Circulaire nr. 9/2003 (AFZ 13/2003 - Dos. 207 - E.E./L. 131) du 03.06.2003

Successierechten Brussel
Hervorming tarieven, vrijstellingen en verminderingen, aanrekening passief en progressiviteit normaal tarief


In het Staatsblad van 31 december 2002 (3de editie) werd de ordonnantie van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad van 22 december 2002, tot wijziging van het Wetboek der successierechten, bekendgemaakt (errata B.S. 20 januari 2003).

Bij de artikelen 2 tot 13 van die ordonnantie worden de volgende wijzigingen aan het Wetboek der successierechten aangebracht:

1. Betreffende de tarieven

-

instelling van een nieuw algemeen tarief (art. 48 W. Succ. - art. 2 van de ordonnantie) gepaard gaande met:
-de gelijkstelling van wettelijk samenwonenden met echtgenoten voor de toepassing van het tarief (art. 48, laatste lid, W. Succ. - art. 2 van de ordonnantie);
-de wijziging van de heffingsgrondslag waarop de tariefcategorieën "tussen ooms of tantes en neven of nichten" en "tussen alle andere personen" worden toegepast: globalisatie van alle aandelen die worden verkregen binnen elk van deze tariefcategorieën (art. 48, 4de en 5de lid, W. Succ. - art. 2 van de ordonnantie);
-integratie van de gelijkstelling van wettelijk samenwonenden met echtgenoten in de artikelen van het Wetboek (art. 48, 48^2, 50, 52^2, 3°, 56, tweede lid, en 60ter W. Succ. - art. 2, 3, 4, 5, 8 en 11 van de ordonnantie);
-gelijkstelling van stiefkinderen met eigen kinderen van de overledene voor de toepassing van het tarief (art. 50, §1, W. Succ. - art. 4 van de ordonnantie);
-instelling van een preferentieel (progressief) tarief dat geldt bij de overdracht in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen wettelijk samenwonenden van de woning-hoofdverblijfplaats van de overledene (nieuw art. 60ter W. Succ. - art. 11 van de ordonnantie);
2. Betreffende de vrijstellingen en verminderingen

-verhoging van het vrijgesteld bedrag (abattement) van 12.500 euro naar 15.000 euro bij een verkrijging door een door de wet tot de erfenis geroepen erfgenaam in rechte lijn of tussen echtgenoten (art. 54, 1°, W. Succ. - art. 6 van de ordonnantie);
-verhoging van het belastbaar minimum van een nalatenschap van 620 euro naar 1.250 euro (art. 54, 2°, W. Succ. - art. 6 van de ordonnantie);
-beperking van de vrijstelling van successierechten voor publiekrechtelijke instellingen tot de publiekrechtelijke instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (art. 55 W. Succ. - art. 7 van de ordonnantie);
-instelling van een verlaagd recht van 6,60 t.h. voor de legaten vermaakt aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, hun openbare instellingen en de openbare wetenschappelijke en culturele instellingen van de federale staat bedoeld in artikel 6bis, § 2, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (art. 59, 1°, nieuw tweede lid, W. Succ. - Art. 9, § 1, van de ordonnantie);
-verhoging van het verlaagd tarief van 8,80 t.h. naar 25 t.h. voor de legaten vermaakt aan V.Z.W.'s, aangenomen mutualiteitsverenigingen, beroepsverenigingen en internationale verenigingen met wetenschappelijk doel (art. 59, 2° W. Succ. - art. 9, § 2 van de ordonnantie);
-instelling van een nieuw verlaagd tarief van 12,50 t.h. voor de legaten vermaakt aan V.Z.W's en aan andere rechtspersonen zonder winstoogmerk die erkend zijn in het kader van de WIB-regelgeving met betrekking tot de fiscale aftrekbaarheid van giften in geld (art. 59, 3°, W. Succ. - Art. 9, § 3, van de ordonnantie);
3. Betreffende de aanrekening van het passief

-nieuwe volgorde van aanrekening van het passief (nieuw art. 60quater W. Succ. - art. 12 van de ordonnantie) en, daarmee samenhangend, opheffing van § 3 van artikel 60bis W. Succ. (art. 60bis W. Succ. - art. 10, 2°, van de ordonnantie);
4. Betreffende de progressiviteit van het algemene tarief van artikel 48 W. Succ.

-behoud van de progressiviteit van het algemene tarief van artikel 48 W. Succ. in geval er naast de verkrijging van "gewone" goederen onderworpen aan dat tarief, ook goederen worden verkregen die aan een preferentieel tarief onderworpen zijn (art. 66ter W. Succ. - art. 13 van de ordonnantie).
Deze ordonnantie is in werking getreden op 1 januari 2003. Ze is dus van toepassing op de nalatenschappen die vanaf die datum zijn opengevallen.

Bij deze circulaire wordt een eerste commentaar verstrekt bij de nieuwe of gewijzigde bepalingen. Bijlage 1 (blz. 35 - 41) bevat de tekst van de ordonnantie. Bijlage 2 (blz. 42 - 50) bevat de gecoördineerde teksten van de gewijzigde artikelen van het Wetboek der successierechten.



INHOUDSOPGAVE VAN DE COMMENTAAR
TITEL I. - RUIMTELIJK TOEPASSINGSGEBIED VAN DE NIEUWE BEPALINGEN
TITEL II. - COMMENTAAR BIJ DE NIEUWE BEPALINGEN BETREFFENDE HET TARIEF
HOOFDSTUK I. - Nieuw algemeen tarief
Afdeling 1. - Nieuwe tariefstructuur
Afdeling 2. - Gelijkstelling van wettelijk samenwonenden met echtgenoten
Onderafdeling 1. - Voorafgaande opmerking
Onderafddeling 2. - Bedoelde samenwonenden
Afdeling 3. - Wijziging van de heffingsgrondslag waarop de tarieven "tussen ooms of tantes en neven of nichten" en "tussen alle andere personen" moet worden toegepast. - Globalisering
Onderafdeling 1. - Betrokken categorieën van rechtverkrijgenden
Onderafdeling 2. - Draagwijdte van de wijziging
Onderafdeling 3. - Repartitie van de globaal verschuldigde rechten over de betrokken rechtverkrijgenden
Onderafdeling 4. - Voorbeelden
HOOFDSTUK II. - Integratie in de verschillende betrokken artikels van het Wetboek van de gelijkschakeling van wettelijk samenwonenden met echtgenoten
HOOFDSTUK III. - Bijzonder tarief voor de verkrijging van de woning van de overledene
Afdeling 1. - Doel van de maatregel
Afdeling 2.- Inhoud van het voordeel
Afdeling 3. - Voorwaarden die moeten vervuld zijn opdat het preferentieel tarief toepassing zou kunnen vinden
Onderafdeling 1. - Grondvoorwaarden
Onderafdeling 2. - Vormvoorwaarden
Afdeling 4. - Sancties
Hoofdstuk IV. - Gelijkstelling van een stiefkind met een eigen kind van de overledene voor de toepassing van het tarief
Afdeling 1. - Draagwijdte van de maatregel
Afdeling 2. - Voorwaarden die moeten vervuld zijn voor de toepassing van het tarief rechte lijn" op verkrijgingen tussen stiefouder en stiefkind
TITEL III. - COMMENTAAR BIJ DE NIEUWE BEPALINGEN INZAKE VRIJSTELLINGEN EN VERMINDERINGEN
HOOFDSTUK I. - Verhoging van het bedrag van de vrijstelling (abattement) voor de erfgenamen die door de wet tot de nalatenschap worden geroepen en voor de echtgenoot
HOOFDSTUK II. - Andere wijzigingen op het vlak van de vrijstellingen en verminderingen van de rechten
Afdeling 1. - Verhoging van de drempel voor belastbaarheid (belastbaar minimum) van nalatenschappen van € 620 naar € 1.250
Afdeling 2. - Beperking van de vrijstelling van successierechten voor publiekrechtelijke instellingen tot de publiekrechtelijke instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Afdeling 3. - Toekenning van een voordeeltarief van 6,60 t. h. voor de legaten vermaakt aan sommige federale instellingen en gemeenschapsinstellingen
Afdeling 4. - Verhoging van 8,80 t.h. naar 25 t.h. van het verlaagd tarief van toepassing op de verenigingen zonder winstoogmerk, de aangenomen mutualiteitsverenigingen, de beroepsverenigingen en de internationale verenigingen met wetenschappelijk doel
Afdeling 5. - Instelling van een nieuw verlaagd tarief van 12,50 t.h. voor de legaten vermaakt aan V.Z.W's en aan andere rechtspersonen zonder winstoogmerk die erkend zijn in het kader van de WIB-regelgeving met betrekking tot de fiscale aftrekbaarheid van giften in geld
TITEL IV. - NIEUWE REGEL INZAKE AANREKENING VAN HET PASSIEF
HOOFDSTUK I. - Reden van de invoering van de nieuwe aanrekeningsregel
HOOFDSTUK II. - Draagwijdte en inhoud van de nieuwe aanrekeningsregel inzake het passief
Afdeling 1.- Draagwijdte
Afdeling 2. - Inhoud van de nieuwe aanrekeningsregel
Onderafdeling 1. - Algemene regel
Onderafdeling 2.- Uitzondering : specifieke schulden
TITEL V. - COMMENTAAR BIJ DE ARTIKELEN INZAKE VERZEKERING VAN DE PROGRESSIVITEIT VAN HET NORMALE TARIEF
HOOFDSTUK I. - Toepassing van artikel 66bis W. Succ.
HOOFDSTUK II. - Toepassing van artikel 66ter W. Succ.
TITEL VI. - INVLOED VAN DE GEWIJZIGDE OF NIEUWE ARTIKELEN OP ANDERE ARTIKELEN VAN HET WETBOEK
HOOFDSTUK I.- Artikel 16 W.Succ.
HOOFDSTUK II.- Artikel 64 en 65 W.Succ.
HOOFDSTUK III.- Artikel 57 W.Succ.
HOOFDSTUK IV.- Artikel 17 W.Succ.
HOOFDSTUK V.- Berekening van de proportionele boeten.

COMMENTAAR
TITEL I. - RUIMTELIJK TOEPASSINGSGEBIED VAN DE NIEUWE BEPALINGEN
Vermits het hier gaat om een ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zijn de nieuwe bepalingen enkel van toepassing op de nalatenschappen die in dat Gewest moeten gelokaliseerd worden overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten.
Bijgevolg zijn die nieuwe bepalingen van toepassing wanneer:
- in geval van overlijden van een rijksinwoner (art. 5, § 2, 4°, eerste lid, van de bijzondere wet) de overledene op het ogenblik van zijn overlijden zijn fiscale woonplaats had in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Indien de fiscale woonplaats van de overledene tijdens de periode van vijf jaar voor zijn overlijden op meer dan één plaats in België gelegen was, moet hij gedurende die periode zijn fiscale woonplaats het langst in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hebben gehad.
Opmerking. Opdat het preferentieel tarief van toepassing zou kunnen zijn op de overdracht van de woning-hoofdverblijfplaats van de overledene, moet die woning zich vanzelfsprekend in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevinden. Die voorwaarde vloeit automatisch voort uit het lokalisatiecriterium waarvan hiervoor sprake. Vermits de hoofdverblijfplaats in principe samenvalt met de fiscale woonplaats en vermits de overledene in de vijf jaar voorafgaand aan zijn overlijden zijn hoofdverblijfplaats in de woning moet gehad hebben, kan het niet anders dan dat die woning in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest moet gelegen zijn (zie Titel II, Hoofdstuk III, afdeling 1 van de commentaar).
- in geval van overlijden van een niet-rijksinwoner (art. 5, § 2, 4°, tweede lid, van de bijzondere wet) al de onroerende goederen gelegen zijn in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Indien de onroerende goederen gelegen zijn in meerdere Gewesten moet het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen zijn in het ambtsgebied van een kantoor bevoegd binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
* *
*
TITEL II. - COMMENTAAR BIJ DE NIEUWE BEPALINGEN BETREFFENDE HET TARIEF
HOOFDSTUK I. - Nieuw algemeen tarief
(art. 48 W. Succ. - art. 2 van de ordonnantie)
Artikel 2 van de ordonnantie heeft het algemeen tarief op drie vlakken gewijzigd:
a) vaststelling van een nieuwe tariefstructuur;
b) gelijkstelling van wettelijk samenwonenden met echtgenoten voor de toepassing van de successierechten;
c) wijziging van de heffingsgrondslag (globalisatie van de aandelen) waarop het tarief "tussen ooms of tantes en neven of nichten" en het tarief "tussen alle andere personen" moet worden toegepast.
Afdeling 1. - Nieuwe tariefstructuur
De nieuwe tariefstructuur inzake successierechten zoals hij door de Brusselse ordonnantiegever bij onderhavige ordonnantie werd bepaald, stemt overeen met de tariefstructuur inzake schenkingsrechten zoals bepaald in de ordonnantie van 20 december 2002 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
Deze nieuwe tariefstructuur wordt gekenmerkt door de voor iedere categorie van rechthebbenden doorgevoerde wijziging van de belastingschijven en de bijhorende heffingspercentages. Deze wijziging behoeft geen nadere toelichting.
Afdeling 2. - Gelijkstelling van wettelijk samenwonenden met echtgenoten
(art. 48, (tabel I en definitie in het zevende lid), 48^2, 50, 52^2, 3°, 56, tweede lid, en 60ter W. Succ.)
Onderafdeling 1. - Voorafgaande opmerking
Eigenlijk is deze gelijkstelling niet nieuw. Ze werd immers reeds via een algemene bepaling in het Wetboek ingeschreven bij de ordonnantie van 16 mei 2002 betreffende het tarief, de vrijstellingen en de verminderingen van successierechten die van toepassing zijn op de wettelijk samenwonenden. Die ordonnantie zou in werking treden op 1 januari 2003.
Tijdens de voorbereiding van de in deze circulaire besproken ordonnantie werd het echter verkieslijker geoordeeld - dit met het oog op een betere leesbaarheid van de teksten en om iedere twijfel uit te sluiten over de precieze draagwijdte van de gelijkstelling - om de gelijkstelling van wettelijk samenwonenden met echtgenoten alsnog direct in de verschillende betrokken artikelen van het Wetboek in te schrijven, in plaats van door middel van een algemene bepaling zoals al was gedaan bij het decreet van 16 mei 2002. Tevens werd de definitie van "wettelijk samenwonenden" aangepast zodat deze in de context van de successierechten volledig gelijk zou zijn met de definitie van dat begrip in de context van de "Brusselse" schenkingsrechten (cf. art. 131, derde lid W. Reg.).
De nieuwe bepalingen komen in de plaats van de bij voornoemde ordonnantie van 16 mei 2002 ingevoegde bepalingen. Die ordonnantie moet dus beschouwd worden als zijnde impliciet opgeheven bij de ordonnantie van 20 december 2002, die onderwerp is van deze circulaire.
Onderafddeling 2.- Bedoelde samenwonenden
Wat onder "samenwonende" wordt verstaan, wordt bepaald in artikel 48, zevende lid, W. Succ. : de persoon die zich in de toestand van wettelijke samenwoning bevindt in de zin van titel Vbis van het boek III van het Burgerlijk Wetboek . Enkel wettelijk samenwonenden worden dus gelijkgesteld met echtgenoten. De gelijkstelling geldt dus niet voor personen die anders dan wettelijk samenwonen.
De definitie van samenwonende in het zevende lid van artikel 48 W. Succ. geldt voor alle bepalingen van het Wetboek waarin daarvan sprake is. Het voorkomen bij het begin van de definitie van de volgende specificatie "Voor de toepassing van het voorgaande tarief en van de overige bepalingen van dit hoofdstuk …", heeft enkel tot doel aan te geven dat, vermits de hoedanigheid van samenwonende invloed heeft op het toe te passen tarief, het Wetboek alleen rekening houdt met wettelijke samenwoning.
Deze definitie geldt dus ook voor de toepassing van de artikelen 56, tweede lid en 60ter W. Succ. waarin uitdrukkelijk wordt gesproken van samenwonende.
Ze geldt ook voor de toepassing van de artikelen 51, 52^2,1°, 54,1° (abattement), en 60bis, hoewel daarin niet uitdrukkelijk wordt gesproken van samenwonende. De administratie is van oordeel dat de gelijkschakeling echtgenoot-samenwonende in die artikelen bij vergetelheid niet werd doorgevoerd. Uit de memorie van toelichting blijkt dat het de bedoeling was de bij de ordonnantie van 16 mei 2002 doorgevoerde gelijkschakelingen echtgenoot-samenwonende in de artikelen van het Wetboek in te schrijven; anderzijds blijkt nergens uit de memorie van toelichting dat daarbij uitzondering zou gemaakt worden voor de in deze alinea vermelde artikelen. Bijgevolg stelt de administratie zich op het standpunt dat de wettelijk samenwonende met de erflater ook is gelijkgesteld met de echtgenoot van de erflater voor de toepassing van die artikelen. Wat meer in het bijzonder artikel 54, 1° W. Succ. aangaat, betekent dat dus dat de wettelijk samenwonende met een erflater recht heeft op hetzelfde abattement en dezelfde bij-abattementen als waarop de echtgenoot van een erflater recht heeft.
Afdeling 3. - Wijziging van de heffingsgrondslag waarop de tarieven "tussen ooms of tantes en neven of nichten" en "tussen alle andere personen" moet worden toegepast. - Globalisering
(art. 48, vierde en vijfde lid W. Succ.- art. 2 van de ordonnantie)
Onderafdeling 1.- Betrokken categorieën van rechtverkrijgenden
De wijziging van de heffingsgrondslag waarover hierna wordt gehandeld, geldt enkel voor de verkrijgers die belast worden in de tariefcategorieën "tussen ooms of tantes en neven of nichten" en "tussen alle andere personen".
In tegenstelling tot wat geldt voor de hiervoor bedoelde verkrijgers, blijft de heffingsgrondslag onveranderd voor de verkrijgers die vallen onder het tarief "rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden" of onder het tarief "tussen broers en zussen": zij blijven, zoals in het verleden, ieder afzonderlijk belast op hun individueel aandeel in de belastbare waarde van de goederen, met andere woorden op hun individuele nettoverkrijging.
Onderafdeling 2.- Draagwijdte van de wijziging
Naar luidt van het vierde en vijfde lid van artikel 48 W. Succ. wordt het tarief "tussen ooms of tantes en neven of nichten" en het tarief "tussen alle andere personen" toegepast op de "samengenomen aandelen van die personen in de belastbare waarde van de goederen". Zij worden dus niet meer belast op hun individuele nettoverkrijging.
Het spreekt vanzelf dat, vermits het tarief verschilt voor de betrokken tariefcategorieën, de globalisatie van de aandelen enkel geschiedt binnen elke tariefcategorie afzonderlijk.
Opgelet.
1° Toepassing van artikel 66ter W. Succ. (art. 13 van de ordonnantie)
Wanneer een verkrijger behorende tot een tariefcategorie met globalisatie, naast een aandeel in de "gewone" goederen van de nalatenschap, ook een aandeel verkrijgt in een kleine of middelgrote onderneming (K.M.O.) dat te belasten is tegen het tarief van 3% (artikel 60bis W. Succ.), moet de nettowaarde van dat aandeel in de K.M.O. gevoegd worden bij de geglobaliseerde netto-aandelen van alle verkrijgers binnen de betrokken tariefcategorie voor de berekening van de belasting over hun gezamenlijk netto-aandeel in de "gewone" goederen. Voor een goed begrip: die bijvoeging is dus enkel voorgeschreven met het oog op de progressie van het tarief dat van toepassing is op de "gewone" goederen, vermits het aandeel in de K.M.O. afzonderlijk te belasten is aan een vast tarief.
Voorbeeld:
Drie legatarissen, allen neven van de overledene, verkrijgen:
- X: "gewone" goederen met een nettowaarde van € 10.000
- Y: "gewone" goederen met een nettowaarde van € 60.000
- Z: "gewone" goederen met een nettowaarde van € 60.000
X krijgt bovendien een aandeel in een K.M.O. met een nettowaarde van € 50.000
Belasting van de verkrijgingen
a) aandeel van X in de K.M.O.: € 50.000 x 3% = € 1.500
b) belasting van de "gewone" goederen (tarief art. 48).
* globalisatie netto-aandelen + toepassing art. 66ter W. Succ.
€ 10.000 (aandeel X)
+ € 60.000 (aandeel Y)
+ € 60.000 (aandeel Z)
€ 130.000 (geglobaliseerde aandelen)
+ € 50.000 (aandeel X in K.M.O. - art. 66ter)
€ 180.000
* toepassing op dat bedrag van het tarief "tussen ooms of tantes en neven of nichten", rekening houden met het feit dat het aandeel van X in de K.M.O. reeds belast is

- op de schijf van € 0,01 tot € 50.000€ 50.000 reeds belast → € 0
- op de schijf van € 50.000 tot € 100.000€ 50.000 x 50% = € 25.000
- op de schijf van € 100.000 tot € 175.000€ 75.000 x 60% = € 45.000
- op de schijf van € 175.000 tot € 180.000€ 5.000 x 70% = € 3.500
Totaal: € 73.500
* repartitie van dat bedrag over X, Y en Z (na toepassing van art. 62 W. Succ.)

X (1/13) → € 5.653,85
Y (6/13) →€ 33.923,08
Z (6/13) → € 33.923,08
c) recht van successie verschuldigd door elk van de neven:

X →€ 1.500 + € 5.653, 85 = € 7153,85
Y →€ 33.923,08
Z →€ 33.923,08
2°Toepassing van artikel 66bis W. Succ.
De nieuwe bepalingen van de ordonnantie wijzigen voor de categorieën "tussen ooms en tantes en neven of nichten" en "tussen alle andere personen" de manier van de berekening van de belasting door de invoering van de globalisatie per categorie van de aandelen van de verkrijgers. De globalisatie geldt ook ¾ vermits de ordonnantie geen enkele uitzondering op die regel inhoudt ¾ wanneer artikel 66 bis moet worden toegepast. Dit brengt mee dat wanneer er door de overledene een of meer schenkingen als bedoeld in artikel 42, VII bis W. Succ. zijn gedaan ten bate van rechtverkrijgenden in zijn nalatenschap die behoren tot genoemde tariefcategorieën, de grondslag of grondslagen waarover de schenkingsrechten zijn of moeten worden berekend, bij de geglobaliseerde aandelen van de verkrijgers in de betreffende tariefcategorie moeten worden gevoegd. Die bijvoeging beoogt de ontwijking van de progressie van het successierechttarief tegen te gaan (cf. ratio legis art. 66 bis). De aldus bijgevoegde grondslagen ondergaan vanzelfsprekend de successiebelasting niet, vermits zij belast zijn of zullen worden met het schenkingsrecht.

Voorbeeld:

Nalatenschap A, rijksinwoner, met een netto-actief van € 100.000, vermaakt aan X en Y, niet-verwanten met de overledene, elk voor de helft.
Binnen de drie jaar voor zijn overlijden heeft A bij authentieke akten een schenking gedaan aan X van € 50.000 en aan Y van eveneens € 50.000.
Berekening van het successierecht:

· geglobaliseerde aandelen X en Y:€ 100.000
· toe te voegen grondslagen art. 66bis: € 100.000
€ 200.000
Toepassing tarief "tussen alle andere personen"

- in de schijf van € 0,01 - € 50.000€ 50.000 (belast of te belasten met schenkingsrecht): € 0
- in de schijf van € 50.000 - € 75.000€ 25.000 (belast of te belasten met schenkingsrecht): € 0
- in de schijf van € 75.000 tot € 175.000€ 25.000 (belast of te belasten met schenkingsrecht): € 0
€ 75.000 x 65% = € 48.750
- in de schijf boven de € 175.000€ 25.000 x 80% = € 20.000
Totaal: € 68.750
Repartitie over X en Y (elk de helft)

X: € 34.375
Y: € 34.375

Onderafdeling 3. - Repartitie van de globaal verschuldigde rechten over de betrokken rechtverkrijgenden
In de ordonnantie werd niet bepaald hoe de aldus globaal voor de tariefcategorie berekende rechten vervolgens moeten verdeeld worden over de rechtverkrijgenden binnen de categorie om ieders individuele belastingschuld te bepalen. Bij gebreke van een regeling voor de omzetting naar individueel verschuldigde rechten (en eventuele intresten), moet daarvoor teruggevallen worden op de regels inzake de bijdrageplicht van elke rechthebbende, zoals bepaald in artikel 70, eerste lid, W. Succ. De bepaling van de individueel door de rechtverkrijgenden van de tariefcategorie verschuldigde rechten dient dus te geschieden door het globaal verschuldigde bedrag aan rechten proportioneel te verdelen over de rechtverkrijgenden naar verhouding van ieders individueel belastbaar aandeel binnen de tariefcategorie tot de geglobaliseerde belastbare aandelen binnen de tariefcategorie.

Onderafdeling 4. - Voorbeelden
1ste voorbeeld
Een oom legateert aan zijn neven A en B zijn volledige nalatenschap, elk voor de helft. Het netto-actief bedraagt € 300.000. Het belastbaar aandeel van A en B bedraagt dus voor elk € 150.000.

A en B behoren tot de tariefcategorie "tussen ooms of tantes en neven of nichten". Het bijhorende tarief dient dus toegepast op hun samengenomen belastbare aandelen. Het geglobaliseerd aandeel bedraagt aldus € 300.000.

Toepassing van het tarief "tussen ooms of tantes en neven of nichten".

- op de schijf van € 0,01 - € 50.000€ 50.000 x 35% = € 17.500
- op de schijf van € 50.000 - € 100.000€ 50.000 x 50% =€ 25.000
- op de schijf van € 100.000 - € 175.000€ 75.000 x 60% =€ 45.000
- op de schijf boven € 175.000€ 125.000 x 70% = € 87.500
Totaal:€ 175.000
Repartitie van het totaal verschuldigde bedrag over A en B

- verschuldigd door A: € 175.000 x [150.000/300.000] = € 87.500
- verschuldigd door B: € 175.000 x [150.000/300.000] = € 87.500

2de voorbeeld
Zelfde situatie als in voorbeeld 1 met dat verschil dat A € 50.000 verkrijgt en B € 250.000 verkrijgt.

De toepassing van artikel 48 W. Succ. geeft vanzelfsprekend hetzelfde bedrag aan globaal verschuldigde rechten. De repartitie verschilt echter. Ze geschiedt als volgt:

- verschuldigd door A: € 175.000 x [50.000/300.000] = € 29.166,67 (na toepassing van art. 62 W. Succ.);
- verschuldigd door B: € 175.000 x [250.000/300.000] =€ 145.833,34 (na toepassing art. 62 W. Succ.).
3de voorbeeld
Uit de volledig roerende nalatenschap van X worden volgende netto-aandelen verkregen:

- door A, zoon van de overledene: € 400.000
- door B, broer van de overledene:€ 100.000
- door C, neef van de overledene:€ 50.000
- door D, neef van de overledene:€ 75.000
- door E, nicht van de overledene:€ 25.000
- door F, niet verwant met de overledene:€ 15.000
- door G, niet verwant met de overledene:€ 25.000
- door H, niet verwant met de overledene:€ 40.000
Berekening van de belasting:

a) in hoofde van A

A behoort tot de tariefcategorie "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden". Hij wordt op de klassieke manier belast, d.w.z. dat het betreffende (nieuwe) tarief wordt toegepast op zijn individuele nettoverkrijging, ook al zouden er nog andere rechtverkrijgenden in zijn tariefcategorie zijn (quod non).

Heffing:

- op de eerste schijf van € 0,01 - € 50.000€ 15.000 x 0% (abattement) = € 0
€ 35.000 x 3% = € 1.050
- op de tweede schijf van € 50.000 - € 100.000 € 50.000 x 8% = € 4.000
- op de derde schijf van € 100.000 - € 175.000€ 75.000 x 9% = € 6.750
- op de vierde schijf van € 175.000 - € 250.000€ 75.000 x 18% = € 13.500
- op de vijfde schijf van € 250.000 - € 400.000€ 150.000 x 24% = € 36.000
Wat een totaal geeft van: € 61.300
b) in hoofde van B

B behoort tot de tariefcategorie "tussen broers en zussen". Hij wordt op de klassieke manier belast, d.w.z. dat het betreffende (nieuwe) tarief wordt toegepast op zijn individuele nettoverkrijging, ook al zouden er nog andere rechtverkrijgenden in zijn tariefcategorie zijn (quod non).

Heffing:

- op de eerste schijf van € 0,01 - € 12.500 € 12.500 x 20% =€ 2.500
- op de tweede schijf van € 12.500 - € 25.000€ 12.500 x 25% = € 3.125
- op de derde schijf van € 25.000 - € 50.000 € 25.000 x 30% =€ 7.500
- op de vierde schijf van € 50.000 - € 100.000€ 50.000 x 40% = € 20.000
Wat een totaal geeft van:€ 33.125
c) in hoofde van C, D en E

C, D en E behoren tot de tariefcategorie " tussen ooms of tantes en neven of nichten". Het betreffende (nieuw) tarief wordt dus toegepast op hun geglobaliseerde netto-aandelen. Aldus bekomt men voor die categorie de globale belastingschuld. Om de individuele belastingschulden te berekenen wordt vervolgens die globale belastingschuld verdeeld over de verschillende rechtverkrijgenden naar verhouding van ieders individueel netto-aandeel tot de geglobaliseerde netto-aandelen binnen de tariefcategorie.

- Globale belastingschuld van de rechtverkrijgenden binnen de tariefcategorie:
- bedrag van de geglobaliseerde netto-aandelen: € 150.000
- toepassing van het tarief "tussen ooms of tantes en neven of nichten"

Heffing:

- op de eerste schijf van € 0,01 - € 50.000 € 50.000 x 35% = € 17.500
- op de tweede schijf van € 50.000 - € 100.000€ 50.000 x 50% = € 25.000
- op de derde schijf van € 100.000 - € 150.000 € 50.000 x 60% = € 30.000
Wat een totaal geeft van: € 72.500
- Repartitie van de globale belastingschuld over de verschillende rechtverkrijgenden
- verschuldigd door C: € 72.500 x [50.000/150.000] = € 24.166,67 (na toepassing art. 62 W. Succ.)
- verschuldigd door D: € 72.500 x [75.000/150.000] = € 36.250
- verschuldigd door E: € 72.500 x [25.000/150.000] = € 12.083,34 (na toepassing art. 62 W. Succ.)

d) in hoofde van F, G en H

F, G en H behoren tot de tariefcategorie " tussen alle andere personen". Het betreffende (nieuw) tarief wordt dus toegepast op hun geglobaliseerde netto-aandelen. Aldus bekomt men voor die categorie de globale belastingschuld. Om de individuele belastingschulden te berekenen wordt vervolgens die globale belastingschuld verdeeld over de verschillende rechtverkrijgenden naar verhouding van ieders individueel netto-aandeel tot de geglobaliseerde netto-aandelen binnen de tariefcategorie.

- Globale belastingschuld van de rechtverkrijgenden binnen de tariefcategorie:
- bedrag van de geglobaliseerde netto-aandelen: € 80.000
- toepassing van het tarief "tussen alle andere personen"

Heffing:

- op de eerste schijf van € 0,01 - € 50.000€ 50.000 x 40% = € 20.000
- op de tweede schijf van € 50.000 - € 75.000 € 25.000 x 55% = € 13.750
- op de derde schijf van € 75.000 - € 80.000 € 5.000 x 65% = € 3.250
Wat een totaal geeft van: € 37.000
- Repartitie van de globale belastingschuld over de verschillende rechtverkrijgenden
- verschuldigd door F: € 37.000 x [15.000/80.000] = € 6.937,50
- verschuldigd door G: € 37.000 x [25.000/80.000] = € 11.562,50
- verschuldigd door H: € 37.000 x [40.000/80.000] = € 18.500

HOOFDSTUK II. - Integratie in de verschillende betrokken artikels van het Wetboek van de gelijkschakeling van wettelijk samenwonenden met echtgenoten
(art. 48, 48 2, 50, 52 2, 3°, 56, tweede lid en 60 ter W. Succ. - art. 2, 3, 4, 5, 8 en 11 van de ordonnantie)

Voor de commentaar betreffende die gelijkschakeling wordt verwezen naar Hoofdstuk I, afdeling 2, hiervoor. Er wordt aan herinnerd dat de administratie van oordeel is dat de gelijkschakeling ook geldt voor de toepassing van de artikelen 51, 52 2, 1° 54, 1° ( abattement) en 60 bis, hoewel daarin niet uitdrukkelijk wordt gesproken van samenwonende.

HOOFDSTUK III. - Bijzonder tarief voor de verkrijging van de woning van de overledene
(art. 60 ter nieuw W. Succ. - art. 11 van de ordonnantie)

Afdeling 1. - Doel van de maatregel
Met het onderwerpen aan een preferentieel tarief van de verkrijging van de woning die de erflater op het ogenblik van zijn overlijden tenminste al vijf jaar tot hoofdverblijfplaats diende, heeft de ordonnantiegever oudere inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest willen inciteren om in het Gewest te blijven wonen. De mogelijkheid om hun woning-hoofdverblijfplaats - die meestal het belangrijkste deel van hun vermogen uitmaakt - op een fiscaal gunstige manier te kunnen doorgeven aan hun dichtste nabestaanden, moet ouderen er toe aanzetten om ook bij het naderen van het levenseinde in die woning te blijven wonen. Anderzijds kan het voordeeltarief de verkrijgenden van de familiale woning ertoe aanzetten er in te gaan wonen en ze te renoveren.

Afdeling 2. - Inhoud van het voordeel
Het voordeel bestaat in de afzonderlijke belasting tegen een preferentieel tarief van het verkregen netto-aandeel in de woning. Het verkregen netto-aandeel in de woning wordt dus uit het gewoon belastbaar aandeel van de verkrijger genomen en apart belast tegen een bijzonder progressief tarief.

Dat bijzonder progressief tarief is het volgende:

- op de eerste schijf van € 50.000 :2%
- op de schijf van € 50.000 tot € 100.000 : 5,3%
- op de schijf van € 100.000 tot € 175.000 : 6%
- op de schijf van € 175.000 tot € 250.000 : 12%
Wanneer de nettowaarde van het aandeel in de woning boven de € 250.000 uitstijgt, ondergaat het surplus het gewone tarief van artikel 48 W. Succ.

Voorbeeld:

Een nalatenschap omvat de geheelheid V.E. van de woning van de overledene ter waarde van € 555.000 en roerende goederen ter waarde van € 350.000. Als passief zijn er alleen de begrafeniskosten ten bedrage van € 5.000. De nalatenschap is toegevallen aan de twee kinderen, A en B, van de overledene, elk voor de helft.

Overeenkomstig de nieuwe aanrekeningsregel inzake het passief (zie verder Titel IV), moeten de begrafeniskosten aangerekend worden op het aandeel in de woning. Het netto-aandeel van elk kind bedraagt dus € 277.500 - € 2.500 = € 275.000.

Tot beloop van € 250.000 € wordt dit netto-aandeel apart belast tegen het preferentieel tarief.

De resterende € 25.000 moet samen met de roerende goederen belast worden volgens de regels en tegen het tarief geldend voor rechtverkrijgenden van de categorie "rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden" van artikel 48, waarbij dan nog moet rekening gehouden worden met het nieuwe artikel 66 ter (zie verder Titel V).

De heffing, voor A en B ELK, ziet er dus als volgt uit:

* aparte belasting van het netto-aandeel in de woning tot beloop van € 250.000

- € 50.000 x 2% = € 1.000
- € 50.000 x 5,3% = € 2.650
- € 75.000 x 6% = € 4.500
- € 75.000 x 12% = € 9.000
€ 17.150
* belasting van het surplus van het netto-aandeel in de woning en van de roerende goederen:

heffingsgrondslag

- € 250.000 ( zijnde het aandeel van A / B in de woning onderworpen aan het preferentieel tarief - bij te voegen voor de progressiviteit - art 66 ter)
- € 25.000 (zijnde het netto-aandeel van A / B in de woning, uitstijgend boven € 250.000 en dus onderworpen aan het normaal tarief)
- € 175.000 (zijnde het netto-aandeel van A / B in de roerende goederen)

zijnde samen: € 450.000

heffing

€ 50.000 x 0% (reeds belast) =€ 0
€ 50.000 x 0% (reeds belast) = € 0
€ 75.000 x 0% (reeds belast) = € 0
€ 75.000 x 0% (reeds belast) = € 0
€ 200.000 x 24% = € 48.000
€ 48.000
Totaal ten laste van A en B ELK: € 17.150 + € 48.000 = € 65.150

Opmerking: In de bovenstaande totalen is nog geen rekening gehouden met het abattement (artikel 54 W. Succ.) waarop A en B elk recht hebben. Gelet op de samenstelling van de nalatenschap moet dit abattement op een bijzondere wijze verrekend worden, ingevolge een beslissing van de Minister van Financiën van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dit wordt uiteengezet in Hoofdstuk I van Titel III van deze circulaire. Om die verrekening in casu te illustreren wordt in een tweede voorbeeld bij deze beslissing teruggekomen op het hierboven gegeven voorbeeld (zie blz. 29).

Afdeling 3. - Voorwaarden die moeten vervuld zijn opdat het preferentieel tarief toepassing zou kunnen vinden
Onderafdeling 1. - Grondvoorwaarden
1. Enkel erfgenamen in rechte lijn, de echtgenoot of de wettelijk samenwonende van de erflater kunnen het preferentieel tarief genieten.

De ordonnantie beperkt de toepassing van het preferentieel tarief strikt tot verkrijgingen door (een of meer) erfgenamen in rechte lijn van de erflater, de echtgenoot van de erflater en de samenwonende met de erflater.

Met "erfgenamen in rechte lijn" worden bedoeld:

-

de ascendenten en de descendenten van de erflater, ongeacht de wijze waarop ze in de woning erfgerechtigd zijn (als wettige erfgenaam, als legataris, als begiftigde, als begunstigde van een fictief legaat of in meerdere hoedanigheden);
-de adoptieve afstammelingen als bedoeld in artikel 52^2, tweede lid (cf. aanhef van artikel 52^2: "Voor de toepassing van dit Wetboek. …).
Met "echtgenoot" wordt hier uiteraard de persoon bedoeld met wie de erflater op het ogenblik van zijn overlijden gehuwd was.

Met "samenwonende" wordt de persoon bedoeld met wie de erflater op het ogenblik van zijn overlijden wettelijk samenwoonde - zie hiervoor Hoofdstuk I, afdeling 2.

Naast de vereiste dat de verkrijger de hoedanigheid heeft van erfgenaam in de rechte lijn, echtgenoot of samenwonende, is bovendien vereist dat de verkrijger behoort tot een categorie van personen voor wie de verkrijging in de woning zonder artikel 60 ter zou belast worden aan het tarief "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden". Artikel 60 ter bepaalt immers dat het preferentieel tarief is vastgesteld "in afwijking van tabel I van artikel 48". Dit is van belang ingeval van scheiding van tafel en bed van de erflater en zijn echtgenoot. De scheiding van tafel en bed laat het huwelijk bestaan. De langstlevende van de van tafel en bed gescheiden echtgenoten heeft echter enkel aanspraak op het tarief "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden", wanneer er met de echtgenoot-erflater gemeenschappelijke kinderen of afstammelingen zijn (cf. artikel 50, § 2). De langstlevende van de van tafel en bed gescheiden echtgenoten zal dus ook maar aanspraak kunnen maken op het preferentieel tarief, wanneer er met de echtgenoot-erflater gemeenschappelijke kinderen of afstammelingen zijn.

Kunnen dus a contrario niet genieten van het preferentieel tarief:

1. de personen die krachtens artikel 50, § 1, voor de toepassing van het tarief in rechte lijn worden gelijkgesteld met een ascendent of een descendent van de erflater: burgerrechtelijk zijn ze geen erfgenamen en de gelijkstelling die ze krachtens artikel 50 genieten geldt enkel voor de toepassing van het tarief rechte lijn;

2. de van tafel en bed gescheiden echtgenoot van de erflater, wanneer er geen gemeenschappelijke kinderen zijn (zie de vorige alinea);

3. de ex echtgenoot van de erflater, zelfs wanneer er gemeenschappelijke kinderen zijn (cf. art. 50, § 2 ― in geval van gemeenschappelijke kinderen geniet de ex echtgenoot wel van het tarief "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden, maar heeft niet meer de vereiste hoedanigheid van echtgenoot);

4. de ex samenwonende met de erflater, zelfs wanneer er gemeenschappelijke kinderen zijn (cf. art. 50, § 2 ― in geval van gemeenschappelijk kinderen geniet de ex samenwonende wel van het tarief "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden, maar heeft niet meer de vereiste hoedanigheid van samenwonende);

5. de personen die volgens de bepalingen van het wettelijk erfrecht tot de zijlijn van de overledene behoren (broers, zussen, ooms, tantes, neven en nichten van de overledene) evenals de personen met een verdere graad van bloedverwantschap, de personen die met de erflater enkel aanverwant zijn door huwelijk en de personen die geen band van bloed- of aanverwantschap hebben met de erflater.

Opmerking: wat de onder de nrs. 1, 3 en 5 vermelde personen betreft, geldt de uitsluiting van het preferentieel tarief natuurlijk maar in de mate dat ze op het ogenblik van het overlijden van de erflater niet tevens de hoedanigheid hebben van "wettelijk samenwonende" met de erflater.

2. De erflater moet een rijksinwoner zijn en de woning moet gelegen zijn in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Deze voorwaarden zijn niet uitdrukkelijk vermeld in de ordonnantie. Zij vloeien automatisch voort uit de lokalisatiecriteria inzake successierechten gekoppeld aan de in de ordonnantie gestelde vereiste dat op het ogenblik van zijn overlijden de overledene ten minste vijf jaar zijn hoofdverblijfplaats in de woning moet hebben gehad. Vermits de woning-hoofdverblijfplaats en de fiscale woonplaats in principe samenvallen, moet de erflater noodzakelijkerwijze een rijksinwoner zijn, opdat er in België van belastbaarheid met successierechten van zijn woning-hoofdverblijfplaats sprake zou kunnen zijn. Mocht de erflater zijn woning-hoofdverblijfplaats/fiscale woonplaats in het buitenland hebben gehad, dan is hij naar Belgisch recht een niet-rijksinwoner en is die woning eenvoudigweg niet aan de in België geldende successierechten onderworpen, vermits het recht van overgang bij overlijden enkel de in België gelegen onroerende goederen treft. Opdat de Brusselse regelgeving - en dus het preferentieel tarief op de woning-hoofdverblijfplaats van de overledene - van toepassing zou kunnen zijn, moet de fiscale woonplaats/woning-hoofdverblijfplaats van de overledene, krachtens het lokalisatiecriterium inzake het recht van successie, in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen zijn.

3. De nalatenschap moet ten minste een deel in volle eigendom van de woning-hoofdverblijfplaats van de overledene bevatten.

De nalatenschap moet ten minste een deel in volle eigendom van de woning bevatten. Het preferentieel tarief kan niet worden toegekend wanneer de nalatenschap enkel de blote eigendom of enkel een deel van de blote eigendom van de woning bevat.

Het preferentieel tarief kan echter wel toepassing vinden wanneer de nalatenschap de geheelheid volle eigendom van de woning bevat of wanneer zich daarin een deel volle eigendom en een deel blote eigendom van de woning bevindt.

4. Het moet gaan om een onroerend goed bestemd voor bewoning.

Het moet gaan om een onroerend goed bestemd voor bewoning, een woning dus. Die voorwaarde is evident vermits de erflater er op het ogenblik van zijn overlijden zijn hoofdverblijfplaats moet hebben sedert ten minste vijf jaren.

5. Het moet gaan om een woning waarin de overledene op het ogenblik van overlijden zijn hoofdverblijfplaats heeft en dit, behoudens overmacht, al sedert ten minste vijf jaren ononderbroken.
Voor de toepassing van het preferentieel tarief is vereist a) dat de overledene op het ogenblik van zijn overlijden zijn hoofdverblijfplaats had in de woning waarvoor de toepassing van het preferentieel tarief wordt gevraagd, en b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats daar al sedert ten minste vijf jaren ononderbroken had, c) een en ander behoudens overmacht.

a) laatste hoofdverblijfplaats in de woning

Het preferentieel tarief kan dus geen toepassing vinden op woningen die de overledene in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft, maar waarin hij nooit zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd.

Vermits de overledene maar in één woning op het ogenblik van zijn overlijden zijn hoofdverblijfplaats kan gehad hebben, komt uiteraard maar één woning voor het preferentieel tarief in aanmerking.

Het begrip "hoofdverblijfplaats" heeft hier dezelfde betekenis als in het administratief recht. In dit verband dient er te worden opgemerkt dat sinds de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en het K.B. van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister de effectieve woonplaats en de hoofdverblijfplaats in principe overeenstemmen. Overeenkomstig artikel 1 van voornoemde wet van 19 juli 1991 worden personen slechts ingeschreven in de bevolkingsregisters van een gemeente wanneer zij hun hoofdverblijfplaats in de gemeente gevestigd hebben. Overeenkomstig artikel 3 van deze wet wordt onder hoofdverblijfplaats verstaan "de plaats waar de leden van een huishouden dat uit verscheidene personen is samengesteld gewoonlijk leven, of de plaats waar een alleenstaande gewoonlijk leeft". Krachtens artikel 16 van het K.B. van 16 juli 1992 is de bepaling van de hoofdverblijfplaats gebaseerd op een feitelijke situatie, dit wil zeggen de vaststelling van een effectief verblijf in een gemeente gedurende het grootste deel van het jaar. Het feit dat de overledene op het tijdstip van zijn overlijden al een bepaalde tijd (zie b hierna) was ingeschreven in de bevolkingsregisters op een bepaalde plaats, is bijgevolg - alhoewel geen afdoend - alleszins een belangrijk criterium om te beoordelen of hij op dat adres zijn hoofdverblijfplaats had.

b) al sedert ten minste vijf jaar ononderbroken

Het preferentieel tarief kan dus geen toepassing vinden op een woning die de overledene op het ogenblik van zijn overlijden tot hoofdverblijfplaats diende, maar die deze bestemming nog niet had sedert ten minste vijf jaren. Ze kan evenmin toepassing vinden wanneer de overledene in totaal meer dan vijf jaren zijn hoofdverblijfplaats in de woning heeft gehad, maar in de vijf jaren voor zijn overlijden gedurende een periode, hoe kort ook, zijn hoofdverblijfplaats ergens anders heeft gehad dan op het adres van zijn laatste hoofdverblijfplaats.

c) behoudens overmacht

Die voorwaarden vervallen wanneer er door overmacht niet aan voldaan kon worden. Maar opdat overmacht ten aanzien van de gestelde voorwaarden zou kunnen worden ingeroepen, is in ieder geval vereist dat de overledene ten minste vijf jaar voor zijn overlijden zijn hoofdverblijfplaats in de woning waarvoor het preferentieel tarief wordt gevraagd, had gevestigd.

Voorbeelden

1ste geval. De overledene heeft zijn hoofdverblijfplaats in de woning slechts vier jaar voor zijn overlijden gevestigd.

In dat geval kan het voordeeltarief in geen enkel geval worden genoten. Overmacht kan alleen worden ingeroepen ten aanzien van het niet hebben kunnen behouden van de hoofdverblijfplaats in de woning. Overmacht kan niet worden ingeroepen ten aanzien van het niet tijdig hebben kunnen vestigen van de hoofdverblijfplaats in de woning.

2de geval. De overledene heeft zijn hoofdverblijfplaats in de woning acht jaar voor zijn overlijden gevestigd. Door overmacht heeft hij gedurende vier jaar zijn hoofdverblijfplaats elders moeten vestigen, nadien heeft hij zijn hoofdverblijfplaats opnieuw overgebracht naar de woning en ze aldaar behouden tot zijn overlijden (vereiste besproken sub littera a) vervuld; vereiste besproken sub littera b) niet vervuld).

In dit geval brengt de overmacht mee dat de vereiste dat de woning de overledene op het ogenblik van zijn overlijden al tenminste vijf jaar tot hoofdverblijfplaats moet hebben gediend (vereiste besproken sub littera b), geacht wordt te zijn voldaan.

3de geval. De overledene heeft zijn hoofdverblijfplaats in de woning gevestigd vijf jaar voor zijn overlijden Nadien heeft hij door overmacht zijn hoofdverblijfplaats naar elders moeten overbrengen en ze aldaar moeten behouden tot bij zijn overlijden (vereisten besproken sub littera a) en b) niet vervuld).

De overmacht brengt hier mee dat de vereisten inzake laatste hoofdverblijfplaats in de woning (vereiste besproken sub littera a) en inzake de ononderbroken periode van ten minste vijf jaar (vereiste besproken sub littera b), geacht zullen worden te zijn vervuld.

Met de term "overmacht" wordt vooral maar niet uitsluitend bedoeld een staat van zorgbehoevendheid waardoor de erflater noodgedwongen zijn intrek moest nemen in een bejaardentehuis of in een verzorgingsinstelling. In artikel 60 ter wordt terzake gezegd dat de staat van hulpbehoevendheid moet zijn ontstaan "na de aankoop van de woning". Bedoeld wordt echter "na de vestiging van de hoofdverblijfplaats in de woning".

d) bewijsaspecten

- met betrekking tot de voorwaarden vermeld onder a) en b)

Het vervuld zijn van die voorwaarden moet bewezen worden aan de hand van een uittreksel uit het bevolkings- of vreemdelingenregister. Dat bewijs heeft het karakter van een weerlegbaar vermoeden (artikel 60 ter, tweede lid). Het is dus aan de administratie om gebeurlijk het tegenbewijs te leveren. Ze kan dit doen door alle middelen van recht, getuigenissen en vermoedens inbegrepen, de eed uitgezonderd.

- met betrekking tot het bestaan van overmacht in hoofde van de overledene om aan de gestelde voorwaarden te voldoen

Het feit dat de overledene ten minste vijf jaar voor zijn overlijden zijn hoofdverblijfplaats in de woning waarvoor het preferentieel tarief wordt gevraagd, had gevestigd, moet bewezen worden door middel van een uittreksel uit het bevolkings- of vreemdelingenregister. Hetgeen hiervoor gezegd werd met betrekking tot het karakter van dat bewijs geldt hier vanzelfsprekend ook.

Het bewijs van de overmacht kan, vermits het gaat om een feitenkwestie, door de belanghebbenden bewezen worden door alle middelen van recht, getuigenissen en vermoedens inbegrepen, de eed uitgezonderd. In het overgrote deel van de gevallen zal een attest van de geneesheer van het tehuis of de instelling of van de persoonlijke geneesheer van de erflater volstaan.

Onderafdeling 2.- Vormvoorwaarden
De Brusselse ordonnantiegever heeft geen bijzondere vormvoorwaarden opgelegd voor het bekomen van het preferentieel tarief voor de woning van de erflater. Gelet op de algemene regel dat wie beweert recht te hebben op een fiscaal voordeel moet aantonen dat de toepassingsvoorwaarden vervuld zijn, doen de aangevers van de nalatenschap er goed aan uitdrukkelijk in de aangifte te vermelden dat toepassing van artikel 60 ter wordt gevraagd met verwijzing naar het in bijlage gevoegde uittreksel uit het bevolkings- of vreemdelingenregister.

Wanneer in de aangifte niet uitdrukkelijk de toepassing van artikel 60 ter wordt gevraagd, maar in bijlage bij de aangifte het uittreksel is gevoegd, zal dat door de administratie als een vraag om toepassing van artikel 60 ter worden beschouwd. Bij het ontbreken zowel van enige verwijzing naar de toepasselijkheid van artikel 60 ter in de aangifte als van het uittreksel uit het bevolkings- of vreemdelingenregister, zal de administratie de verschuldigde rechten bereken zonder toepassing van artikel 60 ter. De huidige regelgeving laat geen teruggave toe.

Wanneer voor de toepassing van het voordeel overmacht ten aanzien van de toepassingsvoorwaarden vermeld onder punt 5 van onderafdeling 1 wordt ingeroepen, moet die overmacht in de aangifte gemotiveerd worden.

Afdeling 4. - Sancties
Wanneer de voorwaarden voor toekenning van het preferentieel tarief niet zijn vervuld, bestaat de enige "sanctie" uiteraard in het niet toekennen ervan. Wanneer pas na de vereffening van de belasting blijkt dat er niet aan die voorwaarden voldaan is, zal het voordeel dat het preferentieel tarief heeft opgeleverd worden ingevorderd (met intresten).

HOOFDSTUK IV. - Gelijkstelling van een stiefkind met een eigen kind van de overledene voor de toepassing van het tarief
(nieuw art. 50, §1, W. Succ. - art. 4 van de ordonnantie).

Voorafgaande terminologische opmerking
In de nederlandstalige uitgave van deze circulaire wordt met "stiefkind" bedoeld een kind van de echtgenoot of van de samenwonende van een persoon dat geen eigen kind is van die persoon. Die persoon wordt hierna "stiefouder" genoemd, ongeacht of hij de echtgenoot of de wettelijk samenwonende is van de ouder van het kind.

Afdeling 1. - Draagwijdte van de maatreregel
Het nieuwe artikel 50, §1, W. Succ. stelt voor de toepassing van het tarief in rechte lijn gelijk:

- met een nakomeling (kind) van de erflater (erflater = stiefouder):

a) het kind van zijn echtgenoot (= stiefkind van de erflater)

en

b) het kind van de wettelijk samenwonende die met de erflater geen band van verwantschap tot de derde graad heeft (= stiefkind van de erflater),

op voorwaarde dat het (stief)kind, voor de leeftijd van 21 jaar, gedurende zes jaar zonder onderbreking van de erflater en zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende tezamen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normalerwijze van hun ouders krijgen (eerste zin van art. 50, §1);

- met de vader of de moeder van de erflater (erflater = stiefkind):

a) de echtgenoot van de ouder van de erflater (echtgenoot die zelf geen ouder is van de erflater = stiefouder)

en

b) de wettelijk samenwonende met de ouder van de overledene (samenwonende die zelf geen ouder is van de erflater = stiefouder)

(tweede zin van art. 50, §1).

Dit houdt dus in dat voortaan aan het tarief rechte lijn worden belast:

- hetgeen verkregen wordt door het stiefkind uit de nalatenschap van zijn stiefouder;
- hetgeen verkregen wordt door de stiefouder uit de nalatenschap van zijn stiefkind.

De gelijkstelling werkt dus in de twee richtingen.

Ze is nochtans onderworpen aan strikte voorwaarden die hierna worden ontleed.

Afdeling 2. - Voorwaarden die moeten vervuld zijn voor de toepassing van het tarief "rechte lijn" op verkrijgingen tussen stiefouder en stiefkind.
1. Wanneer de stiefouder-stiefkind relatie zijn oorsprong vindt in de wettelijke samenwoning van een ouder van het kind met iemand anders dan de andere ouder van het kind, mag er tussen de ouder en de stiefouder van het kind geen bloedverwantschap tot de derde graad bestaan. Dit betekent met andere woorden dat artikel 50, § 1, in geen geval toepassing kan vinden wanneer de wettelijke samenwoning bestaat tussen twee broers of zussen, tussen een broer en een zus, tussen een oom of tante en een neef of nicht.

Vb. 1. X, moeder van A, woont sedert het overlijden van haar echtgenoot wettelijk samen met haar broer Y. Y overlijdt en heeft gans zijn nalatenschap gelegateerd aan A. De voorwaarde vermeld onder punt 2 van deze afdeling is vervuld.

Vermits X (ouder van het kind) bloedverwant in de tweede graad is van Y (stiefouder van het kind) is artikel 50, § 1, W. Succ. niet van toepassing; al hetgeen A verkrijgt uit de "gewone" nalatenschap van Y wordt belast aan het tarief "tussen ooms of tantes en neven of nichten" (A is bloedverwant in de derde graad, m.a.w. neef of nicht, van Y).

Vb. 2. X, moeder van A, woont sedert het overlijden van haar echtgenoot wettelijk samen met haar nicht Y. Y overlijdt en heeft gans haar nalatenschap gelegateerd aan A. De voorwaarde vermeld onder punt 2 van deze afdeling is vervuld.

Vermits X (ouder van het kind) bloedverwant in de derde graad is van Y (stiefouder van het kind) is artikel 50, § 1, W. Succ. niet van toepassing; al hetgeen A verkrijgt uit de "gewone" nalatenschap van Y wordt belast aan het tarief "tussen alle andere personen" (A is bloedverwant in de vierde graad van Y).

2. Het stiefkind moet, vóór de leeftijd van 21 jaar, gedurende zes jaar zonder onderbreking van de erflater of van de erflater en zijn echtgenoot of samenwonende tezamen, de hulp en verzorging hebben gekregen die kinderen normalerwijze van hun ouders verkrijgen.

Deze voorwaarde impliceert echter niet dat de samenwoning of het huwelijk tussen de stiefouder en de ouder van het kind niet mag beëindigd zijn in de loop van de ononderbroken periode van zes jaar. Wanneer na de beëindiging van de samenwoning of het huwelijk de "ex-stiefouder" is doorgegaan met het verstrekken van de hulp en verzorging zodat aan de vereiste duur van zes ononderbroken jaren wordt voldaan, geniet het kind dat tot de nalatenschap van de ex-stiefouder komt, het voordeel van artikel 50, § 1 (of geniet de ex-stiefouder van dat voordeel indien hij tot de nalatenschap komt van het kind - zie verder opmerking 1°)

Het is vanzelfsprekend aan de belanghebbende die zich op de gelijkstelling beroept om het tarief rechte lijn te genieten, om te bewijzen dat de voorwaarden daartoe zijn vervuld. Wat de eerste voorwaarde betreft kan volstaan worden met een eenvoudige verklaring van het niet-bestaan van een bloedverwantschap tot de derde graad . Een onjuiste verklaring desbetreffend wordt bestraft met een boete gelijk aan het tweevoud van het ontdoken recht (art. 128, 1°, W. Succ.). Het vervuld zijn van de tweede voorwaarde is een feitenkwestie en kan dus bewezen worden door alle middelen van recht, getuigenissen en vermoedens inbegrepen maar de eed uitgezonderd.

Opmerkingen:

1°. De voorwaarden vermeld onder 1 en 2 gelden, mutatis mutandis, ook wanneer het gaat om een verkrijging door een stiefouder uit de nalatenschap van zijn stiefkind. Dat staat niet met zoveel woorden in artikel 50, § 1, W. Succ. maar volgt uit de bedoeling van de ordonnantiegever met de laatste zin van genoemde paragraaf: de uitwerking van de gelijkstelling in beide richtingen, wat impliceert onder dezelfde voorwaarden.

In de voorbeelden 1 en 2 hiervoor, zal indien A de erflater is en Y de legataris van diens gehele nalatenschap, Y dus evenmin genieten van de toepassing van artikel 50, § 1, ook al heeft A vóór de leeftijd van 21 jaar van X en Y samen gedurende zes ononderbroken jaren de hulp en verzorging genoten welke kinderen normaal van hun ouders krijgen.

2°. Vergelijking oud artikel 52 2, 3° W. Succ. met nieuw artikel 50, § 1 W. Succ en nieuw artikel 52 2, 3° W. Succ. met betrekking tot de vereiste hulp en verzorging.

Merk op dat in het oude artikel 52 2, 3° W. Succ. vereist werd dat de hulp en verzorging " uitsluitend " door de adoptant of door de adoptant of diens echtgenoot tezamen, moest zijn verstrekt. In de nieuwe tekst van de artikelen 50, § 1 en 52 2, 3° W. Succ. komt het woord " uitsluitend " niet meer voor. Dit brengt mee dat het voordeel van de betreffende gelijkstellingen niet verloren gaat wanneer derden (natuurlijke ouders of de overheid bijvoorbeeld) in beperkte mate zijn tussengekomen bij het onderhoud en opvoeding van het pleeg- of stiefkind. Het komt er voor de belanghebbenden op aan ten opzichte van de administratie aannemelijk te maken dat de pleeg- of stiefouder (eventueel samen met zijn echtgenoot of samenwonende) meer dan enige andere persoon gedurende de periode van zes jaar zonder onderbreking voor het pleeg- of stiefkind heeft ingestaan op moreel en materieel vlak.


TITEL III. - COMMENTAAR BIJ DE NIEUWE BEPALINGEN INZAKE VRIJSTELLINGEN EN VERMINDERINGEN
HOOFDSTUK I. - Verhoging van het bedrag van de vrijstelling (abattement) voor de erfgenamen die door de wet tot de nalatenschap worden geroepen EN VOOR DE ECHTGENOOT (art. 54, 1°, W. Succ. - art. 6 van de ordonnantie)

Het bedrag van de vrijstelling bepaald in artikel 54, 1°, W. Succ. ten voordele van een erfgenaam in de rechte lijn die door de wet tot de nalatenschap wordt geroepen en ten voordele van de echtgenoot van de erflater wordt van € 12.500 op € 15.000 gebracht.

Bij deze wijziging moeten twee opmerkingen worden gemaakt.

1. Wat betreft de begunstigden van de vrijstelling
Wat het personele toepassingsgebied (ratione personae) van de vrijstelling betreft, stelt de administratie zich op het standpunt dat de wettelijk samenwonende hetzelfde abattement en dezelfde bij-abattementen geniet als de echtgenoot van de erflater, omdat de gelijkstelling echtgenoot-samenwonende bij vergetelheid niet werd doorgevoerd in artikel 54, 1° (zie Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling 2, Onderafdeling 2).

Bovendien wordt er aan herinnerd dat de erfopvolgers die voor de toepassing van artikel 48 inzake het tarief worden gelijkgesteld met een erfgenaam in rechte lijn (cf. artikel 50, § 1, en artikel 52 2) eveneens het abattement, en eventueel de bij-abattementen genieten, op voorwaarde dat zij door de wet tot de nalatenschap geroepen zijn.

Tenslotte moet er nog worden op gewezen dat de ex samenwonende die met de erflater gemene kinderen of afstammelingen heeft (op de datum van het overlijden moeten er nog gemene kinderen of afstammelingen in leven zijn) zijn recht op het abattement en de bij-abattementen behoudt (cf. artikel 50, § 2 ; dit bij uitbreiding van de beslissing van 7 augustus 1968, nr. E.E / E.L. 211, ten aanzien van de uit de echt of van tafel en bed gescheiden echtgenoot die met de overledene gemene kinderen of afstammelingen heeft).

2. Wat betreft de praktische toepassing van de vrijstelling wanneer de verkrijging zowel goederen omvat die aan een vast tarief (art. 60bis W. Succ. - K.M.O.) en/of het preferentieel tarief zijn onderworpen als goederen die aan het tarief van artikel 48 W. Succ. zijn onderworpen
Wanneer de verkrijging van een begunstigde van het abattement goederen omvat die aan verschillende tarieven onderworpen zijn rijst, bij gebreke van regeling in de ordonnantie, de vraag hoe het abattement moet verrekend worden.

De Minister van Financiën, Begroting, Ambtenarenzaken en Externe Betrekkingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft beslist (mededeling van 21 januari 2003) dat alsdan het bedrag van het abattement proportioneel moet worden verdeeld volgens de netto-aandelen van de begunstigde van het abattement in de onderscheiden groepen van goederen (art. 48, 60 bis en 60 ter).

Voorbeeld 1. Een nalatenschap valt toe aan X, 30 jaar, dochter van de overledene, die de blote eigendom verkrijgt en aan Y, 52 jaar, echtgenote van de overledene die het vruchtgebruik verkrijgt.

In het actief van het gemeenschappelijk vermogen is een KMO aanwezig met een brutowaarde van € 600.000. In het passief van het GV is een schuld aan derden aanwezig van € 190.000.

Het eigen vermogen van de overledene omvat de volgende goederen:

- gewone roerende goederen: brutowaarde: € 110.000
- de geheelheid V.E. van de woning van de overledene: brutowaarde € 200.000

Het actief van de nalatenschap omvat dus:

- goederen onderworpen aan het tarief van artikel 60bis: het netto-aandeel van de overledene in het GV: € 205.000
- goederen onderworpen aan het normaal progressief tarief van artikel 48: brutowaarde: € 110.000
- goederen onderworpen aan het preferentieel tarief van artikel 60 ter: brutowaarde: € 200.000

Het passief omvat:

- begrafeniskosten ten belope van € 5.000 en
- het saldo van een leningschuld voor de verkrijging van gewone roerende goederen, ten bedrage van € 10.000

Krachtens de nieuwe aanrekeningsregel inzake passief (zie verder Titel IV van deze circulaire) moet de leningschuld worden aangerekend op de brutowaarde van de gewone roerende goederen; de begrafeniskosten moeten aangerekend worden op de brutowaarde van de K.M.O. De nettowaarde van de gewone roerende goederen bedraagt dus € 100.000; die van de K.M.O. bedraagt € 200.000. In de categorie art. 60ter stemt de brutowaarde overeen met de nettowaarde.

Normaal gezien gebeurt deze aanrekening per erfopvolger, doch vermits de devolutie hier eenvormig is, kan deze aanrekening net zo goed op de totale waarde van de goederen gebeuren.

Overeenkomstig art. 66 W. Succ bedraagt het aandeel van X in de belastbare waarde van de goederen 48%, dat van Y bedraagt 52 %.

1. Recht van successie verschuldigd door X

a) nettoverkrijgingen van X in de verschillende groepen goederen

- in de groep van artikel 60bis: € 200.000 x 48% = € 96.000
- in de groep van artikel 60ter: € 200.000 x 48 % =€ 96.000
- in de groep van artikel 48: € 100.000 x 48 % = € 48.000
€ 240.000
b) proportionele verdeling van het bedrag van het abattement (€ 15.000) over de nettoverkrijgingen van X in de verschillende groepen van goederen:

- te verrekenen in de groep van artikel 60bis: € 15.000 x 96.000/240.000 = € 6.000
- te verrekenen in de groep van artikel 60ter:€ 15.000x 96.000/240.000 = € 6.000
- te verrekenen in de groep van artikel 48 € 15.000 x 48.000/240.000 = € 3.000
c) toepassing tarief + abattement

- in de groep van artikel 60bis:€ 6.000 (abattement) niet-belastbaar € 0 € 90.000 x 3% = € 2.700
€ 2.700
- in de groep van artikel 60ter:€ 6.000 (abattement) niet-belastbaar = € 0€ 44.000 x 2% =€ 880
€ 46.000 x 5,3% = € 2.438
€ 3.318
- in de groep van artikel 48

Hier moet rekening gehouden worden met het bepaalde in artikel 66 ter (bijvoeging bij de normale heffingsgrondslag - en dit enkel voor de progressiviteit - van het netto-aandeel van X in de K.M.O en van zijn netto-aandeel in de woning van de erflater), zodat het abattement hier door aftrek achteraf moet worden verrekend.

Heffingsgrondslag:

- € 96.000(reeds belast - art. 60bis)
- € 96.000(reeds belast - art. 60ter)
- € 48.000 (nog te belasten - art 48 en 66ter)
€ 240.000
Heffing:

- € 50.000 x 0% (reeds belast) € 0
- € 50.000 x 0% ( reeds belast) € 0
- € 75.000 x 0% (reeds belast) € 0
- € 17.000 x 0% (reeds belast) € 0
- € 48.000 x 18% = € 8.640
€ 8.640
Te betalen door X na verrekening van zijn abattement:

€ 8.640 - (€ 3.000 x 3%) = € 8.550
d) totaal verschuldigd door X: € 2.700 + € 3.318 + € 8.550 = € 14.568

2) Recht van successie verschuldigd door Y

a) nettoverkrijgingen van Y in de verschillende groepen goederen

- in de groep van artikel 60bis: € 200.000 x 52% = € 104.000
- in de groep van artikel 60ter: € 200.000 x 52 % = € 104.000
- in de groep van artikel 48: € 100.000 x 52 % = € 52.000
€ 260.000
b) proportionele verdeling van het bedrag van het abattement (€ 15.000) over de nettoverkrijgingen van Y in de verschillende groepen van goederen:

- te verrekenen in de groep van artikel 60bis: € 15.000 x 104.000/260.000 = € 6.000
- te verrekenen in de groep van artikel 60ter: € 15.000x 104.000/260.000 =€ 6.000
- te verrekenen in de groep van artikel 48 € 15.000 x 52.000/260.000 =€ 3.000
c) toepassing tarief + abattement

- in de groep van artikel 60bis: € 6.000 (abattement) niet-belastbaar € 0
- € 98.000 x 3% = € 2.940
€ 2.940
- in de groep van artikel 60ter:€ 6.000 (abattement) niet belastbaar € 0
€ 44.000 x 2% = € 880
€ 50.000 x 5,3% = € 2.650
€ 4.000 x 6% = € 240
€ 3.770
- in de groep van artikel 48

Hier moet rekening gehouden worden met het bepaalde in artikel 66 ter (bijvoeging bij de normale heffingsgrondslag - en dit enkel voor de progressiviteit - van het nettoaandeel van Y in de K.M.O en van zijn nettoaandeel in de woning van de erflater), zodat hier het abattement door aftrek achteraf moet worden verrekend.

Heffingsgrondslag:

- € 104.000(reeds belast - art. 60bis)
- € 104.000 (reeds belast - art. 60ter)
- € 52.000 (nog te belasten - art 48 en 66ter)
€ 260.000
Heffing:

- € 50.000 x 0% (reeds belast) € 0
- € 50.000 x 0% ( reeds belast) € 0
- € 75.000 x 0% (reeds belast) € 0
- € 33.000 x 0% (reeds belast) € 0
- € 42.000 x 18% = € 7.560
- € 10.000 x 24% = € 2.400
€ 9.960
Te betalen door Y na verrekening van zijn abattement:
€ 9.960 - (€ 3.000 x 3%) = € 9.870
d) totaal verschuldigd door Y: € 2.940 + € 3.770 + € 9.870 = € 16.580

Voorbeeld 2. Hernemen we het voorbeeld gegeven in Titel II, Hoofdstuk III, Afdeling 2 (blz. 16). De door A en B verschuldigde rechten werden berekend zonder rekening te houden met het abattement waarop ze elk recht hebben. Er wordt aangenomen dat A en B beiden ouder zijn dan 21 jaar.

Hoe wordt het abattement in dat geval berekend ?

* In hoofde van A en B ELK:

- te verrekenen in groep van artikel 60ter een abattement van: € 15.000 x (250.000/450.000) = € 8.333,3333
- te verrekenen in de groep van artikel 48 € 15.000 x (200.000/450.000) = € 6.666,6667
Merk op dat het netto-aandeel van A in het surplus van de woning (deel boven de € 250.000, dat aan het gewone tarief van artikel 48 onderworpen is), zijnde € 25.000, gevoegd moet worden bij zijn netto-aandeel in de gewone goederen (€ 175.000).

Dit geeft als af te trekken bedrag:

- € 8.333,3333 x 2% = € 166,6666
- € 6.666,6667 x 3% = € 200,0000
of samen: € 366,6666
* Uiteindelijk verschuldigde rechten:

door A en B ELK: € 65.150 - € 366,6666 = € 64.783,3333 wat afgerond (art. 62 W. Succ.) geeft € 64.783,34

3. Wat betreft de belastbaarheid in geval het totaal bedrag van de vrijstelling die een verkrijger op grond van artikel 54, 1°, W. Succ. geniet, groter of gelijk is aan het totaal van de netto-aandelen van de verkrijger in de verschillende groepen goederen van de nalatenschap.
Wanneer het totaal bedrag van de vrijstelling waarop een verkrijger op grond van artikel 54, 1°, W. Succ aanspraak heeft (d.w.z. de som van zijn abattement en bij-abattementen), groter is dan of gelijk aan zijn netto-aandeel in de goederen van de nalatenschap (d.w.z. de som van zijn netto-aandelen in de "gewone"goederen, in de goederen bedoeld in artikel 60 bis en in de woning bedoeld in artikel 60 ter), dan is gans zijn verkrijging onbelastbaar. In een dergelijk geval mag het netto-aandeel van de verkrijger in de "gewone" goederen dus niet verhoogd worden met:

- de heffingsgrondslag voor de schenkingen bedoeld in artikel 42, VIII bis W. Succ.;
- zijn netto-aandeel in de in artikel 60 bis bedoelde goederen;
- zijn netto-aandeel in de in artikel 60 ter bedoelde woning.

Uiteraard mag in een dergelijk geval ook geen toepassing worden gemaakt van de onder punt 2 hiervoor besproken beslissing.

Voorbeeld

X, vader van A, overlijdt. A is zijn enige erfgenaam. A is op het ogenblik van het overlijden van X twee jaar en drie maanden oud. De nalatenschap van X omvat:

- de gezinswoning (60ter) met een netto-waarde van: € 50.000
- "gewone" goederen (art. 48) met een netto-waarde van € 10.000
€ 60.000
A heeft dus aanspraak op een abattement van € 15.000 en op bij-abattementen tot beloop van € 45.000 (18 x € 2.500), zijnde in totaal € 60.000.

A is niet belastbaar vermits de som van zijn abattement en bij-abattementen gelijk is aan zijn netto-verkrijging in de nalatenschap (som netto-aandeel in de "gewone" goederen en van zijn netto-aandeel in de woning waarop artikel 60 ter toepassing vindt).

HOOFDSTUK II. - Andere wijzigingen op het vlak van de vrijstellingen en verminderingen van de rechten
Afdeling 1. - Verhoging van de drempel voor belastbaarheid (belastbaar minimum) van nalatenschappen van € 620 naar € 1.250
(art. 54, 2°, W. Succ. - art. 6 van de ordonnantie).

Die wijziging behoeft geen nadere uitleg.

Afdeling 2. - Beperking van de vrijstelling van successierechten voor publiekrechtelijke instellingen tot de publiekrechtelijke instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
(art. 55 W. Succ. - art. 7 van de ordonnantie)

Ingevolge deze beperking geldt de vrijstelling van successierechten bepaald in artikel 55 W. Succ. voortaan enkel nog voor de legaten vermaakt aan de volgende publiekrechtelijke instellingen:

1. het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
2. de Brusselse Agglomeratie;
3. de Vlaamse Gemeenschapscommissie;
4. de Franse Gemeenschapscommissie;
5. de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
6. de openbare instellingen van de onder 1 tot 5 vermelde publiekrechtelijke instellingen.

Legaten vermaakt aan andere publiekrechtelijke rechtspersonen dan de vermelde zijn voortaan uitgesloten van de vrijstelling en worden dus belast aan het tarief "tussen alle andere personen", tenzij ze een verlaagd vast tarief genieten.

Afdeling 3. - Toekenning van een voordeeltarief van 6,60 t. h. voor de legaten vermaakt aan sommige federale instellingen en gemeenschapsinstellingen
(art. 59, 1°, tweede lid W. Succ. - art. 9, § 1, van de ordonnantie)

Om legaten aan bepaalde federale instellingen en gemeenschaps-instellingen niet volledig te ontraden heeft de Brusselse ordonnantiegever de vrijstelling van successierechten die ze voorheen genoten (oud artikel 55 W. Succ.) vervangen door een verlaagd tarief van 6,60 t.h. zoals bepaald in het nieuwe tweede lid van de rubriek 1° van artikel 59 W. Succ.

Kunnen van dat verlaagd tarief van 6,60 t.h. genieten de hierna vermelde instellingen:

1. de Vlaamse Gemeenschap;
2. de Franse Gemeenschap;
3. de openbare instellingen van de Vlaamse Gemeenschap en van de Franse Gemeenschap;
4. de openbare wetenschappelijke en culturele instellingen van de federale Staat bedoeld in artikel 6 bis, § 2, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen.

Alle legaten die vermaakt zijn aan andere publiekrechtelijke instellingen dan die vermeld in het nieuwe artikel 55 W. Succ. en in artikel 59, 1°, eerste en tweede lid W. Succ., zijn onderworpen aan het tarief "tussen alle andere personen".

Afdeling 4. - Verhoging van 8,80 t.h. naar 25 t.h. van het verlaagd tarief van toepassing op de verenigingen zonder winstoogmerk, de aangenomen mutualiteitsverenigingen, de beroepsverenigingen en de internationale verenigingen met wetenschappelijk doel
(art. 59, 2° W. Succ. - art. 9, § 2, van de ordonnantie).

Er wordt benadrukt dat het tarief van 25 t.h. ten aanzien van verenigingen zonder winstoogmerk slechts toepassing vindt op de V.Z.W's die niet voldoen aan de erkenningsvoorwaarde waarvan sprake is in artikel 59, 3°, W. Succ. (zie afdeling 5, hierna) voor de toekenning van het gunstigere tarief van 12,50 t.h. Voor het overige behoeft deze bepaling geen verdere toelichting.

Afdeling 5. - Instelling van een nieuw verlaagd tarief van 12,50 t.h. voor de legaten vermaakt aan V.Z.W's en aan andere rechtspersonen zonder winstoogmerk die erkend zijn in het kader van de WIB-regelgeving met betrekking tot de fiscale aftrekbaarheid van giften in geld
(art. 59, 3° W. Succ. - Art. 9, § 3 van de ordonnantie)

Het nieuwe tarief van 12,50 t.h. werd vooral ten gunste van V.Z.W.'s ingesteld, om de sterke verhoging van het tarief van 8,80 t.h. naar 25 t.h in artikel 59,2° W. Succ. te temperen, althans voor sommige V.Z.W.'s.

Het nieuwe tarief is van toepassing op V.Z.W.'s die op het federaal niveau erkend zijn in het kader van de WIB-regelgeving (artikelen 104 en 110 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992) met betrekking tot de fiscale aftrekbaarheid van giften in geld. Het is bovendien van toepassing op alle instellingen die geen V.Z.W. zijn maar evenzeer erkend zijn in het kader van voornoemde regelgeving. Laatstbedoelde instellingen worden in de tekst van het nieuwe 3° van artikel 59 W. Succ. aangeduid als " andere rechtspersonen zonder winstoogmerk".

Let wel, het nieuwe artikel 59, 3°, W. Succ., bepaalt dat het tarief van 12,50 t.h. maar van toepassing is op voorwaarde dat de V.Z.W. of instelling "geen gunstiger tarief geniet krachtens het Wetboek".

Deze bepaling was nodig omdat een V.Z.W. of instelling erkend in het kader van de toepassing van de artikelen 104 en 110 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, naast het verlaagd tarief van artikel 59, 3° W. Succ., gebeurlijk ook kan genieten van een vrijstelling op grond van artikel 55 W. Succ. (vb. legaat aan een erkende V.Z.W. opgericht door een instelling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) of van het verlaagd tarief van 6,60 t.h. op grond van 59,1° W. Succ. (vb. legaat aan een erkende V.Z.W. opgericht door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, …). Het meest gunstige tarief moet worden toegepast.

TITEL IV. - NIEUWE REGEL INZAKE AANREKENING VAN HET PASSIEF
HOOFDSTUK I. - Reden van de invoering van de nieuwe aanrekeningsregel
Omdat niet alle verkregen goederen meer aan het algemeen progressief tarief van artikel 48 W. Succ. onderworpen zijn (cf. artikel 60 bis: vast recht voor K.M.O.; artikel 60 ter: bijzonder progressief tarief voor de woning van de erflater), heeft de Brusselse ordonnantiegever er voor geopteerd een nieuwe algemene aanrekeningsregel inzake het passief in het Wetboek in te schrijven (nieuw artikel 60 quater).

HOOFDSTUK II. - Draagwijdte en inhoud van de nieuwe aanrekeningsregel inzake het passief
(art. 60bis en 60 quater W. Succ. - art. 10 en art. 12 van de ordonnantie)

Afdeling 1. - Draagwijdte
De nieuwe aanrekeningsregel heeft een algemene draagwijdte. Hij is met andere woorden van toepassing op alle nalatenschappen ongeacht hun samenstelling.

Bijgevolg is de bijzondere aanrekeningsregel inzake het passief ingeval de nalatenschap een K.M.O. omvatte, en die was neergelegd in artikel 60 bis, § 3, W. Succ. bij onderhavige ordonnantie geschrapt (art. 10, 2° van de ordonnantie).

Afdeling 2. - Inhoud van de nieuwe aanrekeningsregel
Het nieuwe artikel 60 quater W. Succ. bevat de algemene regel inzake aanrekening van het passief en een uitzondering op die algemene regel.

Onderafdeling 1. - Algemene regel

Artikel 60 quater bepaalt dat het aannemelijk passief moet worden aangerekend in de volgende strikte volgorde:

- eerst en tot uitputting ervan op de waarde van de goederen waarop artikel 60 bis toepassing vindt (K.M.O.);
- indien er nog passief rest, vervolgens, en tot uitputting ervan, op de waarde van het onroerend goed waarop artikel 60 ter toepassing vindt (woning-hoofdverblijfplaats van de erflater);
- indien er dan nog passief rest, tenslotte op de waarde van de overige goederen van de nalatenschap.

Onder "aannemelijk passief" wordt voor de toepassing van deze algemene aanrekeningsregel uiteraard verstaan de op de dag van het overlijden bestaande schulden van de erflater en de begrafeniskosten, indien de overledene rijksinwoner was.

De volgens artikel 60quater voorziene toerekening van het passief geschiedt op de goederen die de erfopvolger uit de nalatenschap verkrijgt inclusief de goederen die ingevolge de fictieartikelen (artikelen 3 tot en met 11) bij het erfdeel van de erfopvolger moeten worden gevoegd.

De algemene aanrekeningsregel heeft echter geen invloed op de vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten. Een schuld die deel uitmaakt van het passief van het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten kan niet rechtstreeks als een schuld van de nalatenschap worden aangerekend, vermits het aandeel van de overledene in het gemeenschappelijk vermogen slechts na vereffening netto in de nalatenschap kan vallen.

Onderafdeling 2. - Uitzondering : specifieke schulden
Wanneer de belanghebbenden het bewijs aanbrengen dat sommige schulden speciaal zijn gemaakt om goederen van de nalatenschap te verkrijgen, te verbeteren of te bewaren, worden die schulden afgetrokken van de waarde van de betreffende goederen.

De termen "verkrijgen", "verbeteren" "en "bewaren" moeten hier ruimer begrepen worden dan in het kader van de toepassing van artikel 33, laatste lid, 2° W. Succ. Een indirect verband tussen de schuld en het verkrijgen, verbeteren of bewaren van het goed in de nalatenschap volstaat. Een leningschuld bijvoorbeeld, aangegaan voor het betalen van de prijs van een onroerend goed kan worden afgetrokken van de waarde van dat goed. Even goed kunnen schulden aangegaan voor de renovatie (verbetering) of voor het juridische behoud (bewaring) van een onroerend goed in mindering worden gebracht van de waarde van dat onroerend goed.

Het spreekt voor zich dat deze uitzondering enkel geldt voor de schulden van de overledene in de strikte zin en niet voor de begrafeniskosten. Deze laatste zijn immers nooit aangegaan voor het verkrijgen, verbeteren of bewaren van goederen van de nalatenschap.

Het door de belanghebbenden te leveren bewijs is niet dat van het bestaan van de schulden (bewijs dat in ieder geval moet geleverd worden) maar van hun speciale kwalificatie (m.a.w. dat ze gemaakt zijn om sommige, individualiseerbare, goederen van de nalatenschap te verkrijgen, te verbeteren of te bewaren).

Vermits er terzake van dat bewijs niets nader is bepaald, moet besloten worden dat het bestaan van de band van de schuld met het verkrijgen, verbeteren of bewaren van een goed kan aangetoond worden door alle middelen van recht, getuigenissen en vermoedens inbegrepen maar de eed uitgezonderd (feitenkwestie).

TITEL V. - COMMENTAAR BIJ DE ARTIKELEN INZAKE VERZEKERING VAN DE PROGRESSIVITEIT VAN HET NORMALE TARIEF
Er zijn twee artikelen die de progressiviteit van het normale, algemene tarief neergelegd in artikel 48 beogen te verzekeren: de artikelen 66 bis en 66 ter W. Succ.

HOOFDSTUK I. - Toepassing van artikel 66bis W. Succ.
De ordonnantie heeft aan dat artikel niets gewijzigd.

Dit houdt in dat, zo er schenkingen onder levenden als bedoeld in artikel 42, nummer VIII bis W. Succ. bestaan, de basis waarop het registratierecht werd of dient geheven uit hoofde van die schenkingen, gevoegd wordt bij het erfelijk emolument der belanghebbenden om het op dit emolument toepasselijk progressief recht van successie of van overgang bij overlijden te bepalen.

Opgelet.
1° De regel neergelegd in artikel 66 bis beoogt enkel de progressiviteit van het normale, algemene progressieve tarief te verzekeren; hij is niet van toepassing op het bijzondere progressieve tarief neergelegd in artikel 60 ter voor de overgang van de woning-hoofdverblijfplaats van de overledene aan welbepaalde rechtverkrijgenden.

Hieruit volgt:

- dat de belastbare grondslag van een schenking die een deel van de woning-hoofdverblijfplaats van de toekomstige erflater omvatte (schenking binnen de drie jaar van diens overlijden), in geen geval mag gevoegd worden bij de belastbare grondslag van het resterende deel van de erflater in zijn woning-hoofdverblijfplaats dat aan het tarief bepaald in artikel 60 ter is onderworpen. Als de begunstigde van de schenking in de nalatenschap goederen verkrijgt die aan het tarief van artikel 48 W. Succ. onderworpen zijn, moet de belastbare grondslag van vorenbedoelde schenking voor de progressiviteit van het tarief van artikel 48 W. Succ. gevoegd worden bij de belastbare waarde van de goederen die onder het gewone tarief vallen.

- dat de regel van artikel 66 bis niet kan worden toegepast wanneer de nalatenschap:

- hetzij enkel een K.M.O. onderworpen aan het tarief van artikel 60 bis omvat;

- hetzij enkel (minstens een deel in volle eigendom van) de woning-hoofdverblijfplaats van de erflater omvat waarop het tarief van artikel 60 ter van toepassing is;

- hetzij enkel de twee hierboven vermelde goederen omvat

2° Bij de ordonnantie werd bepaald dat het tarief "tussen ooms of tantes en neven of nichten" enerzijds en het tarief "tussen alle andere personen" anderzijds, voortaan moet toegepast worden op de samengenomen aandelen van de personen in die respectieve tariefcategorieën. Die nieuwe manier van bepaling van de heffingsgrondslag waarop het tarief moet worden toegepast, werd zonder enig voorbehoud doorgevoerd (zie hiervoor: Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling III). Dit brengt mee dat wanneer er schenkingen als bedoeld in artikel 42, nummer VIII bis W. Succ. door de toekomstige erflater gedaan werden aan toekomstige erfgenamen behorende tot de vermelde tariefcategorieën, en die erfgenamen in de nalatenschap een aandeel verkrijgen in goederen onderworpen aan het gewone tarief van artikel 48, de heffingsgrondslagen van die schenkingen voor de progressiviteit van dat tarief moeten gevoegd worden bij de samengenomen aandelen van alle personen van de betreffende tariefcategorie.

Let wel, het bedrag van de globaal over de "gewone" goederen verschuldigde rechten wordt evenredig verdeeld over de betrokken rechtverkrijgenden in verhouding tot het aandeel van elk van hen in de belastbare waarde van die goederen. Voor de repartitie blijven de schenkingen bedoeld in artikel 42, VIII bis dus volledig buiten beschouwing.

Voorbeeld.

De zuiver roerende nalatenschap van X met een netto-actief van € 30.000 valt toe aan zijn drie neven A, B en C, elk voor 1/3.

Binnen de drie jaar voor zijn overlijden heeft X aan A een onroerend goed geschonken. Het schenkingsrecht werd vereffend op een heffingsgrondslag van € 30.000.

Globaal verschuldigde successiebelasting:

* geglobaliseerde aandelen: € 30.000
* toep. art. 66bis W. Succ.: + € 30.000
€ 60.000
Heffing: € 30.000 reeds belast

€ 20.000 x 35% = € 7.000
€ 10.000 x 50% = € 5.000
€ 12.000
Repartitie: rechten verschuldigd door

- A: € 12.000 x (10.000/30.000) = € 4.000

- B: € 12.000 x (10.000/30.000) = € 4.000

- C: € 12.000 x (10.000/30.000) = € 4.000

HOOFDSTUK II. - Toepassing van artikel 66ter W. Succ.
(art. 13 van de ordonnantie)

Bij de ordonnantie werd artikel 66 ter W. Succ. gewijzigd zodanig dat niet enkel in geval van toepassing van artikel 60 bis W. Succ. (vast tarief van 3% voor K.M.O.'s) - wat al was voorzien in de oorspronkelijke versie van artikel 66 ter W. Succ. -, maar ook in geval van toepassing van artikel 60 ter W. Succ. - dat een nieuwe bepaling is -, de aandelen van de rechtverkrijgenden in die goederen voor de progressiviteit van het gewone tarief moeten worden gevoegd bij hun aandeel in de overige, gewone, goederen. Die bijvoeging geschiedt dus enkel met het oog op de progressiviteit; de bij te voegen aandelen zijn reeds belast.

Opgelet.
Wanneer een verkrijger behorende tot een tariefcategorie met globalisatie, naast een aandeel in de "gewone" goederen van de nalatenschap, ook een aandeel verkrijgt in een kleine of middelgrote onderneming (K.M.O.) dat te belasten is tegen het tarief van 3% (artikel 60 bis W. Succ.), moet de nettowaarde van dat aandeel in de K.M.O. voor de progressie van het gewone tarief gevoegd worden bij de geglobaliseerde netto-aandelen van alle verkrijgers binnen de betrokken tariefcategorie voor de berekening van de belasting over hun gezamenlijk netto-aandeel in de "gewone" goederen.

Let wel, ook hier geldt dat het bedrag van de globaal over de "gewone" goederen verschuldigde rechten evenredig wordt verdeeld over de betrokken rechtverkrijgenden in verhouding tot het aandeel van elk van hen in de belastbare waarde van die goederen. Voor de repartitie blijft het netto-aandeel in de K.M.O. dus volledig buiten beschouwing. Voor een voorbeeld wordt verwezen naar Titel II, Hoofdstuk I, afdeling 3, onderafdeling 2, rubriek "opgelet", "1° Toepassing van artikel 66 ter W. Succ.".


Titel VI. - INVLOED VAN DE GEWIJZIGDE OF NIEUWE ARTIKELEN OP ANDERE ARTIKELEN VAN HET WETBOEK
HOOFDSTUK I. - Artikel 16 W.Succ.
In het kader van de toepassing van artikel 16 W.Succ. wordt een stiefkind, dat bij artikel 50 § 1 wordt gelijkgesteld met een nakomeling van de erflater voor de toepassing van het tarief rechte lijn, niet in aanmerking genomen. Het kan dus noch beschouwd worden als een "gemeenschappelijk kind", noch kan het zelf genieten van artikel 16.

Wanneer artikel 16 W.Succ. geen toepassing vindt en er dus effectief rekening moet worden gehouden met de vergoedingsrekeningen tussen de echtgenoten kunnen de volgende twee situaties zich voordoen :

1. Er is een vergoeding verschuldigd door het gemeenschappelijk vermogen aan het eigen vermogen van de erflater : in dat geval moet die vergoeding worden opgenomen in het actief van de nalatenschap van de vergoedingsgerechtigde-erflater en belast aan het tarief van artikel 48 W.Succ.

2. Er is een vergoeding verschuldigd door de erflater aan het gemeenschappelijk vermogen : die vergoeding moet worden opgenomen in het passief van de nalatenschap van de vergoedingsverschuldigde-erflater. In het kader van de in artikel 60 quater bepaalde toerekeningsregels moet die vergoedingsschuld steeds worden beschouwd als een niet-specifieke schuld m.a.w. zij kan nooit worden beschouwd als een schuld om goederen van de nalatenschap te verkrijgen, te verbeteren of te bewaren. Op die manier worden alle vergoedingsschulden op dezelfde wijze behandeld, daar zij meestal het resultaat zijn van de bij artikelen 1437 en 1438 B.W. voorziene compensaties en in die gevallen de grond van de vergoeding niet meer rechtstreeks aanwijsbaar is.

HOOFDSTUK II. - Artikel 64 en 65 W.Succ.
Indien de erflater één of meerdere legaten van geldsommen, periodieke renten of pensioenen heeft bedongen moet daar voor de heffing in hoofde van de erfopvolgers die gehouden zijn tot uitvoering van die legaten mee rekening gehouden worden.

Vermits die bijzondere legaten steeds zullen belast worden in categorie van goederen belast aan het tarief van artikel 48, wordt het standpunt ingenomen dat de bijdrage in deze bijzondere legaten bij de toerekening overeenkomstig artikel 60 quater moet worden behandeld als een specifieke schuld van de goederen belast aan het tarief van artikel 48. De bijdrage in deze bijzondere legaten wordt dus, na toerekening van de bijdrage in het nalatenschapspassief, bij voorrang toegerekend op het actiefaandeel belast overeenkomstig artikel 48. Indien dit aandeel niet volstaat zal het saldo worden toegerekend op het actiefaandeel belast overeenkomstig artikel 60 bis en vervolgens op dit van het goed belast overeenkomstig artikel 60 ter.

HOOFDSTUK III. - Artikel 57 W.Succ.
Voor het successierecht wordt de in artikel 57 bepaalde belastingvermindering wegens overdracht door overlijden van goederen binnen hetzelfde jaar, toegepast over de abstracte waarde van de goederen en niet rekening houdend met de effectief dubbel overgedragen individuele goederen. Daarom moet men artikel 57 toepassen rekening houdend met het totale netto-actief van de nalatenschap en niet met de netto-aandelen per categorie van goederen (art. 48, art.60 ter, art.60 bis) en vervolgens ook met het totaal aan rechten berekend in hoofde van de betrokken erfopvolger en niet met de per categorie van goederen berekende rechten. Dit zowel voor de eerste als voor de tweede nalatenschap.

In het geval dat de betrokkenen globaal belast worden overeenkomstig tabel III en IV van artikel 48 moet artikel 57 op de globale groep worden toegepast. De aldus verminderde rechten worden vervolgens verhoudingsgewijs verdeeld over de verschillende erfopvolgers binnen die categorie. Wanneer één of meerdere van die globaal belaste erfopvolgers recht heeft op een vermindering op grond van artikel 56 W.Succ. (minstens drie kinderen jonger dan 21 jaar) moet die vermindering worden toegepast alvorens de vermindering van artikel 57 wordt toegepast. Na de globale toepassing van artikel 57 moet er dan bij de uitsplitsing van de rechten per erfopvolger over gewaakt dat het voordeel van de vermindering van artikel 56 niet ten goede komt aan de erfopvolger die geen recht heeft op de vermindering wegens kinderen jonger dan 21 jaar. Hiervoor kan men de volgende formule hanteren :



totale rechten na toepassing art. 56
doch vóór art. 57
= rechten erfopvolger met art. 56
doch vóór art. 57
totale rechten na toepassing art. 56 en 57rechten erfopvolger met art. 56art. 57
= rechten erfopvolger zonder art. 56
en vóór art. 57
rechten erfopvolger zonder art. 56art. 57




HOOFDSTUK IV. - Artikel 17 W.Succ.
De vermindering wegens in het buitenland betaalde successiebelasting op een aldaar gelegen onroerend goed (art.17) wordt steeds in laatste instantie berekend, dus na toepassing van de artikelen 54, 56 en of 57.

Het buitenlands gelegen onroerend goed behoort steeds tot de categorie van goederen die belast worden aan het tarief van artikel 48 W.Succ. vermits het nooit in aanmerking kan komen voor de toepassing van artikel 60bis of 60ter.

Indien de nalatenschap evenwel goederen bevat die aan verschillende tarieven worden onderworpen (art.60 bis, 60 ter, 48) en er tevens een abattement van artikel 54 moet worden toegekend, moet het abattement eerst worden uitgesplitst over de verschillende emolumenten van de goederen belast overeenkomstig art.48, 60 bis en of 60 ter en pas daarna de vermindering van artikel 17 worden berekend.

In het geval dat het buitenlands onroerend goed wordt verkregen door één of meer opvolgers die globaal worden belast (tabel III en IV art. 48) moet ook artikel 17 voor heel de tariefgroep worden toegepast. Als er bovendien nog een vermindering wegens kinderlast zoals bepaald in art. 56 moet worden toegekend gaat men tewerk zoals bij de toepassing van artikel 57, zie hoofdstuk III hiervoor.

HOOFDSTUK V. - Berekening van de proportionele boeten
Een overtreding begaan binnen één categorie van goederen (bv. verzuim van goederen belast aan het tarief van art.48, tekortschatting van het onroerend goed belast overeenkomstig art.60ter, …) kan door de invloed van de toerekeningsregels van artikel 60quater en/of de progressiviteitsregel van artikel 66ter en/of de spreiding van het abattement van artikel 54 over de verschillende tariefcategorieën tot gevolg hebben dat er ook voor de categorie goederen waar er geen overtreding werd begaan, bijrechten verschuldigd zijn. Daarom moet men voor het bepalen van de proportionele boete rekening houden met de totale bijrechten die na het rechtzetten van de overtreding verschuldigd zijn en niet enkel met de bijrechten verschuldigd in de categorie van goederen waar de overtreding werd begaan.

Indien er verschillende overtredingen werden begaan, die elk aanleiding geven tot verschillende proportionele boeten, is het noodzakelijk om de totale bijrechten evenredig te verdelen om aldus de desbetreffende boeten te bepalen.

Om de persoonlijke bijrechten te berekenen van de erfopvolgers die overeenkomstig tabel III en IV van art. 48 globaal worden belast mag men niet het totaal van de bijrechten evenredig verdelen in verhouding tot hun erfdeel maar moet men hun persoonlijk aandeel in de oorspronkelijke rechten aftrekken van hun persoonlijk aandeel in de bijkomende rechten.

Bij de erfopvolgers die globaal belast worden kan het namelijk voorkomen dat een erfopvolger, van wie het persoonlijk netto-erfdeel niet gewijzigd is na rechtzetting van de overtreding, toch bijrechten verschuldigd is. Vermits de artikelen 70 en 71 (aansprakelijkheid voor de rechten en boeten) niet werden gewijzigd blijft het zo dat :

- inzake de rechten en intresten, elke erfopvolger aansprakelijk is voor wat zijn deel betreft. De erfgenamen en algemene erfopvolgers zijn dus aansprakelijk in verhouding tot hun erfdeel voor de successierechten en intresten verschuldigd door de erfopvolgers onder algemene of bijzondere titel;

- inzake de boete, enkel de personen die de overtreding hebben begaan aansprakelijk zijn voor de boete wegens deze overtreding, waarbij elke overtreder aansprakelijk is in de mate dat hij tot betaling van de rechten kan worden gedwongen.

NAMENS DE MINISTER :
De adjunct-administrateur-generaal,

Paul NECKEBROECK



BIJLAGE 1


Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 31 december 2002
en errata (B.S. 20 januari 2003)



20 DECEMBER 2002. - Ordonnantie tot wijziging van het Wetboek der successierechten
De Brusselse Hoofdstedelijke Raad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.

Art. 2. Artikel 48 van het Wetboek der successierechten, vervangen bij de wet van 22 december 1977 en gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1980, wordt, vervangen als volgt :

« Art. 48. De rechten van successie en van overgang bij overlijden worden geheven volgens het tarief in de onderstaande tabellen aangeduid.

Tabel I bevat het tarief in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden. Dit tarief wordt per rechtverkrijgende toegepast op zijn aandeel in de belastbare waarde van de goederen.

Tabel II bevat het tarief tussen broers en zussen. Dit tarief wordt per rechtverkrijgende toegepast op zijn aandeel in de belastbare waarde van de goederen.

Tabel III bevat het tarief tussen ooms of tantes en neven of nichten. Dit tarief wordt toegepast op de samengenomen aandelen van die personen in de belastbare waarde van de goederen.

Tabel IV bevat het tarief tussen alle andere personen. Dit tarief wordt toegepast op de samengenomen aandelen van die personen in de belastbare waarde van de goederen.

Het bedrag waarop het tarief moet worden toegepast wordt opgesplitst volgens de schijven vermeld in kolom A van de toepasselijke tarieftabel. Van elk aldus bekomen bedrag wordt het overeenstemmende percentage in kolom B geheven. Kolom C vermeldt het totale bedrag van de belasting over de voorgaande gedeelten.



Tabel I
Tarief in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden

A

belastingschijven

B

per schijf
toepasselijk
heffingspercentage

C

totale bedrag van de belasting over de voorgaande schijven
van tot

0,01 EUR - 50.000 EUR

3%
50.000 EUR - 100.000 EUR

8%1.500 EUR
100.000 EUR - 175.000 EUR

9%5.500 EUR
175.000 EUR - 250.000 EUR

18%12.250 EUR
250.000 EUR - 500.000 EUR

24%25.750 EUR
boven de 500.000 EUR30%85.750 EUR



Tabel II
Tarief tussen broers en zussen

A

belastingschijven

B

per schijf
toepasselijk
heffingspercentage

C

totale bedrag van de belasting over de voorgaande schijven
van tot

0,01 EUR - 12.500 EUR

20%
12.500 EUR - 25.000 EUR

25%2.500 EUR
25.000 EUR - 50.000 EUR

30%5.625 EUR
50.000 EUR - 100.000 EUR

40%13.125 EUR
100.000 EUR - 175.000 EUR

55%33.125 EUR
175.000 EUR - 250.000 EUR

60%74.375 EUR
boven de 250.000 EUR65%119.375 EUR



Tabel III
Tarief tussen ooms of tantes en neven of nichten

A

belastingschijven

B

per schijf
toepasselijk
heffingspercentage

C

totale bedrag van de belasting over de voorgaande schijven
van tot

0,01 EUR - 50.000 EUR

35%
50.000 EUR - 100.000 EUR

50%17.500 EUR
100.000 EUR - 175.000 EUR

60%42.500 EUR
boven de 175.000 EUR70%87.500 EUR



Tabel IV
Tarief tussen alle andere personen

A

Belastingschijven
B

per schijf
toepasselijk
heffingspercentage

C

totale bedrag van de belasting over de voorgaande schijven
van tot

0,01 EUR - 50.000 EUR

40%
50.000 EUR - 75.000 EUR

55%20.000 EUR
75.000 EUR - 175.000 EUR

65%33.750 EUR
boven de 175.000 EUR80%98.750 EUR



Voor de toepassing van het voorgaande tarief en van de overige bepalingen van dit hoofdstuk wordt onder samenwonende verstaan, de persoon die zich in de toestand van wettelijke samenwoning bevindt in de zin van titel Vbis van het boek III van het Burgerlijk Wetboek. »

Art. 3. In artikel 48 2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980, worden in het eerste lid de volgende wijzigingen aangebracht :

1° de woorden « verkregen door de langstlevende echtgenoot » worden vervangen door de woorden « verkregen door de echtgenoot of de samenwonende »;

2° de woorden « de erflater of zijn echtgenoot » worden vervangen door de woorden « de erflater, de echtgenoot of de samenwonende ».

Art. 4. Artikel 50 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 oktober 1950, wordt vervangen als volgt :

« Art. 50. § 1. Voor de toepassing van het tarief in rechte lijn, wordt met een nakomeling van de erflater gelijkgesteld het kind van zijn echtgenoot of van een samenwonende die met de erflater geen band van verwantschap tot de derde graad heeft, op voorwaarde dat het kind, voor de leeftijd van 21 jaar, gedurende zes jaar zonder onderbreking, van de erflater of van de erflater en zijn echtgenoot of samenwonende tezamen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normalerwijze van hun ouders krijgen. Voor toepassing van hetzelfde tarief wordt met de vader of moeder van de erflater gelijkgesteld zijn of haar echtgenoot of samenwonende.

§ 2. Het tarief van het recht tussen echtgenoten en tussen samenwonenden is niet van toepassing, naargelang het geval, wanneer de echtgenoten uit de echt gescheiden of van tafel en bed gescheiden zijn of wanneer de wettelijke samenwoning een einde heeft genomen, tenzij de echtgenoten of de samenwonenden gemeenschappelijke kinderen of nakomelingen hebben. »

Art. 5. In artikel 52 2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1989, wordt de rubriek « 3° » van het tweede lid vervangen als volgt :

« 3° wanneer het adoptief kind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende zes jaar zonder onderbreking van de adoptant of van de adoptant en diens echtgenoot samen, dan wel van de adoptant en de persoon met wie hij samenwoont tezamen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normalerwijze van hun ouders krijgen; ».

Art. 6. In artikel 54 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 1977 en bij de wet van 22 december 1989, worden de woorden « 12.500 euro » vervangen door de woorden « 15.000 euro » en de woorden « 625 euro » vervangen door de woorden « 1.250 euro ».

Art. 7. Artikel 55 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 3 van 24 december 1980, wordt vervangen als volgt :

« Art. 55. Van de rechten van successie en van overgang bij overlijden worden vrijgesteld de legaten aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Brusselse Agglomeratie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, evenals de legaten aan de openbare instellingen van de vermelde publiekrechtelijke rechtspersonen. »

Art. 8. In artikel 56 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 22 december 1989, worden in het tweede lid de woorden « ten gunste van de overlevende echtgenoot » vervangen door de woorden « ten gunste van de echtgenoot of de samenwonende ».

Art. 9. § 1. In artikel 59, 1° van het Wetboek wordt toegevoegd, een lid toe te voegen, luidend :

« tot 6,60 t.h. voor de legaten aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, hun openbare instellingen en de openbare wetenschappelijke en culturele instellingen van de federale Staat bedoeld in artikel 6bis, § 2, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen. »

§ 2. In artikel 59, 2°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 13 augustus 1947, bij het koninklijk besluit van 12 september 1957, bij de wet van 23 december 1958, bij het koninklijk besluit van 27 juli 1961, bij de wet van 22 juli 1970 en bij de wet van 22 december 1989, worden de woorden « 8,80 t.h. » vervangen door de woorden « 25 t.h. ».

§ 3. In artikel 59 van hetzelfde Wetboek wordt een punt 3° toegevoegd, luidende :

« 3° Tot 12,5 t.h. van de legaten aan verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen zonder winstoogmerk die de federale erkenning kregen bedoeld in artikelen 104 en 110 van het Wetboek der Inkomstenbelastingen, tenzij ze een voordeliger tarief genieten overeenkomstig het Wetboek »

Art. 10. In artikel 60 bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de ordonnantie van 29 oktober 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° in § 1 worden de woorden « van het netto-erfdeel » vervangen door de woorden « van de nettowaarde van het aandeel van de erflater »;

2° § 3 wordt geschrapt.

Art. 11. Artikel 60 ter van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Artikel 60 ter. Wanneer de nalatenschap van de erflater tenminste een deel in volle eigendom van het gebouw inhoudt die de erflater op het ogenblik van zijn overlijden tenminste vijf jaar tot hoofdverblijfplaats heeft gediend en indien deze woning verkregen wordt door een erfgenaam in rechte lijn, door de echtgenoot of de samenwonende van de erflater, wordt het recht dat van toepassing is op de nettowaarde van zijn deel in deze woning, in afwijking van tabel I van het artikel 48, vastgesteld als volgt :

- op de eerste schijf van 50.000 euro : 2 %;
- op de schijf van 50.000 euro tot 100.000 euro : 5,3 %;
- op de schijf van 100.000 euro tot 175.000 euro : 6 %;
- op de schijf van 175.000 euro tot 250.000 euro : 12 %.

Voor de toepassing van deze bepaling wordt het bewijs van het feit dat de erflater zijn hoofdverblijfplaats had in het bedoelde gebouw, behoudens bewijs van het tegendeel, geleverd met een uittreksel uit het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister.

De aanspraak op het voordeeltarief gaat niet verloren wanneer de erflater zijn hoofdverblijfplaats in het bedoelde gebouw niet heeft kunnen behouden wegens overmacht. Onder overmacht wordt inzonderheid verstaan een staat van zorgbehoevendheid, ontstaan na de aankoop van de woning, waardoor de erflater in de onmogelijkheid verkeerde om in de woning, zelfs met hulp van zijn gezin of van een gezinshulporganisatie, in te staan voor zijn lichamelijk of geestelijk welzijn. »

Art. 12. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 60quater ingevoegd luidend als volgt :

« Art. 60 quater. Onder nettowaarde in de zin van de artikelen 60 bis en 60 ter, dient te worden verstaan de waarde van de in aanmerking genomen bestanddelen van activa, verminderd met het aannemelijk passief dat betrekking heeft op die bestanddelen van activa. Voor toepassing van deze regel wordt het aannemelijk passief afgetrokken van de waarde van de bestanddelen van activa van de nalatenschap in deze volgorde :

- eerst van de waarde van de bestanddelen van activa bedoeld in artikel 60 bis;
- vervolgens van de waarde van de bestanddelen van activa bedoeld in artikel 60 ter;
- tenslotte van de waarde van de overige goederen van de nalatenschap.

Indien de erfgenaam of legataris evenwel bewijst dat sommige schulden speciaal zijn gemaakt om goederen van de nalatenschap te verkrijgen, te verbeteren of te bewaren, worden die schulden afgetrokken van de waarde van die goederen. »

Art. 13. Artikel 66 ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de ordonnantie van 29 oktober 1998, wordt vervangen als volgt :

« Artikel 66 ter. In geval van toepassing van de artikelen 60 bis en 60 ter, worden de aandelen van de rechtverkrijgenden in de in die artikelen bedoelde nettowaarden, gevoegd bij hun aandeel in de belastbare waarde van de overige goederen, voor de toepassing van de progressieve tarieven van de 48" book="CATCH_ALL">482 op de overgang van deze overige goederen. »

Art. 14. Deze ordonnantie treedt in werking op 1 januari 2003.

Brussel, 20 december 2002.



De Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening,
Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek,
F.-X. de DONNEA

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
belast riet Openbare Werken, Vervoer, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
J. CHABERT

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
belast met Werkgelegenheid, Economie, Energie en Huisvesting,
E. TOMAS

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
belast met Financiën, Begroting, Ambtenarenzaken en Externe Betrekkingen,
G. VANHENGEL

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
belast met Leefmilieu en Waterbeleid, Natuurbehoud, Openbare Netheid en Buitenlandse Handel,
D. GOSUIN





BIJLAGE 2
Gecoördineerde teksten van de gewijzigde bepalingen
van het Wetboek der successierechten
Art. 48.

De rechten van successie en van overgang bij overlijden worden geheven volgens het tarief in de onderstaande tabellen aangeduid.

Tabel I bevat het tarief in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden. Dit tarief wordt per rechtverkrijgende toegepast op zijn aandeel in de belastbare waarde van de goederen.

Tabel II bevat het tarief tussen broers en zussen. Dit tarief wordt per rechtverkrijgende toegepast op zijn aandeel in de belastbare waarde van de goederen.

Tabel III bevat het tarief tussen ooms of tantes en neven of nichten. Dit tarief wordt toegepast op de samengenomen aandelen van die personen in de belastbare waarde van de goederen.

Tabel IV bevat het tarief tussen alle andere personen. Dit tarief wordt toegepast op de samengenomen aandelen van die personen in de belastbare waarde van de goederen.

Het bedrag waarop het tarief moet worden toegepast wordt opgesplitst volgens de schijven vermeld in kolom A van de toepasselijke tarieftabel. Van elk aldus bekomen bedrag wordt het overeenstemmende percentage in kolom B geheven. Kolom C vermeldt het totale bedrag van de belasting over de voorgaande gedeelten.

Tabel I
Tarief in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden

A

belastingschijven

B

per schijf
toepasselijk
heffingspercentage

C

totale bedrag van de belasting over de voorgaande schijven

van tot

0,01 EUR - 50.000 EUR

3%
50.000 EUR - 100.000 EUR

8%1.500 EUR
100.000 EUR - 175.000 EUR

9%5.500 EUR
175.000 EUR - 250.000 EUR

18%12.250 EUR
250.000 EUR - 500.000 EUR

24%25.750 EUR
boven de 500.000 EUR30%85.750 EUR


Tabel II
Tarief tussen broers en zussen

A

belastingschijven

B

per schijf
toepasselijk
heffingspercentage

C

totale bedrag van de belasting over de voorgaande schijven

van tot

0,01 EUR - 12.500 EUR

20%
12.500 EUR - 25.000 EUR

25%2.500 EUR
25.000 EUR - 50.000 EUR

30%5.625 EUR
50.000 EUR - 100.000 EUR

40%13.125 EUR
100.000 EUR - 175.000 EUR

55%33.125 EUR
175.000 EUR - 250.000 EUR

60%74.375 EUR
boven de 250.000 EUR65%119.375 EUR


Tabel III
Tarief tussen ooms of tantes en neven of nichten

A

belastingschijven

B

per schijf
toepasselijk
heffingspercentage

C

totale bedrag van de belasting over de voorgaande schijven

van tot

0,01 EUR - 50.000 EUR

35%
50.000 EUR - 100.000 EUR

50%17.500 EUR
100.000 EUR - 175.000 EUR

60%42.500 EUR
boven de 175.000 EUR70%87.500 EUR



Tabel IV
Tarief tussen alle andere personen

A

belastingschijven
B

per schijf
toepasselijk
heffingspercentage

C

totale bedrag van de belasting over de voorgaande schijven

van tot

0,01 EUR - 50.000 EUR

40%
50.000 EUR - 75.000 EUR

55%20.000 EUR
75.000 EUR - 175.000 EUR

65%33.750 EUR
boven de 175.000 EUR80%98.750 EUR


Voor de toepassing van het voorgaande tarief en van de overige bepalingen van dit hoofdstuk wordt onder samenwonende verstaan, de persoon die zich in de toestand van wettelijke samenwoning bevindt in de zin van titel Vbis van het boek III van het Burgerlijk Wetboek. »

Art. 48 2
Indien het erfdeel verkregen door de echtgenoot of de samenwonende of door een erfgenaam in de rechte lijn meer dan 250.000 euro bedraagt en geheel of gedeeltelijk bestaat uit activa die door de erflater, de echtgenoot of de samenwonende beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf dat door hen of door hen samen met een of meer van hun afstammelingen persoonlijk wordt geëxploiteerd, worden die activa, in de mate dat het erfdeel daardoor boven 250.000 euro uitstijgt, ter zake van het successierecht belast met 22 % tussen 250.000 en 500.000 euro en met 25 % boven de 500.000 euro.

Bovenstaande bepaling is slechts toepasselijk mits de exploitatie daadwerkelijk wordt voortgezet door de erfopvolgers van de erflater of door sommigen van hen.

De Koning regelt de toepassingsmodaliteiten van deze bepalingen.

Art. 50

§ 1. Voor de toepassing van het tarief in rechte lijn, wordt met een nakomeling van de erflater gelijkgesteld het kind van zijn echtgenoot of van een samenwonende die met de erflater geen band van verwantschap tot de derde graad heeft, op voorwaarde dat het kind, voor de leeftijd van 21 jaar, gedurende zes jaar zonder onderbreking, van de erflater of van de erflater en zijn echtgenoot of samenwonende tezamen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normalerwijze van hun ouders krijgen. Voor toepassing van hetzelfde tarief wordt met de vader of moeder van de erflater gelijkgesteld zijn of haar echtgenoot of samenwonende.

§ 2. Het tarief van het recht tussen echtgenoten en tussen samenwonenden is niet van toepassing, naargelang het geval, wanneer de echtgenoten uit de echt gescheiden of van tafel en bed gescheiden zijn of wanneer de wettelijke samenwoning een einde heeft genomen, tenzij de echtgenoten of de samenwonenden gemeenschappelijke kinderen of nakomelingen hebben.

Art. 52 2
Voor de toepassing van dit Wetboek wordt er geen rekening gehouden met de verwantschapsband voortspruitend uit de gewone adoptie.

Evenwel wordt, mits bewijs te verstrekken door de belanghebbenden, met deze adoptieve afstamming rekening gehouden:

1° wanneer het adoptief kind een kind is van de echtgenoot van de adoptant;

2° wanneer, op het ogenblik van de adoptie, het adoptief kind onder de voogdij was van de openbare onderstand of van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, of wees van een voor België gestorven vader of moeder;

3° wanneer het adoptief kind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende zes jaar zonder onderbreking van de adoptant of van de adoptant en diens echtgenoot samen, dan wel van de adoptant en de persoon met wie hij samenwoont tezamen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normalerwijze van hun ouders krijgen;

4° wanneer de adoptie gedaan werd door een persoon van wie al de afstammelingen voor België gestorven zijn.

Art. 54
Van het recht van successie wordt vrijgesteld:

1° hetgeen verkregen wordt door een door de wet tot de erfenis geroepen erfgenaam in de rechte lijn of tussen echtgenoten, ten belope van de eerste schijf van 15.000 euro. Dit abattement wordt ten gunste van de kinderen van de overledene die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, vermeerderd met 2.500 euro voor elk vol jaar dat nog moet verlopen tot zij de leeftijd van eenentwintig jaar bereiken en, ten gunste van de overlevende echtgenoot, met de helft der bijabattementen welke de gemene kinderen samen genieten;

2° hetgeen verkregen wordt door alle andere erfgenamen, legatarissen of begiftigden uit de erfenissen waarvan het zuiver bedrag 1.250 euro niet overschrijdt.

Art. 55
Van de rechten van successie en van overgang bij overlijden worden vrijgesteld de legaten aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Brusselse Agglomeratie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, evenals de legaten aan de openbare instellingen van de vermelde publiekrechtelijke rechtspersonen.

Art. 56
Het bedrag van het recht vereffend ten laste van de erfgenaam, legataris of begiftigde, die minstens drie kinderen in leven heeft die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hadden bereikt bij het openvallen van de nalatenschap, wordt verminderd met 2 % voor elk van deze kinderen, zonder dat de vermindering 62 euro per kind mag overschrijden.

Deze vermindering wordt, ten gunste van de echtgenoot of de samenwonende, gebracht op 4 % per kind dat de leeftijd van eenentwintig jaar niet had bereikt, zonder dat de vermindering 124 euro per kind mag overschrijden.

Voor de toepassing van dit artikel wordt het ontvangen kind voor zover het levensvatbaar geboren wordt, gelijkgesteld met het geboren kind.

Art. 59
De rechten van successie en van overgang bij overlijden worden verlaagd:

1° tot 6,60 % voor de legaten aan provinciën, gemeenten, provinciale en gemeentelijke openbare instellingen, instellingen van openbaar nut, aan de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en de Nationale Landmaatschappij alsmede de door hen erkende maatschappijen, aan de coöperatieve vennootschap "Woningfonds van de bond der kroostrijke gezinnen in België", aan de C.V. Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen, aan de C.V. Woningfonds van de kroostrijke gezinnen van Wallonië, aan de C.V. Woningfonds van de gezinnen van het Brusselse Gewest, aan de naamloze of samenwerkende maatschappijen die uitsluitend ten doel hebben leningen te doen met het oog op het bouwen, het aankopen of het inrichten van volkswoningen, kleine landeigendommen of daarmee gelijkgestelde woningen, alsmede de uitrusting ervan met geschikt meubilair, aan de door de Wet van 26 augustus 1913 opgerichte Nationale Maatschappij der Waterleidingen, aan de verenigingen gesticht volgens hetgeen voorzien is bij de Wetten van 18 augustus 1907 en 1 maart 1922 en aan de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;

tot 6,60 t.h. voor de legaten aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, hun openbare instellingen en de openbare wetenschappelijke en culturele instellingen van de federale Staat bedoeld in artikel 6bis, § 2, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen.

2° tot 25 t.h. voor de legaten gedaan aan de verenigingen zonder winstoogmerken, aan de aangenomen mutualiteitsverenigingen, aan de beroepsverenigingen en aan de internationale verenigingen met wetenschappelijk doel.

3° Tot 12,5 t.h. van de legaten aan verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen zonder winstoogmerk die de federale erkenning kregen bedoeld in artikelen 104 en 110 van het Wetboek der Inkomstenbelastingen, tenzij ze een voordeliger tarief genieten overeenkomstig het Wetboek.

Art. 60bis
§ 1. In afwijking van de 48" book="CATCH_ALL">482, wordt het recht van successie vastgesteld op 3 % op het netto-erfdeel in een kleine of middelgrote onderneming, voor zover de nalatenschap of de ontbinding van het huwelijksvermogenstelsel tengevolge van het overlijden:

1° het geheel der goederen omvat die een universaliteit van goederen, een bedrijfstak of een handelsfonds vormen waarmee de erflater of zijn echtgenote, op de dag van het overlijden, een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf, een vrij beroep, een ambt of een post uitoefende;

2° de volle eigendom bevat van aandelen van een vennootschap waarvan de zetel van werkelijke leiding gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie en die een nijverheis-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit of een vrij beroep exploiteert.

Het geheel van de overgedragen aandelen moet minstens 25 % van de stemrechten in de algemene vergadering vertegenwoordigen.

Indien het geheel van de overgedragen aandelen minder dan 50 % van de stemrechten in de algemene vergadering vertegenwoordigt, moet tevens een aandeelhoudersovereenkomst worden gesloten die betrekking heeft op minstens 50 % van de stemrechten in de algemene vergadering. In deze aandeelhoudersovereenkomst verbinden de partijen zich ertoe de voorwaarden bedoeld in paragraaf 5 na te leven.

§ 2. Onder kleine of middelgrote onderneming moet worden begrepen, een onderneming:

- met minder dan 250 werknemers;
- waarvan ofwel de jaaromzet 40 miljoen euro niet overschrijdt, ofwel het jaarlijks balanstotaal 27 miljoen euro niet overschrijdt;
- die het zelfstandigheidscriterium in acht neemt, volgens hetwelk een grote onderneming niet 25 % of weer van het kapitaal van de kleine of middelgrote onderneming in handen mag hebben.

§ 3. … [Opgeheven]

§ 4. Onder aandelen moet worden begrepen:

- aandelen of de maatschappelijke rechten in vennootschappen;

- de certificaten van aandelen of van maatschappelijke rechten, uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een lidstaat van de Europese Unie, ter vertegenwoordiging van aandelen of van maatschappelijke rechten in vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen, op voorwaarde dat:

- aan elk aandeel of maatschappelijk recht één certificaat beantwoordt;

- de rechtspersoon de verplichting heeft om dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en uiterlijk binnen een maand na de beslissing tot betaalbaarstelling door te storten aan de certificaathouder;

- de rechtspersoon de aandelen of de maatschappelijke rechten niet kan vervreemden zonder toestemming van de certificaathouder.

§ 5. De bepaling in § 1 is van toepassing op voorwaarde dat:

1° de hoofdactiviteit van de onderneming gedurende minstens vijf jaar na het overlijden wordt voortgezet in België;

2° het aantal werknemers tewerkgesteld in de onderneming, uitgedrukt in voltijdse eenheden, de eerste vijf jaar na het overlijden jaar na jaar voor minstens 75 % behouden blijft;

3° de activa belegd in een bedrijf of een vrij beroep, een ambt of een post bedoeld in § 1, 1°, of het maatschappelijk kapitaal van een vennootschap bedoeld in § 1, 2°, niet dalen door uitkeringen of terugbetalingen in de eerste vijf jaar na het overlijden.

De activa die belegd werden in de laatste drie jaar vóór het overlijden, komen voor de vermindering niet in aanmerking, tenzij de belegging van deze activa beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften.

Het kapitaal dat in de laatste drie jaar vóór het overlijden werd gestort, komt voor het verlaagd tarief niet in aanmerking, tenzij het beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften;

4° de erfopvolgers aan de bevoegde Ontvanger bij de aangifte van de nalatenschap een door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering uitgereikt attest overzenden dat bevestigt dat voldaan is aan de gestelde voorwaarden. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering bepaalt de modaliteiten waaronder dit attest aangevraagd, gecontroleerd en verstrekt wordt.

Bovendien moeten de erfopvolgers die de vermindering hebben genoten als bedoeld in dit artikel in de periode van vijf jaar na het overlijden jaarlijks het bewijs leveren dat er blijvend voldaan is aan de gestelde voorwaarden om het verminderde tarief te genieten. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering bepaalt de modaliteiten van dit jaarlijks bewijs.

Art. 60ter
Wanneer de nalatenschap van de erflater tenminste een deel in volle eigendom van het gebouw inhoudt die de erflater op het ogenblik van zijn overlijden tenminste vijf jaar tot hoofdverblijfplaats heeft gediend en indien deze woning verkregen wordt door een erfgenaam in rechte lijn, door de echtgenoot of de samenwonende van de erflater, wordt het recht dat van toepassing is op de nettowaarde van zijn deel in deze woning, in afwijking van tabel I van het artikel 48, vastgesteld als volgt :

- op de eerste schijf van 50.000 euro : 2 %;
- op de schijf van 50.000 euro tot 100.000 euro : 5,3 %;
- op de schijf van 100.000 euro tot 175.000 euro : 6 %;
- op de schijf van 175.000 euro tot 250.000 euro : 12 %.

Voor de toepassing van deze bepaling wordt het bewijs van het feit dat de erflater zijn hoofdverblijfplaats had in het bedoelde gebouw, behoudens bewijs van het tegendeel, geleverd met een uittreksel uit het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister.

De aanspraak op het voordeeltarief gaat niet verloren wanneer de erflater zijn hoofdverblijfplaats in het bedoelde gebouw niet heeft kunnen behouden wegens overmacht. Onder overmacht wordt inzonderheid verstaan een staat van zorgbehoevendheid, ontstaan na de aankoop van de woning, waardoor de erflater in de onmogelijkheid verkeerde om in de woning, zelfs met hulp van zijn gezin of van een gezinshulporganisatie, in te staan voor zijn lichamelijk of geestelijk welzijn.

Art. 60quater
Onder nettowaarde in de zin van de artikelen 60 bis en 60 ter, dient te worden verstaan de waarde van de in aanmerking genomen bestanddelen van activa, verminderd met het aannemelijk passief dat betrekking heeft op die bestanddelen van activa. Voor toepassing van deze regel wordt het aannemelijk passief afgetrokken van de waarde van de bestanddelen van activa van de nalatenschap in deze volgorde :

- eerst van de waarde van de bestanddelen van activa bedoeld in artikel 60 bis;
- vervolgens van de waarde van de bestanddelen van activa bedoeld in artikel 60 ter;
- tenslotte van de waarde van de overige goederen van de nalatenschap.

Indien de erfgenaam of legataris evenwel bewijst dat sommige schulden speciaal zijn gemaakt om goederen van de nalatenschap te verkrijgen, te verbeteren of te bewaren, worden die schulden afgetrokken van de waarde van die goederen.

Art. 66ter
In geval van toepassing van de artikelen 60 bis en 60 ter, worden de aandelen van de rechtverkrijgenden in de in die artikelen bedoelde nettowaarden, gevoegd bij hun aandeel in de belastbare waarde van de overige goederen, voor de toepassing van de progressieve tarieven van de 48" book="CATCH_ALL">482 op de overgang van deze overige goederen.