Circulaire 2020/C/146 betreffende de Definitieve Vrijstellingen – Kapitaalgoederen en andere uitrusting ingevoerd ter gelegenheid van het verleggen van activiteiten van een derde land naar de Unie

DI 510.80, 510.81, 510.82 –, vrijstelling, kapitaalgoederen, bedrijf, staken van activiteiten, definitief, termijn, gebruik, uitsluiting, EU, voorwaarden

FOD Financiën, 20.11.2020
Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen

Inhoudstabel

Circulaire 2020/C/146 betreffende de Definitieve Vrijstellingen – Kapitaalgoederen en andere uitrusting ingevoerd ter gelegenheid van het verleggen van acitiviteiten van een derdeland naar de Unie

1. Inleiding

2. Definities

3. Wettelijke basis

4. Bevoegdheid voor het toekennen van de vrijstelling

5. Toekenningsvoorwaarden van de vrijstelling

5.1. Voorwaarden betreffende de goederen

5.2. Uitsluitingen betreffende de goederen

5.3. Voorwaarden met betrekking tot begunstigde personen (bedrijven)

5.4. Uitsluitingen die van toepassing zijn op begunstigden (bedrijven)

5.5. Voor de invoer van goederen vastgestelde termijn

5.6. Afwijking van de voorwaarden

6. Procedure

6.1. Aanvraag

6.2. Lijst

6.3. Bewijsstukken

6.4. Onmiddellijke beslissing tot toekenning van de vrijstelling bij de invoer

6.5. Invoer van goederen in meerdere keren

6.6. Voorwaardelijke vrijstelling

6.7. Gebruik van de goederen na invoer -Controle achteraf

7. Bepalingen inzake btw

7.1. Algemeenheden

7.2. Toepassingsmodaliteiten

7.3. Uitsluitingen inzake btw

8. Accijnzen

9. Samenvattende tabel

10. Slotbepalingen

BIJLAGEN

BIJLAGE I - Artikelen 28 tot en met 34 van de Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen.

BIJLAGE II Artikel 19 van het KB nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

BIJLAGE III Artikel 44 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarden van 3 juli 1969


1. Inleiding

1. Deze circulaire regelt de vrijstelling van de rechten en de btw bij invoer bij de definitieve invoer in België van kapitaalgoederen en andere uitrusting toebehorend aan bedrijven die hun activiteiten in een derde land definitief staken om een soortgelijke activiteit te komen uitoefenen in België.
Wat de accijnzen betreft, is er geen enkele vrijstelling van toepassing.
Enkel goederen die afkomstig zijn uit derde landen buiten de EU kunnen in aanmerking komen voor deze vrijstelling.
Voor de praktische modaliteiten voor het opmaken van de invoeraangiften, is het nuttig om de circulaire ED (Enig Document) en de betrokken werkmethodes te raadplegen (LINK).

2. Definities

2. Voor de toepassing van deze circulaire verstaat men onder:
Kapitaalgoederen”: Goederen die, wanneer zij worden gebruikt voor een economische activiteit, worden gekenmerkt door hun duurzame karakter en hun waarde, zodat de aankoopkosten normaliter niet als lopende uitgaven worden geboekt, maar over meerdere boekjaren worden afgeschreven.
Uitrusting”: Alle goederen die een productie-eenheid (bedrijf) verwerft voor gebruik in het productieproces gedurende ten minste één boekjaar (bv. werktuigen, machines, enz.).
Bedrijf”: Een autonome economische productie-eenheid.
“EU”: Het douanegebied van de Europese Unie, dat het grondgebied van de lidstaten omvat (zie Circulaire 2020/C/85)
Verordening DV”: Verordening (EG) 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen.

3. Wettelijke basis

3. De wettelijke basis waarvan de teksten als bijlage bij deze circulaire zijn toegevoegd, zijn de volgende:

1) Artikelen 28 tot en met 34 van de Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen

2) Artikel 19 van het KB nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

3) Artikel 44 van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde van 3 juli 1969 (WBTW)

4. Bevoegdheid voor het toekennen van de vrijstelling

4. Het diensthoofd van de Administratie Operaties is als enige bevoegd voor het toekennen van deze vrijstelling gezien haar specifieke aard. De vergunning wordt afgeleverd door de centrale component van de Administratie Operaties.

5. Toekenningsvoorwaarden van de vrijstelling

5. Onder de voorwaarden en binnen de grenzen van de artikelen 28 tot 34 van Verordening DV is de vrijstelling van toepassing op kapitaalgoederen en uitrusting (alle soorten) van elk bedrijf (ongeacht haar aard of rechtsvorm (NV, BVBA, S-BVBA, enz. ...)) die haar activiteiten van een derde land naar de EU binnen het douanegebied van de EU (hier, in België) overbrengt, ongeacht de sector waarin zij actief is.
6. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op kapitaalgoederen en andere uitrusting die toebehoren aan natuurlijke personen die een vrij beroep uitoefenen, alsook op rechtspersonen die een activiteit zonder winstoogmerk uitoefenen en die deze activiteit van een derde land naar het douanegebied van de Unie (hier, België) overbrengen.
Circulaire 2018/C/105 "Definitieve vrijstellingen - Algemeen" is ook nuttig te raadplegen

5.1. Voorwaarden betreffende de goederen

7. De vrijstelling is beperkt tot kapitaalgoederen en andere uitrusting (artikel 29 van de Verordening DV) die:
a) behoudens in door de omstandigheden gerechtvaardigde bijzondere gevallen, daadwerkelijk in het bedrijf zijn gebruikt gedurende ten minste twaalf maanden vóór het staken van de activiteiten van het bedrijf in het derde land waarvandaan het is overgebracht;
b) bestemd zijn om na deze overbrenging voor dezelfde doeleinden te worden gebruikt;
c) in overeenstemming zijn met de aard en de omvang van het betrokken bedrijf.
Het belangrijkste criterium waarmee rekening moet worden gehouden voor kapitaalgoederen en andere uitrusting is duurzaamheid. Deze activa moeten gedurende meerdere jaren (boekjaren) kunnen worden gebruikt.
Voorbeeld
Een verzekeringsmaatschappij die haar hoofdkantoor naar België verplaatst, voert in het algemeen al haar kantoormateriaal, meubilair, al haar computers en andere IT-apparatuur en al haar archieven (in welke vorm dan ook) in. Wanneer een dergelijk bedrijf beweert zijn hoofdkantoor te verplaatsen zonder enig meubilair of computerapparatuur te verhuizen, werpt dat vragen op.
Let ook op dat de goederen waarvoor de vrijstelling wordt aangevraagd, moeten overeenstemmen met de activiteit en de omvang van de onderneming.
Voorbeeld
Een bedrijf dat aan metaalproductie op industriële omvang doet en dat miljoenen tonnen produceert en zijn activiteiten naar België overbrengt, kan niet slechts één enkele hoogoven belastingvrij invoeren.

5.2. Uitsluitingen betreffende de goederen

8. Van de vrijstelling zijn uitgesloten:
a) vervoermiddelen die niet het karakter bezitten van productiemiddelen of middelen in het kader van dienstverlening;
b) voorraden van ongeacht welke aard, bestemd voor menselijk verbruik of voor voeding van dieren;
c) brandstoffen en voorraden grondstoffen, eindproducten of halffabricaten;
d) vee dat in het bezit is van veekooplieden.
Om te bepalen welk vervoermiddel al dan niet is uitgesloten, moet rekening worden gehouden met de bedrijfstak van het bedrijf en het gebruik van het voertuig.
Voorbeeld
voertuigen die speciaal zijn uitgerust voor de rijopleiding worden beschouwd als kapitaalgoederen en uitrustingsgoederen voor een rijschool die haar activiteiten naar België overbrengt.
De andere uitgesloten goederen zijn niet duurzaam van aard. Ze worden gebruikt/verwerkt tijdens het productieproces en kunnen daarom niet worden gebruikt gedurende meerdere jaren.
Voorbeeld
Een industrieel melkveebedrijf dat zijn activiteiten als gevolg van Brexit van het Verenigd Koninkrijk naar België verplaatst, kan geen aanspraak maken op de vrijstelling voor zijn 200 stuks vee, noch voor het voer en het stro dat nodig is voor het vervoer ervan. Voor zijn melk- en melkproductieapparatuur en zijn transportwagens die zijn uitgerust voor veetransport en duurzame (herbruikbare) opbergmiddelen kan hij wel aanspraak maken op een vrijstelling.

5.3. Voorwaarden met betrekking tot begunstigde personen (bedrijven)

9. De vrijstelling wordt verleend aan bedrijven (zowel natuurlijke als rechtspersonen). Deze vrijstelling wordt ook verleend aan personen die een vrij beroep uitoefenen en aan rechtspersonen die een activiteit zonder winstoogmerk uitoefenen en die deze activiteit van een derde land naar België overbrengen (artikel 34 Verordening DV).
Dit betekent dat het noodzakelijk is een commerciële of industriële activiteit of een zelfstandige of filantropische activiteit (in een professionele hoedanigheid) uit te oefenen om aanspraak te kunnen maken op het voordeel van deze vrijstelling: een eenvoudige particulier zonder activiteit kan geen aanvraag indienen.

5.4. Uitsluitingen die van toepassing zijn op begunstigden (bedrijven)

10. Bedrijven waarvan de overbrenging naar België als oorzaak dan wel tot doel heeft een fusie met of een overname door een bedrijf dat in het douanegebied van de Unie is gevestigd, zonder dat een nieuwe activiteit wordt ondernomen, zijn van de vrijstelling uitgesloten.
Voorbeelden:

1) Onderneming A, een in de EU gevestigde vlakglasfabrikant, fuseert met onderneming B, een buiten de EU gevestigde vlakglasfabrikant. Goederen (productielijnen) die vroeger eigendom waren van B en in België ingevoerd worden, zijn uitgesloten van de vrijstelling. Het gaat immers om identieke activiteiten die geen nieuwe activiteit brengt..

2) Hetzelfde in de EU gevestigde vlakglasbedrijf A neemt bedrijf C, dat (gelamineerde) voorruiten voor voertuigen vervaardigt die buiten de EU zijn gevestigd. In dit geval kunnen de goederen (productielijnen) die voorheen eigendom waren van onderneming C met vrijstelling ingevoerd worden. De productie van voorruiten (gelaagd glas) is namelijk een nieuwe activiteit voor onderneming A.

3) Een verzekeringsmaatschappij die zowel in de EU (Brussel) als in Afrika (Nigeria) is gevestigd, sluit haar kantoor in Nigeria. Zij vraagt een vrijstelling aan voor de invoer in België van haar kantoormateriaal dat tot nu toe in haar kantoor in Lagos (Nigeria) werd gebruikt. De vrijstelling wordt geweigerd omdat er geen nieuwe activiteit op het grondgebied van de EU wordt gecreëerd, maar een eenvoudige fusie tussen twee entiteiten.

5.5. Voor de invoer van goederen vastgestelde termijn

11. Behoudens door de omstandigheden gerechtvaardigde bijzondere gevallen, wordt de vrijstelling slechts verleend voor kapitaalgoederen en andere uitrusting die voor het vrije verkeer zijn aangegeven vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum van het staken van de activiteiten van het bedrijf in het derde land van herkomst (artikel 32 Verordening DV).
Voorbeeld:
Een onderneming staakt haar activiteiten buiten de EU op 01/10/2019 en draagt haar activiteiten binnen de EU over. Zij wordt dus verondersteld haar activiteiten in België te starten vóór 30/09/2020 en moet dus alle goederen die voor de vrijstelling in aanmerking komen vóór deze datum invoeren.

5.6. Afwijking van de voorwaarden

12. Indien hij wenst af te wijken van voormelde voorwaarden (zie artikel 29, onder a) Verordening DV – 12 maanden gebruik in het derde land vóór de overdracht van de activiteit), moet de betrokkene een schriftelijk, gedateerd en ondertekend ATTEST indienen waarin hij, naar gelang van het geval, de bijzondere omstandigheden uiteenzet die niettemin de toekenning van de vrijstelling kunnen rechtvaardigen.
Indien de aangevoerde omstandigheden dit vereisen, moet het attest worden gestaafd met de noodzakelijk geachte documenten. Het feit dat de betrokkene niets doet, is geen bijzondere omstandigheid die een afwijking rechtvaardigt.
Voorbeelden van afwijking:
Wanneer de overdracht van de activiteit plaatsvindt wegens (of gedurende) bijzondere omstandigheden waardoor de goederen (of een deel ervan) niet voldoen aan de voorwaarde van 12 maanden gebruik, hebben de Belgische douaneautoriteiten het recht om officiële documenten te vragen (officiële verklaringen van de autoriteiten van het land van oorsprong in geval van maatschappelijke bewegingen die het gebruik van de goederen gedurende 12 maanden zouden hebben verhinderd) om gebeurtenissen waarvan zij geen kennis hebben, te rechtvaardigen. Dit is niet nodig voor gebeurtenissen van mondiaal belang waarvan deze Belgische douaneautoriteiten op de hoogte zijn (wereldwijde gezondheidscrisis). Ook moeilijkheden bij het verkrijgen van dergelijke officiële verklaringen zouden een afwijking kunnen rechtvaardigen. In dit geval zou een chronologie van de genomen stappen en de tijd die is besteed, evenals bewijsmateriaal (door alle middel) van de genoemde externe oorzaken van deze moeilijkheden (een land dat wordt geteisterd door een tyfoon kan bijvoorbeeld niet onmiddellijk dergelijke verklaringen afgeven) het verzoek kunnen onderbouwen.
13. Indien hij wenst af te wijken van voormelde voorwaarden (zie artikel 32 Verordening DV - vrijgave voor het vrije verkeer in België 12 maanden na stopzetting van de activiteit), moet de betrokkene een schriftelijk, gedateerd en ondertekend ATTEST - indienen waarin hij, naargelang het geval, de bijzondere omstandigheden registreert die de toekenning van de vrijstelling kunnen rechtvaardigen.
Indien de aangevoerde omstandigheden dit vereisen, moet het attest worden gestaafd met de noodzakelijk geachte documenten.
Voorbeeld:
Een onderneming staakt haar activiteiten buiten de EU op 01/10/2019 en draagt haar activiteiten binnen de EU over. Zij wordt dus verondersteld haar activiteiten in België te starten vóór 30/09/2020 en moet dus alle goederen die voor de vrijstelling in aanmerking komen vóór deze datum invoeren. De ontmanteling van de productie-, transport- en verpakkingslijnen wordt echter verstoord door een wereldwijde gezondheidscrisis. In dit geval kan de termijn voor de invoer van de goederen, gezien de bijzondere omstandigheden, worden verlengd tot meer dan twaalf maanden.
Het loutere stilzitten van de betrokkene is geen bijzondere omstandigheid.

6. Procedure

6.1. Aanvraag

14. De aanvraag (schriftelijk en elektronisch indien mogelijk) tot toelating om met vrijstelling in te voeren, wordt vóór de invoer van de goederen ingediend bij de centrale component van de Administratie Operaties van de AAD (lang genoeg vóór de invoer om de AAD in staat te stellen de aanvraag te behandelen). Deze aanvraag moet de volgende informatie bevatten
- de datum van het staken van de activiteiten van het bedrijf in het derde land van herkomst;
- de plaats van vestiging in België;
- datum van aanvang van de activiteiten door het bedrijf in België;
- datum van invoer van de betrokken goederen;
- het Belgisch douanekantoor waarlangs de invoer zal plaatsvinden.
Bovendien moet in de aanvraag worden bevestigd dat aan alle voorwaarden voor het verlenen van de vrijstelling is voldaan.
De aanvraag moet worden ondertekend door twee personen die bevoegd zijn het bedrijf financieel te betrekken.
Om de Administratie Operaties in staat te stellen aanvullende informatie te verkrijgen, moet de aanvraag in voorkomend geval de naam en het adres vermelden van een in België gevestigde persoon of onderneming die in dit verband kan worden geraadpleegd.

6.2. Lijst

15. Samen met de aanvraag dient de aanvrager een lijst van de goederen in met een gedetailleerde beschrijving ervan, hun gebruikelijke naam, en de waarde van elke goed . De verschillende punten op de lijst worden genummerd in een ononderbroken reeks.
Deze lijst wordt opgesteld in PDF-formaat en bij de aanvraag tot vrijstelling gevoegd.
16. De lijst moet de volgende vermelding bevatten:
“De volledige lijst van kapitaalgoederen en andere uitrusting toebehorend aan …. (bedrijfsnaam) die worden geïmporteerd uit ………………………… (land van oorsprong en adres) naar …………………………………………………… (adres van de plaats van vestiging in België) ter gelegenheid van de overdracht van activiteiten"
De volgende verklaring moet na het laatste artikel verschijnen:
"Ik verklaar de volledigheid van deze lijst, die ………………………………………………… (getal in woorden) artikelen omvat. De vrijstelling zal niet worden aangevraagd voor goederen die niet in deze lijst zijn opgenomen. De invoer vindt in één keer plaats/of in meerdere keren (schrappen wat niet past)".

De lijst moet worden ondertekend door twee personen die het bedrijf financieel kunnen betrekken .

6.3. Bewijsstukken

17. Op het ogenblik dat de aanvraag wordt ingediend, dienen zoveel mogelijk bewijsstukken te worden overgelegd in verband met het verleggen van de activiteiten (o.a. bewijzen inzake de stopzetting van de activiteiten in het land van herkomst van de goederen, de voortzetting van die activiteiten in België door overlegging van bijvoorbeeld de stichtingsakte van het bedrijf in België, het overbrengen van de vestigingsplaats van het bedrijf door overlegging van bijvoorbeeld een verklaring van een officiële overheid van het land van vertrek, enz.).
18. Bij de aanvraag dient ook een gedateerde en door de bevoegde en verantwoordelijke personen ondertekende verbintenis te worden gevoegd, waarin deze zich verbinden na de invoer van de goederen, in voorkomend geval de verschuldigde invoerbelastingen onmiddellijk te betalen wanneer deze opeisbaar worden. Bovendien moeten zij zich ertoe verbinden de centrale component van de Administratie Operaties en het plaatselijke bevoegde dienst van de douane in wiens rechtsgebied het bedrijf dat de kapitaalgoederen en andere uitrustingsgoederen heeft ingevoerd gevestigd is, op de hoogte te brengen als zich een of meer van de in artikel 33 Verordening DV bedoelde situaties voordoen, en de betrokken douanediensten alle faciliteiten te verlenen om elk van de controles die in de gegeven omstandigheden noodzakelijk worden geacht, mogelijk te maken.

6.4. Onmiddellijke beslissing tot toekenning van de vrijstelling bij de invoer

19. De vrijstelling is, met uitzondering van in door de omstandigheden gerechtvaardigde bijzondere gevallen, afhankelijk van een VOOR DE INVOER van de betrokken goederen door het hoofd van de Administratie Operaties van de AAD uitgereikte vergunning.
Deze vergunning wordt uitgereikt aan het belanghebbend bedrijf en wordt tevens medegedeeld aan de betrokken douanediensten (invoerkantoor en ambtenaar belast met de controle achteraf)

6.5. Invoer van goederen in meerdere keren

20. Kapitaalgoederen en andere uitrusting die onder de vrijstelling vallen, mogen in verschillende zendingen worden ingevoerd door het in de vergunning vermelde douane hulpkantoor/oren.
Elke zending die afzonderlijk bij een niet in de vergunning genoemd douanehulpkantoor wordt aangeboden, moet vergezeld gaan van een (bij voorkeur digitale) kopie van de door de Centrale Administratie afgegeven vergunning voor vrijstelling: de referentie van deze vergunning moet op de invoeraangifte worden vermeld.

6.6. Voorwaardelijke vrijstelling

21. Niet van toepassing gezien de omvang van de betrokken bedragen en het waarborgen van de rechtszekerheid van de economische operatoren en voor de economische transacties.
De belastingvrije invoervergunning moet worden aangevraagd en afgegeven (of geweigerd) VOORDAT de betrokken goederen daadwerkelijk worden ingevoerd. Daarom moet het altijd worden voorgelegd op het moment van de invoer

6.7. Gebruik van de goederen na invoer -Controle achteraf

22. Tot het verstrijken van een termijn van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de aangifte daarvan voor het vrije verkeer is aanvaard, mogen met vrijstelling ingevoerde kapitaalgoederen en andere uitrusting niet worden uitgeleend, verpand, verhuurd, noch onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen, zonder dat de bevoegde autoriteiten daarvan vooraf in kennis zijn gesteld.
Deze termijn kan tot 36 maanden worden verlengd voor verhuur of overdracht in geval van risico van misbruik.
Het uitlenen, verpanden, verhuren of overdragen vóór het verstrijken van de hierboven vermelde termijn leidt tot toepassing van de voor de betrokken goederen geldende rechten bij invoer, tegen het op de datum van het uitlenen, verpanden, verhuren of overdragen geldende tarief, zulks naar de soort en op grondslag van de douanewaarde die op die datum door de bevoegde autoriteiten als juist zijn erkend of aanvaard

7. Bepalingen inzake btw

7.1. Algemeenheden

23. Zoals bij invoerrechten mogen kapitaalgoederen en andere uitrusting die toebehoren aan ondernemingen die hun activiteit in het land van oorsprong beëindigen om een soortgelijke activiteit in België uit te oefenen, volledig vrij van btw worden ingevoerd, binnen de grenzen en onder de voorwaarden van artikel 19 van het van het KB nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.
De vrijstelling is onderworpen aan:
- de registratie van de onderneming bij de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO), die haar dan een ondernemingsnummer zal geven,
- de voorafgaande indiening van de aangifte nr. 604A ‘Aanvraag tot identificatie voor btw-doeleinden bij aanvang van een activiteit’ bij het bevoegde centrum voor grote ondernemingen (GO) of voor kleine en middelgrote ondernemingen (KMO) van de Algemene Administratie Fiscaliteit. Deze activiteit moet hun de status van belastingplichtige voor btw-doeleinden geven.
In geval van twijfel kunnen de douaneautoriteiten de btw-controledienst waartoe de aanvrager van de vrijstelling behoort, om bevestiging vragen dat de aangifte is ingediend en dat de aanvrager een belastingplichtige is.

7.2. Toepassingsmodaliteiten

24. De toepassingsmodaliteiten die zijn bepaald inzake invoerrechten zijn “mutatis mutandis” van toepassing inzake btw.

7.3. Uitsluitingen inzake btw

25. Er wordt geen vrijstelling van btw verleend voor de invoer van kapitaalgoederen en uitrusting die toebehoren aan personen die activiteiten verrichten die zijn vrijgesteld krachtens de artikelen 132, 133, 135 en 136 van Richtlijn 2006/112/EG, die bij artikel 44 van het WBTW (opgenomen in bijlage III) in Belgisch recht zijn omgezet.
Zijn reeds vrijgesteld van Belgische btw, bepaalde activiteiten van algemeen belang, zoals die in de medische en paramedische sector, in het onderwijs, de cultuur, het bankwezen, het verzekeringswezen, het onroerend goed, ... . Voor meer informatie over dit onderwerp wordt verwezen naar de btw-commentaar – Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het WBTW (LINK).
26. Anderzijds zijn de vrije beroepen (advocaten, notarissen, ...) die niet in aanmerking komen voor deze btw-vrijstelling in verband met de uitoefening van hun activiteit, niet uitgesloten van de btw-vrijstelling voor de invoer van kapitaalgoederen en andere uitrusting.
Zij mogen dus kapitaalgoederen en andere uitrusting die voldoen aan de voorwaarden van artikel 19 van het KB nr. 7 vrij van btw invoeren.

8. Accijnzen

27. Er bestaat geen vrijstelling van accijnzen voor de invoer van kapitaalgoederen en andere uitrusting vanuit een derde land naar de EU.

9. Samenvattende tabel

28.

Toekenningsvoorwaarden van de vrijstelling

Bedrijf

- Definitieve staking van activiteiten in derde land

- Uitoefenen van soortgelijke activiteiten in het douanegebied van de Unie (België)

- Mbt. Douane: Natuurlijke of rechtspersoon onder welke rechtsvorm dan ook, in welke bedrijfstak dan ook

Goederen

Kapitaalgoederen en andere uitrusting toebehorend aan het bedrijf

Termijn/Gebruik

- Twaalf maand effectief gebruik (buiten EU) voor overdracht van activiteiten

- Inverbruikstelling uiterlijk 12 maanden na overdracht van de activiteiten

- Verlenging mogelijk in bijzondere omstandigheden

Uitsluitingen

- Vervoermiddelen die niet het karakter bezitten van productiemiddelen of middelen in het kader van dienstverlening;

- Voorraden van ongeacht welke aard, bestemd voor menselijk verbruik of voor voeding van dieren;

- Brandstoffen en voorraden grondstoffen, eindproducten of halffabricaten;

- Vee dat in het bezit is van veekooplieden.

- Voor btw-doeleinden: personen die op grond van de artikelen 132, 133, 135 en 136 van Richtlijn 2006/112/EG vrijgestelde activiteiten verrichten (zie artikel 44 WBTW).

10. Slotbepalingen

29. Deze circulaire vervangt de vroegere wettelijke en reglementaire bepalingen (en de commentaren ervan) van Hoofdstuk I, Titel VIII (Kapitaalgoederen en andere uitrusting, ingevoerd ter gelegenheid van het verleggen van activiteiten) van de Instructie Definitieve Vrijstellingen 1984 – DI 510.0 en heft de genoemde bepalingen op.

Voor de Administrateur-generaal van de douane en accijnzen

Jo Lemaire
Adviseur-generaal

BIJLAGEN

BIJLAGE I - Artikelen 28 tot en met 34 van de Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen.

HOOFDSTUK VII
Kapitaalgoederen en andere uitrusting, ingevoerd ter gelegenheid van het verleggen van activiteiten van een derde land naar de Gemeenschap

Artikel 28
1. Onverminderd de in de lidstaten vigerende industriële en commerciële beleidsmaatregelen, zijn, behoudens de artikelen 29 tot en met 33, van rechten bij invoer vrijgesteld kapitaalgoederen en andere uitrusting toebehorende aan bedrijven die hun activiteiten in een derde land definitief staken om een soortgelijke activiteit te komen uitoefenen in het douanegebied van de Gemeenschap.
Wanneer het overgebrachte bedrijf een landbouwbedrijf is, is ook het levende vee van rechten bij invoer vrijgesteld.
2. Voor de toepassing van lid 1 wordt onder „bedrijf” verstaan een volledige economische productie-eenheid.

Artikel 29
De in artikel 28 bedoelde vrijstelling is beperkt tot kapitaalgoederen en andere uitrusting die:
a) behoudens in door de omstandigheden gerechtvaardigde bijzondere gevallen, daadwerkelijk in het bedrijf zijn gebruikt gedurende ten minste twaalf maanden vóór het staken van de activiteiten van het bedrijf in het derde land waarvandaan het is overgebracht;
b) bestemd zijn om na deze overbrenging voor dezelfde doeleinden te worden gebruikt;
c) in overeenstemming zijn met de aard en de omvang van het betrokken bedrijf.

Artikel 30
Van de vrijstelling zijn uitgesloten bedrijven waarvan de overbrenging naar het douanegebied van de Gemeenschap als oorzaak dan wel tot doel heeft een fusie met of een overname door een bedrijf dat in het douanegebied van de Gemeenschap is gevestigd, zonder dat een nieuwe activiteit wordt ondernomen.

Artikel 31
Van de vrijstelling zijn uitgesloten:
a) vervoermiddelen die niet het karakter bezitten van productiemiddelen of middelen in het kader van dienstverlening;
b) voorraden van ongeacht welke aard, bestemd voor menselijk verbruik of voor voeding van dieren;
c) brandstoffen en voorraden grondstoffen, eindproducten of halffabricaten;
d) vee dat in het bezit is van veekooplieden.

Artikel 32
Behoudens door de omstandigheden gerechtvaardigde bijzondere gevallen, wordt de in artikel 28 bedoelde vrijstelling slechts verleend voor kapitaalgoederen en andere uitrusting die voor het vrije verkeer zijn aangegeven vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum van het staken van de activiteiten van het bedrijf in het derde land van herkomst.

Artikel 33
1. Tot het verstrijken van een termijn van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de aangifte daarvan voor het vrijeverkeer is aanvaard, mogen met vrijstelling ingevoerde kapitaalgoederen en andere uitrusting niet worden uitgeleend, verpand, verhuurd, noch onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen, zonder dat de bevoegde autoriteiten daarvan vooraf in kennis zijn gesteld.
Deze termijn kan tot 36 maanden worden verlengd voor verhuur of overdracht in geval van risico van misbruik.
2. Het uitlenen, verpanden, verhuren of overdragen vóór het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn leidt tot toepassing van de voor de betrokken goederen geldende rechten bij invoer, tegen het op de datum van het uitlenen, verpanden, verhuren of overdragen geldende tarief, zulks naar de soort en op grondslag van de douanewaarde die op die datum door de bevoegde autoriteiten als juist zijn erkend of aanvaard.

Artikel 34
De artikelen 28 tot en met 33 zijn van overeenkomstige toepassing op kapitaalgoederen en andere uitrusting, toebehorend aan personen die een vrij beroep uitoefenen of aan rechtspersonen die een activiteit zonder winstoogmerk uitoefenen en die deze activiteit van een derde land naar het douanegebied van de Gemeenschap verleggen.

BIJLAGE II Artikel 19 van het KB nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

Artikel 19
§ 1. Onder voorbehoud van het bepaalde in de paragrafen 2 tot en met 6 wordt vrijstelling van de belasting verleend voor de definitieve invoer van kapitaalgoederen en andere uitrusting toebehorend aan bedrijven die hun activiteiten in een derde land of een derdelands gebied van herkomst definitief staken om een soortgelijke activiteit te komen uitoefenen in de Gemeenschap en die overeenkomstig artikel 213, lid 1, van Richtlijn 2006/112/EG aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de activiteit wordt uitgeoefend vooraf opgave hebben gedaan van het begin van deze activiteit.
Wanneer het overgebrachte bedrijf een landbouwbedrijf is, wordt ook voor het levende vee vrijstelling verleend.
§ 2. In de zin van paragraaf 1 wordt verstaan onder:
1° "activiteit", een in artikel 4, § 1, van het Wetboek bedoelde economische activiteit;
2° "bedrijf", een zelfstandige economische productie-eenheid of dienstverlenende eenheid.
§ 3. De vrijstelling is beperkt tot kapitaalgoederen en andere uitrusting die:

1° behoudens in door de omstandigheden gerechtvaardigde bijzondere gevallen, daadwerkelijk in het bedrijf zijn gebruikt gedurende ten minste twaalf maanden vóór het staken van de activiteiten van het bedrijf in het derde land of derdelands gebied waarvandaan het bedrijf is overgebracht;
2° bestemd zijn om na deze overbrenging voor dezelfde doeleinden te worden gebruikt;
3° bestemd zijn voor de uitoefening van een activiteit die niet is vrijgesteld op grond van de artikelen 132, 133, 135 en 136 van Richtlijn 2006/112/EG;
4° in overeenstemming zijn met de aard en de omvang van het betrokken bedrijf.
§ 4. Van de vrijstelling zijn uitgesloten buiten de Gemeenschap gevestigde bedrijven waarvan de overbrenging naar het grondgebied van de Gemeenschap als oorzaak dan wel tot doel heeft een fusie met of een overname door een in de Gemeenschap gevestigd bedrijf zonder dat een nieuwe activiteit wordt ondernomen.
§ 5. Van de vrijstelling zijn uitgesloten:
1° vervoermiddelen die niet het karakter bezitten van productiemiddelen of middelen in het kader van dienstverrichting;
2° voorraden van ongeacht welke aard, bestemd voor menselijk verbruik of voor voeding van dieren;
3° brandstoffen en voorraden grondstoffen, eindproducten of halffabricaten;
4° vee dat in het bezit is van veekooplieden.
§ 6. Behoudens door de omstandigheden gerechtvaardigde bijzondere gevallen, wordt de vrijstelling slechts verleend voor kapitaalgoederen en andere uitrusting die zijn ingevoerd vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum van het staken van de activiteiten van het bedrijf in het derde land of derdelands gebied van herkomst.

BIJLAGE III Artikel 44 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarden van 3 juli 1969

Artikel 44

(De tekst van artikel 44, § 1 en § 2, 1°, a), werd gedeeltelijk vernietigd bij het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 194/2019 d.d. 05.12.2019 (B.S. 16.01.2020, p. 1273). De artikelen 110, 111 en 112 van de wet van 26 december 2015 (B.S. 30.12.2015, Ed. 2, pg. 80634) werden gedeeltelijk vernietigd. Het Hof handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen voor wat alle belastbare feiten betreft die hebben plaatsgevonden vóór 01.10.2019)
1. Van de belasting zijn vrijgesteld de diensten door de nagenoemde personen verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid:
artsen, tandartsen en kinesitherapeuten.
De vrijstelling bedoeld in de bepaling onder 1°, geldt niet voor de door artsen verrichte diensten die betrekking hebben op ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter:
a) (vernietigd);
b) (vernietigd);
vroedvrouwen, verpleegkundigen en zorgkundigen;
beoefenaars van een erkend en gereglementeerd paramedisch beroep met betrekking tot hun diensten van paramedische aard die zijn opgenomen in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.] [zie noot (1) ]
§ 2. Van de belasting zijn eveneens vrijgesteld:

a) de ziekenhuisverpleging en de medische verzorging alsmede de diensten en de leveringen van goederen die daarmee nauw samenhangen, verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid door ziekenhuizen, psychiatrische inrichtingen, klinieken en dispensaria.
Van de vrijstelling bedoeld in de bepaling onder a) zijn uitgesloten, de ziekenhuisverpleging en de medische verzorging alsmede de diensten en de leveringen van goederen die daarmee nauw samenhangen die betrekking hebben op de ingrepen en behandelingen als bedoeld in paragraaf 1, 1°, tweede lid;
b) het vervoer van zieken of gewonden met speciaal daartoe uitgeruste vervoermiddelen;
1°bis (opgeheven);
1°terde leveringen van menselijke organen, van menselijk bloed en van moedermelk;
de diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk, met de sociale zekerheid en met de bescherming van kinderen en jongeren en die worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard worden erkend.
Worden met name bedoeld:
- de instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben;
- de kinderbewaarplaatsen, de zuigelingentehuizen en de instellingen die in hoofdzaak het toezicht over jongelui en de zorg voor hun onderhoud, opvoeding en vrijetijdsbesteding tot doel hebben;
- de instellingen voor gezinshulp;
- de centra voor levens- en gezinsvragen;
- de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
- de psycho-medisch-sociale centra en de centra voor leerlingenbegeleiding;
- de instellingen die de gehandicaptenzorg tot doel hebben;
- de instellingen die de begeleiding, de omkadering of de opvang van personen die zich in materiële of morele moeilijkheden bevinden tot doel hebben;
- de instellingen bedoeld in het koninklijk besluit van 17 december 2003 betreffende de subsidiëring van instellingen die voorzien in een gespecialiseerde begeleiding voor burgers die betrokken zijn in een gerechtelijke procedure;
- de externe diensten erkend bij het koninklijk besluit van 27 maart1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk en de gemeenschappelijke interne diensten die voldoen aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 27 oktober 2009 betreffende de oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst voor preventie en bescherming op het werk;
de diensten verstrekt door exploitanten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding aan personen die er aan lichamelijke ontwikkeling of aan sport doen, wanneer die exploitanten en inrichtingen instellingen zijn die geen winstoogmerk hebben en zij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruiken tot dekking van de kosten ervan;

a) het school- of universitair onderwijs, waaronder onderwijs aan kinderen en jongeren, en de beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van het verrichten van nauw hiermee samenhangende diensten en leveringen van goederen zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgestelde onderwijs gebruikt didactisch materiaal, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die daartoe als lichamen met soortgelijke doeleinden worden aangemerkt, voor zover voornoemde lichamen niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet worden uitgekeerd maar worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de voornoemde diensten;
b) de lessen die particulier door leerkrachten worden gegeven en die betrekking hebben op school- of universitair onderwijs;
de diensten betreffende onderwijskeuze en gezinsvoorlichting alsook de nauw daarmee samenhangende leveringen van goederen;
de verhuur van boeken en tijdschriften, van muziekpartituren, grammofoonplaten, magneetbanden, diapositieven en van andere dergelijke voorwerpen van culturele aard, en de diensten aan de lezers verstrekt door bibliotheken en leeszalen, wanneer de dienstverrichter een instelling is die geen winstoogmerk heeft en hij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruikt tot dekking van de kosten ervan alsmede de leveringen van goederen die nauw samenhangen met deze handelingen;
de diensten en de leveringen van goederen die daarmee nauw samenhangen die door de exploitant aan de bezoekers worden verstrekt met betrekking tot al of niet geleid bezoek aan musea, monumenten, natuurmonumenten, plantentuinen en dierentuinen, wanneer die exploitant een instelling is die geen winstoogmerk heeft en hij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruikt tot dekking van de kosten ervan;
de diensten aan organisatoren van voordrachten verstrekt door voordrachtgevers die als zodanig handelen; de diensten aan organisatoren van schouwspelen en concerten, aan uitgevers van grammofoonplaten en van andere klankdragers en aan makers van films en van andere beelddragers verstrekt door acteurs, orkestleiders, muzikanten en andere artiesten voor de uitvoering van toneelwerken, balletten, films, muziekstukken, circus-, variété- of cabaretvoorstellingen; de diensten aan organisatoren van sportwedstrijden of sportfeesten verstrekt door deelnemers aan die wedstrijden of feesten;
de organisatie van toneel-, ballet- of filmvoorstellingen, van tentoonstellingen, concerten of conferenties alsook de leveringen van goederen die nauw samenhangen met deze diensten door instellingen erkend door de bevoegde overheid, mits de inkomsten die zij verkrijgen uit hun werkzaamheid uitsluitend gebruikt worden tot dekking van de kosten ervan;
10° de terbeschikkingstelling van personeel door religieuze of levensbeschouwelijke instellingen voor de in 1°, 2° en 4° bedoelde werkzaamheden, of met het oog op de verlening van geestelijke bijstand;
11° de diensten en de nauw daarmee samenhangende leveringen van goederen ten behoeve en in het gemeenschappelijk belang van hun leden, verricht tegen betaling van een krachtens de statuten bepaalde bijdrage, door instellingen die geen winst beogen en doeleinden van politieke, syndicale, religieuze, levensbeschouwelijke, vaderlandslievende, filantropische of staatsburgerlijke aard nastreven; de Koning kan, ter voorkoming van concurrentieverstoring, de vrijstelling afhankelijk maken van aanvullende voorwaarden;
12° de diensten en de leveringen van goederen door lichamen waarvan de handelingen overeenkomstig de punten 1°, a), 2° tot 4°, a), 6°, 7°, 9° en 11° zijn vrijgesteld, in samenhang met activiteiten die zijn bestemd ter verkrijging van financiële steun en die uitsluitend ten bate van henzelf zijn georganiseerd, mits deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden;
13° de levering van goederen die uitsluitend ten behoeve van een op grond van dit artikel vrijgestelde activiteit werden aangewend als voor al deze goederen geen recht op aftrek is genoten; de overdracht van een cliënteel of het verlenen van rechten op een cliënteel, dat betrekking heeft op een op grond van dit artikel vrijgestelde activiteit; de levering van goederen waarvan de verkrijging of de bestemming het voorwerp heeft uitgemaakt van een uitsluiting van het recht op aftrek overeenkomstig artikel 45, § 3, van dit Wetboek.
§ 2bis. Van de belasting zijn vrijgesteld de diensten verricht aan hun leden door zelfstandige groeperingen van personen onder de navolgende voorwaarden:
de leden van de groepering oefenen op geregelde wijze een activiteit uit die op grond van dit artikel is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn. De vrijgestelde handelingen of de handelingen waarvoor de leden niet belastingplichtig zijn, vertegenwoordigen een overwegend deel van de activiteit van de leden;
de activiteiten van de groepering bestaan in het verrichten van diensten aan haar leden die direct nodig zijn voor hun vrijgestelde activiteit of voor hun activiteit waarvoor zij niet belastingplichtig zijn. Indien de groepering ook handelingen verricht aan niet-leden, vertegenwoordigen de handelingen verricht aan haar leden een overwegend deel van de activiteit van de groepering;
de aan ieder lid aangerekende vergoeding of retributie vertegenwoordigt enkel de terugbetaling van zijn aandeel in de door de groepering gedane gezamenlijke uitgaven;
de vrijstelling leidt niet tot concurrentieverstoring.
Onder "zelfstandige groepering van personen" wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan:
de vereniging met rechtspersoonlijkheid;
de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die onder een eigen benaming als afzonderlijke vereniging of groepering tegenover haar leden en tegenover derden optreedt.
Bij de aanvang van haar activiteit is de zelfstandige groepering van personen die uitsluitend diensten verricht die zijn vrijgesteld, ertoe gehouden daarvan aangifte te doen bij het controlekantoor belast met de belasting over de toegevoegde waarde waaronder zij ressorteert binnen de maand die volgt op de aanvang van deze activiteit. Deze groepering is er bovendien toe gehouden om aan dat kantoor een lijst voor te leggen van haar leden alsook van de aard van hun activiteit binnen diezelfde termijn. In geval van toetreding of vertrek van een lid, bij wijziging van de activiteit van de groepering of van één van haar leden of bij stopzetting van de activiteit, is de groepering ertoe gehouden het voornoemd kantoor daarvan in te lichten binnen de maand die volgt op voormelde gebeurtenis.
Elke andere zelfstandige groepering dan die bedoeld in het derde lid, is er eveneens toe gehouden om bij het controlekantoor belast met de belasting over de toegevoegde waarde waaronder zij ressorteert binnen de maand die volgt op de aanvang van haar activiteit een lijst voor te leggen van haar leden alsook van de aard van hun activiteit. Zij is er bovendien toe gehouden om het voornoemd kantoor in te lichten van elke toetreding of vertrek van een lid of wijziging van de activiteit van één van haar leden binnen de maand die volgt op voormelde gebeurtenis.
Een zelfstandige groepering van personen die op 1 juli 2016 reeds een in het eerste lid bedoelde activiteit uitoefent, is ertoe gehouden het controlekantoor belast met de belasting over de toegevoegde waarde waaronder zij ressorteert daarvan binnen de maand vanaf voornoemde datum in te lichten en alle verplichtingen na te leven die worden bepaald, al naargelang het geval, in het derde of het vierde lid.
De Koning stelt de nadere praktische formaliteiten vast voor de aangifte- en informatieplicht bepaald in het derde tot het vijfde lid.
§ 3. Van de belasting zijn nog vrijgesteld:
de volgende handelingen:
a) de levering van uit hun aard onroerende goederen.
Worden evenwel uitgesloten de levering van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein bedoeld in artikel 1, § 9, eerste lid, wanneer hun vervreemding wordt verricht uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de goederen bedoeld in artikel 1, § 9, eerste lid, 1°, door:
- hetzij een in artikel 12, § 2, beoogde belastingplichtige die voornoemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9, eerste lid, 1°, heeft opgericht of heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen;
- hetzij een in artikel 8, § 1, beoogde belastingplichtige;
- hetzij elke andere belastingplichtige, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling een dergelijke vervreemding te verrichten met voldoening van de belasting;
b) de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten, in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, op uit hun aard onroerende goederen.
Worden evenwel uitgesloten de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van dergelijke zakelijke rechten op gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein bedoeld in artikel 1, § 9, eerste lid, wanneer zij worden verricht uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van voornoemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9, eerste lid, 1°, door:
- hetzij een in artikel 12, § 2, beoogde belastingplichtige die binnen de voornoemde termijn één van de bedoelde zakelijke rechten vestigt op een goed bedoeld in artikel 1, § 9, eerste lid, 1°, dat hij heeft opgericht, heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen of die binnen dezelfde termijn, een dergelijk zakelijk recht dat te zijnen bate werd gevestigd of aan hem werd overgedragen met voldoening van de belasting, overdraagt of wederoverdraagt;
- hetzij een in artikel 8, §§ 2 of 3, beoogde belastingplichtige;
- hetzij elke andere belastingplichtige, wanneer hij op een door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling om dergelijk zakelijk recht te vestigen, over te dragen of weder over te dragen met voldoening van de belasting.
De datum van het contract kan alleen worden aangetoond door bewijsmiddelen die tegen derden kunnen worden ingeroepen;
de verpachting en de verhuur van uit hun aard onroerende goederen, met uitzondering van:
a) de volgende diensten:
- de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen;
- de terbeschikkingstelling van ruimten die voor meer dan 50 pct. gebruikt worden voor het opslaan van goederen, op voorwaarde dat die ruimten niet voor meer dan 10 pct. worden aangewend als verkoopsruimte. Worden niet bedoeld, die terbeschikkingstellingen waarvoor de optie bedoeld onder punt d) kan worden uitgeoefend [zie noot (2)];
- het verschaffen van gemeubeld logies in hotels, motels en in inrichtingen waar aan betalende gasten onderdak wordt verleend;
- de terbeschikkingstelling van plaats om te kamperen;
- de terbeschikkingstelling van uit hun aard onroerende goederen in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens;
- de terbeschikkingstelling van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines;
- de terbeschikkingstelling, voor andere doeleinden dan bewoning, van uit hun aard onroerende goederen, voor een periode van niet meer dan zes maanden. Deze bepaling is niet van toepassing op de terbeschikkingstelling aan natuurlijke personen die die goederen aanwenden voor hun privédoeleinden of, meer in het algemeen, voor andere doeleinden dan die van hun economische activiteit noch op de terbeschikkingstelling aan organisaties zonder winstoogmerk. Deze bepaling is evenmin van toepassing op de terbeschikkingstelling aan eenieder, die de goederen aanwendt voor handelingen bedoeld in paragraaf 2;
b) de onroerende financieringshuur, toegestaan door een onderneming die gespecialiseerd is in onroerende financieringshuur of zogenaamde onroerende leasing, wanneer deze onderneming het gebouw waarop het contract betrekking heeft, opricht, laat oprichten of met voldoening van de belasting verkrijgt en de leasingnemer dit goed huurt om het in de uitoefening van een activiteit van belastingplichtige te gebruiken; de Koning omschrijft de voorwaarden waaraan het contract van onroerende financieringshuur moet voldoen, inzonderheid met betrekking tot de duur van het contract, de aard en de bestemming van de goederen die er het voorwerp van uitmaken, alsmede de rechten en plichten van de leasingnemer;
c) de verhuur van safeloketten;
d) de verhuur van een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat door de huurder uitsluitend wordt gebruikt voor de economische activiteit die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent, mits de verhuurder en de huurder gezamenlijk opteren om die verhuur te belasten. Als een gebouw of een gedeelte van een gebouw tegelijk wordt verhuurd met het bijhorend terrein, moet de optie worden uitgeoefend ten aanzien van beide onroerende goederen samen.
De optie geldt voor de gehele duur van de overeenkomst.
De optie kan enkel worden uitgeoefend voor overeenkomsten die betrekking hebben op gebouwen of gedeelten van gebouwen waarvoor de belasting op de handelingen bedoeld in artikel 19, § 2, derde lid, met betrekking tot het gebouw zelf en die bijdragen tot de oprichting ervan, ten vroegste op 1 oktober 2018 voor de eerste keer opeisbaar is. Deze voorwaarde is niet van toepassing op de overeenkomsten tot terbeschikkingstelling van ruimten voor het opslaan van goederen bedoeld onder punt a), tweede streepje waarvoor de optie kan worden uitgeoefend.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder "bijhorend terrein", het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het gebouw of het gedeelte van het gebouw is opgericht en dat of die tegelijk met dat gebouw of gedeelte van dat gebouw door éénzelfde persoon wordt of worden verhuurd.
De Koning bepaalt het tijdstip waarop de optie moet worden uitgeoefend en de vormvereisten die daarbij moeten worden nagekomen; [zie noot (3)]
de door de auteur of toondichter gesloten contracten voor uitgave van letterkundige werken of van kunstwerken;
de handelingen van verzekering en herverzekering, met inbegrip van de daarmee samenhangende diensten verricht door makelaars en lasthebbers, met uitzondering evenwel van de diensten als schade-expert;
verlening van kredieten en bemiddeling inzake kredieten, alsmede het beheer van kredieten door degene die ze heeft verleend;
het bemiddelen bij en het aangaan van verplichtingen, borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen, alsmede het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend;
handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito's, rekening-courantverkeer, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de invordering van schuldvorderingen;
de betalings- en ontvangstverrichtingen, bemiddeling daaronder begrepen, met uitzondering van de invordering van schuldvorderingen; de dienstverrichter kan, onder de voorwaarden gesteld door of vanwege de Minister van Financiën, kiezen voor het belasten ervan;
handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deviezen, bankbiljetten en munten die wettig betaalmiddel zijn, met uitzondering van munten en biljetten die als verzamelobject worden beschouwd; als zodanig worden beschouwd gouden, zilveren of uit een ander metaal geslagen munten, alsmede biljetten, die normaliter niet als wettig betaalmiddel worden gebruikt of die een numismatische waarde hebben;
10° handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, uitgezonderd bewaring en beheer, inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren, met uitsluiting van documenten die goederen vertegenwoordigen;
11° het beheer van:
a)de instellingen voor collectieve belegging bedoeld in de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die aan de voorwaarden voldoen van de richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
b) de instellingen voor collectieve belegging bedoeld in de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve beleggingen en hun beheerders;
c) de openbare of institutionele gereglementeerde vastgoedvennootschappen bedoeld in artikel 2, 1°, 2° en 3°, van de wet van 12 mei 2014 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen;
d) de organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
12° de leveringen, tegen de nominale waarde, van postzegels die frankeerwaarde hebben in het binnenland, fiscale zegels en andere soortgelijke zegels;
13° weddenschappen, loterijen en andere kans- en geldspelen, met inachtneming van de door de Koning vastgestelde voorwaarden en beperkingen;
14° de diensten en de leveringen van goederen bijkomstig bij deze diensten verleend door verrichters van postdiensten die de verplichting op zich nemen de gehele universele postdienst of een deel daarvan te verzekeren, wanneer deze diensten universele postdiensten betreffen zoals gedefinieerd in de artikelen 15 en 16 van de wet van 26 januari 2018 betreffende de postdiensten.

--------------------------

Interne ref.: DI 510.80, 510.81, 510.82 – OEO/DD 015.974