Circulaire nr. Ci.R.9 USA/217.882 dd. 21.02.1963
Circulaire nr. Ci.R.9 USA/217.882 dd. 21.02.1963
Bull. nr. 396, pag. 830
BUITENLANDERS
Fiscaal regime
BEDRIJFSUITGAVEN
Loontrekkers
Beheerder Bedrijfsuitgaven
1. De circ. van 29.9.1960, nr. Ci.R.9 USA/202.118, aangevuld door een addendum dd. 27.6.1961, verstrekte richtlijnen tot regeling van de fiscale toestand van de tijdelijk in België gevestigde leiders en bedienden van Amerikaanse ondernemingen of van ondernemingen onder Amerikaanse controle.
Gelet op de bepalingen van de wet van 20.11.1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen (V. 1013), past het deze richtlijnen te herzien en onder meer het tarief van de aftrekbare lasten aan te passen met inachtneming van het feit dat de BB. van het dienstjaar 1963 af niet maar aftrekbaar zal zijn van de inkomsten van 1963, belastbaar in de PB. Bovendien is het aanbevelenswaardig gebleken eensdeels, de toepassing van het bijzonder regime uit te breiden tot bepaalde buitenlandse leiders en bedienden van andere buitenlandse ondernemingen of ondernemingen onder buitenlandse controle en, anderdeels, het bedrag van de bezoldigingen te beperken, waarop een verhoogd forfait van bedrijfslasten mag worden aangerekend.
Dienvolgens worden de voormelde richtlijnen vervangen door de volgende bepalingen, toepasselijk op de met ingang van 1 januari 1963 genoten bezoldigingen.
2. De personen onderworpen aan het bijzonder regime omschreven in de nrs. 6 en volgende van deze circulaire zijn de leiders en de bedienden van buitenlandse ondernemingen, die door deze ondernemingen tijdelijk naar België worden gezonden om er hetzij in één of meer inrichtingen, hetzij in één of meer onder hun controle geplaatste vennootschappen :
a) fabrieken of bureaus op te richten en die in werking te stellen; of
b) gedurende een beperkte termijn te werken in een controle- of coördinatiebureau van in verscheidene landen gevestigde ondernemingen die van dezelfde groep afhangen; of
c) mede te werken aan de uitbreiding of aan de exploitatie van deze inrichtingen of vennootschappen.
3. Het gebeurt vaak dat deze leiders en bedienden in feite hun fiscale woonplaats in het buitenland behouden; dit kan het geval zijn :
a) wanneer de echtgenote of de kinderen in het buitenland blijven;
b) wanneer de betrokkenen verder over hun woning aldaar blijven beschikken na hun vertrek naar België;
c) wanneer zij het centrum van hun economische belangen in het buitenland behouden, wegens de enge band met de buitenlandse inrichtingen - namelijk met de buitenlandse onderneming in wier dienst zij zijn - en de mogelijkheid van op ieder ogenblik, wegens deze band of in uitvoering van hun contractuele verplichtingen, de zetel van hun activiteit in dienst van deze inrichtingen of van deze onderneming naar een ander land te moeten verplaatsen.
Het past nochtans het Hoofdbestuur te raadplegen, wanneer zekere en concrete gegevens uitzonderlijk het vermoeden wettigen, dat dergelijke belastingplichtigen de zetel van hun fortuin in de zin van art. 2, § 1, der wet van 20.11.1962, definitief in België hebben gevestigd.
4. Het bedoeld bijzonder regime is voorbehouden aan de buitenlanders wier verblijf in België niet langer dan vijf jaar moet duren. Op het ogenblik van de eerste verificatie van de fiscale toestand, zal men letten op de beschikbare beoordelingselementen (contract, dienststaat, huurcontract, enz.) om uit de maken of de duur van het verblijf in België normaal de vijf jaar niet zal overschrijden en of het bijzonder regime derhalve mag worden toegekend.
Anderdeels, zelfs wanneer het bijzonder regime voor de eerste jaren van het verblijf werd toegestaan, zal het moeten geweigerd worden van het ogenblik dat - op 1 januari van het jaar dat zijn naam geeft aan het aanslagjaar - de belastingplichtige sedert meer dan 5 jaar in België verblijft.
5. In de hiervoren vooropgestelde mogelijkheden mogen de vorenbedoelde personen van het dienstjaar 1964 af verder worden beschouwd als niet-rijksinwoners die in het land over een woning beschikken (art. 37; § 5, wet van 20.11.1962). Alleen hun belastbare inkomsten van Belgische oorsprong zullen dus aan de belasting der niet-verblijfhouders moeten worden onderworpen, met dien verstande dat overeenkomstig het voormelde art. 37, § 5, het totaal bedrag van de aan de belasting onderworpen inkomsten niet minder zal mogen bedragen dan tweemaal het kadastraal inkomen van de woningen waarover de betrokkenen in België beschikken.
6. Hiervoren bedoelde personen die hun activiteit uitsluitend of hoofdzakelijk in België uitoefenen.
In principe is het volledig bedrag van de bezoldigingen van de jaren 1963 en volgende aan de Belgische belastingen onderworpen; maar bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens, zal men als aftrekbare bedrijfslasten boven het in art. 12 der wet van 20.11.1962 bedoelde forfait, een aanvullend forfait mogen aannemen van 20 % van het gedeelte der bezoldigingen dat 1.000.000 F niet overtreft; dit aanvullend forfait houdt rekening met de uitzonderlijke uitgaven waaraan de betrokkenen zijn blootgesteld ingevolge het verblijf buiten hun land, het onderhouden van twee woningen of het werkelijk behoud van het centrum van hun economische belangen in het buitenland.
7. Aangezien het aanvullende forfait van 20 % al de onder nr. 6 bedoelde uitzonderlijke uitgaven dekt, past het er de voormelde uitzonderlijke uitgaven van af te trekken, die door de vennootschap zouden zijn terugbetaald of te haren laste genomen (zie nochtans nr. 2.360, 8°, cod. B.B. voor de terugbetaling van onkosten wegens verhuizing of van andere soortgelijke uitgaven).
Boven het gewone en het aanvullende forfait zullen nochtans als bedrijfslasten mogen worden aangenomen, de belastingen, die aftrekbaar zouden zijn geweest van de inkomsten belastbaar in de B.B. en de A.P.B. van een aanslagjaar dat 1964 voorafgaat, indien deze belastingen tijdig waren gevestigd en ten laste genomen (art. 72, § 1, wet van 20.11.1962); het zal in feite over 't algemeen gaan om de B.B. en de A.P.B., die verband houden met de fiscale dienstjaren 1962 en vorige en die na 31.12.1962 betaald werden.
8. Hiervoren bedoelde personen met een in hoofdzaak reizende activiteit die grotendeels in het buitenland wordt uitgeoefend.
Het gedeelte van de bezoldigingen dat de in het buitenland uitgeoefende activiteit vergoedt blijft uit de belastbare winsten gesloten; bij gebrek aan gegevens die een nauwkeurige schifting mogelijk maken, mag dit gedeelte verder forfaitair op de helft van de totale jaarlijkse bezoldigingen worden bepaald. Het belastbaar gedeelte van de bezoldigingen moet, overeenkomstig art. 12, der wet van 20.11.1962, worden verminderd met de werkelijke of forfaitaire bedrijfslasten die op de in België uitgeoefende activiteit drukken. Het aanvullend forfait, waarvan sprake in nr. 6, is hier niet toepasselijk.
9. Beheerders van vennootschappen.
Het hiervoren uiteengezet regime kan - indien al de vereiste voorwaarden vervuld zijn - eveneens worden toegepast op de beheerders die in de inrichtingen of de vennootschappen bedoeld onder nr. 2, werkelijke en vaste functies in de zin van art. 25, § 2, der wet van 20.11.1962 uitoefenen, maar enkel wat betreft de met dergelijke functies verbandhoudende bezoldigingen. Het aanvullend forfait van 20 % op het gedeelte der bezoldigingen dat 1.000.000 F niet overtreft - bedoeld onder de nrs. 6 en 7 hiervoren - zal dus worden gevoegd bij het forfait van 5 % bepaald bij art. 12, 2° lid, 2, van de wet van 20.11.1962.
Om uit te maken of voormelde beheerders aan de onder nr. 4 beschreven voorwaarden voldoen, zal men onder meer rekening houden met de duur van hun mandaat.
Wat betreft de beheerders die de in de twee voorgaande alinea's bedoelde voorwaarden vervullen en die een in hoofdzaak reizende activiteit zouden hebben, welke grotendeels in het buitenland wordt uitgeoefend (cf. nr. 8 hierboven), zal het belastbaar bedrag van hun bedrijfsinkomsten, dat de helft van hun bezoldigingen uit hoofde van hun werkelijke en vaste functies alsmede hun andere eventuele vergoedingen omvat, worden verminderd met de bedrijfslasten die volgens het gewoon recht worden aangenomen (art. 12, 2° lid, 2°, wet 20.11.1962).
10. De voorgaande bepalingen mogen door de werkgever in aanmerking worden genomen om, met ingang van 1 januari 1963, de bij de bron verschuldigde bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen van de bovengenoemde personen te bepalen.
Het is evenwel wel verstaan dat de werkgever handelt op eigen verantwoordelijkheid en dat hij de aanvullende bedrijfsvoorheffing zou verschuldigd zijn ingeval bij het nazicht van de fiscale toestand van de betrokken leider of bediende zou blijken dat deze zich niet, of niet meer, in de vereiste voorwaarden bevindt om te genieten van het bij deze circulaire ingestelde bijzonder regime.
11. De toepassingsgevallen van onderhavige circ. die aanleiding zouden geven tot ernstige moeilijkheden zullen vóór taxatie aan het Hoofdbestuur worden voorgelegd; desnoods zullen vooraf de aanslagen nodig om de rechten van de Schatkist te vrijwaren worden gevestigd.
