaar wanneer de overdracht onder bezwarende titel plaats heeft binnen een termijn van 16 jaar die aanvangt zes maand vóór de inwerkingtreding van het gewestplan (of een wijziging ervan). Wanneer het gewestplan vóór 1 april 1978 in werking is getreden, is het vertrekpunt van die termijn gesteld op 1 oktober 1977.
Gelet op het bepaalde in nr. 37 hierna, komt de periode van 3 maand vóór 1.1.1978 nochtans enkel in aanmerking voor het bepalen van de einddatum van de termijn waarin de meerwaarden moeten behaald zijn om belastbaar te kunnen zijn; de in die periode van 3 maand gerealiseerde meerwaarden ontsnappen echter aan de taxatie op grond van art. 67, 7°, litt. c, WIB.
Het tijdstip en de wijze van verkrijging van de grond spelen ter zake niet de minste rol.
24. Voorbeelden :
25. Mede gelet op de wijzigingen voortvloeiend uit art. 8, W. 22.12.1977 is de aanslagvoet :
In voorbeeld 2 van nr. 24 zal de meerwaarde tegen 33 pct. belastbaar zijn tijdens de periode van 20.2.1978 tot 19.2.1988 en tegen 16,5 pct. tijdens het tijdperk 20.2.1988 tot 19.2.1994.
26. Een meerwaarde op een bouwgrond kan onder toepassing vallen van meer dan één bepaling van art. 67, 7°, WIB. Aldus kan de meerwaarde behaald bij de verkoop van een bouwgrond die volgens het gewestplan in een woonzone ligt en minder dan 8 jaar na de aankoop wordt verkocht, belastbaar zijn tegelijkertijd krachtens de littera a en c van genoemde bepaling.
Steunend op het principe "non bis in idem" mag in een dergelijk geval de belasting natuurlijk slechts eenmaal worden geheven; indien de toepasselijke tarieven verschillend zijn (16,5 pct. of 33 pct.) zal die bepaling worden toegepast welke aanleiding geeft tot het hoogste tarief.
10° Bijzondere gevallen.
27. Onderhavige commentaar zal zo spoedig mogelijk worden aangevuld met de passende richtlijnen betreffende de bijzondere gevallen, inzonderheid de verdelingen, licitaties, enz. als bedoeld in art. 47bis KB tot uitv. van het WIB.
B. NIEUWE BEREKENINGSWIJZE VAN DE MEERWAARDEN OP ONGEBOUWDE ONROERENDE
GOEDEREN
28. In de regel was de meerwaarde op een ongebouwd onroerend goed tot dusver gelijk aan het positief verschil tussen :
1e term :
30. In het geval bedoeld in litt. b van art. 67, 7°, WIB (Overdracht onder bezwarende titel binnen 3 jaar na verkrijging door schenking en binnen 8 jaar na de verkrijging onder bezwarende titel door de schenker) worden voor de berekening van de meerwaarde nog steeds de datum en de prijs van verkrijging door de schenker in aanmerking genomen, doch ook hier zal die prijs vervangen worden door de verkoopwaarde op dat tijdstip indien deze hoger is.
31. Daar "meerwaarden op bouwgronden" (art. 67, 7°, mott/ c, WIB) evenwel ook belastbaar kunnen zijn wanneer ze kosteloos werden verkregen (bij schenking of erfenis) moest de wet ook voorzien wat in dergelijke gevallen als "aankoopprijs van het goed" zou beschouwd worden. Welnu, in dergelijke gevallen moet rekening gehouden worden met de "verkoopwaarde die tot maatstaf van heffing heeft gediend van de rechten van schenking of de successierechten".
32. Wanneer een stuk grond dat tot dusver de aard had van bouwgrond, deze aard verliest door het van kracht worden van het gewestplan, dan kan de eigenaar hiervoor een schadevergoeding van de Staat eisen (art. 37 en 38 van de organieke wet houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw).
Deze vergoeding wordt in mindering gebracht van de aankoopprijs, nadat deze eerst verhoogd werd met de kosten, enz. en met de 5 pct. per jaar (zie nr. 28, 2e term).
Voorbeeld 1.
33. Gegevens : Een rijksinwoner erft een stuk grond op 15.2.1960. De grondslag van de erfenisrechten bedraagt 100.000 F.
Deze bouwgrond ligt in een bouwzone (volgens het gewestplan, dat van kracht is geworden op 15.3.1978) doch niet in een huizengroep of geagglomereerd gedeelte.
De grond wordt verkocht op 19.12.1978 voor 450.000 F, doch de Ontvanger van de Registratie stelt een tekortschatting vast en heft de rechten op een verkoopwaarde van 500.000 F. De verkoper betaalt een commissieloon van 10.000 F aan een tussenpersoon.
Berekening van de meerwaarde : 1° term van het verschil : verkoopwaarde : 500.000 verkoopkosten : 10.000 ------- blijft : 490.000 2° term van het verschil : waarde erfenisrechten : 100.000 kosten van verkrijging (forfait 25 pct.) : + 25.000 -------- totaal : 125.000 "revalorisatie" 125.000 x 90 pct. (1) : 112.500 -------- - 237.500 -------- bedrag van de meerwaarde : 252.500 aanslagvoet : 33 pct. (1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 18), verlopen tussen de verkrijging (15.2.1960) en de vervreemding (19.12.1978). Voorbeeld 2. 34. Gegevens : Een rijksinwoner koopt een stuk bouwgrond op 14.2.1974 voor 200.000 F. De verkoopwaarde wordt bepaald op 240.000 F en hierop betaalt de koper de registratierechten. Het gewestplan dat van kracht wordt op 11.12.1977 brengt deze grond onder in een landbouwzone. De grond wordt publiek verkocht op 18.3.1981 voor 180.000 F en de verkoper krijgt een vergoeding van 120.000 F bij toepassing van art. 37 en 38, organieke wet inzake ruimtelijke ordening en stedebouw.
Berekening van de meerwaarde 1° term van het verschil : verkoopprijs : 180.000 2° term van het verschil : de verkoopwaarde bij verkrijging : 240.000 kosten (forfait 25 pct.) : + 60.000 ------- 300.000 "revalorisatie" 300.000 x 35 pct. (1) : 105.000 ------- 405.000 vergoeding : - 120.000 ------- - 285.000 -------- Minderwaarde : 105.000 ======= (1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 7) verlopen tussen de aankoop (14.2.1974) en de verkoop (18.3.1981) Mocht deze operatie geleid hebben tot een meerwaarde dan zou deze krachtens art. 67, 7°, a, en 93, § 1, 2°, d, WIB belastbaar zijn tegen 16,5 pct. C. RECHTSPERSONENBELASTING
35. De wijzigingen die door de art. 33 en 34, W 22.12.1977 (V. 1465) werden gebracht aan het stelsel van de meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen zijn eveneens van toepassing inzake RPB; wat de belastbaarheid en de berekening van de meerwaarde betreft verwijst art. 137, § 2, 1°, WIB immers zonder meer naar art. 67, 7° en 69bis (Merk op dat ook de aanslagvoeten werden gewijzigd door art. 10, W 22.12.1977 (V. 1465); de in art. 138, lid 2, 1°, WIB bedoelde percentages 30 en 15 werden gebracht op respectievelijk 33 en 16,5).
D. BELASTING DER NIET-VERBLIJFHOUDERS
36. De wijzigingen inzake belastbaarheid en berekening van de meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen hebben ipso facto uitwerking inzake BNV (natuurlijke personen), daar het ongewijzigd art. 140, § 2, 1°, WIB zonder meer naar art. 67, 7°, WIB verwijst.
Daar art. 208bis WIB houdende de percenten van de aanslag die door de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen wordt gevestigd en ingevorderd, niet werd gewijzigd, blijven de vroegere percenten van 30 en 15 pct. evenwel van toepassing.
De aanslagvoet van 30 pct. moet worden toegepast :
E. INWERKINGTREDING
37. De door de art. 33 en 34, W. 22.12.1977 gewijzigde bepalingen van het WIB zijn slechts van toepassing op de meerwaarden verwezenlijkt vanaf 1 januari 1978 (art. 45, 4°, W. 22.12.1977).
De meerwaarde wordt geacht te zijn verwezenlijkt op de datum van de vervreemding van het goed.
Ter zake houde men zich aan de datum van de authentieke akte, tenzij de belastingplichtige onomstootbaar aantoont dat de vervreemding in feite reeds op een vroegere datum heeft plaatsgevonden (bv. bij een vóór 1.1.1978 geregistreerde onderhandse akte).
III. MEERWAARDEN VERWEZENLIJKT INGEVOLGE DE OVERDRACHT VAN BELANGRIJKE
DEELNEMINGEN
A. UITBREIDING VAN HET TOEPASSINGSVELD
38. Zoals reeds werd vermeld (zie nr. 3), hebben de wijzigingen die de art. 33, a, 2° en 3°, en 34, W. 22.12.1977; V/ 1465, in de art. 67, 8° en 67ter, WIB hebben aangebracht, tot gevolg dat de meerwaarden verwezenlijkt ingevolge de overdracht van belangrijke deelnemingen, voortaan belastbaar zijn van zodra ze voortkomen van overdrachten onder bezwarende titel aan belastingplichtigen die geen natuurlijke personen zijn.
39. Het aanslagregime, dat tot nog toe enkel toepasselijk was indien de overdracht gebeurde aan een in art. 94, WIB bedoelde vennootschap, enz. (zie circ. 25.3.1977, nr. Ci.RH 241/290.263, nr. 28, b), is derhalve voortaan aanwezig in de gevallen waarin de overdracht geschiedt :
B. NIET BELASTBARE OVERDRACHTEN
41. Buiten de gevallen vermeld in circ. 25.3.1977, Ci.RH.241/290.263, nr. 38 (al dan niet belastingvrije verdeling van vermogen of inkoop van eigen aandelen) en onverminderd de voorschriften van voorgaand nr. zijn de meerwaarden die, buiten de uitoefening van een beroepswerkzaamheid, worden verwezenlijkt ingevolge de overdracht van een belangrijke deelneming, nog enkel niet belastbaar indien die overdracht gebeurt aan:
C. INWERKINGTREDING
42. De hiervoren besproken wijzigingen zijn van toepassing op de meerwaarden die worden verwezenlijkt met ingang van 1 januari 1978.
Circulaire nr. Ci.RH.251/296.575 dd. 30.06.1978
Bull. nr. 565, pag. 1337
DIVERSE INKOMSTEN
Meerwaarden ingevolge de overdracht van belangrijke deelnemingen
Meerwaarden op bouwgronden
Meerwaarde op in België gelegen ongebouwde onroerende goederen
I. DRAAGWIJDTE VAN DE NIEUWE WETTELIJKE BEPALINGEN
1. De art. 33 en 34, W. 22.12.1977, V. 1465, brengen bepaalde wijzigingen aan de artikelen 67, 7° en 8°, 67ter, 69bis en 93, WIB.
De draagwijdte ervan kan als volgt worden samengevat.
2. Vooreerst ondergaat het aanslagstelsel van de als diverse inkomsten belastbare meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen een wijziging in twee opzichten :
- de belastbare stof wordt uitgebreid ten einde in een ruimere mate dan vroeger de meerwaarden te belasten op gronden die ingevolge een gewestplan bouwgronden werden of zullen worden;
- bij de berekening van de meerwaarden wordt voortaan uitgegaan van de verkoopwaarde van het goed bij elke overgang (zoals die inzonderheid in aanmerking wordt genomen voor de heffing van de registratierechten) indien zij hoger is dan de prijs bedongen in de overeenkomst (waar vroeger steeds met laatstbedoelde prijs rekening werd gehouden) (Merk op dat ook de aanslagvoeten werden gewijzigd, nl. door de art. 8 en 10, W. 22.12.1977 (V. 1465). Zij werden van 30 en 15 pct. gebracht op resp. 33 en 16,5 pct.).
II. MEERWAARDEN OP ONGEBOUWDE ONROERENDE GOEDEREN
A. UITBREIDING VAN DE BELASTBARE STOF
| 1° | Algemeen. |
5. Er wordt echter een litt. c ingevoegd in artikel 67, 7°, WIB waardoor een nieuwe groep meerwaarden belastbaar wordt, die verder meerwaarden op bouwgronden worden genoemd.
6. Het algemeen opzet van deze maatregel bestaat erin - nu de overheid verplicht is de eigenaars te vergoeden die schade ondervinden wegens een bouwverbod of wegens een verbod tot verkavelen - de meerwaarden die voortspruiten uit de indeling van gronden in de diverse typen van woongebieden aan de belasting te onderwerpen (cf. Memorie van Toelichting, Kamer, zitting 1977-1978, stuk 113/1, blz. 15; Verslag Senaatscommissie, zitting 1977-1978, stuk 181/2, blz. 25; en Verslag Kamercommissie, zitting 1977-1978, stuk 113/11, blz. 21).
7. Daarom worden voor de gronden die ingevolge de gewestplannen de bestemming van bouwgronden verkrijgen of zullen verkrijgen, de termijnen van 5 en 8 jaar verdubbeld (tot 10 en 16 jaar) en vangen zij aan zes maand vóór de inwerkingtreding van het gewestplan (1 oktober 1977 voor de gewestplannen die vóór 1 april 1978 in werking zijn getreden). Hieruit volgt tevens dat voor wat de meerwaarden op bouwgronden betreft noch de wijze van verkrijging (aankoop, erfenis, gift, enz.), noch de datum van die verkrijging van de gronden een rol spelen (geciteerd stuk 113/11, blz. 22).
| 2° | Ligging van de bouwgronden in woongebieden. |
9. Steunend op de gangbare begrippen inzake stedebouw en ruimtelijke ordening moet worden aangenomen dat het gaat om alle percelen gelegen in:
- een (effectief) woongebied, met inbegrip van de woonparken en de woongebieden met een landelijk karakter.
- een woonuitbreidingsgebied.
11. Op het gewestplan zijn de betrokken gebieden als volgt aangeduid (zie legende) : Algemene aanduidingen Index Benaming Aanduiding 1.0 woongebied (algemeen) effen rood veld 1.1 woonuitbreidingsgebied wit veld met vierkantjes getrokken in rode lijnen Aanvullende aanduidingen 1.2.1.1 woongebieden met grote dichtheid rood veld met letter A 1.2.1.2 woongebieden met middelgrote rood veld met letter B dichtheid 1.2.1.3 woongebieden met geringe dichtheid rood veld met letter C 1.2.1.4 woonparken groen en rood schuin gestreept 1.2.2.1 woongebieden met een landelijk wit en rood schuin gestreept karakter 1.2.3 woongebieden met culturele, rood veld met fijne zwarte historische en/of esthetische waarde schuine strepen Bijkomende aanduidingen - reservegebieden voor woonwijken gele of groene velden met vierkantjes in rode lijnen 12. Alle in nr. 11 bedoelde gebieden moeten worden aangemerkt als woon- of woonuitbreidingsgebieden, met inbegrip van de reservegebieden voor woonwijken. 13. Hieronder vallen dus niet de gebieden die door het gewestplan een andere bestemming hebben gekregen dan woongebied, zoals inzonderheid de industriegebieden (index 2.0, 2.1 en 2.2), de gebieden bestemd voor ambachtelijke bedrijven (index 2.3), de dienstverleningsgebieden (index 3.0 en 3.1), de parkgebieden (index 4.4) en de gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen (index 6.2), zelfs indien zij volledig omsloten zijn door een woongebied. Uitgesloten zijn ook de recreatiegebieden, zelfs die bestemd voor verblijfrecreatie (indexen 5.0, 5.1 en 5.2).
14. Een gewestplan wordt vastgesteld bij koninklijk besluit en treedt in werking vijftien dagen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad.
Merk op dat een ontwerp-gewestplan, vastgesteld bij Ministerieel Besluit, op het fiscale vlak zonder uitwerking blijft, ook al heeft het bindende en verordenende kracht inzake stedebouw en ruimtelijke ordening.
Als bijlage werd een lijst opgenomen van alle gewestplannen die in werking zijn getreden vóór 1.5.1978.
| 3° | "De facto" bouwgronden. |
16. "Bouwgronden de facto" zijn :
| 1° | elk reeds bebouwd perceel gelegen binnen de bebouwde kom (Art. 67, 7°, litt. c, WIB, kan ter zake niet worden ingeroepen wanneer het gebouwd onroerend goed, gelet op de geringe verkoopwaarde van de gebouwen, met een grond moet worden gelijkgesteld (art. 67bis, § 1, WIB); |
| 2° | een nog niet bebouwd perceel gelegen binnen een geagglomereerd gedeelte, d.w.z. een enig, vrijliggend perceel gelegen in een stratenblok waarvan praktisch alle percelen bebouwd zijn volgens de plaatselijke bouwtrant en deel uitmakend van de bebouwde kom, van stad, dorp of gehucht; |
| 3° | een niet bebouwd perceel gelegen in een huizengroep, d.w.z. dat er rechts en links van dat perceel reeds huizen staan (zie echter nr. 19). |
Betreft het een perceel gelegen in een groep huizen aan een bebouwde straat, dan kan de vrijstelling enkel verleend worden indien de kant van de straat waar het perceel gelegen is reeds voor een groot gedeelte volbouwd is.
Bovendien moet het gaan om een enig bouwperceel (een bouwperceel zijnde een bouwgrond waarop men slechts één hoofdconstructie mag oprichten) (geciteerd stuk 113/11, blz. 21).
18. Gaat het om een huizengroep die geïsoleerd ligt ten opzichte van de aaneengebouwde gedeelten (dorpskom, gehucht), dan kan een vrijblijvend perceel midden deze huizengroep slechts aangezien worden als bebouwbaar "de facto" indien het om een voldoende grote groep huizen gaat. De groep moet bestaan uit minimum vijf huizen aan dezelfde kant van de straat, welke liggen op een straatlengte van maximum 50 m. en het perceel in kwestie moet in de groep liggen, d.w.z. dat er links en rechts bebouwing moet zijn.
19. Als "bouwgrond de facto" moet nochtans elk bouwperceel worden beschouwd dat gelegen is vlak naast een bestaande woning met een blinde gevel opgetrokken op de scheidingslijn.
| 4° | Verkavelingen. |
De bebouwbaarheid is - behalve voor wat de vorenbedoelde uitzondering betreft - immers niet te wijten aan de bestaande feitelijke toestand, maar wel aan een verkavelingsvergunning die in stand gehouden wordt dank zij het gewestplan (geciteerd stuk 113/11, blz. 22).
| 5° | Bijzonder plan van aanleg (B.P.A.). |
| 6° | Verrichtingen die tot belastbare meerwaarden aanleiding geven. |
De bepalingen van de Com.IB nrs. 67/31 tot 34 zijn derhalve ook van toepassing inzake de meerwaarden op "bouwgronden".
| 7° | Termijnen. |
Gelet op het bepaalde in nr. 37 hierna, komt de periode van 3 maand vóór 1.1.1978 nochtans enkel in aanmerking voor het bepalen van de einddatum van de termijn waarin de meerwaarden moeten behaald zijn om belastbaar te kunnen zijn; de in die periode van 3 maand gerealiseerde meerwaarden ontsnappen echter aan de taxatie op grond van art. 67, 7°, litt. c, WIB.
Het tijdstip en de wijze van verkrijging van de grond spelen ter zake niet de minste rol.
24. Voorbeelden :
| 1. | Een stuk grond door erfenis verkregen op 15.3.1954 ligt binnen een gebied waarvan het gewestplan van kracht is geworden op 25.3.1977. De meerwaarde is belastbaar indien het goed verkocht wordt op om het even welke datum van het tijdperk beginnend op 1.1.1978 en eindigend op 30 september 1993. |
| 2. | Een particulier heeft bij wijze van schenking een grond verkregen op 10.2.1960. Die grond ligt in een gebied waarvan het gewestplan van kracht wordt op 20.8.1978. De meerwaarde is belastbaar indien de grond verkocht wordt op om het even welke datum van het tijdperk beginnend op 20.2.1978 en eindigend op 19.2.1994. |
| 8° | Aanslagvoeten. |
- 33 pct. voor de meerwaarden verwezenlijkt tijdens de eerste 10 jaar van de termijn bedoeld in nr. 23 hiervoor;
- 16,5 pct. voor de meerwaarden verwezenlijkt tijdens de laatste zes jaar van diezelfde termijn.
In voorbeeld 2 van nr. 24 zal de meerwaarde tegen 33 pct. belastbaar zijn tijdens de periode van 20.2.1978 tot 19.2.1988 en tegen 16,5 pct. tijdens het tijdperk 20.2.1988 tot 19.2.1994.
| 9° | Non bis in idem. |
Steunend op het principe "non bis in idem" mag in een dergelijk geval de belasting natuurlijk slechts eenmaal worden geheven; indien de toepasselijke tarieven verschillend zijn (16,5 pct. of 33 pct.) zal die bepaling worden toegepast welke aanleiding geeft tot het hoogste tarief.
10° Bijzondere gevallen.
27. Onderhavige commentaar zal zo spoedig mogelijk worden aangevuld met de passende richtlijnen betreffende de bijzondere gevallen, inzonderheid de verdelingen, licitaties, enz. als bedoeld in art. 47bis KB tot uitv. van het WIB.
B. NIEUWE BEREKENINGSWIJZE VAN DE MEERWAARDEN OP ONGEBOUWDE ONROERENDE
GOEDEREN
| 1° | Werkelijke prijs of verkoopwaarde. |
1e term :
- de werkelijke prijs van de overdracht (min de kosten van vervreemding);
- de werkelijke prijs van verkrijging onder bezwarende titel door de belastingplichtige (of door de schenker in het geval bedoeld in art. 67, 7°, b) vermeerderd met de kosten van verkrijging of overgang en met de uitgaven, het geheel vermeerderd met 5 pct. voor elk jaar verlopen tussen verkrijging en vervreemding.
30. In het geval bedoeld in litt. b van art. 67, 7°, WIB (Overdracht onder bezwarende titel binnen 3 jaar na verkrijging door schenking en binnen 8 jaar na de verkrijging onder bezwarende titel door de schenker) worden voor de berekening van de meerwaarde nog steeds de datum en de prijs van verkrijging door de schenker in aanmerking genomen, doch ook hier zal die prijs vervangen worden door de verkoopwaarde op dat tijdstip indien deze hoger is.
31. Daar "meerwaarden op bouwgronden" (art. 67, 7°, mott/ c, WIB) evenwel ook belastbaar kunnen zijn wanneer ze kosteloos werden verkregen (bij schenking of erfenis) moest de wet ook voorzien wat in dergelijke gevallen als "aankoopprijs van het goed" zou beschouwd worden. Welnu, in dergelijke gevallen moet rekening gehouden worden met de "verkoopwaarde die tot maatstaf van heffing heeft gediend van de rechten van schenking of de successierechten".
| 2° | Schadevergoeding wegens waardevermindering. |
Deze vergoeding wordt in mindering gebracht van de aankoopprijs, nadat deze eerst verhoogd werd met de kosten, enz. en met de 5 pct. per jaar (zie nr. 28, 2e term).
| 3° | Voorbeelden. |
33. Gegevens : Een rijksinwoner erft een stuk grond op 15.2.1960. De grondslag van de erfenisrechten bedraagt 100.000 F.
Deze bouwgrond ligt in een bouwzone (volgens het gewestplan, dat van kracht is geworden op 15.3.1978) doch niet in een huizengroep of geagglomereerd gedeelte.
De grond wordt verkocht op 19.12.1978 voor 450.000 F, doch de Ontvanger van de Registratie stelt een tekortschatting vast en heft de rechten op een verkoopwaarde van 500.000 F. De verkoper betaalt een commissieloon van 10.000 F aan een tussenpersoon.
Berekening van de meerwaarde : 1° term van het verschil : verkoopwaarde : 500.000 verkoopkosten : 10.000 ------- blijft : 490.000 2° term van het verschil : waarde erfenisrechten : 100.000 kosten van verkrijging (forfait 25 pct.) : + 25.000 -------- totaal : 125.000 "revalorisatie" 125.000 x 90 pct. (1) : 112.500 -------- - 237.500 -------- bedrag van de meerwaarde : 252.500 aanslagvoet : 33 pct. (1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 18), verlopen tussen de verkrijging (15.2.1960) en de vervreemding (19.12.1978). Voorbeeld 2. 34. Gegevens : Een rijksinwoner koopt een stuk bouwgrond op 14.2.1974 voor 200.000 F. De verkoopwaarde wordt bepaald op 240.000 F en hierop betaalt de koper de registratierechten. Het gewestplan dat van kracht wordt op 11.12.1977 brengt deze grond onder in een landbouwzone. De grond wordt publiek verkocht op 18.3.1981 voor 180.000 F en de verkoper krijgt een vergoeding van 120.000 F bij toepassing van art. 37 en 38, organieke wet inzake ruimtelijke ordening en stedebouw.
Berekening van de meerwaarde 1° term van het verschil : verkoopprijs : 180.000 2° term van het verschil : de verkoopwaarde bij verkrijging : 240.000 kosten (forfait 25 pct.) : + 60.000 ------- 300.000 "revalorisatie" 300.000 x 35 pct. (1) : 105.000 ------- 405.000 vergoeding : - 120.000 ------- - 285.000 -------- Minderwaarde : 105.000 ======= (1) 5 pct. per volledig jaar (in casu 7) verlopen tussen de aankoop (14.2.1974) en de verkoop (18.3.1981) Mocht deze operatie geleid hebben tot een meerwaarde dan zou deze krachtens art. 67, 7°, a, en 93, § 1, 2°, d, WIB belastbaar zijn tegen 16,5 pct. C. RECHTSPERSONENBELASTING
35. De wijzigingen die door de art. 33 en 34, W 22.12.1977 (V. 1465) werden gebracht aan het stelsel van de meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen zijn eveneens van toepassing inzake RPB; wat de belastbaarheid en de berekening van de meerwaarde betreft verwijst art. 137, § 2, 1°, WIB immers zonder meer naar art. 67, 7° en 69bis (Merk op dat ook de aanslagvoeten werden gewijzigd door art. 10, W 22.12.1977 (V. 1465); de in art. 138, lid 2, 1°, WIB bedoelde percentages 30 en 15 werden gebracht op respectievelijk 33 en 16,5).
D. BELASTING DER NIET-VERBLIJFHOUDERS
36. De wijzigingen inzake belastbaarheid en berekening van de meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen hebben ipso facto uitwerking inzake BNV (natuurlijke personen), daar het ongewijzigd art. 140, § 2, 1°, WIB zonder meer naar art. 67, 7°, WIB verwijst.
Daar art. 208bis WIB houdende de percenten van de aanslag die door de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen wordt gevestigd en ingevorderd, niet werd gewijzigd, blijven de vroegere percenten van 30 en 15 pct. evenwel van toepassing.
De aanslagvoet van 30 pct. moet worden toegepast :
- voor de gevallen bedoeld in art. 67, 7°, a en b, WIB : wanneer de vervreemding plaats heeft binnen de 5 jaar na verkrijging onder bezwarende titel;
- voor de gevallen bedoeld in art. 67, 7°, c, WIB (meerwaarden op bouwgrond) : wanneer de vervreemding plaats heeft binnen de eerste 10 jaar van de in nr. 23 bedoelde termijn.
E. INWERKINGTREDING
37. De door de art. 33 en 34, W. 22.12.1977 gewijzigde bepalingen van het WIB zijn slechts van toepassing op de meerwaarden verwezenlijkt vanaf 1 januari 1978 (art. 45, 4°, W. 22.12.1977).
De meerwaarde wordt geacht te zijn verwezenlijkt op de datum van de vervreemding van het goed.
Ter zake houde men zich aan de datum van de authentieke akte, tenzij de belastingplichtige onomstootbaar aantoont dat de vervreemding in feite reeds op een vroegere datum heeft plaatsgevonden (bv. bij een vóór 1.1.1978 geregistreerde onderhandse akte).
III. MEERWAARDEN VERWEZENLIJKT INGEVOLGE DE OVERDRACHT VAN BELANGRIJKE
DEELNEMINGEN
A. UITBREIDING VAN HET TOEPASSINGSVELD
38. Zoals reeds werd vermeld (zie nr. 3), hebben de wijzigingen die de art. 33, a, 2° en 3°, en 34, W. 22.12.1977; V/ 1465, in de art. 67, 8° en 67ter, WIB hebben aangebracht, tot gevolg dat de meerwaarden verwezenlijkt ingevolge de overdracht van belangrijke deelnemingen, voortaan belastbaar zijn van zodra ze voortkomen van overdrachten onder bezwarende titel aan belastingplichtigen die geen natuurlijke personen zijn.
39. Het aanslagregime, dat tot nog toe enkel toepasselijk was indien de overdracht gebeurde aan een in art. 94, WIB bedoelde vennootschap, enz. (zie circ. 25.3.1977, nr. Ci.RH 241/290.263, nr. 28, b), is derhalve voortaan aanwezig in de gevallen waarin de overdracht geschiedt :
- aan vennootschappen, enz. die onderworpen zijn aan de Ven.B (met inbegrip van de optievennootschappen),
- aan om het even welke in art. 136, WIB beoogde rechtspersonen,
- aan om het even welke vennootschappen, verenigingen, instellingen of organismen (met of zonder rechtspersoonlijkheid) die bedoeld zijn in art. 139, 2°, WIB, waarbij het zonder belang is of die lichamen (wegens het bestaan van een Belgische inrichting of om een andere reden) al dan niet aan de BNV-ven. onderworpen zijn.
B. NIET BELASTBARE OVERDRACHTEN
41. Buiten de gevallen vermeld in circ. 25.3.1977, Ci.RH.241/290.263, nr. 38 (al dan niet belastingvrije verdeling van vermogen of inkoop van eigen aandelen) en onverminderd de voorschriften van voorgaand nr. zijn de meerwaarden die, buiten de uitoefening van een beroepswerkzaamheid, worden verwezenlijkt ingevolge de overdracht van een belangrijke deelneming, nog enkel niet belastbaar indien die overdracht gebeurt aan:
| a) | een aan de PB onderworpen rijksinwoner, |
| b) | een (in beginsel) aan de BNV onderworpen niet-rijksinwoner. |
42. De hiervoren besproken wijzigingen zijn van toepassing op de meerwaarden die worden verwezenlijkt met ingang van 1 januari 1978.
Bron: FisconetPlus
