Circulaire 2017/C/19 betreffende het Waals begrotingsdecreet van 21 december 2016 inzake successierechten

Administratieve commentaar met betrekking tot het decreet van 21 december 2016 houdende de algemene ontvangstenbegroting van het Waals Gewest voor het begrotingsjaar 2017 – Successierechten – Overdracht van landbouwgronden (art. 60bis, W.Suc.W.Gew.)

Waals Gewest ; successorale overdracht ; landbouwgrond

FOD Financiën, 07.04.2017
Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie – Successierechten

Inhoudstafel

I. Inleiding

II. Begrotingsdecreet

III. Verlenging van de maatregelen opgenomen in het decreet van 17 december 2015

IV. Inwerkingtreding

Bijlage 1

Bijlage 2

I. Inleiding

Het Belgisch Staatsblad van 29 december 2016 (Ed. 2, p. 91126) heeft het decreet van 21 december 2016 houdende de algemene ontvangstenbegroting van het Waals Gewest voor het begrotingsjaar 2017 (hierna: het begrotingsdecreet) gepubliceerd.

Het “begrotingsdecreet” heeft een aantal maatregelen genomen inzake registratierechten en successierechten. Met betrekking tot dit laatste, heeft het de bepalingen van het begrotingsdecreet van 17 december 2015 verlengd, in het bijzonder bepaalde voorschriften inzake de overdracht door overlijden tegen nul-tarief van landbouwgronden.

Deze circulaire geeft kort toelichting bij de wijzigingen die zijn aangebracht aan de bepalingen inzake successierecht. Een andere circulaire geeft toelichting bij de maatregelen inzake registratierecht.

Aangezien het een begrotingsdecreet is, gelden deze fiscale maatregelen slechts voor het jaar 2017. De parlementaire voorbereiding bevat geen enkele memorie van toelichting.

De tekst van het Waals decreet inzake het W.Succ.W.Gew. is opgenomen als bijlage 1. De geconsolideerde tekst van het gewijzigde artikel is opgenomen als bijlage 2 en op www.fisconetplus.be.

De wijzigingen zijn in werking getreden op 1 januari 2017.

II. Begrotingsdecreet

Het decreet van 17 december 2015 houdende de algemene ontvangstenbegroting van het Waals Gewest voor het begrotingsjaar 2016 (B.S., 30 december 2015, Ed. 2, p. 81390), was een begrotingsdecreet. Als gevolg van het annaliteitsbeginsel inzake begroting, waren de fiscale maatregelen vervat in het decreet slechts geldig gedurende het begrotingsjaar 2016.

Het Belgisch Staatsblad van 29 december 2016 (Ed. 2, p. 91126) heeft het decreet van 21 december 2016 houdende de algemene ontvangstenbegroting van het Waals Gewest voor het begrotingsjaar 2017 (hierna: het begrotingsdecreet) gepubliceerd.

Sinds 1 januari 2017 in werking zijnde, heeft het begrotingsdecreet bepaalde voorschriften inzake de overdracht door overlijden tegen nul-tarief van landbouwgronden verlengd (art. 19-21 begrotingsdecreet).

III. Verlenging van de maatregelen opgenomen in het decreet van 17 december 2015

De algemene regel werd bevestigd. De overdracht door overlijden van landbouwgronden aan de uitbater of mede-uitbater van de activiteit die er uitgeoefend wordt, alsook in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen wettelijk samenwonenden blijft beschouwd als een overdracht van goederen die een universaliteit van goederen, een bedrijfstak of een handelszaak vormen, op voorwaarde dat die gronden het voorwerp van een pacht uitmaken (art. 60bis, § 1, 1°, derde lid W.Succ.W.Gew.), en de voorwaarde van voorafgaande overdracht van de landbouwactiviteit die op de overgedragen gronden wordt uitgeoefend, wordt bevestigd.

Ook de vormvoorwaarden (attest afgeleverd door de administratie en afgifte door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden aan de ontvanger – art. 60bis, § 1bis, 3°, W.Succ.W.Gew.) en de voorwaarden voor het behoud (art. 60bis, § 3, W.Succ.W.Gew.) zijn niet gewijzigd (zie Circ. nr. 5/2010 van 26 maart 2010, www.fisconetplus.be).

Vervolgens werd ook het tarief van 3 % (in plaats van 0 %) verlengd voor de overdracht van landbouwgronden die een oppervlakte hebben van meer dan 150 hectare. Om te bepalen of de drempel van 150 hectaren wordt overschreden, wordt rekening gehouden met de gronden verkregen door overlijden en gronden overgedragen door schenking binnen de vijf jaren voorafgaand aan het overlijden (art. 60bis, § 1, 1°, derde lid nieuw W.Succ.W.Gew.).

Ten slotte, de duur van de noodzakelijke exploitatie van het deel van de overgedragen landbouwgronden dat 150 hectaren overtreft, werd van 5 op 15 jaar gebracht, te rekenen vanaf het overlijden (art. 60bis, § 1, 1°, derde lid W.Succ.W.Gew.).

Voor de administratieve commentaar wordt verwezen naar Circ. AAPD nr. 6/2016 van 25 juli 2016 (www.fisconetplus.be).

IV. Inwerkingtreding

De wijzigingen inzake de overdracht door overlijden van landbouwgronden zijn van toepassing op alle nalatenschappen opengevallen vanaf 1 januari 2017 (art. 29 begrotingsdecreet). Zij gelden enkel voor het begrotingsjaar 2017.

Bijlage 1

WAALS GEWEST – 21 DECEMBER 2016 – Decreet houdende de algemene ontvangstenbegroting van het Waals Gewest voor het begrotingsjaar 2017 (1)

Uittreksel B.S. (29 december 2016, 2de ed., p. 91126)

HOOFDSTUK III. – Maatregelen inzake successierechten

Art. 19. In artikel 60bis van het Wetboek der Successierechten, wordt paragraaf 1, 1°, derde lid, ingevoegd bij het decreet van 17 december 1997, vervangen bij het decreet van 15 december 2005, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009, gewijzigd bij het decreet van 10 december 2009, gewijzigd bij het decreet van 10 mei 2012, vervangen als volgt:

« In geval van successorale overdracht van landbouwgronden aan de uitbater of medeuitbater van de landbouwactiviteit die er uitgeoefend wordt, alsook in rechtstreekse lijn, tussen echtgenoten en wettelijke samenwonenden, worden die gronden, naar aanleiding van de overdracht van elke quotiteit van de landbouwactiviteit die er uitgeoefend wordt, desalniettemin beschouwd als goederen die een universaliteit van goederen, een bedrijfstak of een handelsfonds uitmaken, waarmee de schenker alleen of samen met andere personen op de overlijdensdatum een landbouwactiviteit uitoefent op voorwaarde dat die gronden op de overlijdensdatum het voorwerp van een pacht uitmaken overeenkomstig Afdeling 3 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval is de onderneming, in de zin van de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1bis, en in paragraaf 3, 1°, 2° en 3°, het landbouwbedrijf van de effectieve uitbater van de landbouwactiviteit die op die gronden uitgeoefend wordt, waarbij die onderneming beschouwd wordt in haar geheel en in haar toestand na overdracht van de gronden. Voor de overdracht van landbouwgronden van een oppervlakte groter dan 150 ha, wordt het tarief bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, echter gebracht tot 3 % en de landbouwkundige exploitatievoorwaarde van deze gronden wordt gebracht tot 15 jaar vanaf de overlijdensdatum. Voor de bepaling van deze 150 ha, wordt er rekening gehouden met de gronden die door schenking zijn overgedragen binnen de 5 voorgaande jaren vóór de overlijdensdatum gecumuleerd met de gronden ontvangen bij erfopvolging. ».

Art. 20. In artikel 60bis van hetzelfde Wetboek wordt het eerste lid van paragraaf 4, ingevoegd bij decreet van 3 februari 2005, vervangen bij decreet van 15 december 2005, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009, aangevuld met wat volgt:

« en in geval van een successorale overdracht bedoeld in paragraaf 1, 1°, derde lid, als ze ophouden hebben met de exploitatie vóór het verstrijken van de termijn van vijftien jaar voorgeschreven bij paragraaf 1, 1°, derde lid, het geheel of een gedeelte van de gronden bedoeld in paragraaf 1, 1°, derde lid. ».

Art. 21. In artikel 60bis van hetzelfde Wetboek, wordt paragraaf 5 aangevuld met een derde lid, luidend als volgt:

« Het eerste lid en het tweede lid zijn mutatis mutandis van toepassing op het stelsel ingesteld bij paragraaf 1, 1°, derde lid, vóór het verstrijken van de termijn van vijftien jaar bedoeld bij deze bepaling. ».

(…)

HOOFDSTUK VI. – Slotbepalingen

Art. 29. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2017.

(…)

Bijlage 2

W. Suc. W. Gew. – Geconsolideerde teksten(1)


(1) Wijzigingen worden vet gedrukt.

HOOFDSTUK VII - VRIJSTELLINGEN EN VERMINDERINGEN

AFDELING II – Verminderingen

(…)

Artikel 60bis

§ 1. In afwijking van artikel 48 wordt het successierecht en het recht van overgang bij overlijden verlaagd tot 0 % voor het verkrijgen van een nettoaandeel in een onderneming, indien de erfopvolging of de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel ten gevolge van het overlijden:

1° een zakelijk recht bevat op goederen die een universaliteit van goederen of een bedrijfstak of een handelszaak uitmaken, waarmee de de cujus alleen of samen met andere personen op de dag van het overlijden een nijverheids-, handels-, ambachts-, landbouw- of bosbouwactiviteit, een vrij beroep of een ambt of post uitoefende.

Het in de artikelen 48 tot 60 en 60ter vastgestelde recht blijft niettemin toepasselijk op de overdrachten van zakelijke rechten op onroerende goederen die geheel tot bewoning worden aangewend op het ogenblik van het overlijden. Het in artikel 48 vastgestelde recht blijft eveneens toepasselijk op de overdrachten van zakelijke rechten op onroerende goederen die gedeeltelijk tot bewoning worden aangewend op het ogenblik van het overlijden, in de mate van de verkoopwaarde van het deel van het onroerend goed dat voor bewoning wordt aangewend in verhouding tot de totale verkoopwaarde van het onroerend goed.

In geval van successorale overdracht van landbouwgronden aan de uitbater of medeuitbater van de landbouwactiviteit die er uitgeoefend wordt, alsook in rechte lijn, tussen echtgenoten en wettelijke samenwonenden, na de overdracht van elke quotiteit van de landbouwactiviteit die er uitgeoefend wordt, worden die gronden desalniettemin beschouwd als goederen die een universaliteit van goederen, een bedrijfstak of een handelszaak uitmaken, waarmee de overledene alleen of samen met andere personen op de overlijdensdatum een landbouwactiviteit uitoefende op voorwaarde dat die gronden op de overlijdensdatum het voorwerp van een pacht uitmaken overeenkomstig afdeling 3 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval is de onderneming, in de zin van de voorwaarden bedoeld in § 1bis, 1°, en in § 3, 1°, 2° en 3°, het landbouwbedrijf van de effectieve uitbater van de landbouwactiviteit die op die gronden uitgeoefend wordt, waarbij die onderneming beschouwd wordt in haar geheel en in haar toestand na overdracht van de gronden. Voor de overdracht van landbouwgronden met een oppervlakte groter dan 150 ha, wordt het tarief bedoeld in § 1, eerste lid, echter gebracht tot 3 % en de voorwaarde van landbouwexploitatie van deze gronden wordt gebracht tot 15 jaar vanaf de overlijdensdatum. Voor de bepaling van deze 150 ha, wordt er rekening gehouden met de gronden die door schenking zijn overgedragen binnen de 5 jaar vóór de overlijdensdatum gecumuleerd met de gronden verkregen bij erfopvolging.

2° een zakelijk recht bevat op :

  1. a) effecten van een vennootschap waarvan de effectieve directiezetel gevestigd is in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die zelf of samen met haar dochtervennootschappen als hoofdberoep een industriële, handels-, ambachts-, landbouw- of bosbouwonderneming uitbaat of een vrij beroep, een ambt of een post uitoefent, op geconsolideerde basis voor de vennootschap en haar dochtervennootschappen, voor het lopende boekjaar van de vennootschap en voor elk der beide laatste boekjaren van de vennootschap, afgesloten op het ogenblik van het overlijden van de de cujus;

  2. b) schuldvorderingen op een in voorgaande a) bedoelde vennootschap.

§ 1bis. De vermindering van het recht, vastgesteld bij § 1, wordt ondergeschikt gemaakt aan de naleving van gezamenlijke volgende voorwaarden:

1° het dient een onderneming te betreffen, ofwel in hoofde van de in § 1, 1° bedoelde onderneming, ofwel in hoofde van de vennootschap zelf of van de vennootschap en van haar dochtervennootschappen bedoeld in § 1, 2°, a):

  • – die op de datum van het overlijden personeel aangeworven op grond van een arbeidscontract in de Europese Economische Ruimte tewerkstelt;

  • – ofwel waarin de uitbater(s) en hun echtgenote, hun wettelijk samenwonende, hun bloed- en aanverwanten in de eerste graad de enige in de Europese Economische Ruimte tewerkgestelde werknemers van de onderneming zijn, aangesloten zijn bij een Sociale Verzekeringskas voor Zelfstandigen op de datum van het overlijden;

2° als het gaat om de effecten en schuldvorderingen bedoeld in § 1, 2°, moeten de volgende voorwaarden vervuld worden:

  • – het geheel van de overgedragen effecten moet op de overlijdensdatum minstens 10 % van de stemrechten in de algemene vergadering bedragen;

  • – als het geheel van de bij bedoelde successie overgedragen effecten minder bedraagt dan 50 % van de stemrechten in de algemene vergadering, moet bovendien een aandeelhoudersovereenkomst gesloten worden voor een minimumperiode van vijf jaar die ingaat op de overlijdensdatum, en betrekking hebben op minstens 50 % van de stemrechten in de algemene vergadering. Door het sluiten van deze overeenkomst verplichten de partijen zich ertoe te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in § 3.

Dit streepje is evenwel niet toepasselijk als het geheel van de stemrechten van de algemene vergadering in het bezit van de overledene, zijn echtgeno(o)t(e) of wettelijke samenwonende, door de bloedverwanten in de opgaande lijn of de afstammelingen van de overledene en zijn echtgeno(o)t(e) of wettelijke samenwonende, alsook hun echtgenoten of wettelijke samenwonenden, door broers en zusters van de overledene en zijn echtgeno(o)t(e) of wettelijke samenwonende, alsook hun echtgenoten of wettelijke samenwonenden, en door de afstammelingen van de broers en zusters van de overledene en zijn echtgeno(o)t(e) of wettelijke samenwonende, alsook hun echtgenoten of wettelijke samenwonenden, minstens 50 % bereikt op de dag van het overlijden;

3° de erfgenamen, legatarissen en begiftigden die om de toepassing van het verlaagde recht verzoeken, dienen de bevoegde ontvanger een attest afgeleverd door de regering van het Waals Gewest over te maken waarin bevestigd wordt dat de vereiste voorwaarden voor de daarin vermelde erfgenamen, legatarissen en begiftigden vervuld zijn. Wanneer het attest niet overgemaakt wordt aan de ontvanger uiterlijk tezelfdertijd als de successieaangifte, worden de rechten berekend tegen het tarief van de artikelen 48 tot 60 en 60ter onder voorbehoud van een teruggave onder de voorwaarden van artikel 135, 8°, in welk geval artikel 60bis van toepassing is op de goederen waarvoor het recht teruggegeven wordt.

Voor de toepassing van dit artikel worden die erfgenamen, legatarissen en begiftigden die om de toepassing van het verlaagde recht verzoeken en die houder van dat attest zijn, ″opvolgers″ genoemd.

De wijze waarop dat attest wordt aangevraagd en afgeleverd, evenals de stukken die erbij gevoegd dienen te worden, worden door de regering van het Waals Gewest bepaald.

§ 1ter. Onder ″effecten″ wordt verstaan:

a. de aandelen, winstaandelen, intekeningsrechten en winstbewijzen van een vennootschap;

b. de certificaten die betrekking hebben op effecten bedoeld onder a.

  • – wanneer ze worden uitgegeven door rechtspersonen die gevestigd zijn in één van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte en die houder zijn van de effecten waarop de certificaten betrekking hebben;

  • – wanneer de uitgever van de certificaten alle rechten gebonden aan de effecten waarop ze betrekking hebben, met inbegrip van het stemrecht, uitoefent;

  • – en wanneer dit certificaat bepaalt dat zijn titularis elk product of inkomen gebonden aan de effecten onderworpen aan de certificering van de uitgever van de effecten kan eisen.

§ 1quater. Onder ″schuldvorderingen″ wordt verstaan elke geldlening al dan niet in de vorm van effecten, gegeven door de overledene aan een vennootschap waarvan hij aandelen of effecten bezit, wanneer deze lening rechtstreeks is gebonden aan de behoeften van de industriële, handels-, ambachts-, landbouw- of bosbouwactiviteit, van het vrij beroep of van het ambt of post uitgeoefend ofwel door de vennootschap ofwel door de vennootschap zelf en haar dochtervennootschappen.

De bovenvermelde schuldvorderingen worden evenwel uitgesloten voor zover het totale nominale bedrag van de schuldvorderingen hoger is dan het deel van het sociaal kapitaal dat werkelijk vrijgemaakt wordt en dat niet het voorwerp uitmaakt van een vermindering, noch van een terugbetaling in hoofde van de overledene op de datum van diens overlijden. De andere winsten dan de verdeelde en als dusdanig belaste winsten die in het kapitaal worden ingelijfd, worden niet beschouwd als vrijgemaakt kapitaal.

§ 2. Onder nettoaandeel dient de waarde te worden verstaan van het geheel van de zakelijke rechten op de goederen bedoeld in § 1, 1°, of de waarde van de zakelijke rechten op de effecten of schuldvorderingen bedoeld in § 1, 2°, verminderd met de schulden en de begrafeniskosten verstaan, met uitsluiting van:

  • – de schulden die in het bijzonder betrekking hebben op andere goederen dan die welke zijn overgedragen met toepassing van het verlaagde recht;

  • – de schulden die in het bijzonder betrekking hebben op een onroerend goed dat gedeeltelijk is overgedragen met toepassing van het verlaagde recht, gezien de gedeeltelijke bestemming ervan als woning, in dezelfde verhouding als die, welke bestaat tussen het aandeel in dat deel van het onroerend goed dat voor bewoning wordt bestemd en de totale verkoopwaarde van het onroerend goed.

§ 3. Het verlaagde recht van § 1 wordt enkel behouden op voorwaarde dat:

1° de onderneming verder actief blijft zoals toegelaten bij § 1 tijdens minstens vijf jaar te rekenen van de datum van het overlijden van de de cujus, ofwel als onderneming zoals bedoeld in § 1, 1°, ofwel als onderneming zelf of als onderneming samen met haar dochtervennootschappen bedoeld in artikel § 1, 2°, a);

2° het totaal aantal werknemers en het totaal aantal zelfstandigen die voldoen aan de voorwaarden van § 1bis, 1°, waarbij dat totaal aantal uitgedrukt wordt in voltijdse eenheden, tijdens de vijf eerste jaren te rekenen van het overlijden van de cujus in jaargemiddelden op minstens 75 pct. van zijn bestand behouden blijft, ofwel als onderneming zelf bedoeld in § 1, 1°, of als onderneming zelf samen met haar eventuele dochtervennootschappen bedoeld in § 1, 2°, a).

Dat gemiddelde wordt berekend door het totaal van de jaargemiddelden van de voltijdse eenheden door 5 te delen voor de bovenvermelde vijf jaar.

Als een jaargemiddelde van de voltijdse eenheden geen geheel getal is, wordt het afgerond naar beneden of naar boven al naar gelang zijn eerste decimaal al dan niet gelijk is aan of hoger is dan 5;

3° het tegoed dat in een activiteit, een vrij beroep of een ambt of post zoals bedoeld in § 1, 1°, geïnvesteerd wordt of het maatschappelijk kapitaal van een vennootschap bedoeld in § 1, 2°, niet afnemen ten gevolge van vooruitnemingen of verdelingen tijdens de vijf eerste jaren te rekenen van de authentieke schenkingsakte;

4° de opvolgers die niet aangeboden hebben om het verschuldigde recht zoals bedoeld in § 5 te betalen, na afloop van de periode van vijf jaar na het overlijden bedoeld onder de nrs. 1° tot en met 3° hierboven, een ondertekend attest verstrekken waaruit blijkt dat de voorwaarden bedoeld onder de nrs. 1° tot en met 3° hierboven en in lid 2 verder nageleefd worden. De wijze waarop dat attest wordt opgemaakt, wordt door de regering van het Waals Gewest bepaald;

5° bij elke vordering door de personeelsleden aangewezen door de Waalse regering tijdens de periode van vijf jaar na het overlijden bedoeld onder de nrs. 1° tot en met 3° hierboven, delen de opvolgers die niet aangeboden hebben om het verschuldigde recht te betalen zoals bedoeld in § 5 schriftelijk binnen de maand na de datum waarop de aanvraag is verstuurd, waarbij die termijn om gegronde redenen verlengd kan worden, de bestanddelen aan de hand waarvan vastgesteld kan worden dat de voorwaarden om in aanmerking te komen voor het verlengde recht verder nageleefd worden indien uit aanwijzingen kan blijken dat de voorwaarden bedoeld onder de nrs. 1° tot en met 3° hierboven of in lid 2, niet meer vervuld zouden zijn.

In de aanvraag worden de aanwijzingen waaruit kan blijken dat de voorwaarden bedoeld onder de nrs. 1° tot en met 3° hierboven of in lid 2, niet meer vervuld zouden zijn, nader bepaald.

Wat betreft de zakelijke rechten op onroerende goederen die met het voordeel van het verlaagde recht zoals bedoeld in artikel § 1, 1°, worden overgedragen, wordt dat verlaagde recht enkel behouden op voorwaarde dat die onroerende goederen niet bestemd worden voor bewoning, noch geheel noch gedeeltelijk, tijdens een ononderbroken duur van vijf jaar te rekenen van de datum van het overlijden van de de cujus. Indien de bewoning van het onroerend goed dat met het voordeel van het verlaagde recht gedeeltelijk overgedragen wordt, een nieuwe of bijkomende bestemming krijgt, wordt het verlaagd recht enkel ingetrokken in de mate van de verkoopwaarde van het deel van het onroerend goed dat de nieuwe of de bijkomende bestemming als bewoning kreeg, in verhouding tot de totale verkoopwaarde van het onroerend goed dat is overgedragen met het voordeel van het verlaagde recht.

§ 4. Behalve in geval van overmacht wordt het overeenkomstig de artikelen 48 tot en met 60 en 60ter verschuldigde recht ten laste van de opvolgers eisbaar vanaf het ogenblik waarop de voorwaarden van § 3 niet meer vervuld zijn, behalve voor de opvolgers die gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om voor te stellen om het bij § 5, leden 1 en 2, bepaalde verschuldigde recht, vóór dat ogenblik te betalen en in geval van een successorale overdracht bedoeld in § 1, 1°, derde lid, als ze opgehouden hebben met de exploitatie van het geheel of een gedeelte van de gronden bedoeld in § 1, 1°, derde lid vóór het verstrijken van de termijn van vijftien jaar voorgeschreven bij § 1, 1°, derde lid.

Indien het overeenkomstig de artikelen 48 tot en met 60 en 60ter verschuldigde recht eisbaar wordt overeenkomstig vorig lid, moeten de opvolgers bij het kantoor waar het verlaagd recht geheven is, een nieuwe aangifte in de zin van artikel 37 indienen binnen de termijn van artikel 40 te rekenen van het verstrijken van het jaar waarin één van de oorzaken van de verschuldigdheid van dat recht opgetreden is.

§ 5. Elke opvolger die in aanmerking is gekomen voor de verlaging van het recht kan voorstellen om het verschuldigde recht te betalen overeenkomstig de artikelen 48 tot en met 60 en 60ter vóór verstrijken van de termijn van vijf jaar waarin de voorwaarden van § 3 in stand gehouden moeten worden en vóór aanbreken van het ogenblik vermeld in § 4, lid 1.

In dit geval moet de opvolger die in aanmerking is gekomen voor de verlaging van het recht bij het kantoor waar het verschuldigde recht geheven is, een nieuwe aangifte in de zin van artikel 37 indienen waarmee de samenstelling en de waarde van de goederen waarvoor hij het overeenkomstig de artikelen 48 tot en met 60 en 60ter wenst te betalen, bepaald wordt.

Het eerste lid en het tweede lid zijn mutatis mutandis van toepassing op het stelsel ingesteld bij § 1, 1°, derde lid, vóór het verstrijken van de termijn van vijftien jaar bedoeld bij deze bepaling.

§ 6. De verklaringen bepaald bij de §§ 4 en 5, ondertekend door de betrokken opvolger(s), worden in twee exemplaren opgemaakt, waarvan één in het registratiekantoor blijft en het andere, voorzien door het registratiekantoor van een bericht van ontvangst van die nieuwe verklaring, door de betrokken opvolger(s) verstuurd wordt naar de dienst van de Waalse regering die het attest bedoeld in § 1bis, 3° afgeleverd heeft.

In die verklaringen worden naam, voornaam, geboorte- en overlijdensdatum en laatste woonplaats van de de cujus vermeld, evenals het nieuwe feit waardoor de verschuldigdheid van het overeenkomstig de artikelen 48 tot en met 60 en 60ter verschuldigde recht en alle bestanddelen die noodzakelijk zijn voor de vereffening van de belasting, bepaald wordt.

Interne ref.: dossier nr. L 331W